Part 4
„’t Is wel jammer, dat de Zigeuner (en niet onverdiend) in een slechten reuk staat. Hij heet lui, vuil en verbazend diefachtig,” vervolgde Grootvader. „Toch brengt hij den ketel, die hem ter reparatie is toevertrouwd, wel eens terug. De zigeunerkindertjes zijn schattig om te zien, maar ze leeren ook al jong alles weg te kapen, wat ze vangen en grijpen kunnen, wanneer dit ongemerkt gebeuren kan.”
„Hé,” riep Tobi en haar oogen straalden, „behalve, dat ik niet zoo gemeen wou stelen, zou ik wel een Zigeuner willen zijn. Jij niet, Eric?”
„Voor een poosje wat graag,” stemde Eric toe, „zalig in zoo’n wagen voort te trekken....” Maar toen bedacht hij: „Grootpa, waar gaan die kinderen school en zoo? Leeren ze niks?”
„’k Vrees, dat ’t leeren er treurig bij inschiet, vent, met dat eeuwig reizen en trekken. Neen Tobiaantje, ’t zou jou ook niks meevallen zigeunermeisje te zijn. Je trekt je neusje nou al op voor een onschuldig preitje in de sla, en waar zou je dan wel heen moeten? Want Zigeuners zijn dol op knoflook, en koken dat smakelijk, welriekend kruid overal door heen, hebben ze me wel eens verteld.... En nou tenslotte wat goeds van dat vreemde volkje. Ze hebben één groote gave op bijna alle andere menschen vooruit: ze zijn onbegrijpelijk muzikaal, en spelen b.v. prachtig viool, zonder ooit een noot muziek te hebben geleerd. Die kunst schijnt bij hen overerfelijk, en ’t is bepaald een wonder.”
„Maar Eric speelt toch ook erg mooi, hé Grootpa?” verkondigde Tobi, „al is hij bij toeval geen Zigeuner.”
„Hé, Tobi, schei toch uit,” riep Eric een beetje boos.
„Eric speelt heel goed voor zijn leeftijd,” stemde Grootpa toe, „maar zonder zijn lessen.... hij moet ook nog veel leeren.
„Een Zigeunerkereltje dat muzikaal is, weet van zelf, zonder ooit les genomen te hebben, hoe hij spelen moet. De Zigeuner schijnt een uitstekend gehoor te hebben. Hoe dat nu mogelijk is moet je mij niet vragen. Eens hebben Grootma en ik een Zigeuner-orkest hooren spelen, en ’t was prachtig, dat is alles wat ik er van zeggen kan.
„Maar daar hoor ik de auto van mijnheer Driot, die zou jullie komen halen. Grootma heeft dat alles per telefoon in orde gebracht; Juf komt mee.”
„Hoera,” riep Eric, „jullie brengt ons dus thuis, hé, lieve aap?”
Juf had voor al de kinderen bovenkleeren meegebracht. Met veel drukte en gelach werd er op nieuw toilet gemaakt. Dankbaar en voldaan reed ’t troepje heen, en Eric zei, uit den grond van zijn hart: „’t Is toch altijd maar eenig leuk in de Duiventil, hé jongens?” met welke uitspraak ’t heele stelletje ’t roerend eens was.—
VI. ERIC’S KROONJAAR
„Hoor eens, moeder,” zei Tobi met een boos snuitje en een vastberaden stemmetje, „Eer en ik vinden ’t niks prettig, dat U Jopie ook wil vragen Zondag. Wat moet dat kleine kind er nou bij? ’t Zal niks dan last geven.”
„Maar Tobi.... laat me je eens aankijken,” zei moeder Nel. „’k Dacht heusch niet, dat mijn lieve, hartelijke Tobi zoo onaardig kon zijn. Jopie thuislaten.... je eigen nichtje .... dat net zoo goed als een zusje van jullie is.... moeder heeft je vast verkeerd begrepen, niet?”
„Maar moeder,” en Tobi stampte met haar voetje op den grond, „wat doet nou zoo’n klein kind bij ons groote kinderen?” En Eric viel in: „Natuurlijk kunnen we dan niet met de Electrische spoor spelen, want daar begrijpt Jopie niks van. En ’t is toch mijn jaardag, en U doet alles voor mijn plezier, en wat hebben jongens er nou an als er zoo’n klein meisje bij is?”
„Nou,” zei moeder met haar lieve, bedaarde stem, „dan moeten jullie ’t maar aan Jopie gaan zeggen, dat ze niet komen mag. Ze zal verschrikkelijk ongelukkig zijn. Tante Puck vertelde me gisterenavond, dat Jopie aldoor haar mondje vol heeft van: „Eertje zijn verjaardag.” Ze heeft zelf een presentje gekocht voor Eer, en van Paps een mooi lichtblauw ceintuurlint gekregen om op den feestdag te dragen. Tante Puck heeft haar witte jurkje zelf uitgestreken....”
Eric en Tobi zeiden niets.
En mama vervolgde: „Nou is ’t net, of ik dat lieve druddeltje voor me zie, zoo bitter, bitter bedroefd, omdat ze niet gevraagd is. Ze zal denken, dat ’t voor straf is, omdat ze stout is geweest, want anders kan ze ’t niet begrijpen.
„En wat moet ze wel van Tante Nel denken, die haar verleden week beloofd heeft, dat ze natuurlijk komen mocht. Ze danste aan mijn schoot van plezier, en riep: „Jopie geeft Eertje een plachtig persent, Jopie heeft ’t zelf gekoopt.” En Tante Puck waarschuwde: „Niet vertellen, Jopie, ’t is een gegeim.””
„Ja, gegeim,” zei Jopie, „maar ’t is plachtig.”—
„En jullie had haar gelukkig, stralend snoetje moeten zien, ’t leek wel een zonnetje. Tante Puck zegt altijd: „Jopie krijgt wel graag wat, maar ze geeft nog veel liever....” En nou zal ze haar „persent” niet zelf komen brengen, en alle aardigheid zal er voor haar af zijn. Ik moet er niet aan denken,” zuchtte moeder, „ik zou er zelf wel om kunnen huilen.” Tobi plukte verlegen aan haar boezelaartje, Eric keerde zich af, en ging uit ’t raam staan kijken, maar hij zag niets.
Met een ruk draaide hij zich op eens om. „Maar Tobi, waarom heb jij ’t dan ook gezegd, dat we Jopie niet hebben willen? Moeder....” En Tobi viel in, „omdat we ’t hadden afgesproken, maar nou wil ik ’t ook niet meer. Ik zie Jopie in mijn gedachten met de traantjes langs haar wangen loopen, ’k zou daar telkens aan moeten denken Zondag. Nee moeder, laat dat kind dan maar komen, wat jij, Eer? En Eer, we kunnen dan wel een anderen keer met de „Electrische” spelen.”
„Natuurlijk,” beaamde moeder, „er zijn toch wel honderd andere spelletjes. En nou kom ik ook meespelen, als,” voegde ze er met een guitig knipoogje bij: „moeder ten minste niet een te groot meisje voor jullie is.”
Eric en Tobi bedolven mama onder hun liefkoozingen, en Eric verklaarde: „een moeder hoort overal bij. Hoe vieren wij mijn verjaardag nou, moeder?”
„Wel ik had zoo gedacht:
„Omdat Eric Zondag tien jaar wordt, mag de visite al tegen de koffie komen: Basje natuurlijk, Eric’s twee beste vrienden Tom en Eddy Driot, en Zusje voor Tobi.”
„En Jopie, moeder.”
„Let maar op, of die er niet vroeg genoeg met haar neusje bij zal zijn,” lachte mama.
„Nou, natuurlijk is er een extra verrassing op de koffietafel. Ze begint met een „T.”
„Taart,” raadde Tobi.
„Tulband,” riep Eric.
„Eigengebakken,” juichte Tobi, en ze klapte in haar handen.
„’k Verraad niks, ’t zijn allemaal geheimen,” plaagde moeder. „Na de koffie rijden we naar de Wijckerbrug. ’t Weer zal, volgens Jopie, nog een heele poos „plachtig” blijven. Daar kunnen jullie zalig spelen tot ’t tijd wordt om naar huis te gaan, dan....” „Komt ’t glanspunt,” viel Eric in. „Moeder ik wil niet zelf verzinnen wat we zullen eten, U moet alles maar bedenken.
„Maar ik zou wel dolgraag roomtaart willen en asperges en erwtjes en gebakken botjes.”
„Nee, die is goed,” riep Tobi, „en moeder zou alles bedenken.”
„Ja maar Tobi, dat zijn nou hartewenschen van me; ik word maar eens tien jaar, hé moeder?”
„Gelukkig!” zei moeder, „’t zou me anders veel te duur uitkomen. Na ’t eten gaan we kamerspelletjes doen, en iedereen speelt mee, al de groote menschen ook. Jullie moogt tot 10 uur opblijven. Wat zeggen jullie van moeder’s plan? ’k Weet nog meer geheimen, die Grootma me verteld heeft, maar ik mag niks verraden. In elk geval geloof ik, dat Eric’s tiende jaardag bizonder feestelijk zal worden.”
„Heerlijk! Natuurlijk omdat ’t een tienjaar is,” wist Tobi.
„Ze bedoelt een kroonjaar,” verbeterde Eric wijs.
„Kan me niks schelen, hoe hij heet,” verzekerde Tobi, met een luchtig gebaar, „als de pret nog maar „dubbelder” is, dan op andere verjaardagen.” Tobi verzon altijd gekke woorden, en lachte zelf ’t hardst mee, als zij er om werd bespot. Op eens viel haar wat in, en ze trok moeder naar zich toe en fluisterde: „Moeder ik heb tegen Eer gezegd, dat hij geen vieze woorden meer mag zeggen, nou hij tien jaar wordt, vindt U ook niet? Toen hij gisteren boos was, toen zei hij....”
„Wil ik niet eens hooren,” viel mama in.
Eric kreeg een kleur: „Maar voor een jongen is dat toch zoo erg niet, hé moeder?”
„Ik vind,” sprak mama, „dat wat onbehoorlijk en leelijk klinkt uit een meisjesmond, even leelijk is als een jongen ’t zegt. Ik heb je al zoo dikwijls gevraagd, Eric (en Tobi ook, want die praat je na) om die akelige gewoonte te laten varen. ’t Is niks dan een flauw, naar aanwensel. Wie heeft jullie dat toch geleerd?”
„Op school doen we ’t allemaal,” verklaarde Eric.
„Eddy niet,” wist Tobi.
„Nou, als ik ’t weer hoor,” besloot mama, „weet ik wel wat ik doen zal. Jullie krijgt er straf voor.”
„Wat voor straf?” onderzocht Tobi.
„’k Kom dan een maand lang niet boven, om jullie toe te dekken en met je te bidden. En dat is voor moeder net zoo goed een harde straf als voor jullie.”
„O! Moeder is echt verdrietig, ze meent ’t heusch, ik zie ’t aan je oogen, moeder,” riep Tobi ontsteld. En toen begreep ze, en zei verteederd: „Moeder, wat ben je toch een schatje! Nee Eer, nou moeten we ’t heusch niet meer doen.” En tot Vader, die de kamer binnenkwam vervolgde Tobi, haastig: „Vader, we zeggen geen vieze woorden meer, we hebben ’t moeder beloofd. Eer, jij hebt ’t ook beloofd, hoor!”
„Als ik ’t niet vergeet, en omdat ’t van ’t jaar mijn kroonjaar is,” gilde Eric. „Hoera!”
„Nou ik vind dat voornemen van jullie een groot geluk,” prees Vader, „en voor Jopie ook, want die zegt in haar onschuld de leelijkste woorden na. Laatst heeft ze haar moeder uitgemaakt voor een ouwe „drakekrukkedil,” en Juf voor een slingeraap. „En,” zei tante Puck, „ze weet niet eens, wat dat voor dieren zijn.”
„Nou „Slingeraap en drakekrokodil,” zijn toch geen vieze woorden!” verklaarde Tobi.
„Nee maar die leert ze even vlug als ze ze hoort. Ik vind ’t een groot geluk, daar blijf ik bij, dat jullie dat plan hebt verzonnen, en die ’t een jaar volhoudt, krijgt van mij een dubbeltje.”
De kinderen proestten. En Tobi verklaarde brutaal op ’t kantje af: „We laten ’t veel eer om Moeders’ straf dan om Vaders’ groote belooning, wat jij Eer?”
„Als jullie ’t maar laat,” sprak Vader tevreden.—
Eric’s verjaardag werd luisterrijk, een dolzalige dag, zooals de kinderen ’t noemden. Dadelijk na ’t ontbijt kwamen de „feliciteerders” al: Grootpa, Grootma en Basje met.... leege handen.
Eric vond ’t vreemd, maar hij hield zich goed. Van Vader en Moeder had hij ook nog maar alleen gelukwenschen en kussen gehad. Hij zoende zijn grootouders hartelijk terug, en gaf beleefd antwoord. Grootpa keek oolijk; Grootma bepaald ondeugend.
Toen pakte Basje op een wenk van Oma Eric bij de hand, en trok hem naar de gang. Wat stond daar tegen den muur? Stuur, wielen, lantaarn, alles fonkelnieuw en glanzend? Een fiets! een echte jongensfiets! Eric werd heel bleek, toen vuurrood. „Voor mij die pr.... prachtfiets, voor mij?” Toen jubelde de jongen ’t uit; in één sprong was hij bij zijn verjaarspresent. Tobi juichte even hard mee. „O Eer, je vreeselijk grootste, allerverschrikkelijkst grootste hartewensch, die wij niet op ’t lijstje durfden te zetten.... Er hangt een papiertje aan ’t stuur, wat staat er op?”
„Zie jij maar,” hijgde Eric, „ik kan niet.”
En Tobi las zoo hard, dat ’t overal in huis te hooren was: „Van Grootpa en Grootmama, van Vader en Moeder.” „En van mij,” zei Basje, „want de lantaarn heb je van Basjesman.” Eric vocht met zijn tranen, en groote jongen als hij al was, deed hij nu toch erg kleintjes, zooals Tobi hoofdschuddend opmerkte. Want hij rende naar Moeder, en duwde zijn bol in haar schoot, terwijl hij zijn armen om haar middel knelde.
Maar was ’t eigenlijk niet best te begrijpen, dat je de kluts kwijt raakte wanneer je „verschrikkelijkst” vurigste hartewensch van jaren lang al, op eens vervuld wordt.
Moeder droogde Eric’s natte oogen af, en fluisterde hem wat in. „Ja, Moeder, ja,” en nu vloog de jarige achtereenvolgens zijn Grootouders om den hals met duizend, duizend dankjes. „Och! Och! wat dee die Eer toch kleintjes vandaag,” dacht Tobi. Want nou zat hij warempel bij Vader op schoot, en streelde zijn gezicht. „Was hij nou een Baby of zij?” Tobi trok broertje van Vader’s knie, want Basjesman moest nog bedankt worden, en dan zij zelf....
„Mijn present valt maar leelijk af tegen de fiets, hé Eer,” merkte Tobi een beetje spijtig op, terwijl ze hem een groote zak met knikkers toestopte.
Maar Eric zoende haar dankbaar, en zei: „’k Ben erg blij met je knikkers en zoo veel! en dat je de zak zelf voor me gemaakt hebt met die mooie geborduurde bloemetjes!”
Toen vloog hij weer naar zijn fiets, want die moest nog van A tot Z bekeken en bewonderd worden. Met vader natuurlijk, die precies wist, hoe de boel in elkaar zat.
(Vader had vroeger voor ingenieur gestudeerd, maar deze studie afgebroken, omdat ’t hem veel meer aantrok dokter te worden.) „Makkelijk voor jou, Eer, als er wat aan mankeert, maakt oom ’t dadelijk in orde, en ’t kost je niks,” riep Basje, „hoe vindt je mijn lantaarn?”
„Nou je kan zien, dat die een centje meer heeft gekost dan een dubbeltje,” riep Eric verrukt. „Niet aan ’t nikkel komen, Tobi, je hebt misschien vochtige vingers en als ’t beslaat....”
Grootma en Grootpa, die ’t binnen hoorden, lachten er om. „Of Eert je zoo netjes en zuinig blijven zal op zijn nieuwe schat,” betwijfelde Grootvader.
„Natuurlijk niet,” zei Mevrouw Canneheuvel, „en ’t is maar goed ook. Dat is ’t begin. In minder dan geen tijd, mag Tobi er op zitten.”
„’k Weet een mooie naam voor je fiets, Eric,” verzon Tobi op eens: „„De Krona,” omdat je hem op je kroonjaar hebt gekregen.”
„Ja, dat heb je leuk verzonnen,” stemde Eric toe, „mijn nieuwe paardje heet: „Krona” en of ik ’t beestje best verzorgen zal.”
Daar werd gescheld.
Sientje liet Juf en Jopie binnen. Jopie had haar handjes vol pakjes, die ze Juf in de handen stopte, om op Eric los te stormen. Ze sprong tegen hem op, en smoorde hem bijna onder haar zoentjes. „Jopie is toch zoo blij,” riep ze maar aldoor, en liep steeds rond om iedereen te pakken en te feliciteeren.
Tobi keek even naar moeder, en knikte haar toe. Ja, ’t zou echt jammer zijn geweest, als Jopie nou thuis had zitten huilen in plaats van aldoor, schaterend van plezier, Eric haar presentjes toe te duwen.
„Zelf gekoopt, allemaal zelf gekoopt.”
Een zak vol roze pepermuntstengels, een reuzentol, die muziek maakte onder ’t ronddraaien, een doos vol witte en roze muisjes. Of die Jopie ook maar in de bus had geblazen met hulp van tante Puck!
„Paps en Moes komen van avond,” vertelde Jopie, „nou kon ’t niet.”
Even later kwamen de vriendjes, met presentjes beladen. Op zoo’n jaardag kan je wel aan ’t bedanken blijven, maar dat was juist dol en echt, vond iedereen.
Grootpa en Grootma bleven mee koffie drinken. Doch op ’t tafeltje, waar de kinderen aanzaten, prijkte de eigengebakken tulband, en Eric moest die aansnijden en uitdeeling houden, wat hij heusch nog al netjes deed.
’t Trof goed, dat de tulband een reus was, want er waren heel wat mondjes, die om hun deel kwamen, en iedereen hield graag voor nog een klein stukje zijn bordje bij.
„Maar ze bedoelen een „groot”,” zei Tobi.
Eric had zijn fiets dadelijk graag ingewijd. Want natuurlijk kon hij fietsen, dat leer je van zelf, als je beste vriend een fiets rijk is. Eddy had er verleden jaar al een gekregen. „Maar de mijne is lang niet zoo mooi als de jouwe, Eer,” gaf Eddy gul toe. „Kom, ’t zal zoo veel niet schelen,” meende Eric uit beleefdheid te moeten zeggen. Doch zus Tobi dacht: „En óf en geen klein beetje ook.”
’t Was of Eer en Tobi voelden, dat ze wat hadden goed te maken aan kleine Jopie, die zoo gelukkig rondsprong en hen naliep als een hondje, aldoor opgewonden van plezier. Wat een geluk, dat ’t lieve diertje niet af wist van hun boos plannetje, om haar thuis te laten. Broer en zus fluisterden even samen, en toen riep Eric: „Moeder, ik vind, dat Jopie „Krona” moet inwijden. Jopie mag het eerst van iedereen op mijn fiets.” En Jopie wou dolgraag. Dus werd ze op ’t stalen paardje gezet; Eric en Basje trokken de fiets voort, en Tobi hield juichende Jopie vast. Zoo ging ’t vier, vijf maal de lange gang op en neer, terwijl Jopie verrukt riep: „Morgen koopt Jopie ’n „fies” en dan mag Eertje er op van Jopie.” En toen Jopie Krona had ingewijd, stond de „Jan Plezier” vóór met twee geweldig snuivende paarden. De heerlijke rit was op zich zelf al een zalig pleziertje, en aan de Wijckerbrug leek ’t wel een overval toen ze daar met hun allen binnen kwamen. Van de pret, die daar gemaakt werd, hoeft niets verteld te worden, want iedereen weet, hoe eenig ’t is in den Wijckerbrugtuin. Moeder Nel dee heerlijk mee, al was ze een groot meisje: „Kruip door, sluip door”, schommelen, wippen, in Holland staat een huis, Patertje langs den kant, enz. enz.; dat alles kon ze nog even goed als vroeger.
Moegespeeld, maar daarom niet minder vroolijk en druk, reed men tegen etenstijd weer naar huis.
„Jammer dat de dol zalige dag al zoover om is,” zuchtte Eric, en Tobi troostte: „er komt nog een boel meer, ’t is nog lang geen bedtijd.”
„Handen wasschen en dan aan tafel, kinderen,” zei Juf, „die voor haar doen, nog al moppig was geweest vandaag,” vonden de kinderen.
Moeder had al Eric’s wenschen vervuld, tot de gebakken botjes toe. „’k Wou, dat Eric wat anders verzonnen had,” pruttelde Sophie. „Visch bakken en dat op zoo’n drukken dag, en dan voor zooveel monden.” Maar Sientje vond, dat Eertje gelijk had, om op zijn jaardag botjes te willen eten, als hij daar nou zoo dol op was (zij hield er ook van, en ze hoefde ze niet te bakken.)
Na ’t eten kwamen Tante Puck en Oom Frits en gingen ook dadelijk in den kring zitten om mee te spelen.
Jopie kroop bij Paps op schoot, ze had hem verbazend veel te vertellen.
„’k Kan mijn presentjes haast niet tellen,” riep Eric, dankbaar en verrukt, terwijl hij de doos aannam, die Tante Puck hem gaf, en haar al zoende en omhelsde voor hij nog wist, wat er inzat: een seinhuisje voor de Electrische. Iets prachtigs, daar je zoo wel dadelijk mee zou willen spelen. En nu kwam Vader thuis, die onder ’t eten was uitgeroepen, en bracht een reuzenzak mee met.... pepernoten. „Want,” zei Vader Joop: „ik heb onderweg bedacht, dat we den avond gaan besluiten met „ganzenborden.” Dat hebben Jopie en ik afgesproken, mama, heb je nog een ganzenbord?”
„Ja zeker, ’t staat of liever hangt zoo’n beetje achter ’t buffet in de eetkamer, en in mijn sleutelmandje liggen de dobbelsteenen.”
In de keuken dachten Sophie en Sientje: „’t Is hier altijd druk en als er kindervisite is, weet je nou eenmaal, dat er een herrie komt van belang. Maar zooals nou hebben we ’t nog nooit beleefd.” ’t Is me dan ook maar niks om met je twaalven te ganzenborden. Bij elken ongelukkigen worp, die den speler in een of ander noodlottig verblijf bracht als de gevangenis, de put, de herberg, ja zelfs den dood, juichte iedereen, en klapte in de handen. Waaraan je als slachtoffer, zelf ’t hardst meedeed. Wat nood! In minder dan geen tijd werd je verlost of had een voorganger ingehaald. Toen er vier potten waren gespeeld, wilde de vijfde zich maar niet laten winnen, en door ’t telkens boete betalen, was ’t een geweldige pot geworden. „Ik wint hem,” riep Jopie, die vlak bij de 63 stond.
„Nee Jopie, dit keer niet,” meende Basje, „want wie gooit er nou ooit bijna: twee?”
Maar Jopie deed ’t, ’t was een echte geluksworp, zei iedereen, en aan ’t gejuich kwam geen eind.
„Doch nu moest de gelukkige winnares dan ook onherroepelijk naar huis en naar bed,” zei Moesje. Vader’s koetsje had al een poosje staan wachten, eigenlijk was ’t veel te laat geworden voor zoo’n kleine dreumes, al had Jopie nog zulke heldere schitteroogjes, Klaas Vaak stond om ’t hoekje klaar.
’t Was ook te laat geworden om nog met de Electrische te spelen, hoe dolgraag Eric dit ook gedaan had.
„We zijn te moe van de pret,” beweerde Tobi. Al gauw werden de vriendjes en zusje gehaald en daarmee was ’t feest afgeloopen.
Eric en Tobi hoefden niet aangemaand te worden, hun beddeke blank te gaan opzoeken. Ze hadden moeite, de oogen open te houden. Toen Moeder de kinderen goeden nacht kwam zeggen, fluisterden zij met slaperige stem hun avondgebed aan haar oor. Maar Eric werd nog even klaar wakker, om Moeder eens extra te pakken en te danken. „’k Heb voor een millioen plezier gehad, en dank U een millioen maal. Geen jongen op de heele wereld kan zijn eerste kroonjaar heerlijker gevierd hebben dan ik.”—
VII. ’T POPPENHUIS
„Hallo jongens, waar zitten jullie?” riep Basje in de gang, aan huis bij tante Nel. „Ja ja, we komen,” gilde Eric terug, en boven aan de trap zong Tobi’s vroolijk stemmetje: „Kom jij maar bij ons, Basjesman, we hebben ’t veel te druk om naar benee te gaan.”
In zes stappen was Basje boven, en vond Eric en Tobi in de serre, achter de huiskamer, die Moeder als speelkamertje voor hen had ingericht. „Wat doen jullie, kinders?”
„We spelen met ’t poppenhuis, doe je mee?” „Nou, ik kwam maar eens kijken, waar is tante Nel?”
„Uit, en Vader ook natuurlijk.”
„Die Vader heeft ’t toch altijd zoo druk,” vertelde Tobi, „tè druk, zeg ik maar. Iedereen wil Vader hebben als dokter; niemand heeft zoo’n knappen Vader als wij, dat is secuur.”
„Weet je, dat Vader vroeger voor ingenieur heeft gestudeerd, Basje, maar toch liever dokter wou worden?” vroeg Eric. „Nou van zelf heeft Vader erg veel verstand van al die ingenieursdingen. Alles wat kapot is, kan hij maken, waar Tobi?”
„Ja,” bevestigde Tobi, „en zoo mooi en secuur! Ons poppenhuis....”
„Laat mij nou vertellen, Tobi, ik was begonnen,” viel Eric in. „Vader heeft ons poppenhuis heelemaal electrisch verlicht, gewoon prachtig!”
„Laat eens kijken.”
„Eerst de gordijnen dicht,” bedisselde Tobi, „anders komt ’t niks uit.” Als een bedrijvig huismoedertje redderde Tobi rond, Basje moest zijn oogen dicht doen, terwijl Eric in ’t poppenhuis aan ’t prutsen was. „Klaar,” riep hij op eens. „Neen maar, dat is heusch prachtig!” bewonderde Basje opgetogen. „Laat eens goed kijken.... buitengewoon, dat moet ik zeggen, al die beeldig verlichte kamertjes en dan ’t keukentje.... Je zou er zoo in willen wonen als je een dwerg was. Zeg, woont er niemand in jullie huis?”
„Eigenlijk staat ’t huis op ’t oogenblik te huur,” vertelde Tobi. „Je moet ’t niet kwalijk nemen, Basje, maar ik draai ’t electrisch licht weer uit, want ’t mag nooit lang branden, dat is veel te duur.”
„Misschien verhuren we ’t huis weer aan den menheer, dien we er hebben uitgezet,” zei Eric nu.
„Waarom hebben jullie dat gedaan?”
„Wel, hij wou er niks van weten, toen we zeiden, dat we zijn huur opsloegen, omdat hij nou electrisch licht had gekregen. ’t Is ook zoo’n luie vent, hij doet maar niks dan eten, en wordt zoo dik, dat hij uit al zijn kleeren berst.”
„Zoo’n stakkerd!” beklaagde Basje „menheer.” „Waar woont hij nou?” vroeg hij echt belangstellend.