Chapter 6 of 12 · 3948 words · ~20 min read

Part 6

[II.] Dien nacht nog kreeg Agamemnon in den droom den raad, een aanval op Troje te ondernemen. Vooraf echter wilde hij de gezindheid van zijn mannen op de proef stellen. Daartoe riep hij den volgenden morgen een vergadering samen. Hij stelde den Grieken voor naar huis terug te keeren; de onderneming scheen immers toch op niets uit te loopen, de vloot rotte weg op het strand, het touwwerk werd onbruikbaar. En—anders, dan hij gehoopt had—dadelijk stormde de menigte naar de schepen; Troje zou gespaard zijn, als niet Pallas Athene op bevel van Hera, tusschenbeide was gekomen. Zij richtte zich tot Odysseus, die door overreding en strengheid de Achaeërs al spoedig tot staan had gebracht. Opnieuw zette men zich ter vergadering. Alleen Thersites, leelijk van lichaam en leelijk van ziel, die altijd opruide tot verzet tegen de vorsten, bleef ook nu nog doorrazen: eerder Achaeïsche vrouwen dan mannen achtte hij hen, die zóó door Odysseus zich van hun voornemen lieten afbrengen! Maar Laertes’ zoon legde hem gevoelig het stilzwijgen op; onder de slagen van zijn scepter kromp hij huilend ineen. „Wel smartelijk”—sprak toen Odysseus—„is het, zóó lang van huis te zijn; maar schandelijk toch ook, onverrichter zake terug te keeren. En in het tiende jaar, heeft Calchas voorspeld, zal Troje vallen; een korten tijd dus nog moed gehouden!” Luide toejuichingen vertolkten hem den bijval der vergadering. In gelijken geest sprak ook nog Nestor, en weldra ging men uiteen, om zich uit te rusten tot den oorlog. Als scharen vogels zwermden door de vlakte troepjes Grieken en voegden zich bijeen; als de gloed van een boschbrand straalde het blinkende koper; zooals herders hun kudden scheiden, deelden de vorsten hun mannen in benden en stelden ze op voor den strijd. Het was een machtige aanblik, een geweldig leger, uit alle deelen van de Grieksche wereld samengestroomd, onder leiding van tal van beroemde helden. En ver boven allen blonk de aanvoerder uit: Agamemnon, de zoon van Atreus.

VI. PARIS EN MENELAOS.

[III.] De Trojanen trokken van hun kant op; weldra stonden de legers tegenover elkaar. Toen trad Paris, een bont pantervel om de schouders, gewapend met boog en zwaard en speren, uit het gelid en daagde met luide stem den dapperste aller Grieken tot een tweestrijd uit. Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijn strijdwagen en wierp zich als een leeuw den roover van zijn vrouw en van zijn schatten in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij; sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep Hector, vol verontwaardiging, hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart gij toch gestorven, eer gij deze schande over uw huis hadt gebracht! Hoort gij dan niet het spottend gelach van de vijanden, die zich vroolijk maken over uw lafheid? Gij hadt dus wel den moed dien held zijn vrouw te ontrooven, maar niet, u met hem te meten in den strijd?” „Met recht valt gij mij hard,” antwoordde nu Paris. „Wilt ge mij echter zien vechten, verkondig dan aan Trojanen en Grieken, dat ik thans met Menelaos, voor de oogen der beide legers, den strijd wil aanbinden. Wie van ons overwint, die hebbe Hèlena en haar schatten; gij bebouwt dan weer in vrede uw akkers, en die daar schepen zich weer naar Griekenland in.” Hector was verheugd over de woorden van zijn broer; hij ijlde naar het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapens te laten rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap: Paris, mijn broeder, die alle ongeluk heeft verwekt, wil het ook doen eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Hèlena en al haar schatten tot inzet.” Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht aan te nemen, en dadelijk ijlde een bode naar de stad om den ouden koning Prìamos te ontbieden, die, naar landsgebruik, onder voorgeschreven offerplechtigheden het verdrag moest bezweren. Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover Trojanen, en verbeidden in de open ruimte vóór zich den tweestrijd.

Toen Prìamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en Agamemnon verrichtte het offer. Hij schoor de schapen den kop en riep de goden tot getuigen aan van het verdrag; daarop slachtte hij de offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich de vorsten wijn in de bekers, plengden den goden ter eere de eerste druppels en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht vergieten van hem, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug; hij kon het gevaar, dat zijn zoon bedreigde, niet mede aanzien.

Hector en Odysseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in een helm om te beslissen, wie van beide strijders den eersten worp zou doen, en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug en beide strijders rustten zich uit met scheenplaten, pantser, zwaard en schild, en dekten hun hoofd met den koperen strijdhelm met wuivenden helmbos; toen traden zij vooruit, en Paris wierp met forsche kracht zijn speer in de richting van zijn vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild en de speer viel machteloos ter aarde. Op hetzelfde oogenblik suisde Menelaos’ geweldige lans door de lucht, drong dwars door het schild en het pantser van Paris heen, en zou hem zeker hebben doorboord, als hij zich niet snel ter zijde had gewend. Dadelijk greep nu Menelaos zijn zwaard, hief het op, en trof met zwaren slag zijn tegenstander op het hoofd. Het wapen vloog echter in stukken en het gevest viel hem uit de hand. Bijna schreiend van woede over dat verlies, schoot Menelaos op Paris toe, greep hem bij den helm en sleurde hem zoo meê naar den kant der Grieken. Paris dreigde te stikken door het knellen van den kinband; zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Aphrodite den band doen springen. Menelaos hield nu den leegen helm in zijn handen en slingerde dien zijn landgenooten toe. Daarop stormde hij opnieuw op zijn slachtoffer los. Maar in een dichten nevel had reeds Zeus’ dochter hem weggevoerd naar zijn woning in de stad. Te vergeefs speurde Menelaos rond naar zijn vijand; hij was weg en niemand kon zijn verblijfplaats aanwijzen. Gejuich echter daverde op van de zijde der Grieken en Agamemnon riep luide zijn broeder tot overwinnaar uit. Hij verlangde daarom de uitlevering van Hèlena en van alle geroofde schatten, en bovendien een schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals dat bij het verdrag was vastgesteld.

VII. DE HERVATTING VAN DEN STRIJD.

[IV.] Een oplossing in dien zin kon echter Hera en Pallas Athene kwalijk naar den zin zijn. Zij wisten Zeus te overreden, dat hij Athene afzond om de Trojanen tot het hervatten van den krijg aan te sporen. Onkenbaar naderde zij een der Trojaansche krijgers en haalde hem over een schot op Menelaos te lossen. De pijl snorde weg van de sterk aangetrokken pees, drong door gordel en pantser, maar schramde, door de goede zorgen van Athene, Menelaos maar de huid. Toch stroomde een donkere bloedstroom hem langs dijen en enkels. Verontrust en verontwaardigd zag echter Agamemnon nu zèker den dag in het verschiet, waarop Troje zou vallen en het meineedige volk voor de Grieken zou bezwijken. Terwijl de wond van Menelaos onderzocht en verbonden werd, ging hij rond door de gelederen, aansporend en vermanend, verheugd waar hij, ruig van schilden en speren, de benden zag oprukken naar den strijd als een donkere nevel, die komt aandrijven over zee, lakend, waar hij weifeling bemerkte en angstig dralen. Weldra trokken, als golven, die aanrollen naar het strand, de troepen krijgers naar de vlakte; van den anderen kant naderde het veeltalige heer der Trojanen; en als twee bergstroomen, die bruisend samenkomen, zoo mengden zich de strijders in wilde warreling dooreen. Ares en Apollo aan den kant der Trojanen, Athene aan de zijde der Grieken, spoorden de tragen tot ijver aan, en velen, van weerszijden, zonken dien dag neer in het stof.

[V.] Van den strijd, die volgde, was Diomèdes, de zoon van Tydeus, de held. Door een steenworp werd Aeneas door hem gewond; en toen zijn moeder, Aphrodite, hem te hulp wilde komen, werd ook zij door een speer aan den pols getroffen. Jammerend trok zij zich terug naar den Olympus; maar glimlachend ried Zeus haar het krijgswerk maar niet meer ter hand te nemen; elders lag het terrein, waarop zij zich lauweren kon verwerven! Ondanks Diomèdes’ onstuimige dapperheid echter wonnen de Trojanen veld; Hector spoorde hen aan en Ares zelf was in hun midden. Toen reden ook Hera en Athene uit om de Grieken te helpen. Zelfs tegen den krijgsgod durfde nu Diomèdes het opnemen; met een speerworp trof hij hem vóór in den buik en brullend week Ares naar den Olympus terug, om er zijn wond te doen genezen. De beide godinnen, die haar doel hadden bereikt, trokken nu evenzeer weg en Achaeërs en Trojanen bleven weer aan zich zelven overgelaten op het slagveld.

VIII. HECTOR EN ANDROMACHE.

[VI.] Op zekeren dag, dat de strijd op het hevigst woedde, was Hector naar de stad gesneld om zijn moeder Hècabe (Hecuba) te smeeken met andere voorname Trojaansche vrouwen aan Athene een wijgeschenk te brengen en haar te bidden, Troje niet door Diomèdes’ dapperheid te doen vallen. Toen hij zijn opdracht had vervuld en de stad weer wilde verlaten, kwam hem aan de poort zijn vrouw Andròmache te gemoet, vergezeld van een slavin, die haar zoontje op de armen droeg. De trouwe vrouw begon te weenen toen zij hem zag, vatte zijn hand en sprak: „Vreeselijke man, uw moed zal u nog ten verderve voeren. Medelijden kent gij niet met uw jeugdig kind en uw ongelukkige vrouw. Als ik u verlies, wie zal mij dan bijstaan? Mijn moeder is gestorven, mijn vader en mijn broeders heeft Achilles gedood. Gij, mijn man, zijt mij tot vader, tot moeder en tot broeder tevens; nu gaat ook gij nog weg, terwijl de Grieken reeds onze muren bestormen. O, blijf hier op den wal! Maak mij niet tot een weduwe, uw kind tot een wees!”

Hector antwoordde haar: „Ook mij gaat dit alles ter harte. Maar te zeer vrees ik de verachting der Trojanen, dan dat ik werkeloos zou kunnen toezien bij den strijd. En toch, ik weet het, ’t zal alles te vergeefs zijn! De dag zal komen, waarop Troje in asch verzinkt en Prìamos’ geslacht te gronde gaat. Dat smart mij diep! Maar meer nog grieft mij uw lot, wanneer een trotsche Griek U weg zal voeren als slavin, wanneer ge voor een vreemde zult werken aan den weefstoel of water zult halen uit een ver verwijderde bron, wanneer men, als gij weenend daarheen gaat, zal zeggen: zie, dat is de vrouw van Hector, van den held, die eens boven alle anderen zich weerde voor de muren van Troje! Moge vóór die dag komt de aarde mij bedekken!”

Dit zeggende strekte hij de handen uit naar het kleine kind in de armen van de voedster. Maar angstig trok zich het knaapje terug, bang voor den grooten, wuivenden helmbos. Glimlachend zagen dat vader en moeder. Toen nam Hector den helm van zijn hoofd, zette hem neer op den grond, kuste het kind en wiegde het zacht in zijn armen, biddend tot de goden dat het mocht worden als hij, of meer nog dan hij, een vreugde en een troost voor zijn moeder.

Zoo bad hij, en hij gaf het kind weer over aan zijn vrouw, die, lachend door de tranen heen, het koesterde aan haar boezem. Toen werd ook Hector door een onweerstaanbaren weemoed aangegrepen. Liefkoozend streelde hij Andròmache de wang, en troostend sprak hij: „Wees niet al te bedroefd! Het menschelijk leven rust in de hand der goden en niemand zal mij tegen den wil van het noodlot naar het verblijf der dooden zenden. Maar wien het lot eenmaal treft, die moet volgen, hij zij edel of gemeen. Ga nu aan uw bezigheden, zorg voor het spinnewiel en den weefstoel en spoor de dienende vrouwen tot werkzaamheid aan. De oorlog is het werk der mannen, maar vooral van mij.”

Hij zette zijn helm op en snelde weg. Ook zij ging met het kind, maar stond dikwijls nog stil en oogde hem na. Eerst in haar vertrekken barstte zij los in geween; en met haar weenden de slavinnen, want zij hadden allen haar lief, haar zelve en den edelen Hector. Een somber voorgevoel vervulde haar harten; zij beschouwden den krachtigen held reeds als gestorven, en zongen bij zijn leven reeds zijn lijkzang.

IX. HECTOR EN AJAX.

[VII.] Intusschen stormde Hector, door Paris nu weer vergezeld, het slagveld op en gebood rust aan de Trojanen. Toen daagde hij openlijk de vijanden uit, een man uit hun midden tegenover hem te stellen, met wien hij geheel alleen den strijd voor altijd wilde beslissen. De Grieken weifelden; maar op de verwijtende woorden van Menelaos en Nestor boden zich negen van de beroemdste helden voor den kampstrijd aan. Het lot zou beslissen; den grooten Ajax viel het ten deel de eer der Achaeërs hoog te houden.

Gedost in blinkend koper, geweldig als de krijgsgod zelf, stormde hij vooruit, en dicht voor Hector pas hield hij stand; angst maakte zich van de harten der Trojanen meester.

Hector slingerde het eerst zijn lans; door het metalen beslag van het schild en door zes van de huiden, waarmeê het was overtrokken, drong zij heen; toen eerst bleef zij steken. Daarna was de beurt aan Ajax; door schild en pantser heen zou zijn speer Hector stellig in het lijf zijn gedrongen, als hij niet door een snelle wending dit had weten te voorkomen. Beiden rukten nu de lans uit hun schild en gingen daarmeê elkander te lijf, elk brandend van begeerte den tegenstander te dooden. Opnieuw trof Hector met goed gemikten worp het schild van zijn vijand; maar langs het koper schampte de speerpunt af; zij drong niet door. Hij zelf echter werd aan den hals getroffen, en donker stroomde het bloed uit de wonde. Snel wendde hij zich, greep een steen en slingerde dien naar zijn tegenstander; vlak in het midden trof hij het schild, dat galmde van den slag. Maar Ajax raapte een nog grooteren kei op, wierp hem met inspanning van alle krachten in de richting van den Trojaan en wondde hem aan de knie, zoodat hij in elkaar zakte. Dadelijk echter hief Apollo hem op; en met de zwaarden zouden zij elkaar nu te lijf zijn gegaan, als niet herauten van beide zijden hen hadden gescheiden. Met tegenzin schikte Ajax zich; maar Hector sprak: „Ajax, ge hebt u mannelijk gedragen en een god heeft u kracht en beleid geschonken. Laten wij thans uitrusten van den strijd en dien morgen hervatten, totdat een god aan een van ons beiden de overwinning verleent. Maar eerst zullen wij elkander geschenken geven.” En hij reikte hem zijn kunstig bewerkt zwaard met de scheede en den sierlijken draagband en Ajax schonk hem van zijn kant zijn purperen gordel. Zoo gingen zij uiteen en ieder leger ontving zijn held met juichkreten en voerde hem jubelend naar de zijnen terug. Toen werd het maal gebruikt. Agamemnon onthaalde de vorsten als gewoonlijk in zijn tent en reikte aan Ajax eershalve het grootste stuk, dat men uit den rug van een vijfjarigen, vetten stier had gesneden. Ook Hector verkwikte zich in zijn paleis aan een rijkelijken maaltijd en verhaalde zijn ouden vader de groote gebeurtenissen van den dag. Besloten werd van weerszijden het wapengeweld voor korten tijd te staken om de gevallenen te begraven. De Achaeërs, intusschen, omringden op raad van Nestor de schepen aan het strand met een wal en een gracht om ze tegen een overval der Trojanen te beveiligen.

X. DE VORDERINGEN DER TROJANEN.

[VIII.] Al spoedig echter begon weer de strijd; dagelijks wisselden gevechten en veldslagen in de vlakte voor Troje elkander af en menige krijger werd van weerszijden door een onverwachten dood naar den Hades gezonden. Sedert Achilles zich echter vol wrok in zijn tent had teruggetrokken, hadden de Grieken groote verliezen geleden; onder Hector’s dappere leiding drongen de Trojanen steeds verder door en kampeerden ten slotte vlak bij de gracht en den walmuur, die het kamp der Achaeërs moesten beschermen.

[IX.] Nu kreeg Agamemnon bittere spijt over zijn vroeger optreden tegen den zoon van Peleus, en hij besloot een poging te wagen om door teruggave van Briseïs en door de aanbieding van rijke geschenken diens goede gezindheid te herwinnen. Zijn gezanten troffen Achilles aan bij de schepen der Myrmidonen, spelend op de lier; vol verbazing zag de Pelide hen komen, maar gastvrij ontving hij ze in zijn tent en hij onthaalde hen vorstelijk. Tot toegeven echter konden zij hem niet bewegen; elke poging om hem te overreden zijn toorn te laten varen bleef vruchteloos; te zeer haatte hij Agamemnon. Onverrichter zake keerden de gezanten nog denzelfden avond naar het kamp der Grieken terug.

[X.] Dien nacht lichtten overal op de vlakte de wachtvuren der Trojanen, en onrust heerschte in het kamp der Grieken. Odysseus en Diomèdes trokken op verkenning uit. Zij waren nog maar pas op weg, toen zij stieten op Dolon, een Trojaan, die op zich had genomen de plannen van de Grieken uit te vorschen. Na een korte, wilde jacht viel hij zijn vervolgers in handen. Van hem vernamen Odysseus en zijn makker dat een Tracische hulpbende van de Trojanen ver buiten den kring der kampvuren gelegerd lag; daarheen richtten zich de beide mannen. Stil en voorzichtig, gedekt door het duister van den nacht, drongen zij tot in het hart van de legerplaats door. Zelfs de koning werd gedood; en op diens snelle paarden, die zij met zooveel meer nog hadden buit gemaakt, jaagden zij, pas toen de dag reeds naderde, naar hun makkers terug.

[XI.] Met ontzaglijke felheid ontbrandde in den morgen weer de strijd. Als een leeuw woedde Agamemnon op het slagveld en tot de muren van Troje drong hij den vijand terug. Toen werd hij gewond en wendde zijn wagen. Daarop had Hector, naar Zeus’ bevel, gewacht; als een wervelwind stortte hij zich aan de spits van de zijnen op de strijdende Achaeërs. Te vergeefs trachtte Diomèdes den aanval te keeren; getroffen, moest hij wijken. Evenzoo ging het Odysseus; en ook Ajax was niet bij machte de Trojanen tot staan te brengen. Een bloedig gevecht ontspon zich, dat met den algeheelen ondergang van de Grieken scheen te zullen eindigen. In dien nood wendde Nestor zich tot Patroclos, den vriend van Achilles; hij bezwoer hem den Pelide om zijn wapenrusting te vragen; verscheen hij, Patroclos, aan het hoofd der Myrmidonen, zóó op het slagveld, mogelijk zouden de Trojanen hem voor Achilles zelf houden en zou de krijgskans keeren.

[XII.] Intusschen drongen de Trojanen steeds verder op, en besloten eindelijk een aanval op het kamp der Grieken te doen. Verwoed werd op den wal en bij de torens gevochten, man tegen man, en groote verliezen werden aan beide zijden geleden. Ten slotte bezweek de poortdeur onder een steenworp van Hector; toen was het pleit beslecht. Juichend stormden door de ontstane opening en over den walmuur heen de Trojanen binnen; angstig vluchtten de Grieken naar de schepen terug.

[XIII.] Daar echter hielden zij, op vermaan van Poseidon, nog eenmaal halt; zij trachtten, dicht aaneengesloten, den aandrang van de Trojanen te weerstaan. Een verbitterde en verwarde strijd was het gevolg van hun pogen; maar als een leeuw vocht Hector, overal tegenwoordig; het noodlot scheen niet meer af te wenden van de schepen.

[XIV.] Zelfs Agamemnon ontzonk de moed; ’t was immers duidelijk, dat Zeus aan de Trojanen de overwinning verleende! Maar Hera waakte; in verbond met den slaap wist zij den Alvader in zoeten sluimer te brengen. Toen had Poseidon onder de Grieken vrij spel; luid klonk hun strijdkreet, luider dan het bulderen van de opgeruide golven tegen het strand van de zee, luider dan het geknetter van het droge hout bij een hevigen boschbrand. En onweerstaanbaar drongen zij vooruit toen Hector, door een zwaren steen getroffen, uit het strijdgewoel weggevoerd moest worden.

[XV.] Reeds waren de Trojanen buiten het kamp teruggejaagd, toen Zeus ontwaakte uit zijn sluimer. Dadelijk werd aan Poseidon bevel gezonden, zich verder buiten den krijg te houden; mokkend trok hij zich terug in de zee. Toen wekte Apollo, op last ook van Zeus, Hector opnieuw tot strijden op; als een paard, dat zich los heeft gerukt van de kribbe, rende hij het slagveld op, en onder een regen van pijlen en speren ging het, met behulp van Apollo, de gracht weer over. Vlak bij de vloot woedde weldra de strijd, man tegen man, nu met zwaard en met strijdbijl, en reeds droegen de Trojanen het vuur aan, dat de schepen in vlammen zou doen opgaan.

XI. PATROCLOS.

[XVI.] Toen eindelijk trad Patroclos de tent van Achilles binnen, schreiend als een kind om al de ellende, die door de Grieken werd geleden. Vol deernis stond de Pelide hem zijn verzoek toe, maar hij waarschuwde hem tevens voor Hector; aan dezen moest hij zich niet wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood hoog gestegen en redding dringend noodig; Ajax zelfs, de dappere, had ten laatste voor Hector uit den weg moeten gaan, en deze had met de zijnen den brand in een schip gestoken, zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook de overige schepen in groot gevaar verkeerden. Toen Achilles van zijn tent uit de vlam uit het schip zag opstijgen, doortrilde diepe smart het hart van den onbuigzame, en zelf spoorde hij zijn makker aan zich te wapenen. Patroclos rustte zich haastig ten strijde en liet zijn wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilles zijn manschappen in slagorde schaarde. Als hongerige wolven, vol onstuimigen moed, stormden zij, Patroclos vooraan, op de Trojanen in. De schrik sloeg hun om het hart en zij wendden zich ter vlucht; want zij geloofden dat Achilles zijn toorn had laten varen en in eigen persoon zijn troepen in het gevecht voerde. Tot aan de muren van de stad drong Patroclos door, en hij zou ze bestegen hebben, als niet Apollo zelf hem terug had gedreven. Toch woedde hij voort over het slagveld; tal van krijgers waren reeds onder zijn slagen gevallen en nog steeds zocht hij nieuwe slachtoffers. Toen naderde, in een nevel gehuld, Apollo hem van achteren en ontrukte hem zijn wapenrusting; één der Trojanen trof hem in den rug, juist tusschen de schouders, en toen hij, geknakt en verbijsterd, terugweek onder zijn makkers, stormde Hector op hem los en stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf. Luid jubelde de overwinnaar; maar stervend voorspelde nog Patroclos hem zijn naderend einde; weldra zou ook hij vallen onder de handen van Achilles.

XII. HECTOR’S DOOD.

[XVII.] Een heftige strijd ontspon zich om het lijk van Patroclos. Hector en Ajax vuurden aan weerszijden de scharen aan, en pas na een lange worsteling lukte het den Grieken hun gesneuvelden makker weg te dragen van het slagveld.

[XVIII.] Nu echter bereikte Achilles de mare van Patroclos’ dood, en mateloos als zijn toorn was thans ook zijn smart. Jammerend wierp hij zich ter aarde, bestrooide zich het hoofd, het gelaat en de handen met stof, en weeklaagde zoo luid, dat diep in den schoot der zee zijn goddelijke moeder de smartkreten vernam en opdook om hem te troosten. Slechts één verlangen beheerschte hem thans; wraak te nemen op Hector, die zijn vriend had gedood! Hij wilde terstond naar het strijdgewoel om den gehaten vijand op te zoeken. Maar hij had geen wapens; Hector pronkte zegevierend in zijn rusting! Dienzelfden nacht echter nog begaf zijn moeder Thetis zich naar den Olympus, en wist Hephaistos te bewegen een nieuwe, zeldzaam mooie wapenrusting te maken.