Part 5
„Op kamers. Kijk, die heeft Vader ook al voor hem in orde gemaakt. Knap, maar heel eenvoudig „meubeleerd,” zooals je ziet. Mijnheer is eigenlijk niks moois waard. Hij is te lui om rond te kijken, let er niet op of ’t mooi dan leelijk om hem heen is.”
„Ik vind, dat ’t nog al gaat,” merkte Basje op. „Hij heeft een mooien leunstoel en een aardig kooitje voor zijn kanarievogel.” „’t Is toch een echt oud zoodje,” fluisterde Tobi achter haar hand. „Hij kan niet op de leunstoel zitten, want daar zakt hij door. En de tafel staat op drie en een halve pooten....”
„Weet je wat we van plan zijn,” viel Eric in, „we wouen in deze kamers de meubels uit ’t groote huis zetten, en dan nieuwe nemen voor ons poppenhuis, dat Vader nou zoo prachtig heeft gemaakt. Maar Moeder zegt: „deze zijn nog goed genoeg voor menheer, die toch maar een luie dikzak is.” Nou heeft Tobi ’t heel slim verzonnen, dat mijnheer gaat trouwen, en nou moet hij natuurlijk alles nieuw hebben. Dat hoort zoo als je trouwt.”
„Ja, Moeder zal aan een nieuw „meublement” moeten gelooven,” besliste Tobi. „Eric wil rood fluweel, maar ik zeegroen satijn.... Menheer zijn bruid wil ’t natuurlijk in de puntjes hebben, en zal maar niet trotsch zijn op haar prachtig boeltje.”
„Eerst hebben,” zuchtte Eric. „Misschien wil Grootma....”
„We mogen niet vragen, dat weet je wel, Eer,” waarschuwde Tobi. „En bovendien heeft menheer nog niet eens een vrouw; tijd genoeg zeg ik maar.”
„Maar als jullie menheer zoo arm is, hoe kan hij dan trouwen en in dat mooie huis gaan wonen?” onderzocht Basje.
„Dat zullen we je nou eens uitleggen,” zei Eric. „Basje mag ’t wel weten, hé Tobi?”
„Gerust,” knikte Tobi.
En Eric vervolgde: „Menheer heeft erge klappen gehad, moet je weten.”
„Van wie?” vroeg Tobi verbaasd.
„Och kind, dat zeg je zoo als iemand veel van zijn geld heeft verloren,” wist Eric wijs, en tot Basje gewend, vervolgde hij: „Nou weten wij een rijke bruid voor hem, maar ze moet ook een baasje zijn, en zorgen, dat de duitjes bij elkaar blijven, en ook dat haar man een beetje magerder wordt. Hij is bijna net zoo dik als jij, Basje.”
„Maar ik barst gelukkig niet uit mijn kleeren,” lachte Basje.
„Weet je, Basje,” fluisterde Eric een beetje erg hardop: „’t Is eigenlijk Tobi’s schuld, want ze maakt menheer’s kleeren veel te krap. Al de naadjes barsten dadelijk open als hij een nieuw buis aan heeft.”
„Naai jij dan zelf zijn kleeren,” zei Tobi boos.
„Hoe kan een jongen dat nou?”
„En de kleermaker dan, die vader’s pakken maakt?” riep Tobi triomfantelijk.
Eric werd rood.
„Nou ja, maar ik kan nou eenmaal niet naaien. Vader kan ’t ook niet. Jongens doen nou weer andere dingen dan meisjes. Moeder heeft nou weer geen verstand van electriciteit en zoo.”
„Dat zit nog,” zei Tobi, die altijd voor de meisjes opkwam. „En zeur nou maar niet langer Eer, en heb niet altijd wat aan te merken, op wat een ander doet. Dat wou ’k maar zeggen, weet je.”
Eric zweeg als de oudste en wijste van hun beiden, zooals hij bij zich zelf dacht.
’t Poppenhuis werd voor Basje’s plezier nog eens overal hel verlicht, en „mijnheer” mocht even in de mooie kamer op de kanapé liggen. Toen gingen de jongens naar Eric’s kamertje, waar Eric zijn nieuwe postzegels aan Basje wou laten zien.
Tobi bleef benee om op te ruimen. Ze stelde mijnheer voor, om nou maar naar bed te gaan. Maar die deed alsof hij niets hoorde en bleef lui liggen.
Dus werd hij nog al hardhandig terug gebracht naar zijn eigen kamers.
En nu ontdekte Tobi een groote, donkere vlek op ’t mooie rozenkleed in de voorkamer van ’t poppenhuis vlak voor de kanapé, en verderop twee kleinere. „O hemel! dat is vast olie,” bedacht Tobi, „dat heeft die vervelende Eric natuurlijk gedaan. Hij zwaait altijd met Moeder’s machinespuitje rond.” Ze rende de trap af naar de keuken op zoek van naphta, ze wist best, dat je met naphta olievlekken wegkrijgt. In de keuken was niemand; Sophie en Sientje waren boven aan ’t werk. Maar Tobi vond al gauw een nog bijna vol fleschje met naphta, en vloog met haar buit weer naar boven. ’t Rozenkleedje zat stevig aan den vloer vast getimmerd, dus begoot Tobi ’t kleedje rijkelijk met naphta en begon er met een tandenborstel (als geheel waardeloos afgedankt, voor ’t gebruik waartoe hij moest dienen) over heen te wrijven.
’t Werd er niet beter op. ’t Heele kleed was al gauw drijfnat en de donkere olievlekken werden geen ziertje lichter. „Goeie grutjes, ’t wordt hoe langer hoe erger,” zuchtte Tobi, heelemaal ontdaan. „Wat moet ik toch beginnen! Hoe krijg ik de boel weer droog? Als de kachel nou maar brandde....” Maar dat deed ’t fornuis in de keuken wel. (Sophie had zelfs flink opgestookt, de plaat stond bijna gloeiend.) Tobi droeg ’t huis voorzichtig naar benee. „Vijf minuten op de warme plaat, zou je zien, hoe gauw de bordpapieren vloer droog was”.... Even later hoorden de meiden en de jongens boven een vreeselijken gil.
Hals over kop stormde groot en klein de trappen af. „Hulp, hulp!” schreeuwde Tobi, „’t poppenhuis staat in brand en ’t schoorsteenvalletje bijna.”
Sophie en Sientje vlogen toe, maar Basje was haar te vlug af. „De deur open, Eric, gauw, gauw,” riep hij. ’t Poppenhuis leek één vuurzee. Basje pakte de tang, schoof ’t heele zaakje met één ruk van ’t fornuis in den leegen kolenemmer, (wat een geluk, dat die er juist stond) en droeg den emmer met zijn brandenden inhoud vliegensvlug naar buiten op ’t plaatsje, waar Sientje den brand met een overvloed van water verder bluschte. Iedereen viel nu arme, kleine Tobi aan, die hortend en stootend ’t geval had verklaard. Sophie knorde boos: „ik begrijp niet, hoe je aan mijn naphta durfde komen, je wist best, dat je dat niet doen mocht, ondeugend kind.” Tobi deed niets dan huilen, terwijl ze haar rood beschreid gezichtje in haar boezelaar stopte.
„Ja,” zei Eric, „en ik begrijp niet, Tobi, hoe je zoo verschrikkelijk dom kunt zijn. ’t Lijkt wel of je Jopie bent, niet te bedenken, dat naphta en vuur....”
Maar Tobi kon nu niets meer velen. Ze was vreeselijk geschrokken, had zoo’n verdriet over ’t mooie poppenhuis, waarvan niets meer over was dan een paar zwarte flarden. En ’t mooie „meublement” en mijnheer zijn kleeren, en de prachtige kleerenkast, en ’t snoezig penduletje en....
Ze kon er niet aan denken. Arme Tobi vond geen woord om zich te verdedigen, maar begon zoo onstuimig te snikken, dat ze een steen zou hebben vermurwd. Hoe veel eerder de jongens dus. Eric wist maar niet, wat hij doen zou om haar tot bedaren te brengen, en beloofde haar van alles, als ze maar op wilde houden met dat wanhopig huilen. En Basje bracht een glas water, en klopte Tobi op haar rug, alsof ze zich verslikt had. Doch ’t kind wou niet getroost worden. Gelukkig, daar kwam Moeder, en nu was de zaak gauw genoeg in orde. Moeder begreep dadelijk wat er aan de hand was, al praatten de kinderen alles door elkaar, erg verward en onbegrijpelijk.
Basje werd geprezen om zijn flink, cordaat optreden. Tot belooning mocht hij blijven eten. Sophie zou spekpannekoeken bakken, en dat was Basje’s lievelingsgerecht.
Tobi, die dadelijk bij Moeder op schoot was gekropen („precies een echte baby, die ze eigenlijk ook nog is”) dacht Eric hoofdschuddend, werd getroost, maar ook beknord. Want ze wist best, dat ze niet met naphta of terpentijn of wat ook, mocht knoeien. Sophie of Sientje zouden haar die ook stellig niet gegeven hebben. ’t Was verschrikkelijk jammer van ’t mooie poppenhuis, en een harde straf voor Tobi’s ongehoorzaamheid, dat ’t verbrand was, en....
„Ja, maar Moeder,” viel Tobi in, „’t huis was ook van Eric, en die heeft niks gedaan.”
Nou moest Moeder toch even lachen, en Eric mompelde welgemoed zoo iets van: „Vader is er ook nog, en een nieuw huis met St. Nicolaas....”
„Nou,” merkte Moeder op, „dan mogen jullie wel verbazend lief en gehoorzaam zijn, tot ’t zoover is, en daarna ook, hoop ik.
„Geef Moeder een zoen, Tobi, en huil nou maar niet langer. Ga je gezicht en handen wasschen; geef je handen een extra beurt, en doe een schoon boezelaar voor. Je lijkt zelf wel een naphtafleschje. Laat ons maar dankbaar zijn, dat alleen ’t poppenhuis is verbrand en van Sophie’s schoorsteenvalletje ook niet veel is overgebleven. ’k Moet er niet aan denken wat had kunnen gebeuren.
„Maar Tobi, je moet me ernstig beloven, nooit meer op je eigen houtje aan ’t schoonmaken te gaan met naphta of ander brandbaar goedje. Begrijp je wel, liefje, wat een vreeselijk ongeluk er had kunnen gebeuren als je schortje b.v. in brand was gevlogen?....” Moeder werd heel bleek, en knipte met haar oogen, alsof de tranen om ’t hoekje stonden.
„Hé, Moeder,” zei Eer, „nou niet dadelijk aan ’t ergste denken. U ziet er heelemaal wit van. We zullen je wangen weer rood zoenen, Tobi één en ik één.”
En dit deden ze ook met zooveel stevige zoentjes, dat Moeder hen lachend wegduwde.—
„’t Is toch vreeselijk, dat mijnheer’s kleeren allemaal verbrand zijn,” zuchtte Tobi, toen ze naderhand met Eric alleen was. „Hij lag al in zijn bed, natuurlijk in zijn pyjama. Stom van ons, dat we de kleerenkast in ’t groote huis hebben gelaten.”
„’k Heb al wat bedacht,” fluisterde Eric terug. „We schrijven aan tante Lie; die is vreeselijk knap in ’t naaien van poppenkleeren, weten we van Moeder.”
Tobi’s oogen schitterden. „Morgen schrijven we direct.”
En twee dagen later ontving tante Lie op: „Welkom Buiten,” den volgenden brief, dien Eric en Tobi samen hadden opgemaakt: „Lieve tante Lie. Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, er is brand geweest in ons poppenhuis, en al mijnheer’s kleeren zijn verbrand.
„’t Was mijn schuld (Tobi) want ik had er niet aan gedacht, dat ’t fornuis zoo hard brandde en er zoo’n boel naphta op ’t kleedje was. Tante Lie, U is toch zoo’n lieve schat van een tante. Wil U ons nou een beetje helpen met nieuwe kleeren voor „mijnheer?” Hij loopt nou, om zoo te zeggen, poedelnakend.
„Want ziet U, we hebben zoo’n klein hoopje, dat we wel weer eens een nieuw poppenhuis zullen krijgen, en dan mag mijnheer er weer in wonen, maar dan moet hij natuurlijk nette kleeren hebben. Hij krijgt ook een vrouw, en dat is een rijke juffrouw, dus daar mag hij niet bij afsteken.
„We hebben al een vrouw op zicht voor menheer; ik (Tobi) heb een snoeperdje op ’t oog met bruine krullen. Misschien koopt Moeder die prachtpop wel voor ons, „of anders bedelen we bij Vader.” (Eric).
„Weet tante Lie nog van die mooie pop van Tobi die Jeannette heette en zoo’n mooie pruik op had, van Eric’s krullen gemaakt, toen hij nog een klein jongetje was?
„Nou, die pruik is heelemaal versleten, en loopt Jeannette nou met een nakend hoofd. Een beetje erg vies (Eric).
„Dag lieve lieverd van een tante Lie. Komt U weer gauw met Cartje en oom Frans? Veel kusjes en zoentjes voor U drieën van Eric en Tobi.”—
’t Duurde een beetje lang eer tante Lie terug schreef. Maar toen kregen de kinderen ook een vers, dat luidde:
„Lieve arme, kleine twee, Tante Lie voelt met je mee, Doch nu kan ze nog niets zeggen, Eerst moet ze ernstig overleggen. Heb dus nog een poos geduld, Mogelijk wordt je wensch vervuld, Cartje en Oom, die groeten zéér, Tante Lietje nog veel meer, Zoent en knuffelt je voor tien, En blijft jullie trouwe Lie(n).”
„’t Lijkt wel een puzzle, ’t bevalt me niks,” zei Eric. „Veel te moeilijk om op te lossen.”
„Dan maar een beetje geduld,” raadde Tobi wijs. „Menheer moet maar tot zoolang in zijn bed blijven, dat zal die luilak best bevallen.”
„Er zit nog wat in de enveloppe,” riep Eric op eens, „kijk’s, een lang vers van Oom Frans, en tante Lie heeft er wat boven geschreven.”
Samen bukten ze zich over ’t papier en lazen: „Jullie hebt Tommy’s jaardag gisteren heelemaal vergeten, en die is nog al zoo luisterrijk gevierd geworden. Oom heeft er een vers op gemaakt en hierbij stuurt jullie dat, tante Lien.”—
Tommy was de dackel van Oom Frans en de lieveling van ’t huis, dat hij wel een beetje regeerde. Cartje en Tommy waren gezworen kameraden, en in de familie waren alle kinderen dol op Tommy.—
„Hoe eenig,” juichte Tobi, „gauw lezen, of lees jij maar even vóór, Eer,” en Eric las:
TOMMY’S PARTIJ.
Gisteren was Tommy jarig, En natuurlijk was er feest, Al zijn allerbeste vrinden, Zijn op de partij geweest,
Krulledoesje, Kees, de Vechtbaas, Lord, de zwarte Doberman, Waldi, ’t kefferig Ami’tje, En de Airedale Jonathan.
Net precies om zeven ure, Stond ’t zestal in de gang, Keffend, stoeiend, opgewonden, ’t Was een leven van belang.
Tommy blafte vroolijk: „Welkom, Gaat maar mee, ik wijs den weg, Eerst gaan we wat lekkers drinken, Dat zal jullie aanstaan, zeg.”
In de keuken, op een rijtje, Stonden schotels een voor elk, (’t Was om van te watertanden,) Boordevol gevuld met melk.
Iedereen begon te slob’bren, Jonathan was ’t eerste klaar, Bij Ami, die veel te veel had, Nam hij toen zijn kansje waar.
Hé, dat smaakte, likkebaardend Ging ’t nu naar ’t sous-terrein, Want daar kon je zalig hollen, ’t Was je reinste feestterrein.
„Zullen we wat touwtje springen?” Stelde nu de gastheer voor, „Lord en ik gaan aan ’t draaien, Krulledoesje die springt vóór.”
Krulledoesje die springt vóór.” Bijna tot den zolder an, Kleine Ami sprong vlug en netjes, Keesje kende er niet veel van.
Toen Lord zei: „Kees moet aan ’t draaien, Want hij sprong niet in de bocht,” Sloeg Kees woedend aan ’t vechten, Wat natuurlijk niet mocht.
„Hoor eens Kees,” sprak Tommy kalmpjes, „Als je dat niet daad’lijk laat, Ga je vast van de partij af, En we zetten je op straat.”
Nou dat hielp, Kees gromde en bromde, En gaf Lord nog gauw een knauw, Maar die nam ’t hem niet kwalijk, Lord vergaf gelukkig gauw.
Tommy riep nu zijn vriend Waldi, Die mocht met hem medegaan, Al de anderen moesten wachten, Met dichte oogen blijven staan.
Stoute Ami’tje waagde ’n oogje, Want ’t duurde vrees’lijk lang, Eer de vrienden wederkwamen, Waldi met een dikken wang.
Torn en Waldi droegen ieder In hun bek een zakje vol, Met de heerelijkste lever, En wie is niet op lever dol?
In een oogwenk was ’t lekkers, Met ’t papier mee opgesmuld, Er bleef heusch geen tijd tot kauwen, Niemand had daarvoor geduld.
Bij ’t nu volgend „krijger spelen,” Kwam ’t op lange pooten an, En geen wonder dus dat wonnen, Lord en de Airedale Jonathan.
Na een poosje hijgen en rusten, Ving zoowaar weer ’t schransen aan, Als ten minste voor ’t lekkers, Heel wat moeite werd gedaan.
Heerelijk gebakken spiering, Bengelde aan ’t sterke touw, „Klein en groot moest er naar springen,” Commandeerde Tommy’s Vrouw.
’t Was een kolfje naar hun pootjes, En ’t kwam meest op vlugheid an, ’t Kleinste deel kreeg arm Ami’tje, ’t Grootste forsche Jonathan.
Doch er was genoeg voor allen, Iedereen had ruim zijn deel, Krulledoes en gulzig Keesje, Kregen eigenlijk wel wat veel.
En hiermee was ’t feest ten einde, Vroolijk ging de bende heen, Dankend met een rechtstaand staartje, Honger had er vast geen een.
Tommy zelf vond zijn partijtje, Heel plezierig afgeloopen, Met ’n dankbren lik op vrouwtjes hand, Is ie in zijn mand gekropen.
„Hé,” zuchtte Tobi, „doodzonde, dat we daar niet bij zijn geweest. ’k Had ook naar die spiering meegesprongen, wat jij, Eer?”
Eric hield zich goed en bedwong zijn lachlust. „Die Tobi toch! Natuurlijk was ’t een leuk verzinseltje, die heele partij van Oom Frans en tante Lie. Maar hij zou Tobiaantje maar in den waan laten, dat alles wezenlijk en werkelijk gebeurd was. Jopie zou ’t natuurlijk ook gelooven, en iedereen zou pret hebben over: „Tommy’s Partij.” Hoe kon Oom Frans ’t toch zoo leuk verzinnen?”
Doch Tobi had Eric maar een beetje voor den gek gehouden. ’s Avonds bij het naar bed gaan zei ze: „Zeg Eer, ’t was natuurlijk maar een grap van Oom Frans over dat hondenpartijtje. Verbeeld je! zoo’n bende honden, die niet zou gaan vechten!.... Heb je heusch gedacht, dat ik ’t geloofde, dommert?”
„Nou,” gaf Eric toe, „eigenlijk wel.”
„Zoo! Bespottelijk! Dacht je soms, dat je Cartje voor had? Je lijkt wel een uil van Japan!”
Eric hield maar zijn mond en dacht al weer: die Tobi toch!
VIII. JUFFERTJE WOELWATER
„Is Mevrouw thuis?” vroeg Joop aan Marietje, terwijl hij haastig binnen stapte, haar toestemmend: „Ja dokter,” niet eens afwachtend.
Mevrouw Canneheuvel zat druk te breien, een werkje, dat ze graag deed en doen mocht. Hoe meer moeder haar oog ontzag, hoe liever ’t Frits nog steeds was.
Met een hartelijk „welkom” op haar gezicht, stak ze Joop de hand toe. „Dat is een verrassing, jongen,” sprak ze blij, „we zien je zoo weinig.”
„Ja, moederlief, dat spijt me genoeg. ’k Kon nu eigenlijk ook moeilijk uitbreken, en kom met geen prettig bericht...”
„Iemand ziek bij jullie?” vroeg Mevrouw Canneheuvel bezorgd.
„Nel is niet al te best. Ze voelde zich al een dag of wat onlekker, maar dacht, dat ’t gevatte kou was en van zelf wel zou overgaan. U weet hoe Nel is, ze wil ’t nooit weten, als ze wat mankeert. Maar eindelijk kon ze zich niet langer ophouden, en bleef vanmorgen liggen. Dat is voor Nel iets buitengewoons.... Nou kwam ik vragen....”
„Of Eric en Tobi hier mogen komen? Maar dat spreekt toch van zelf, beste Joop.”
„U neemt mij een pak van ’t hart, dolgraag. Waar zouden de kinderen beter bezorgd kunnen zijn? U begrijpt, ik kan ze niet geven wat hun toekomt. Blijven ze thuis, dan gaat Nel er over tobben, dat ze zonder toezicht zijn; zij willen naar moeder toe, en dat mag niet, want Nel moet absolute rust hebben. Dus....”
„’k Ga met je mee, Joop,” viel Mevrouw Canneheuvel in. „’k Mag Nel wel even zien en haar vertellen, dat de kinderen bij ons komen? Van uit school stuur je ze maar dadelijk hierheen.”
„Als ’t U en Vader maar niet te druk wordt, twee logéetjes voor onbepaalden tijd over den vloer; vooral Tobi is een echte woelwater,” zei Joop. „’k Ben bang, dat ’t met mijn lieve Nel een lange geschiedenis zal worden,” voegde hij er zuchtend bij.
„In onze Duiventil is voor al de kinderen en kleinkinderen altijd plaats, dat weet je toch wel, beste jongen,” sprak Mevrouw Canneheuvel eenvoudig. „’k Hoor vader de trap afkomen, vraag ’t hem zelf maar, als je mij niet gelooft.”
Maar dat hoefde Joop heusch niet te doen. Nauwelijks hoorde vader, dat Nel ziek was en rust behoefde, of hij zei, net als zijn vrouw had uitgemaakt: „Eric en Tobi sturen jullie natuurlijk naar ons toe.”
„Neem je een pleegzuster?” vroeg Mama.
„Ja, ik telefoneerde dadelijk, en kon gelukkig Zuster Corver krijgen, een bovenste beste. Als ik ’t dezer dagen niet juist zoo bizonder druk had, was ’t niet noodig geweest, had ik Nel zelf kunnen oppassen.
„Vindt U ’t niet vreemd, Nel stemde dadelijk toe, toen ik voorstelde een pleegzuster te laten komen. Zoo niets voor Nel, wèl een bewijs, dat ze zich ziek voelt.”
Mevrouw Canneheuvel had zich intusschen klaar gemaakt, en in Joop’s koetsje reden beiden nu naar de Hertoginnelaan.
De pleegzuster was er al, een zacht, vriendelijk persoontje, volkomen op haar plaats in een ziekekamer.
Met een hoogroode kleur lag Nel in haar bed, ze was onrustig, en praatte druk en opgewonden. Mama bleef maar even bij haar. Ze had haar hand op Nels voorhoofd gelegd; ’t was, alsof ’t daarachter brandde, zoo heet voelde ’t aan.
Nel bracht moeders hand aan haar lippen. „Dank U duizend maal, dat U de kinderen wil nemen. Dag lieve moeder, Joop zal mij wel gauw beter maken.” Ze wuifde met haar kleine, witte hand moeder vaarwel, vroeg haar niet om nog wat te blijven. Arme Nel moest zich wel heel naar voelen!
Een beetje angstig en bezorgd ging Mevrouw Canneheuvel naar huis, maar zij borg die zorg in haar hart, zei tegen haar man, dat ze zich niet ongerust hoefden te maken over Nel. Ze was jong en sterk, en zou er stellig gauw bovenop komen met de hulp van zoo’n knappen dokter als haar eigen, lieven man.
Aan de koffie kwamen de kinderen, en even later verscheen Sientje met een koffertje met kleeren en toiletbenoodigdheden.
Er was een briefje van Joop bij: „Moeder liet Eric en Tobi honderdmaal goeden dag zeggen. Ze moesten lief en gehoorzaam zijn, en ’t Grootpa en Grootma vooral niet lastig maken, dan mochten ze gauw weer thuis komen.”
De kinderen waren een beetje verschrikt en erg onder den indruk. Ze hadden op school de boodschap gekregen, dat ze rechtstreeks naar „Huize Canneheuvel” moesten gaan, omdat Mama ziek was geworden, en rust moest hebben.
Mama ziek! Dat was nog nooit gebeurd. ’t Was wel heerlijk bij Grootma en Grootpa te logeeren, maar de reden.... verschrikkelijk! Tobi begon op eens te huilen, en wilde niets meer van haar boterham weten. „Waarom moet Moeder een pleegzuster hebben?” vroeg ze verontwaardigd. „Waarom kunnen Eer en ik Moeder niet helpen? ’k Heb dikwijls Moeder’s haar gevlochten en Eric kan best Moeder’s gezicht en handen wasschen en.... we kunnen zoo stil zijn als muizen en....” Tobi bedacht wat een pleegzuster nog meer doet. Toen besloot ze triomfantelijk: „en bovendien is Vader er toch ook nog.”
„Vader kan toch de zieke menschen niet aan hun lot overlaten,” zei Eric zacht. „Dat kan je toch ook wel bedenken, Tobi. ’t Is nou omdat Vader een dokter is, anders zou hij veel meer bij Moeder kunnen blijven.”
„Juist een geluk,” viel Tobi in, „dat Vader dokter is, want een „bestere” dokter kan Moeder niet hebben, wat U Grootma?”
„Jullie hebt allebei gelijk,” maakte Grootma uit. „Maar kindertjes, nu moeten jullie eens heel goed naar mij luisteren. Je moet lief en verstandig zijn, niet zeuren en dwingen om bij je moedertje te mogen wezen, want dat kan en mag niet. ’k Weet wel, dat jullie erg je best zoudt doen en heel lief en behulpzaam zijn voor mama, maar je bent nog te jong, en hebt niet geleerd wat een pleegzuster allemaal weet, om een zieke zoo goed mogelijk te verzorgen. Grootma heeft ook dikwijls verpleegd, maar ze moest toch altijd toegeven, dat de verpleegster veel dingen beter wist en beter deed. Elken dag krijgen we bericht van mama, dat heeft Vader vast beloofd, en zoo gauw ’t maar eventjes kan mogen jullie moeder gaan bezoeken en een zoentje brengen. En ik weet zeker, dat je je zieke moeder met niets meer plezier doet, dan door geduldig en lief bij Grootpa en mij den tijd af te wachten, dat je weer naar huis toe mag gaan. Basjesman zal ook wel zorgen, dat jullie je hier niet al te erg verveelt.”
„Dat doen we nooit in de Duiventil,” riepen de beide kinderen tegelijk. „Als moeder maar niet ziek was, zouden we ’t zalig vinden een lange poos hier te zijn, hé Tobi?” vroeg Eric.
„Jetuurlijk,” gaf Tobi toe, „als we nou maar gauw hooren, dat moeder een beetje vooruitgaat. Daar moet die pleegzuster nou maar eens goed voor zorgen, daar is ze voor, zou ik denken.”