Chapter 7 of 12 · 3719 words · ~19 min read

Part 7

[XIX.] Den volgenden morgen verzoende Achilles zich plechtig, in het bijzijn van alle Achaeërs, met Agamemnon. Daarop werd de maaltijd gebruikt; alleen Achilles weigerde, rouwend over zijn makker; Athene moest met nectar en ambrozijn hem laven, opdat niet de honger zijn kracht zou verlammen. En toen, als sneeuwvlokken, voortgedreven door een sterken noordenwind, kwamen van alle kanten de krijgers aanstormen in stralenden glans van pantsers en schilden. Ook Achilles rustte zich uit, besteeg zijn strijdwagen en schitterend als Helios, de zonnegod, dreef hij zijn span naar het front der Grieken.

[XX.] In den strijd, die nu volgde, worstelden menschen en goden in wilde warreling dooreen, want Zeus had dezen dag aan de hemelbewoners verlof gegeven aan het gevecht deel te nemen en bij te staan, wien zij wilden, opdat niet Achilles, door niets in zijn woede gestuit, de stad Troje tegen de bedoeling van het lot zou veroveren. Van beide zijden dreven de goden de scharen aan; Zeus donderde vreeselijk van den hoogen Olympus en Poseidon schudde de aarde zoo heftig, dat zelfs Hades verschrikt van zijn troon sprong uit vrees, dat de grond zou barsten, en zijn afzichtelijk doodenrijk voor aller oogen bloot zou liggen.

[XXI.] Nadat Achilles tal van Trojanen had gedood, dreef hij hun gansche leger in wilde vlucht voor zich uit; een deel werd door den onweerstaanbaren held in de rivier de Scamander gejaagd en meedoogenloos door hem verslagen, zoodat ten laatste de stroomgod zelf, die de slachting niet langer kon aanzien, zijn wateren in opstand bracht, ze over de oevers joeg en Achilles met den dood bedreigde. Hephaistos echter wierp op Hera’s bevel zijn vlammen over de baren en droogde het land. Toen werd de jacht voortgezet over de vlakte; in drommen snelden de Trojanen naar de stad, waar zij redding zochten binnen de poorten.

[XXII.] Hector was de eenige, die nog stand hield buiten den muur en den vijand afwachtte. Hij sloeg geen acht op de wanhopige smeekbeden van den grijzen Prìamos, die in zijn geest reeds heel zijn huis verslagen zag en vol angst hem terugriep binnen de veste; hij lette niet op de klagende verwijten van zijn treurende moeder; na een korte aarzeling was hij vast besloten te overwinnen of te sterven. Toen hij echter zijn vreeselijken tegenstander zag naderen, grepen schrik en ontsteltenis hem aan en hij ging op de vlucht. Achilles stormde hem na, en als een hond, die rusteloos een hertje vervolgt, joeg hij hem voor zich uit, driemaal om de stadsmuren heen, zelf steeds aan den binnenkant, opdat Hector niet van de muren af geholpen zou worden. Eindelijk, door Athene daartoe overgehaald, hield de vervolgde stand; maar vergeefs zond hij zijn speer, en toen hij met zijn zwaard nu op den Pelide lostrok, trof diens spies hem voor in den hals, zoodat hij stervend ineen zonk. Fluisterend sprak hij nog: „Bij uw leven, Achilles, bij uw knieën, bij uw ouders bezweer ik u, geef mijn lijk niet aan de honden prijs; neem van mijn vader koper en goud, zooveel ge wilt, ten losprijs, maar zend mijn lichaam naar Troje, opdat het door mijn vrienden begraven worde.”

Maar norsch antwoordde de snelvoetige Achilles: „Bezweer mij niet bij mijn knieën, noch bij mijn ouders. Niemand zal van uw hoofd de honden en gieren verjagen, zelfs niet wanneer men tien- of twintigvoudig losgeld bracht en Prìamos aanbood tegen goud uw lichaam op te wegen.” „Wel ken ik u,” steunde Hector, „uw hart is van staal; maar weet dat de toorn der goden mij zal wreken op den dag, waarop Paris en Apollo u, hoe dapper gij ook zijt, zullen dooden.” Zoo voorspelde hij Achilles nog stervend zijn naderend einde, en blies den laatsten adem uit. De Pelide echter riep, terwijl hij zijn speer uit het lijf rukte: „Sterf! Mijn eigen noodlot zal ik afwachten wanneer Zeus en de andere onsterfelijken het beschikt hebben!” Hierop doorboorde hij zijn slachtoffer de voetpezen, trok er een riem doorheen, en bond het lijk aan zijn strijdwagen om het naar zijn legerplaats te slepen, ten buit aan honden en roofvogels. Luid jammerend stonden Prìamos en Hècabe, te midden der Trojanen, op den muur der stad en zagen hoe hun zoon, de beste van geheel het volk, smadelijk werd voortgesleurd.

[XXIII.] Een groote houtmijt werd in ’t Grieksche kamp opgestapeld en plechtig werd daarop het lijk van Patroclos verbrand. Twaalf Trojaansche jonge mannen, door Achilles gevangen genomen, gaf deze als doodenoffer mede aan de vlammen prijs. Toen liet hij, om de nagedachtenis van den gestorvene te eeren, een grooten wedstrijd houden, waarvoor hij zelf vele kostbare prijzen had uitgeloofd; in den wagenren, het vuistgevecht, de worsteling, den wedloop, den tweekamp met de speer, het werpen met den kogel, het schieten naar de duif en het slingeren van de lans werden behendigheid en kracht en volharding beproefd en naar waarde beloond.

XIII. PRIAMOS LOST HET LIJK VAN HECTOR.

[XXIV.] Twaalf dagen lang lag het lijk van den ongelukkigen Hector voor Achilles’ tent in het stof, en elken dag sleurde deze hem, aan zijn wagen gebonden, om den grafheuvel van zijn vriend; maar de goden beschermden met liefderijke zorg den doode tegen verderf en verminking. Eindelijk geboden zij Achilles het lichaam aan de bloedverwanten uit te leveren en bevalen Prìamos zich met een wagen, beladen met rijke geschenken, naar de legerplaats der Grieken te begeven om het lijk van zijn zoon los te koopen. Door nachtelijke duisternis beschut en veilig geleid door Hermes, kwam hij bij Achilles’ tent aan. Deze had juist zijn avondmaaltijd geëindigd en zat nog aan tafel op eenigen afstand van zijn vrienden; toen trad de oude koning ongemerkt binnen, wierp zich plotseling voor den verbaasden jongeling op de knieën en kuste de handen, die hem zooveel leed hadden toegevoegd.

„Achilles,” zoo sprak hij, „o, gedenk uw vader, die, door ouderdom gekromd, misschien door vijandelijke naburen wordt bedreigd, en hulpeloos is als ik. Maar hem blijft de hoop over, dat hij eens zijn geliefden zoon behouden naar huis ziet terugkeeren; ik echter mis elken troost. Vijftig zonen bezat ik, toen de Grieken in mijn land kwamen; de meesten daarvan heeft de oorlog mij ontroofd, en den eenigen, die in staat was de stad te beschermen, mijn Hector, hebt gij me verslagen! Hem kom ik thans lossen tegen rijkelijk losgeld. Eer de goden, Achilles, heb medelijden met mij, gedenk uw eigen vader! Ik ben uw medelijden nog meer waard dan hij, want ik lijd wat geen sterveling leed: ik druk de hand aan mijn lippen, die mijn zonen heeft gedood.”

De jonge held, voor wien de zwaar beproefde grijsaard klagend in het stof lag, was diep geroerd; met afgewend gelaat weende hij om zijn vader, dien hij nimmer zou terugzien, maar ook om Patroclos, den gestorven vriend. Plotseling sprong hij op, hief den ouden man uit het stof en sprak: „Arme ongelukkige, waarlijk veel leed hebt gij ondervonden. Hoe echter hebt gij het durven wagen hierheen te komen onder het oog van hem, die uw zoon heeft verslagen! Gij hebt nog stalen moed! Thans echter, zet u neer en laat ons het verdriet vergeten; weeklacht baat toch niet meer. Zoo is nu eenmaal het lot der menschen; twee vaten staan in de woning van Zeus, het eene met onheil gevuld, het andere met de zegeningen van het geluk; wien de goden hun gaven dooreengemengd schenken, die heeft nu eens ramp- dan voorspoed; maar wien zij slechts ongeluk toedeelen, dien stooten zij in een poel van jammer en ellende. Zoo schonken de goden aan Peleus, mijn vader, heerlijk geluk; toch deelde een godheid ook hem groote rampen toe, want hij kreeg slechts een eenigen zoon, die hem de dagen van zijn ouderdom niet kan verlichten, want ver weg zit ik hier voor Troje en breng droefheid over u en uw kinderen. En ook u, grijsaard, prezen de menschen eens gelukkig om uw macht en uw rijkdom en uw bloeiende zonen, maar thans hebben de onsterfelijke goden u grievend leed beschoren. Draag het manlijk en jammer niet zoo; de weeklacht wekt de dooden niet!”

„Noodig mij niet tot zitten,” antwoordde de grijsaard, „zoolang Hector in uw tent onbegraven ligt. Lever hem mij uit, en neem onmetelijk losgeld!” Met droeven blik sprak de jongeling: „Wees gerust, eerwaarde oude; ik zelf toch heb het voornemen hem u af te staan. Zeus heeft het mij bevolen.” Daarop snelde hij naar buiten, liet de geschenken afladen en het lijk van Hector op den wagen leggen, nadat het was gewasschen, gezalfd en in lijnwaad gewikkeld. Teruggekeerd in de tent, zette hij zich weder tegenover den koning en sprak: „Uw zoon is losgekocht; morgen, zoodra Eoos aan den hemel verschijnt, kunt gij hem zien en naar huis voeren; nu evenwel willen wij den maaltijd gedenken.” Na het maal sprak Prìamos: „Laat mij nu gaan rusten, edele held; want sedert mijn zoon in uw handen viel, hebben mijn oogen zich niet gesloten, maar, gefolterd door smart, heb ik mij gewenteld in het stof van mijn hof en eerst heden kwam weer vleesch en wijn over mijn lippen.” Achilles liet zijn gast buiten in de hal een leger bereiden, opdat hij in het vroege morgenuur zou kunnen vertrekken. Daarop stond hij hem voor de begrafenis van zijn zoon nog een wapenstilstand van elf dagen toe, nam toen de rechterhand van den grijsaard in de zijne en liet hem ter ruste gaan. De jonge held, in zijn toorn zoo wreed en onmenschelijk, was na de hevige ontroering van de laatste dagen, door den aanblik van den ongelukkigen grijsaard en door de herinnering aan zijn eigen vader, achtergebleven in het verre vaderland, zacht en vriendelijk geworden; zijn ziel was gelouterd en had zich weer geopend voor zachtere aandoeningen. Hij waardeerde nu den heldenmoed van zijn vijand en leverde hem uit ter eervolle begrafenis.

Pas daagde het in het Oosten, toen Prìamos met het lijk van zijn zoon naar de stad terugkeerde. Reeds vóór de poort kwamen de Trojanen hem tegemoet; Andròmache en Hécabe snelden op den wagen toe, en legden weeklagend haar handen op het hoofd van den doode. En spoedig verdrong van alle zijden het volk zich om de treurige groep, zoodat het voertuig slechts langzaam en met moeite zich voortbewoog naar het koninklijk paleis. Daar werd het lijk op een prachtig rustbed neergelegd; terzijde stonden zangers en hieven den treurzang aan, waarin zich de jammerkreten der klaagvrouwen mengden.

Negen dagen lang voerden de Trojanen een onmetelijke hoeveelheid hout aan uit de bosschen en bouwden in de vlakte voor de stad een torenhoogen brandstapel. Den tienden dag was alles gereed, en onder luide weeklachten werd Hector’s lijk op de houtmijt gelegd en verbrand. Daarop verzamelden broeders en strijdmakkers het onverteerde gebeente en borgen het in een gesloten, gouden kist, die met purperen lijnwaad omwikkeld in het gedolven graf werd neergelaten. Reusachtige steenblokken dekten de groeve, terwijl bovendien een grafheuvel werd opgeworpen. Hierna keerde de volksmenigte naar de stad terug en een feestelijk lijkmaal in het paleis van Prìamos was het laatste eerbewijs aan den edelen Hector bewezen.

XIV. TROJE’S VERWOESTING.

Spoedig daarna sneuvelde ook Achilles. Onstuimig stormde hij, overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op Troje los; de Trojanen boden weinig weerstand en Achilles zou de stad hebben ingenomen, ware het door de goden niet anders besloten geweest. Reeds was men bezig de poortdeuren uit de hengsels te lichten, toen Apollo van den hoogen Olympus af den bedreigden te hulp kwam en den held toeriep af te laten van den strijd. Achilles echter sloeg de vermaning van de godheid in de wind; toen nam deze de gestalte van Paris aan, legde een pijl op zijn boog en schoot den held in de hiel, de eenige wondbare plek aan zijn lichaam; met een zwaren slag stortte hij ter aarde. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken, waaruit een donkerroode bloedstroom gutste, verhief hij zich met een sprong van den grond en stortte zich weer op de vijandelijke drommen. Vele Trojanen doorboorde nog zijn speer; toen echter verstijfden hem langzamerhand de ledematen en stervend zonk hij ineen, zoodat de aarde dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht door de Grieken naar hun legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals hij het gewenscht had, verzamelden zijn vrienden het overschot en plaatsten dit, in een gouden urn, in het graf, waarin zij ook het gebeente van Patroclos bijzetten.

[Virgilius: Aeneis II.] Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had gewoed, viel Troje door list in de handen der Grieken. Op raad van den sluwen Odysseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoogstammige dennen, waaruit een reusachtig paard werd vervaardigd. De dapperste helden verborgen zich in de ruime holte; de overige Grieken echter staken hun tenten en hun legertros in brand en zeilden over naar het naburige eiland Tènedos, waar zij landden.

Toen de Trojanen den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad uit naar de legerplaats der Grieken en aanschouwden hier het reusachtige houten paard. Terwijl zij het er onder elkaar over oneens waren of ze het wonderwerk in de stad zouden sleepen of aan de vlammen zouden prijs geven, trad Laòcoön, een priester van Apollo, in hun midden op, en riep: „Ongelukkigen, wat dwaasheid bezielt u? Meent gij dat de Grieken werkelijk zijn heengegaan, of dat een geschenk uit hun hand geen bedrog in zich sluit? Kent gij dan Odysseus zoo weinig? Eén van beide: òf in dit paard schuilt gevaar, òf het is een oorlogswerktuig, dat door den in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend. Hoe het ook zij, ik voor mij vertrouw het volk van Danaos niet, zelfs al komt het met geschenken!” Daarop stiet hij een machtige, ijzeren speer in den buik van het paard; die boorde trillend in het hout en uit de holte klonk een doffe dreun als uit een diepen kelder. Maar de Trojanen bleven blind voor het naderend onheil.

Ondertusschen brachten eenige herders een geboeiden Griek aan, die uit eigen beweging hun tegemoet was gekomen, om door een verdicht verhaal de stedelingen gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard en hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Prìamos gebracht, vertelde Sinon, zoo heette de Griek, dat het kolossale beeld tot een wijgeschenk voor Athene was bestemd om deze godin te verzoenen. Het was zoo groot gemaakt om de Trojanen te verhinderen het door hun stadspoorten te brengen, daar in dat geval de godin zich van de Grieken zou afwenden om Troje bij te staan. Mochten evenwel de Trojanen zich aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk in het verderf worden gestort.

Prìamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof; zij werden nog meer doordrongen van de waarheid van zijn woorden, toen op hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep, waarin zij een bestraffing meenden te zien van den priester Laòcoön wegens zijn twijfel aan de bestemming van het paard. Van het eiland Tènedos namelijk naderden twee slangen; in reusachtige kronkelingen schoven zij voort over de zee. Laòcoön stond juist met zijn zonen aan het strand en offerde. Toen schoten de monsters op de knapen toe en omstrengelden hun lichamen, het teere vleesch met hun giftige tanden verwondend. Met opgeheven lans snelde de vader zijn kinderen te hulp; ook om hem kronkelden de slangen zich heen. Vergeefsch waren alle pogingen zich los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif doortrokken. Daarop gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel van Athene en verborgen zich onder het schild der godin.

Nu was bij de Trojanen alle twijfel gebannen; zij haalden een deel van den stadsmuur neer en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad binnen. De taal van Cassandra, de eenige, die het dreigende verderf voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der stad, en door wijn en vermoeidheid bevangen, verzonken de Trojanen in diepen slaap. Een vuursignaal, op het admiraalschip gegeven, was nu voor de Grieksche vloot het teeken om terug te keeren naar het bekende strand, en voor Sinon om zijn landgenooten te bevrijden uit hun houten kerker. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Allerwege werd brand gesticht en niet lang duurde het, of uit de daken der woningen stegen rosse vlammen omhoog. Ook de troepen van Tènedos waren geland en drongen door de geopende poorten der stad binnen, die thans het schouwspel werd van een ontzettende ellende. Grieken zoo goed als Trojanen stierven in de worsteling of werden geveld, door brandende balken en steenen getroffen. Hun gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel der slachtoffers; ouderdom, geslacht noch stand bleef bespaard; de grijze Prìamos werd aan den voet van een altaar doorstoken, Hectors zoon Astỳanax uit de armen van zijn moeder gescheurd en van den torenmuur naar beneden geworpen. Alleen Aenèas ontkwam; hij nam zijn ouden vader Anchìses op den rug, zijn zoontje Ascanius aan de hand en vluchtte door de straten van de brandende stad naar het strand der zee. Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven een nieuw vaderland te vinden; hij, de dappere Trojaansche held, werd de stamvader van het Romeinsche volk.

Menelaos stormde het paleis binnen van zijn gemalin Hèlena en zou haar in zijn eerste woede misschien hebben gedood, als niet zijn broeder Agamemnon tusschenbeide was gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen van het eens zoo machtige Troje, nu voor goed van den aardbodem verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door de Grieken als slaaf medegevoerd.

DE ZWERFTOCHTEN VAN ODYSSEUS.

I. PENELOPE.

(HOMEROS: ODYSSEE).

[Boek I.] Tot de helden, die eerst na lange rondzwervingen en ontzettenden tegenspoed hun vaderland terugzagen, behoorde Odysseus (Ulysses), de koning van Ithaca. Een god had hem zooveel rampen beschoren. Poseidon, de beheerscher der zeeën, was op den held vertoornd, want zwaar was hij door hem beleedigd. Daarom joeg hij hem voort over het wijde watervlak, van noord naar zuid, van oost naar west, verbrijzelde zijn schepen, doodde zijn makkers en dreef hem door maalstroom en branding naar volken, wier taal en zeden hem vreemd waren.

Terwijl Odysseus door Poseidon’s toorn werd rondgeslingerd op de zee en tegenspoed moest dulden van allerlei aard, werd ook zijn trouwe vrouw Penèlope met haar zoon Telèmachos, dien hij eens als knaapje op moeders schoot had achtergelaten, op Ithaca door zware rampen bezocht. Bijna twintig jaren waren verstreken sedert Odysseus het vaderland had verlaten; alle andere vorsten en helden waren lang teruggekeerd; hij alleen zwierf nog rond. Men hield hem voor dood en had alle hoop op zijn behoud verloren. Penèlope was de eenige, die nog altijd vertrouwde op zijn terugkeer. Elke reiziger, die het eiland aandeed, werd ondervraagd; maar alle navraag was vergeefsch. Toch bleef zij den vriend van haar jeugd met onwankelbare trouw liefhebben. Meer dan honderd vrijers hadden zich in haar paleis verzameld en hielden daar op de onbeschaamdste wijze huis. Zij slachtten de runderen van Odysseus, zijn bokken en zijn zwijnen en dwongen zijn slaven en slavinnen hen te bedienen. Dag aan dag leefden zij in een roes van feestvreugde en wilden Penèlope dwingen een van hen tot man te kiezen. Laërtes, Odysseus’ vader, was den overmoed der vrijers ontvlucht en woonde eenzaam in het binnenland; zijn vrouw was van verdriet gestorven en Penèlope treurde dag en nacht om haar echtgenoot. Toen begaf zich Pallas Athene, de godin, die Odysseus steeds als helpster ter zijde stond, in menschelijke gedaante naar Ithaca, gaf den jongen Telèmachos nieuwen moed en wekte bij hem het voornemen de helden te gaan bezoeken, die met zijn vader Troje hadden belegerd. De vrijers waren verbaasd over de fiere taal, waarmeê Odysseus’ zoon hen nu tegemoet trad; maar zelf verzonk hij, toen dien avond de deur van zijn slaapkamer zich achter hem gesloten had, in droef gepeins, en dien ganschen nacht door overwoog hij de woorden, die Athene tot hem gesproken had.

[II.] Den volgenden morgen riep hij een volksvergadering bijeen. Heftig beklaagde hij zich daar over het gedrag van de vrijers; zij zwegen op het krasse verwijt van zijn woorden. Alleen Antìnoös nam het woord en wierp alle schuld op Penèlope, die list op list verzon om aan het opgedrongen huwelijk te ontkomen. Nu weer was ze bezig met het weven van een kleed en had beloofd, zoodra dit af was, zich een uit de velen tot gemaal te kiezen. Maar ’s nachts, bij het schijnsel der toortsen, rafelde zij weer uit wat zij over dag had gewerkt. Zoo kwam zij nooit klaar, maar zoo zou ook nooit het geweld der minnaars ophouden. Neen, het zou toenemen, verzekerde een ander, ondanks voorteekenen en verzekeringen van zieners, totdat door Penèlope een keuze zou zijn gedaan! En de vergadering ging uiteen, zonder dat ook aan Telèmachos het schip en de makkers, waarom hij voor zijn voorgenomen reis had gevraagd, waren toegestaan. Toch kreeg hij, door Athene’s bemoeiingen, een vaartuig en roeiers. Diep in den avond kwamen allen aan het strand bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en vlug doorkliefde het schip de golven.

II. TELEMACHOS IN PYLUS EN SPARTA.

[III.] Den volgenden morgen reeds bereikten zij, onder Athene’s geleide, de haven van Pylus, in het landschap Messenië, op de westkust van den Peloponnesus. Hier woonde Nestor, die onder de helden voor Troje voornamelijk om zijn jaren en zijn wijsheid in hoog aanzien had gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van Odysseus met groote hartelijkheid, vertelde hem van de helden voor Troje al wat hij had ervaren, maar van Odysseus wist hij niets, daar hij vroeger dan deze was weggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar Menelaos en Hèlena woonden, die hem misschien meer inlichtingen omtrent zijn vader zouden kunnen geven. Paarden en een wagen zou hij hem verschaffen, als hij de reis over land wilde maken, en een van zijn zonen zou hem tot geleider strekken. En zoo geschiedde. Nadat in den vroegen morgen van den volgenden dag een plechtig offer was gebracht, werd de wagen ingespannen. Telèmachos en Peisìstratos, een zoon van Nestor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde de paarden aan tot spoed; zoo kwamen zij weldra bij Menelaos.