Part 6
En Eric fluisterde Grootma toe: „Tobi is toch nog een echt onnoozel kleintje, hé Grootma?” Grootma lachte maar eens. Basje, die gymnastiekles had en pas laat thuis kwam, was niet weinig verwonderd Tobi en Eric te zien. Maar hij betuigde zijn groote ingenomenheid met ’t feit, en nam Grootma de zorg uit de hand, wat ze met hun vrijen Zaterdagmiddag zouden doen. Hij nam ’t tweetal mee naar boven, naar zijn ruime, prettige kamer, die niks op een slaapkamer leek. Want alles wat met slapen en toiletmaken te maken had, stond achter een scherm. Basje’s speelgoedkast was goed voorzien; Tobi duikelde er zelfs een oude Teddybeer uit op. „Ja,” vertelde Basje, „die is nog uit mijn prille jeugd, en hij is veel verder geweest, dan jullie met je beiden. Teddy heeft door Indië rondgezworven en door Zwitserland. Hij is nou een oud beestje, en dat kan je hem aanzien ook.”
„’t Is een viezerd,” maakte Tobi uit, „kijk hem eens verharen, waarom gooi je hem niet weg?”
„Omdat ik aan Teddy gehecht ben, Tobiaantje; ik houd hem mijn leven lang, want hij en ik zijn oude vrienden, en bij je vrienden moet je niet op ’t uiterlijk letten.”
Tobi bleef Teddy een viezerd vinden, en duwde hem achter in de kast, daar kon hij zooveel haar verliezen als hij maar wou.
Basje stelde voor eerst hun huiswerk te maken, en dan gezellig bij elkaar te gaan zitten tot etenstijd en verhaaltjes te vertellen.
„Ik ken geen verhaaltjes,” viel Tobi uit, „en bovendien moet ik aldoor aan moeder denken. Mijn werk wil ik ook niet maken, ’t is alles even akelig. ’k Wil naar moeder,” en kleine dwaze Tobi begon verschrikkelijk te huilen.
Of Grootma ’t had kunnen raden, dat Tobi ’t niet langer harden kon van onrust en verlangen naar haar moedertje?
Ze kwam juist binnen, toen Tobi heelemaal ten einde raad was. En, zooals Frits als kleine jongen zei: „Moeder was de beste „troosteres” voor groot en klein, en dit ook gebleven.” Mevrouw Canneheuvel nam Tobi op schoot, en liet haar kalm uitschreien en haar leed uitklagen. En toen haar kleindochtertje weer luisteren kon, sprak ze zoo geduldig en meegevoelend, zoo opbeurend en hartelijk, dat de kleine meid een beetje beschaamd haar tranen droogde, en beloofde haar best te willen doen om geduldig en zoet te zijn.
Maar toen Eric haar een beetje plaagde, en van een „baby” praatte, stoof Tobi driftig op, en begon weer te schreien.
Grootma begreep best, hoe stormachtig ’t er nog uitzag in Tobi’s hartje. Ze nam ’t meisje mee naar benee en verzon kleine werkjes, die Tobi’s gedachten afleidden. Ze mocht Grootma helpen bij ’t stof afnemen in ’t salon, en de plantjes water geven. Toen stuurde Grootma haar naar de keuken, om Bet te helpen. Die had ’t erg druk, en zou ’t vast heerlijk vinden, als Tobi haar ’t werk een beetje uit de hand nam. Bet liet Tobi ’t eiwit tot schuim kloppen, dat door de appelmoes moest geroerd. Daar hield Grootpa zooveel van. „Ik ook,” riep Tobi „en ik doe ’t thuis ook zoo dikwijls, en dan klop ik ’t zoo stijf, dat Sophie zegt: „je kunt er wel op schaatsen rijden.”” Bet vond die vergelijking van Sophie heel raar en onnoozel, doch dat zei ze maar niet. Ze had nog meer werkjes voor Tobi: peterselie schoonmaken en wasschen. Bet prees Tobi, zoo vlug en handig als ze alles deed. Tobi vond ’t erg prettig in Bet’s groote, gezellige keuken, en lachte vroolijk over Bet’s verhalen van vroeger toen moeder, de ooms en tantes nog klein waren.
Hoe tante Lie en tante Puck stilletjes in de keuken kwamen knoeien, en dan een vreeselijken morsboel maakten. „En je tante Puck,” zei Bet, „dat was me er eentje. Ze pakte maar zoo m’n schoonen bordendoek om die vuile boel op te vegen.”
„Nou,” oordeelde Tobi, „’t was toch nog netjes van tante Puck, dat ze ’t niet zoo liet liggen.”
„’t Staat hard te bezien, of ze dat nou uit nettigheid dee,” betwijfelde Bet. „Ze was eer bang voor knorren. En ik kon mirakel driftig op der worden, dat wil ik weten. Nou ben ik niet zoo opstuiverig meer, een mensch wordt kalmer met de jaren.”
„Hielden tante Puck en tante Lie ook zoo veel van Betjes moe?” vroeg Tobi, die, als al de kinderen in de familie, dol was op Betje’s oude moeder.
„En òf,” zei Bet met nadruk, „mijn moeder mocht tante Puck maar niet graag! Op je tante Lien was ze van zelfs gek. Weet je, hoe ze tante Puck en tante Lien noemde? De schatteboutjes!”
„Hoe eenig!” juichte Tobi. „Weet je wat ik doen zal, Bet? Als ik Lie weer zie, dan zeg ik: „dag lieve schatteboutje van ’n Lie.”
„Van een tante Lie,” verbeterde Bet.
„Nee, Eer en ik zeggen bijna altijd enkel Lie. Dat maggen we.”
„Ja, de tijden veranderen,” zuchtte Bet, „de kinderen doen nou allerlei, dat eigenlijk geen pas geeft.”
Tobi lachte guitig. „Maar je vindt Eer en mij toch wel lief, hé Bet?”
„Je bent een paar.... schatteboutjes,” prees Bet, „als je ’t maar gelooven wil.”
„Omdat ik je nou zoo prettig heb mogen helpen, Bet,” betuigde Tobi, „zal ik je ook eens waarzeggen, dat kan ik mooi!”
„Beware, kind, wat heb ik, oud mensch, daar nou mee noodig? Voorspel de toekomst liever aan Marietje.”
Toen Marietje terug kwam met de boodschappen, waarvoor ze was uitgestuurd, wou ze dadelijk heel graag van Tobi de toekomst hooren. Tobi ging op ’t aanrecht zitten, en keek heel lang in Marietje’s hand.
„Je wordt verbazend oud, Marietje,” voorspelde Tobi, „want de lijn van je leven is erg lang; dan trouw je ook nog wel eens.” Tobi schudde wijs en bedachtzaam haar hoofd. „Maar dat zal nog een aardig tijdje duren; met een smid, want ik zie een soort hamertje bij je duim.”
„’k Wil geen smid,” beweerde Marietje, „die is altijd even vuil.”
„Dan met een timmerman,” gaf Tobi toe, „die gebruikt ook een hamer. ’k Zie ook nog al gelukteekens hier en daar. Je hebt een mooie toekomst, Marietje,” besloot Tobi heel ernstig.
„Geluk der mee. En nou mag je wel gauw binnen gaan dekken, Marietje,” raadde Bet.
„Kom je mee verstoppertje spelen, Tobi?” vroeg Eric om ’t hoekje. „’t Kan hier zoo echt in ’t sous-terrain.”
Vroolijk sprong Tobi van ’t aanrecht, en even later hoorde Bet haar vroolijk stemmetje hoog opschateren.
„Gelukkig maar,” dacht Bet. „’t Kind is al weer over der verdriet heen.”
Doch ’s avonds, toen ze in haar bedje lag, waar Grootma haar zoo lekker koesterend in had neergevlijd, terwijl ze zoo lang naast de bedjes was gebleven, tot ze de kinderen gerust slapend achterliet, werd Tobi op eens wakker. Haar hartje begon onrustig te kloppen, en de tranen drongen haar naar de oogen. Wat was er ook weer? O ja, ze waren niet thuis, omdat moeder ziek was. Moeder had hen niet toegestopt en niet met hen gebeden. Lieve Grootma wel, maar Grootma was moeder niet.... En nu lag ze heel alleen in bed in de groote kamer. Waar was Eer? „Eric,” riep Tobi met een zacht, huilerig stemmetje. Eric hoorde haar niet in ’t cabinetje aan den overkant van de gang. Thuis sliepen ze in kamers naast elkaar, waarvan de verbindingsdeur altijd open bleef. Tobi gleed haar bed uit. „Hu! wat voelde ’t linoleum koud aan onder haar bloote voetjes. Waarom stapte ze ook naast ’t zachte beddevacht?” Tobi schoot haar toffeltjes aan. Ze wou gaan zien waar Eer was, en of hij sliep.
De deur naar de gang stond op een kier, ze gleed er door, in.... Grootpa’s armen. „Wat doe je nou, vrouwtje?” vroeg Grootpa, „ga je een beetje aan ’t wandelen in je nachtjapon?”
„Grootpa, ik ben zoo angstig en zoo alleen,” klaagde Tobi.
„Wou je even mee naar benee? Bij Grootma op schoot pootjes warmen, stouterd?” stelde Grootpa goedig voor. Tobi zoende Grootvader, en klemde haar armpjes om zijn hals, terwijl hij haar de trap afdroeg. „Wat een geluk, dat U juist boven kwam,” fluisterde zij aan zijn oor. „’k Kwam eens kijken, of je lekker sliep. Grootma was daar bang voor, ze had er zeker een voorgevoel van, dat jij aan ’t ronddwalen was.”—
Dicht tegen Grootma aangeknuffeld, vertelde Tobi, dat ze toch zoo naar gedroomd had, en wakker was geworden van den schrik.
„Ja maar,” knorde Grootma een beetje, „je hadt in bed moeten blijven, kindje, wie gaat er nu in ’t donker aan ’t ronddwalen? Eric is veel verstandiger dan jij.”
„Ja, maar Eric slaapt altijd dadelijk, en hij wordt nooit wakker. Als ik had geslapen, zou ik ook in mijn bed zijn gebleven,” verklaarde Tobi met nadruk.
„Dat is nog al heel begrijpelijk,” lachte Grootpa.
„Ik zou hier wel den heelen nacht willen blijven,” beweerde Tobi, na een poosje, met een slaperig stemmetje, terwijl zij haar hoofdje aan Grootma’s borst vlijde.
„Maar dat zou mij niet best bevallen, Tobiaantje, Grootma verlangt ook naar bed. Weet je wat we zullen doen, peuzel? We zullen morgen Eric’s bedje ook in de groote logeerkamer zetten. Dan mogen jullie naast elkaar slapen, is dat goed? En nu dan ook zoet naar bed hoor! Kijk, je oogen vallen haast toe. Je bent nou heerlijk warm, hé vrouwtje?”
„Ja Grootma, dank U wel, Grootpa en Grootma,” fluisterde Tobi bijna.
Ze was al voor drie kwart onder zeil, terwijl Grootpa haar naar boven droeg, en Grootma haar onder de dekens stopte.
„Nou Suze, we weten, dat we een echte woelwater in huis hebben,” sprak de heer Canneheuvel hoofdschuddend, toen ze even later Tobi, gerust slapend, achter lieten.
„’k Vind ’t toch schattig, dat Tobi zoo aan haar moedertje hangt. En ze is ook nog zulk een klein aapje,” verontschuldigde Mevrouw Canneheuvel. „Maar Eric is ook een gevoelig kind,” voegde zij er bij. „Hij schreide toen ik met hem en Tobi bad, en zei zacht aan mijn oor: „Moeder zal ’t ook wel vreemd vinden, dat ze ons niet goeien nacht kan zeggen, ’k zal nog eens apart voor moeder bidden, Grootma.” Echt lief hé.”
IX. IN „VROEGERLAND”
Lien van Delden-Canneheuvel was weer eens van „Welkom Buiten” naar den Haag komen overwippen. Ze verlangde meer dan „vreeselijk,” zooals ze schreef, om Nel te zien; bovendien moest Cartje nieuwe kleertjes hebben, en niemand kon haar bij ’t uitzoeken en knippen zoo goed helpen als Mama. Frans zat in Berlijn. „Voor zaken,” zooals zijn vrouw deftig mededeelde aan die ’t hooren wou. Aan ’t eind van de week zou hij Lien en Cartje komen halen, en had Mevrouwtje van Delden dus in ’t geheel geen haast om naar „Welkom Buiten” terug te vliegen.
In plaats van, zooals ze gehoopt had, een poosje bij Nel te mogen zijn en naar hartelust te babbelen, werd Lien maar even bij haar zuster toegelaten, en kwam een beetje ontdaan thuis.
„Wat zag die lieve Nel er nog uit!” Miserabel! Haar zuster was er bepaald van geschrikt. Doch moeder stelde Lien gerust: Nel was heusch beterende. „Ik schrok ook erg van Nel’s uitzicht,” gaf ze toe, „maar vertrouw Joop volkomen. En die is weer vroolijk en vol goeden moed.”
De arme jongen was erg in de put gezakt een poos geleden, toen moesten vader en ik hem troosten en moed inspreken. Maar nu.... „Nel is op den goeden weg, gaat dagelijks met reuzenschreden vooruit,” zegt haar man, „dat slechte uitzien wordt met den dag beter, en binnen korten tijd is onze Nel weer de oude.” En dus mocht Lientien (zoo noemde alleen mama Lien bij uitzondering zoo af en toe) ook niet langer tobben, en gingen ze nu samen voor Cartje’s toilet zorgen.
„’t Is bijna net als vroeger,” betuigde Lien innig vergenoegd, terwijl ze met moeder naar de stad stapte. „Ziet U, dat is ’t eenige, wat ik mis op „Welkom Buiten.” ’k Zou U en Vader vlak bij ons willen hebben. Altijd bijna is er wat, dat ik U moet vragen of vertellen, en ben dat natuurlijk vergeten, als ik na een poosje schrijf.”
„We moeten dankbaar zijn, kind, dat we elkaar dikwijls genoeg bereiken kunnen, denk eens aan Dolf en Lous en Jan en Ajoe.... Vader en ik kunnen toch zoo naar de kinderen in Indië verlangen, vooral ook naar Jan. Hoe lang is ’t nu al geleden, dat hij weg ging!”
„Jan blijft altijd even trouw schrijven, hé moeder?”
„Ja kind, een langen brief eens in de maand vast, en elke week schrijft Ajoe, waarbij Jan dan een regeltje of wat voegt. Ajoe schrijft altijd ’s Vrijdags, we noemen haar brief: „de Vrijdagsbrief,” en zouden er niet meer buiten kunnen.”
„En Jan en Ajoe zeker niet buiten Uw brieven. ’k Geloof niet, dat er een mensch bestaat, die heerlijker brieven schrijft dan onze moeder. Dat is er nu weer ’t eenige voordeel van, dat U en ik niet naast elkaar wonen, maar ik ruilde ’t er toch graag voor, en ben vaak jaloersch op Nel en Puck. Die kunnen dadelijk met alles bij U komen.”
„Net of jij dat niet doet! Je heet niet voor niets „de vliegende moeder” in de familie,” troostte mama.
„’k Kan zoo dikwijls naar vroeger terug verlangen,” zuchtte Lien, „naar den tijd, toen ik nog Lientien heette en was. Maar Frans en Cartje moeten er natuurlijk bij zijn.”
„Maar vrouwtje, hoe zou dat nu kunnen; ben je wel recht wakker, liefje?” „’t Komt zeker omdat ik zooveel aan vroeger denk, als ’k weer thuis ben bij U en Vader. Moeder, wat hebben we toch een heerlijke jeugd gehad! ’k Hoop, dat Frans en ik Cartje’s leven net zoo prettig en gezellig zullen maken als ’t onze was.”
„Dat zal je stellig, kind, want je bent zelf gezellig en altijd opgeruimd. Dat mist zijn invloed niet op je omgeving; je maakt er iedereen gelukkig door.”
„Maar moeder,” klaagde Lien, terwijl ze mama met koddige wanhoop aankeek: „Frans komt toch veel bij mij te kort. In de muziek, bedoel ik. Hij zegt, dat ik zelfs: „Piet Hein” niet goed in de maat kan zingen, verbeeld U!”
„’k Zou haast zeggen,” lachte mama: „dochter geef mij de hand. Ik kan ook geen wijs houden. En Lientien, ik heb aan vader, die toch ook zoo in de muziek opgaat, nooit kunnen merken, dat hij gebrek aan muzikaal gevoel in mij bizonder miste. Frans plaagt je maar een beetje, kind.”
„Ja maar moeder,” sprak Lien ijverig, „ik heb bedacht, zou ik ’t met de muziek nog niet eens probeeren, les gaan nemen en verbazend oefenen. Als ik nu eens vier, vijf uur per dag gamma’s en studies speelde en....”
„Malle meid, hoe verzin je ’t?” viel mama in. „Met al je moeite zou je, net als ik, een treurig brekebeentje blijven. Al studeeren wij beiden ook van den ochtend tot den avond, we brachten ’t tot niks. ’t Zou alles aangeleerd, onecht en niet ’t ware zijn.”
„Ja, dat geloof ik ook. ’k Heb altijd van die gekke plannetjes, moeder, en er komt ook nooit iets van. En hier is de winkel; ik wou liefst geen gemaakte kleertjes koopen, maar alles met U knippen en zelf naaien voor mijn kleine baas; zoo echt gezellig, samen met U voor ons ventje bezig te zijn. ’k Heb toch heusch veel geleerd van die poppenkleertjes maken onder toezicht van tante Sjarlotje. Wat wist die lieverd toch alles aardig te verzinnen, en in elkaar te zetten. Ze heeft zelfs eens een badpakje gemaakt voor kleine Koo.”
„Hoe weet je dat alles nog, kind,” sprak Mevrouw Canneheuvel, en bij zich zelf dacht ze: „Wat een trouw hart heeft ze toch, die Lientien van mij.”
Cartje was een buitengewoon geduldig pasjongetje, volgens zijn Mamaatje.
Hij draaide van rechts naar links, liet zich op de tafel zetten, en wachtte geduldig tot hij er weer werd afgetild, terwijl Maatje met vlugge handen vol spelden aan zijn lijfje rondwriemelde.
Cartje dacht, dat ’t een spelletje was, dat hij vervelend en zijn moeder erg prettig vond, en liet maar alles met zich gebeuren. Alleen als Jopie kwam, was Cartje niet langer te houden, en gleed als een vlug aaltje onder moeder’s handen weg.
Terwijl Otema en Maatje den volgenden ochtend druk met Cartje bezig waren, hoorde hij op eens Jopie’s stemmetje, en weg was hij, en draafde naar de gang.
„’k Hoop, dat Jopie en Cartje net zoo op elkaar worden als Puck en ik altijd geweest zijn,” sprak Lien. „Jammer, dat ze niet naast elkaar kunnen opgroeien, ’t is zoo’n aardig spannetje.”
Jopie kwam met Juf om te vragen of Cartje en zijn mama morgen den heelen dag bij moeder op visite wilden komen, en als Jopie mocht, bleef ze nou bij Oma koffie drinken, en zou Paps haar na de koffie komen afhalen.
Natuurlijk werd dit plan goed gevonden.
„Zeg maar aan Mevrouw, Juf,” verzocht Lien, „dat ik juist voornemens was morgen met Cartje te komen.”
„Een heelen dag mag Puck immers wel hebben, moeder?”
„Natuurlijk kind, daar rekent ze vast op.”
Jopie troonde Cartje mee naar de gang, om daar heerlijk te gaan ravotten.
Jopie vond Cartje vreeselijk klein en onnoozel, en zich zelf al een groote jongejuffrouw. Naast Eric en Tobi was zij altijd ’t kleintje, en bij Cartje nou eens lekkertjes niet. Cartje moest doen wat Jopie wou, en daar kwam nooit gekibbel van, want Cartje had een groote bewondering voor Jopie, en vond altijd alles goed. In ’t praten en redeneeren was hij nog alles behalve een baasje. Die gave scheen hij tot dusver nog niet van zijn moedertje te hebben meegekregen, want die had haar leven lang uitstekend met babbelen terecht gekund.—
„O Lien, hoe heerlijk, dat je er bent,” riep Puck den volgenden morgen, terwijl zij haar zuster, tegelijk haar liefste vriendin, pakte en kuste, dat ’t een aard had.
„Ik kwam in de eerste plaats om naar Nel te kijken,” zei Lien, toen ze een beetje op adem was gekomen van Puck’s onstuimige omhelzing. „Je begrijpt, ik had rust noch duur. Al hield moeder ons zoo trouw mogelijk op de hoogte, ik verlangde toch heel erg Nel te zien, toen ik hoorde, dat ze nog al ernstig ziek was. ’k Had wel zoo over willen vliegen. Maar Joop schreef: „Nel moet absolute rust hebben, ik laat niemand bij haar.” Dus was wachten de boodschap. Maar toen ik hoorde, dat Nel aan ’t beteren was, en Frans naar Berlijn moest voor zaken, zei ik dadelijk: dan ga ik met Cartje naar den Haag.”
„Had je niet graag met Frans mee gewild naar Berlijn, Lienepien?” vroeg Puck.
„Ja, dat begrijp je, maar ’t was te lastig, om Cartje mee te nemen, en zonder hem zou ik rust noch duur hebben gehad daar ginds. Bovendien verlangde ik weer erg naar jullie allen, veel meer dan naar Berlijn.”
Puck had Lien intusschen meegetroond naar haar gezellige zitkamer om daar een echt ouderwetsch babbeluurtje te hebben. „Vertel nou eerst eens,” zei ze, „hoe vond je Nel?”
„Nou, erg slap en bleekjes, en vreeselijk mager geworden. Je begrijpt, ik mocht maar kort blijven; goed ook, want ik kon mij haast niet goed houden. Maar Nel was heel opgeruimd en Joop bizonder tevree. Wat is die Joop een tiran! Hij dreef mij bijna de kamer uit.”
„Mij ook van de week; maar ’t is tot Nel’s bestwil, moeten we maar denken. Kind, hoe heerlijk, dat je mij een heelen dag geeft. Blijf je een poosje in de Duiventil?”
„Een heele week, Frans komt mij en Cartje halen.”
„Waarom heb je Cartje niet meegebracht?”
„Maar Puck, natuurlijk heb ik ’t loodsmannetje bij me, je hebt hem toch ook gevraagd? Hij speelt met Jopie in de serre en Juf let op hen.”
„’k Ga hem halen,” zei Puck, „de kinders mogen hier best spelen. ’k Heb Cartje in geen eeuw gezien.”
„Nou die eeuwen van jou zullen amper drie maanden zijn,” lachte Lien. „’t Ventje is toch zoo lang verkouden gebleven, toen was hij ’t best thuis.”
„Cartje heeft anders al heel wat afgereisd in zijn leventje,” merkte Puck op. „Hij wordt vast handelsreiziger naderhand.”
„Wat een baan, eeuwig van huis! Dank je wel voor mijn zoon,” riep Lien Puck verontwaardigd achterna. Want die rende naar benee om de kinderen te halen. Toen moest Jopie natuurlijk bij tante Lien, en Cartje bij tante Puck op schoot, en de lieve diertjes werden bewonderd en geprezen, terwijl zij zich naar hartelust door hun respectieve tantes lieten aanhalen. „Tante Lie,” zei Jopie met een wijs gezichtje: „wat is Cartje toch nog vreeselijk klein en onnoozel. Jopie vertelt Cartje een foppeldijtje, weet je zoo: ik zegt: Jopie heeft Bet vreeselijk uitgescheld en gezegd: „Bet, jij bent een olifant.” Maar Bet is niks boos en heeft Jopie afgezoend en gezegd: „jij bent een lekker, klein olifantje.” En weet je wat Cartje toen zegt tegen Jopie? „Dag olipan.” Is dat nou niet vreeselijk dom? Ik bent toch geen oliepan.”
„Nee, gelukkig niet,” zei moeder, terwijl ze Jopie knuffelde. „Maar of mijn groote Jopie nou zoo veel wijzer is dan kleine, domme Cartje? Kom peuzels, ga nou maar prettig samen spelen, hier bij tante en moeder. Jopie mag de trommel met koekjes gaan halen, en hier brengen. Wie één koekje wil hebben, steekt één vingertje op, wie er twee twee vingertjes.”
Cartje stak allebei zijn handjes in de lucht, die zou dus vast en zeker niet te kort komen. „Cartje mag niet zoo gulzig zijn,” berispte Jopie, maar Cartje stoorde zich in ’t geheel niet aan Jopie en riep: „veel, veel voor Cartje,” terwijl Jopie naar beneden liep. „Jopie gaat hoe langer hoe meer op je lijken, Puck,” merkte Lien op.
„Maar ze is veel zachter en gemakkelijker van aard, dan ik,” sprak Puck. „’k Geloof, dat ze ook muzikaal is. Wanneer ik speel of zing, zit ze als een muisje zoo stil te luisteren, en als ze ergens om vragen mag, omdat ze bizonder lief en zoet is geweest, gaat ze naar Frits en zegt: „Paps, speel jij op je viool voor Jopie?”
„Heel anders dan Cartje,” zuchtte Lien. „Die heeft net als zijn mama, geen aasje begrip van muziek en, ook weer net als zijn moeder, is hij dol op poppen. Zeg Puck, weet je wie ik terug gevonden heb onlangs?”
„Een vrouw, een man of een kind?”
„Een klein heertje. Verleden week met goed uit een koffer halen kreeg ik „kleine Koo” in handen.”
„Och kom,” riep Puck vroolijk, „ik dacht, dat die al lang over alle heuvels heen ver weg was gevlogen. Malle Lien, je hebt nu immers een levende pop.”
„Nou ja, natuurlijk.... Maar toch kon ik ’t kereltje niet weg doen, uit oude herinnering niet. ’k Nam hem mee in mijn sleutelmand, en terwijl Cartje met ’t popje speelde, zag ik alles van vroeger weer zoo duidelijk voor me, alsof er niet vele jaren lagen tusschen toen en nu. Herinner je je nog, dat kleine Koo een nieuw kopje kreeg, omdat hij zijn bolletje door Basjes schuld verloren had, toen jullie in Zwitserland waren. En dat hij van te voren al zooveel moest doorstaan, toen jij hem met de andere poppen in vaders vleugel stopte?”
Puck gierde ’t uit. „Dat was ik schoon vergeten. Als ik bij je kom, zal ik er kleinen Koo heusch weer eens op aanzien.”
„Hij droeg een rood broekje, dat tante Sjarlotje nog voor hem gebreid had,” vervolgde Lien, „’t zit vol motgaatjes, maar ik wil ’t altijd bewaren. ’t Was tante’s laatste handwerkje, en ’t breien zal haar moeite genoeg gekost hebben met haar stijve vingertjes. Die lieve tante Sjarlotje, zoo jammer, dat ze Cartje niet meer heeft kunnen zien. ’t Had toch best gekund, hoe veel menschen worden geen tachtig jaar en ouder? Grootma in Haarlem bij voorbeeld, die wordt twee en negentig van ’t zomer, en wat is ze nog kras voor haar leeftijd! Tante Sjarlotje had ook best nog kunnen leven.”