Part 1
GODEN- EN HELDENSAGEN
NAAR HET DUITSCH VAN ERNST HOFFMANN
Omgewerkt door Dr. J. S. THEISSEN Leeraar aan het Sted. Gymnasium te Groningen
7e DRUK. Met 25 illustraties buiten den tekst P. NOORDHOFF—1917—GRONINGEN.
INHOUD.
bladz. Het ontstaan der wereld en der goden 1 De regeering van Oeranos 1 De regeering van Kronos 2 Zeus en de Giganten 4 Typhoëus 5 De godenwereld 6 De heldentijd 11 De vier tijdperken 11 Prometheus en Epimetheus 12 Deucalion en Pyrrha 13 Midas 15 Orpheus en Euridyce 17 Phaëton 18 Sisyphus 20 Bellerophontes 21 Meleager en Atalanta 23 Danaos 25 Perseus 26 Heracles 29 Theseus 37 Tantalos en zijn geslacht 40 Tantalos 40 Niobe 42 Pelops 43 Kadmos en zijn geslacht 45 Kadmos 45 Oedipus 47 De Argonautentocht 54
De Trojaansche oorlog 58
I. De bruiloft van Peleus en Thetis 58 II. Priamos en Paris 59 III. De schaking van Helena 61 IV. Iphigeneia in Aulis 63 V. Achilles en Agamemnon 64 VI. Paris en Menelaos 67 VII. De hervatting van den strijd 70 VIII. Hector en Andromache 71 IX. Hector en Ajax 73 X. De vorderingen der Trojanen 75 XI. Patroclos 77 XII. Hector’s dood 78 XIII. Priamos lost het lijk van Hector 82 XIV. Troje’s verwoesting 85
De zwerftochten van Odysseus 89
I. Penelope 89 II. Telemachos in Pylus en Sparta 91 III. Calypso 93 IV. De schipbreuk 94 V. Odysseus bij de Phaiaken 96 VI. Het wederzien 111 VII. De moord der vrijers 115
Orestes en Pylades 121
Aeneas 127
I. De aankomst in Carthago 127 II. Aeneas en Dido 130 III. Op weg naar Latium 132 IV. De strijd om Italië 134
De sage der Nibelungen 137
I. Siegfried 137 II. Chriemhilde en Brunehilde 138 III. Siegfried’s dood 140 IV. Chriemhilde’s wraak 143
VOORWOORD VOOR DEN 6EN DRUK.
Bij dezen nieuwen druk zijn enkele verhalen geheel opnieuw bewerkt, andere herzien. Er is niet gestreefd naar meerdere volledigheid; eerder is het aantal namen nog iets beperkt. Een werkje als dit behoeft m.i. geen opheldering te geven van iederen naam uit mythologie of sagen, dien men kan tegenkomen; daartoe kan een woordenboek van eigennamen geraadpleegd worden. Bij te veel namen kan bovendien de eisch van werkelijk kennen van den inhoud niet gesteld worden; bij beperking daarentegen is dat wel mogelijk.
Getracht is, vooral met het oog op Gymnasiasten, naar nauwere aansluiting aan de lezing van het verhaal, die tot grondslag voor de bewerking diende. Waar één bepaalde overlevering van nabij werd gevolgd, is de bron nu opgegeven. Ook zijn de boeken van Ilias, Odyssee en Aeneïs in margine aangegeven; dat kan de keuze voor eigen lectuur vergemakkelijken.
Ook H.B. Scholieren en leerlingen aan andere inrichtingen van onderwijs, waar literatuurstudie op het programma staat, zullen tot goed begrip van heel wat lectuur eenige vertrouwdheid moeten bezitten met de bekendste goden- en heldensagen, met den inhoud van de groote epische producten van Oudheid en Middeleeuwen en van de meest gelezen treurspelen der Grieksche tragici. De hoop, dat het boekje ook buiten het gymnasium lezers en gebruikers zal blijven vinden, heeft het ook nu weer onmogelijk gemaakt consequentie in de spelling der eigennamen te betrachten. Waar een Grieksche lezing aan het verhaal ten grondslag ligt, is in het algemeen aan de Grieksche schrijfwijze de voorkeur gegeven; waar een Latijnsche schrijver is gevolgd, is de Latijnsche spelling geprefereerd. Dreigde echter zoo een veel voorkomende naam minder goed herkenbaar te worden, dan is, om duidelijkheidsredenen, van dezen regel afgeweken. Verder is de klemtoon nu in den tekst door accenten aangewezen. De namen zijn, als vroeger, waar ze voor de eerste maal voorkomen, gecursiveerd.
Eindelijk is het werkje van illustratie’s voorzien, waarnaar in den tekst hier en daar is verwezen. Daarbij is niet gezocht naar het minder bekende; ik meen, dat allereerst de meest voorkomende navolgingen van producten van klassieke beeldhouwkunst gekend moeten worden.
Een alphabetisch register van eigennamen, met verwijzing naar de bladzijden, is aan het boekje toegevoegd, en zal, naar ik hoop, de bruikbaarheid verhoogen.
Groningen, Mei 1914. J. S. THEISSEN.
VOORWOORD VOOR DEN 7EN DRUK.
Na de algeheele omwerking van den vorigen druk, scheen het mij niet noodig nu reeds weer wijzigingen van beteekenis aan te brengen, te minder, omdat geen opmerkingen werden gemaakt, die mij daartoe aanleiding zouden kunnen geven. Enkele storende drukfouten zijn verbeterd, een paar illustratie’s verplaatst, zóó, dat ze beter bij den tekst aansluiten; overigens bleef het werkje gelijk.
Groningen, December 1916.
HET ONTSTAAN DER WERELD EN DER GODEN.
DE REGEERING VAN OERANOS (URANUS)
(HESÌODUS: THEOGONIE).
Allereerst is, naar de voorstelling van de Grieken, de Chaos ontstaan, de wijdgapende oneindigheid, de raadselachtige oorsprong van heel de bezielde en onbezielde wereld. Daaruit ontstonden Gaia (Gaea), de aarde, en de Tàrtaros, de afgrond diep onder de aarde; ook Eros, de liefde, de macht die alles verbindt. Uit den Chaos kwamen eveneens voort de Duisternis en de Nacht; zij werden op hun beurt de oorsprong van het Licht en van den Dag. Verder werden uit Gaia nog geboren Oèranos, de hemel, de gebergten der aarde en Pontos, de zee.
Aarde en hemel huwden elkaar en kregen achttien kinderen. Daarvan waren er drie met honderd armen en vijftig koppen; boven de hoogste bergen staken zij uit, en zij waren afgrijselijk om te zien. Drie andere hadden ieder maar één oog, rond van vorm en midden in het voorhoofd geplant. De honderdarmigen heetten Hekatoncheiren, de éénoogigen: Cyclopen. De twaalf vroeger geborenen, zes jongens en zes meisjes, waren goed gevormd; zij heetten Titanen.
Oèranos echter koesterde maar weinig vaderlijke gevoelens ten opzichte van zijn kinderen; zoo gauw er een geboren was, stopte hij het weg in diepe duisternis in het binnenste der aarde. Toen verzon Gaia een list om zich van de geweldenarijen van haar man te bevrijden; zij maakte een groote sikkel en sprak tot haar kinderen: „Als ge nu wilt, zullen wij ons gemakkelijk op Uw vader kunnen wreken.” Allen zwegen, vol ontzetting; alleen Kronos, de jongste der Titanen, bood zich aan om de vreeselijke daad te volbrengen. Gaia verborg hem nu in een hinderlaag, gaf hem de scherpgetande sikkel in handen en toen in donkeren nacht de hemel zich uitbreidde over de aarde, greep Kronos hem aan, verminkte hem op afschuwelijke wijze en verdreef hem uit zijn heerschappij. Uit het bloed, dat neerdruppelde, kwamen de Erìnyen (Furiën) voort, de godinnen van de wraak, de geweldige Giganten en de melische nymphen; „melia” is de esch, uit welks hout de bloedige lans werd gemaakt. En terzelfder tijd baarde ook de nacht allerlei vreeselijke wezens: het noodlot, den dood, den slaap en zijn benauwende droomen, den haat en de tweedracht, die de moeder werd van laster, van strijd en van moord.
DE REGEERING VAN KRONOS (SATURNUS)
(HESÌODUS: THEOGONIE).
Kronos regeerde nu; zijn zuster Rhea nam hij zich tot vrouw. Toen hij echter van Gaia vernam, dat ook hij door zijn eigen zoon verdreven zou worden, verslond hij zijn kinderen, zoodra zij hem geboren werden. Een vijftal ondergingen dit vreeselijk lot: Hera, Demèter en Hestia, Hades en Poseidon. Maar toen het zesde kind geboren zou worden, wendde zich Rhea om raad tot haar ouders. Op hun aanwijzing ging zij naar Creta; daar werd Zeus geboren en in een grot neergelegd, waar de geit Amalthèa hem voedde met haar melk, terwijl gewapende mannen met de lansen sloegen op hun schilden, opdat Kronos het schreien van het kind niet zou vernemen. Aan den vader werd een steen gereikt, zorgvuldig, als een zuigeling, in doeken gewonden; hij slokte hem op, in de meening dat hij zijn pasgeboren zoon verslond. Deze, intusschen, groeide voorspoedig op en werd de mooiste en de sterkste van alle goden. Toen hij volwassen was, dwong hij, geholpen door de listen van Gaia, Kronos zijn opgeslokte kinderen weer te voorschijn te brengen; eerst kwam de steen eruit; toen volgden goden en godinnen, in de volgorde, waarin hij ze verslonden had. Een hevige strijd ontspon zich nu tusschen de oude en de jonge goden; de eersten verschansten zich op den berg Othrys, de laatsten op den Olympus. Tien jaar reeds was er gevochten, toen Zeus, op raad van Gaia, de Hekatoncheiren uit hun donker verblijf aan het licht bracht; vroeger al had hij de Cyclopen bevrijd, die, bedreven in alle smidswerk, uit dankbaarheid bliksem en donder voor hem smeedden. En ook op de honderdarmigen werd nu niet te vergeefs een beroep gedaan. Geweldig was de botsing van de vijandelijke scharen; de zee bruischte hoog op, de aarde dreunde, de wijde hemel raakte geheel in beroering en de machtige Olympus sidderde tot op zijn grondvesten; tot in de diepte van den Tàrtaros toe waren de zware voetstappen van de aanstormende goden, was de doffe slag van de neerkomende rotsblokken, waarmee de honderdarmigen den vijand bestookten, duidelijk verneembaar. En onophoudelijk slingerde Zeus zijn bliksems, knetterend kraakten de donderslagen, bosschen raakten in brand, rivieren begonnen te koken, in een dichten damp werden de Titanen gehuld.
Eindelijk behaalden de jonge goden de overwinning; de oude werden in den Tàrtaros geworpen, zóóver onder de aarde, als de hemel er boven is, opgesloten binnen een metalen omheining, omgeven door driedubbelen nacht, streng bewaakt door de honderdarmigen en de éénoogigen.
ZEUS EN DE GIGANTEN.
Toen Zeus nu de regeering in handen had gekregen, koos hij zich zijn zuster Hera tot vrouw. Aan ieder van zijn broeders gaf hij een deel der heerschappij; Poseidon werd de beheerscher van de zee, Hades de vorst van de onderwereld. Ook de geit Amalthèa werd niet vergeten; Zeus maakte een van haar horens tot een wonderhoren: wie deze bezat, kon wenschen, wat hij goed vond en zeker zijn van de vervulling; sedert spreekt men van den „Hoorn van overvloed.”
Maar Gaia, ontstemd over de opsluiting der Titanen, zette nu de Giganten op tot strijd tegen de goden. Met forsche kracht wierpen zij groote rotsblokken tegen den hemel: de goden echter spotten met hun geweld, de steenen rolden, zonder uitwerking, terug, en geen berg was hoog genoeg om van daar uit een bestorming te kunnen ondernemen. Toen scheurden de reuzen den Pelion uit den grond en wentelden dien boven op den Ossa. Te vergeefs echter; Zeus slingerde een geduchten bliksem tegen den berg, zoodat hij kantelde en naar beneden rolde. Daarop stormden de goden, onder een vervaarlijk krijgsgeschreeuw, van den Olympus af en begonnen een gevecht. De Giganten waren zeer sterk en de slag duurde een geheelen dag; eindelijk werden zij overwonnen en gevangen genomen.
Om ze nu goed in bedwang te houden, werd op iederen Gigant een zwaar rotsblok gewenteld, zóó, dat ze niet meer aan opstaan konden denken. Een der reuzen trachtte over de Middellandsche Zee te ontvluchten. Maar de dochter van Zeus, de krijgshaftige Athene, die ook een groot aandeel aan den strijd had genomen, bemerkte die poging, scheurde een ontzaglijk, driehoekig stuk land los en wierp dat den vluchteling achterna. De worp was raak, en de Gigant werd midden in zee onder de aarde bedolven. De aarde zelve bleef daar liggen, droeg langzamerhand bosschen en steden, en heet tegenwoordig Sicilië. Soms roeren de Giganten zich nog onder hun last en trachten dien van zich af te schudden; dan wordt door de menschen een aardbeving gevoeld. En als zij in hun ongeduld erg driftig worden, blaast hun vurige adem door de rotsblokken heen en werpen zij gesmolten erts en steenen uit.
Een voorstelling van de gigantomachie kwam voor op het altaar van Pergamum en op een deel der metopen van het Pàrthenon.
TYPHOEUS
(HESÌODUS: THEOGONIE).
Na de overwinning op de Giganten gaf Gaia het nog niet op, maar schiep een ontzettend monster, den Typhon. Krachtig waren zijn armen; zijn voeten onvermoeibaar en uit zijn schouders staken honderd vuurspuwende drakenkoppen op. Ieder van die koppen had zijn eigen geluid; nu eens klonk het als de taal der goden, dan weer als het loeien van een stier of het brullen van een leeuw, soms ook als het geblaf van honden of het gesis van een slang. Haastig greep Zeus zijn bliksemschichten en ging het ondier te lijf; van de zware donderslagen dreunden de aarde, de hemel en de zee, ja zelfs de donkere diepten van den Tàrtaros. Hoog bruiste het water op en weer sidderde de Olympus; van een lichtenden vuurgloed werd alles vervuld; Hades huiverde in zijn duister rijk en de Titanen werden bevreesd door het ontzaglijk tumult van dien woedenden strijd. Eindelijk gelukte het Zeus het monster neer te slaan; zijn koppen zengde hij hem af met bliksem op bliksem, en toen hij ten slotte, verlamd, op den bodem lag uitgestrekt, stegen rossige vlammen op uit het doorboorde lichaam. De aarde dampte over een groote uitgestrektheid en begon te smelten als tin in den smeltkroes; toen greep Zeus hem beet en slingerde hem toornig in de diepte van den Tàrtaros.
DE GODENWERELD.
De heerschappij der jongere goden was nu voor goed gevestigd.
Zeus (Jùpiter) was de oppergod, de god van den hemel, de verzamelaar der wolken, die de bliksemschichten slingerde en donderslagen deed rollen. Hij was bekleed met het opperste gezag; aan hem ontleenden de vorsten hun macht; door hem werden beschermd, wie bijzondere bescherming noodig hadden. In zijn prachtig paleis op den Olympus zat hij voor bij de vergaderingen der goden en bevestigde het genomen besluit door zijn stevigen hoofdknik. Feestmalen werden hier gehouden; dan bediende Hebe en soms ook Hephaistos; nectar en ambrozijn werden gebruikt en een groote vroolijkheid uitte zich vaak in een gullen lach.
Ook op den berg Ida, in de nabijheid van Troje, mocht Zeus graag vertoeven.
In het bijzonder werd Zeus geëerd op Creta, waar hij immers opgevoed zou zijn. Een oud heiligdom van Zeus bevond zich in Dodòna; daar gaf hij orakels; uit het ruischen der bladeren van een aan hem gewijden eik wist men zijn wil af te leiden. Maar vooral Olympia was aan Zeus gewijd. Hier stond binnen de altis, het heilige terrein, de groote Zeustempel met het kolossale Zeusbeeld in goud en ivoor, door Phidias vervaardigd. Hier werden ter eere van Zeus om de vier jaar de beroemde Olympische spelen gegeven. Hier eindelijk, evenals in Dodòna, konden orakels worden verkregen.
Elische munten hebben de voorstelling bewaard van het groote Zeusbeeld te Olympia. Het bekendste beeld is nu de Zeus van Otricoli.
Onder de dieren was de adelaar aan Zeus gewijd.
Boven Zeus nog stond de macht van het noodlot, de Moira, het Fatum, waarvan Zeus de voltrekker was.
Hera (Juno) was de vrouw van Zeus, de koningin van den hemel, de beschermgodin van het huwelijk. Vooral in Argos werd zij geëerd, waar in een aan haar gewijden tempel een groot beeld van Polykleitos voorkwam. Ook in Olympia was het Heraion een bekende tempel. De meest verspreide voorstelling in beeld is de Hera Ludovisi.
Pallas Athene (Minerva), een dochter van Zeus, uit zijn hoofd geboren, was oorspronkelijk ook een hemelgodin. Later was zij de godin van den tactischen krijg, gewapend met helm en schild en speer: zóó stond zij op het plateau van de Acròpolis te Athene. Zij was verder de godin van de wijsheid en de beschermster van alle kunstvaardigheid, vooral van de vrouwelijke handwerken. Om de vereering van de stad Athene had zij met Poseidon moeten kampen; wie het nuttigste geschenk zou geven zou de gevierde zijn. Toen deed Poseidon een bron ontstaan; Pallas Athene schonk den olijfboom en kreeg den prijs. Op de Acròpolis stond het Pàrthenon, een groote tempel, aan haar gewijd; op de gevelvelden waren haar geboorte en haar wedstrijd met Poseidon afgebeeld. In het Erechtheion werd een oud, houten beeld van Athene bewaard, dat uit den hemel heette gevallen te zijn; ieder jaar, bij gelegenheid van het feest der Panathenaeën, werd in plechtigen optocht aan dit beeld een nieuw kleed gebracht. Een voorstelling van dien optocht was afgebeeld op het fries van het Pàrthenon en bevindt zich nu in het Britsch Museum te Londen.
Een kleine copie van de Athene Parthenos bevindt zich in Athene; ook andere verre copieën van Phidias’ werk zijn bewaard; zoo b.v. de Athene Farnese te Napels.
Uil en olijfboom waren aan Pallas Athene gewijd.
Apollo en Àrtemis (Diana) waren kinderen van Zeus en Leto (Latòna). Apollo, oorspronkelijk vooral in Klein-Azië en op de eilanden geëerd, was de god van het licht, de beschermer van dichtkunst en zang, het hoofd van de Muzen op Helicon en Parnassus. Op Delos was hij geboren; daar o.a. stond een heiligdom van hem. Maar vooral Delphi met zijn grooten Apollo-tempel was hem gewijd; hier gaf de Pythia, zijn priesteres, orakels, die langen tijd zeer gezien waren in Griekenland en daar buiten; hier werden groote wedstrijden te zijner eere gehouden.
Gewoonlijk wordt Apollo afgebeeld met boog en pijlen of met een lier; bekend zijn de Apollo van Belvedère, de Apollo als zanger bij de lier, en de Apollo Sauròktonos, hagedissendooder, de laatste van Praxìteles.
Aan Apollo was de laurierboom gewijd; met lauwerkransen werden de overwinnaars in de Delphische spelen beloond.
Àrtemis was de godin der maan, de godin ook van de jacht, met hoog opgeschort kleed om des te sneller te kunnen loopen. Haar bekendste beeld is de Artemis van Versailles.
Hephaistos (Vulcanus) was de god van het vuur en de smid der goden. De mooi bebeitelde deuren van de woningen van sommige onsterfelijken, de bliksems, die Zeus hanteerde, de wapenrustingen van godenkinderen als Achilles en Aenèas, kwamen uit zijn werkplaats. Nu en dan hielp hij ook bedienen op den Olympus.
Hestia (Vesta) was de godin van den huiselijken haard, voor wie te Rome van staatswege door de Vestaalsche maagden voortdurend een vuur werd brandende gehouden.
Ares (Mars) was de god van den woesten krijg; bekend is de Ares Ludovisi.
Aphrodìte (Venus) was de godin van schoonheid en liefde; vooral Praxìteles heeft getracht haar in beeld te brengen en velen hebben hem nagevolgd. Bekend is de Aphrodìte van Knidos; bekender nog de Venus van Milo.
Eros (Amor, Cupido) was geworden tot Aphrodìte’s zoon, de god van de liefde, gewoonlijk voorgesteld met pijl en boog.
Hermes (Mercurius) was de bode der goden, toegerust met vleugelschoenen en herautstaf, de geleider der dooden naar de onderwereld, de god van den handel en de beschermer van de reizigers. In Olympia werd, voor een groot gedeelte nog gaaf, de Hermes van Praxìteles gevonden; bekend is ook het beeld van den rustenden Hermes van Napels.
Poseidon (Neptunus) was de opperste zeegod, gehuwd met Amphitrìte, een dochter van Nereus. Zijn wapen was een drietand, waarmeê hij gewoonlijk wordt afgebeeld. Aan hem werden ook wel toegeschreven de vulkanische bewegingen van de aarde; de „Aardschudder” werd hij bijgenaamd. Hij reed met zijn wagen over de golven der zee, omstuwd van Tritonen en Nereïden; hij bewoonde in de diepte een prachtig paleis. Paard, stier en dolfijn waren hem gewijd. Op de landengte van Corinthe werden de Isthmische spelen te zijner eere gevierd.
Zeegoden van minderen rang waren Nereus, de oude vader der vijftig Nereïden en Proteus, een god, die de toekomst kon voorspellen.
Verder dachten zich de Grieken in elke rivier een stroomgod, zonen van Okèanos (Oceanus), den wereldstroom, die de geheele aarde omspoelde.
Als goden van de aarde werden vooral geëerd: Dionỳsos (Bacchus), de god van den plantengroei, van den weelderigen wijnstok in het bijzonder. Nymfen en Satyrs, die velden, bosschen en bergen bevolkten, kwamen voor in zijn gevolg. Tot groote uitgelatenheid, heet het, bracht hij zijn vereerders; berucht zijn bacchanaliën en bacchanten. Uit de groote feesten ter eere van Dionysos heeft zich waarschijnlijk het tooneelspel ontwikkeld. Verder Demèter (Ceres), de godin van den landbouw en:
Persèphone (Prosèrpina), haar dochter, die geschaakt werd door Hades, den god van de onderwereld. Na lang zoeken en vragen vernam Demèter waar zij was; toen werd een overeenkomst gesloten: de eene helft van het jaar zou Persèphone bij haar moeder op aarde zijn, de andere bij haar man in de onderwereld.
Ter eere van Dionysos, Demèter en Persèphone werden te Eleusis bijzonder plechtige feesten gevierd, de Eleusinische mysteriën.
Hades (Pluto, Dis) ten slotte was de beheerscher van de onderwereld, waar in den Tàrtaros de boozen hun straf ondergingen, op de Elyseesche velden de goeden een gelukkiger leven leidden. Een drietal rechters, Minos, Aeacus en Rhadamanthys, velden vonnis over de schimmen.
DE HELDENTIJD.
IN VIER TIJDPERKEN.
(OVIDIUS: METAMORPHOSEN I reg. 89 vlgg.)
Onder de regeering van Kronos werden de menschen geschapen; men beleefde toen het gouden tijdperk. Er heerschte eeuwige lente op aarde en een zachte wind streelde in de zoele lucht de bloemen, die zonder zaaien geworden waren. De bodem droeg vrucht ook zonder dat hij bewerkt werd, en zwaar hingen de aren over den ongeploegden akker. Zonder dwang van wetten en bepalingen deden de menschen wat goed en rechtvaardig is; vrees voor straf bestond niet en toch was ieder, zonder de bescherming van een overheid, veilig. Geen schepen, op jacht naar winst, bevoeren nog de zee, geen grachten omgaven de steden, krijgstrompet en harnas waren onbekend; in rustigen vrede bracht men zijn leven door.
Toen Kronos echter naar den Tàrtaros was verbannen en Zeus de regeering had aanvaard, maakte dit gouden tijdperk plaats voor het zilveren. De jaargetijden ontstonden en de korte lente werd nu gevolgd door den zomer, door herfst ook en winter. Huizen werden gebouwd, voren getrokken, en in moeizamen arbeid moest de oogst aan den bodem ontworsteld worden.
Als derde volgde het koperen tijdperk, reeds geneigd naar de wapens te grijpen, maar aan eigenlijke misdaad toch nog vreemd.
Eindelijk brak als vierde het ijzeren tijdperk aan. Toen weken schaamtegevoel en zin voor waarheid en goede trouw; list en bedrog en inhaligheid deden hun intocht. Het verlangen om hun schatten te vermeerderen dreef de menschen op zee en in de diepten der aarde; het harde ijzer en het verderfelijke goud werden aan de oppervlakte gebracht. Schrikkelijke wapens werden nu gesmeed en bloedige oorlogen volgden elkaar op. Men leefde van roof; de vriend was voor den vriend, de broeder voor den broeder niet meer veilig. Ook de eerbied voor de goden was verdwenen, en diep verontwaardigd wendden dezen zich af van het menschelijk geslacht.
PROMETHEUS EN EPIMETHEUS.
(HESÌODUS: „THEOGONIE” EN „WERKEN EN DAGEN”).
Er leefden echter twee broeders van goddelijk geslacht, wier vader, als Titaan, tegen Zeus had gestreden; zij woonden onder de menschen en waren hun zeer goed gezind. De een heette Prometheus, dat wil zeggen: die vooruit denkt; de ander Epimetheus, de man, die achterna denkt. Zeus, boos op de menschen, wilde hun het vuur onthouden; toen besloot Prometheus het hun te verschaffen; heimelijk, in een rietstengel, roofde hij het weg van den Olympus. Hevig toornde Zeus, toen hij den hellen gloed van het vuur op aarde zag lichten. Toch ontnam hij het den menschen niet, maar het goede, dat zij er door gewonnen hadden, deed hij van veel kwaad vergezeld gaan. Aan Hephaistos gaf hij last uit klei een mooie, jonge vrouw te vormen en haar stem en leven te geven; Athene leerde haar aan den weefstoel kunstigen arbeid verrichten en Aphrodìte omgaf haar met lieflijke bevalligheid. Maar Hermes schonk haar listigen zin en de zucht om te behagen. Pandòra, de al-begiftigde, werd zij genoemd.
Zeus gaf nu aan zijn bode last haar aan Epimetheus over te geven. Prometheus had zijn broer gewaarschuwd voor elk geschenk van Zeus; maar de zorgelooze, die steeds nadacht, als het te laat was, stoorde zich daar niet aan en nam het meisje dankbaar aan. Te laat pas bemerkte hij, hoe dwaas hij gehandeld had. Want Pandora lichtte, nieuwsgierig, het deksel op van het vat, waarin alle onheilen waren geborgen. Toen stormden zorgen en rampen er uit en verspreidden zich onder de menschen, ziekten en kwalen, nood en ellende, waarvan zee en aarde vol zijn. Alleen de hoop bleef boven aan den rand van het vat hangen en vloog er niet uit, daar Pandora snel het deksel weer sloot.