Chapter 11 of 12 · 3888 words · ~19 min read

Part 11

Aeneas verlangde naar zijn kleinen zoon, en zond naar de schepen om hem te halen. Venus echter, die Juno vreesde en de Tyriërs maar half vertrouwde, greep deze gelegenheid aan om haar zoon voor mogelijke aanslagen te beveiligen. Op haar verzoek legde Amor zijn vleugels af, nam de gedaante van Ascanius aan, en, terwijl Venus dezen naar het verre Cyprus voerde en hem daar in zoeten sluimer bracht, werd Cupido de feestzaal binnengeleid. Dido bewonderde den prachtigen knaap en liefkoozend nam zij hem op haar schoot. Toen begon Amor zijn verraderlijk spel: een vurige liefde voor haar Trojaanschen gast ontbrandde in het hart van Carthago’s koningin. [II.] Toen de maaltijd geëindigd was, werd Aeneas uitgenoodigd zijn lotgevallen te verhalen. En ondanks de smart, die de herinnering aan zooveel droeve gebeurtenissen bij hem moest wekken, was hij bereid aan het verzoek van Dido te voldoen. Hij vertelde de geschiedenis van den schijnbaren aftocht van de Grieken, van het houten paard, van Sinon en Laokoön, van de laatste gevechten in de straten van het brandende Troje, van Priamus’ dood. Hij verhaalde, hoe hij met zijn vrouw, met Anchises en Ascanius ten slotte was gevlucht en hoe hij, reeds in veiligheid, ontdekt had dat Creüsa niet meer bij hem was; hoe hij, teruggekeerd naar de stad om haar te zoeken, door haar schim van het nuttelooze dier onderneming overtuigd was en eindelijk in de bergen [III.] een veilig toevluchtsoord had gevonden. Ook schetste hij al de avonturen en gevaren, die hij en zijn makkers hadden beleefd sinds hun vertrek uit het land van Troje, hun landing in Thracië, op Delos, op Kreta, op de Strophaden aan de kust van Messenië, in het land Epirus, bij Helenus eindelijk, die midden onder de Grieken een nieuw Troje gesticht had. Hij schilderde ook de vaart langs de kust van Italië, waarvan hij door allerlei voorzeggingen nu wist, dat het ’t land van bestemming voor hem was, den tocht langs den rotsigen zoom van Sicilië, waar Anchises hem ontviel, den angst ten slotte van den jongsten orkaan, die hen naar de kusten van Afrika had gedreven.

II. AENEAS EN DIDO.

[IV.] Tevergeefs worstelde intusschen Dido met haar liefde voor Aeneas. Zij had zich zoo heilig voorgenomen, zij had zoo plechtig beloofd haar gestorven echtgenoot trouw te blijven; maar gemakkelijk hielp haar zuster Anna haar over haar gewetensbezwaren heen. Ook Juno was van oordeel, dat het zóó den goeden kant uitging. Zij richtte zich tot Venus en sloeg haar voor den Trojaanschen held en de koningin van Carthago in een huwelijk te vereenigen; dan immers zou het gevaar, dat in de toekomst van Italië uit zou dreigen, zijn afgewend. En ofschoon Venus haar bedoeling doorzag, ging zij, bang voor alles wat Aeneas nog boven het hoofd kon hangen, op den voorslag in. Een groote jachtpartij zou gehouden worden, en vroolijk reed de schitterende feeststoet uit. Maar toen men midden in de bergen was gekomen, begon de hemel te betrekken, zware donderslagen rolden ratelend langs het uitspansel, een dichte regen, met hagel gemengd, kletterde op de aarde neer, stroomen water daalden af van de hoogten. Toen zocht ieder voor zich een goed heenkomen. Aeneas en Dido kwamen samen in dezelfde grot; daar werden zij het eens en werd het huwelijk gesloten.

Maar Jupiter, de voltrekker van het noodlot, gaf Mercurius last Aeneas te herinneren aan den wil van het fatum. Snel daalde de bode af van den Olympus, vloog naar Carthago en kweet zich daar van zijn opdracht. Toen gaf Aeneas zijn makkers last de schepen in gereedheid te brengen, en, smartelijk getroffen, zocht hij naar een gelegenheid om Dido het harde bevel, dat hem van de goden geworden was, meê te deelen. Maar reeds voelde de koningin zich niet meer veilig in haar groot geluk en ook drong het gerucht tot haar door dat de vloot voor de afvaart werd uitgerust. Tevergeefs zocht zij door smeekingen, door verwijten en bedreigingen ten slotte, Aeneas van zijn voornemen af te brengen; hij bleef onwrikbaar: tegen de beschikkingen van het noodlot kon en mocht hij zich niet verzetten! Ook Anna pleitte vruchteloos voor haar zuster. Toen besloot Dido, door zelfverwijt bovendien over haar ontrouw jegens Sychaeüs nu gekweld, een einde aan haar leven te maken. Om—naar zij voorgaf—alles wat aan den trouweloozen Trojaan herinnerde te vernietigen, liet zij een brandstapel oprichten, bracht een offer aan de goden van de onderwereld en toen in den nacht Aeneas was weggevaren en Dido in den morgen de haven leeg zag en in de verte de vloot met volle zeilen zich van de kust zag verwijderen, besteeg zij de houtmijt, stortte zich in het zwaard, dat Aeneas had achtergelaten, en stierf in de armen van haar zuster.

III. OP WEG NAAR LATIUM.

[V.] Door tegenwind werd Aeneas genoodzaakt nog eens op Sicilië te landen. Ter viering van de nagedachtenis van Anchises werden hier groote spelen gehouden. Nadat het offer gebracht was en de feestgenooten verzameld waren, opende een roeiwedstrijd de reeks van vermaken. Toen volgde de wedloop, daarna het vuistgevecht. Ook in het boogschieten werd de vaardigheid beproefd; aan een langen mast werd een duif gebonden, die, losgeraakt door een welgemikt schot, hoog in de wolken door den laatsten schutter toch nog werd getroffen. Een aantal caroussel-figuren, door de jongere Trojanen onder het bewonderend oog van hun ouders sierlijk gereden, besloten het feest.

Toen werd de vreugde plotseling verstoord. Want Juno zond Iris in de gedaante van een Trojaansche onder de andere vrouwen, om haar te overreden de schepen in brand te steken, opdat er nu eindelijk een einde aan de omdolingen zou komen. Een hevige regen, op Aeneas’ gebed door Jupiter gezonden, bluschte het vuur, maar vier schepen waren door de vlammen verteerd. Niet allen zouden de reis nu kunnen vervolgen; de zwakkeren moesten op Sicilië achtergelaten worden.

Toen dien nacht Aeneas, vermoeid van den veelbewogen dag, in rustigen slaap neerlag, verscheen hem de schim van zijn vader Anchises en noodigde hem uit om, als hij in Italië zou zijn gekomen, allereerst hèm in de onderwereld op te zoeken. Nadat voor wie achtergelaten werden een nieuwe stad was gesticht, stak men in zee. Op Venus’ voorspraak effende Neptunus de golven en over het kalme watervlak voer men nu eindelijk op Italië toe.

[VI.] Bij Cumae werd geland. Daar vernam Aeneas van een Sibylle wat hij te doen had om zich toegang tot de onderwereld te verschaffen. Een gouden tak moest dienen tot een geschenk voor Prosèrpina; duiven wezen hem den weg en de twijg werd geplukt. Nadat ook nog het vereischte offer was gebracht, werd onder geleide van de Sibylle de tocht aanvaard. In het voorportaal van Hades’ woning troffen zij vele sombere gedaanten aan: rouw en vrees en allerlei zorgen, ziekten en ouderdom, honger en gebrek; ook monsters als de Gorgonen en de Harpyen. Aan den oever van den Styx zweefden in onrustige warreling de schimmen van onbegravenen, aan wie de toegang tot de onderwereld was ontzegd. Door Charon, in vieze, slordige plunje, werden zij overgezet; door een slaapmiddel werd Cerberus tot rust gebracht. Schimmen van jonggestorven kinderen, van onschuldig ter dood gebrachten, van wie door eigen hand omgekomen waren, ontmoetten zij eerst. Ook Dido troffen zij hier aan; onbewogen luisterde zij naar de verontschuldigende woorden van den man, die haar verlaten had, en vluchtte van hem weg in het schaduwrijke woud, waar Sychaeus haar troostte over de geleden smart. Zij kwamen langs den ingang van den Tartarus, omgeven door een vuurstroom en een drievoudigen muur, afgesloten door een stevige poort, die door een ijzingwekkende furie werd bewaakt; de Sibylle lichtte haar tochtgenoot in over het lijden van Tantalus, Sisyphus, de Danaïden en zoovele anderen, die hier boetten voor vroeger bedreven kwaad. Eindelijk werden de Elyseesche velden, de verblijven der zaligen, bereikt. Hier voerde Anchises zijn bezoekers naar een hoogte, van waar hij Aeneas de lange reeks van zijn nakomelingen toonde, de Romeinsche koningen en daarnaast Augustus, wiens roemrijke daden reeds nu werden voorzegd; ook de groote mannen uit den tijd van de republiek, een Caesar en een Pompejus. Nu voorspelde Anchises zijn zoon de moeite en den strijd, die hem in Italië wachtten, maar wees hem als troost op de wereldheerschappij, die het Romeinsche volk zich zou verwerven. Toen was het tijd om te scheiden, en samen met zijn geleidster keerde Aeneas vol goeden moed tot de zijnen terug.

IV. DE STRIJD OM ITALIË.

[VII–XII.] Men zette nu koers naar den mond van den Tiber en landde in Latium. Daar regeerde koning Latinus, gehuwd met Amata. Zij hadden een dochter Lavinia; voorteekenen hadden haar vader beduid, dat zij voor een vreemdeling, die zou komen, bestemd was, maar door toedoen van haar moeder was zij met Turnus, den vorst der Rutuliërs, verloofd. Na de landing begonnen de Trojanen met den bouw van een versterkte stad. Latinus ontving hen gastvrij en bood Aeneas de hand van zijn dochter; maar door Juno alweer werden de volken tot vijandschap opgeruid en rustten zich tot krijg. Aeneas zocht toen hulp bij den Arkadischen vorst Euander, die zich in Italië had neergelaten; vriendelijk ontving hem de hoogbejaarde koning en aan het hoofd van een kleinen hulptroep gaf hij hem zijn eenigen zoon Pallas meê. Evenals eens Achilles, kwam ook Aeneas in het bezit van een schitterende wapenrusting, door Vulcanus, op Venus’ bede, voor hem gemaakt.

Intusschen had Turnus herhaaldelijk vergeefsche aanvallen op de versterking der Trojanen gedaan. Nu naderde Aeneas, die ook een deel der Etruriërs bereid had gevonden om met hem op te trekken. Turnus deelde zijn leger, en een heftige strijd ontspon zich na de landing van Aeneas’ troepen. Pallas sneuvelde in een gevecht met Turnus, en in zijn droefheid over den dood van den jongen man, die hem maar noode door zijn grijzen vader was toevertrouwd, woedde Aeneas met groote verbittering onder zijn tegenstanders en zocht den vorst der Rutuliërs, om op hem den dood van zijn bondgenoot te wreken. Maar door Juno’s tusschenkomst werd Turnus ditmaal nog gered. Een wapenstilstand werd gesloten; van weerskanten werden de dooden begraven en Pallas’ lijk werd naar Euander teruggebracht; troosteloos en gebroken was de oude man toen hij zoo zijn eenigen zoon, op wien al zijn hoop voor de toekomst was gevestigd, uit den strijd zag terugkeeren. Toen men het gevecht zou hervatten, werd een tweekamp tusschen Aeneas en Turnus voorbereid; maar door Juno’s toedoen vielen de Rutuliërs op hun tegenstanders aan en werd de worsteling weer algemeen. Aeneas werd gewond en Turnus maakte groote vorderingen; toen echter de aanvoerder der Trojanen zich weer mengde in den slag, keerde de kans, en om den nood der zijnen bood Turnus zich nu tot een tweestrijd aan. Juno liet zich eindelijk met den loop der zaken verzoenen door de belofte dat de Latijnen, ook als Aeneas overwon, hun taal en hun zeden zouden mogen behouden. Toen was het lot van den Rutuliër beslist. Aeneas’ speer, met geweldige kracht geslingerd, trof hem in de dij en zwaar gewond zonk hij neer op den bodem. Op zijn smeekende woorden aarzelde echter de Trojaan, die zijn zwaard reeds had getrokken. Toen zag hij over den schouder van den gevallene den riem met gouden knoppen, dien hij zoo vaak den jeugdigen Pallas had zien dragen; het medelijden week, doodelijk trof het scherpe staal, en met zijn laatsten zucht vluchtte Turnus’ leven naar het rijk der schimmen.

Lavinia werd nu Aeneas’ vrouw; de stad, die hij bouwde, werd naar haar Lavinium genoemd. Van hier uit stichtte Ascanius Alba Longa en van Alba Longa uit legden Romulus en Remus de grondslagen voor het beroemde Rome.

DE SAGE VAN DE „NIBELUNGEN.”

I. SIEGFRIED.

Te Xanten in de Nederlanden woonde koning Siegmund met zijn vrouw Siegelinde; zij hadden een zoon Siegfried genaamd. De knaap was angstwekkend sterk, en daarom zond zijn vader hem de wereld in. Al zwervend kwam hij bij een smid, die hem als leerling aannam. Hij bleek echter onbruikbaar; hij deed zijn hamer zoo forsch op het aanbeeld neerkomen, dat dit in den grond werd gedreven als een spijker in week hout. Toen grepen schrik en ontzetting zijn meester aan en hij wenschte den al te sterken gast zoo spoedig mogelijk weer kwijt te raken. Hij zond hem naar een bosch om houtskool te branden; maar in dat bosch huisde een draak, die, hoopte hij, Siegfried zou verslinden. De jongeman echter doodde en verbrandde het monster; met het gesmolten hoorn van zijn huid bestreek hij zich het lichaam en werd zoo onkwetsbaar, behalve op één plaats tusschen de schouders, waarop een lindeblad was neergekomen.

’s Avonds keerde Siegfried naar de smidse terug, drukte de deur in omdat men hem niet opendeed, en versloeg zijn meester. Daarop rakelde hij het vuur op, trok den blaasbalg en smeedde zich een goed zwaard. Toen toog hij verder.

Na menig lotgeval kwam Siegfried in het land der „Nibelungen.” Daar leefden de twee zonen van den gestorven koning in twist over de verdeeling van den schat, door hun vader nagelaten. Deze schat, uit louter goud en edelgesteenten bestaande, lag in een bergholte en werd door den dwerg Alberik bewaakt.

Zoodra Siegfried was aangekomen, verlangden de koningszonen, dat hij den schat eerlijk zou verdeelen, en gaven hem bij voorbaat het beroemde zwaard Balmung tot belooning. Maar zij waren met zijn uitspraak niet tevreden en overvielen hem met twaalf reuzen. Hij echter versloeg ze alle twaalf, benevens de beide koningszonen. Met den dwerg Alberik bleef hij nog in een langdurig gevecht, waarvan het einde was dat hij hem een onzichtbaar makende mantel, de „Tarnkappe”, ontroofde en hem ten slotte overwon.

Voordat Siegfried van dit land scheidde om naar zijn vaderland terug te keeren, liet hij den overwonnene, die hem trouw had gezworen, als wachter bij den schat achter; de tarnkappe echter nam de held meê.

II. CHRIEMHILDE EN BRUNEHILDE.

[Het Nibelungenlied.] Te Worms aan den Rijn, in het rijk der Bourgondiërs, groeide de schoone Chriemhilde op; zij was een zuster van de koningen Gunther, Geernot en Giselheer. Beroemde helden leefden aan het hof: Hagen van Tronje en zijn broeder Dankwaart, de maarschalk; ook de zanger Volker van Alzey, die speer en schild even vaardig wist te hanteeren als het speeltuig. Eens droomde Chriemhilde dat een mooie valk, dien zij zelve had groot gebracht, door twee arenden gegrepen werd; dat zou wijzen op een edelen man, dien zij vroeg zou verliezen. Maar Chriemhilde nam zich voor ongetrouwd te blijven en velen dongen vergeefs naar haar hand.

Toen Siegfried van de schoone Chriemhilde hoorde, wilde ook hij een kans wagen. Met schitterend gevolg reed hij naar Worms; maar langer dan een jaar vertoefde hij aan het hof zonder de prinses te zien. Toen brak strijd uit met de koningen Ludigeer van Saksenland en Ludegast van Denemarken. Siegfried bood aan in Gunthers leger meê ten oorlog te trekken. Hij overwon de beide vorsten en bracht hen gevankelijk naar Worms. Een groot feest werd aangericht om de overwinning te vieren; daarbij zou Siegfried voor het eerst de mooie jonkvrouw aanschouwen.

Op IJsland woonde koningin Brunehilde; wie haar man wilde worden, moest haar overwinnen in het slingeren van de speer, het werpen met den steen, en in den sprong; leed hij de nederlaag, dan verloor hij zijn leven. Reeds menige held had zoo den dood gevonden. Toch besloot koning Gunther naar Brunehilde’s hand te dingen en beloofde aan Siegfried zijn zuster Chriemhilde, als hij hem in zijn pogingen wilde helpen. Siegfried ging op dit voorstel in; prachtig uitgerust voeren Gunther, Siegfried, Hagen en Dankwaart op een schip den Rijn af naar zee, en bereikten in twaalf dagen IJsland. Bij den intocht op de burcht begroette Brunehilde Siegfried het eerst; hij echter verklaarde dat deze eer aan Gunther toekwam, voor wiens leenman hij zich uitgaf. Daarop maakte hij haar met ’s konings voornemen bekend en Brunehilde rustte zich toe tot den strijd. Zij greep haar schild, dat vier mannen met moeite aan konden dragen, en wierp een geweldig zware speer met zooveel kracht tegen dat van Gunther, dat hij en Siegfried, die, onzichtbaar door zijn tarnkappe, den koning bijstond, struikelden en beiden dreigden te vallen. Maar met grooter kracht nog wierp Siegfried de speer naar de koningin terug, de punt naar achteren, opdat hij haar niet zou kwetsen. Brunehilde stortte ter aarde, maar onmiddellijk sprong zij weer op, wierp den zwaren steen twaalf roeden ver, en deed daarop een forschen sprong, het werptuig na, zoodat helm en pantser dreunend weerklonken. Maar Siegfried wierp den steen nog verder en droeg den koning in den sprong ver voorbij de plaats, waar Brunehilde was neergekomen. Zoo was de overwinning bevochten en de bruid gewonnen; op denzelfden dag werden beide huwelijken voltrokken, dat van Gunther met Brunehilde en dat van Siegfried met Chriemhilde. Maar Brunehilde was treurig op den dag van het feest; het deed haar pijnlijk aan, dat Chriemhilde de vrouw werd van den dapperen Siegfried, dien zij zoozeer bewonderde. Eenigen tijd nog vertoefde Siegfried met zijn jonge gemalin aan het hof der Bourgondische koningen; toen keerde hij met haar naar Xanten terug, waar zijn vader de regeering aan hem overdroeg.

III. SIEGFRIEDS DOOD.

Tien jaar verliepen; toen wist Brunehilde, die er zich over verwonderde, dat Siegfried, als leenman, nooit aan het hof verscheen, Gunther over te halen een gezantschap af te zenden om hem en zijn vrouw naar Worms te noodigen. Gaarne gaven dezen aan de uitnoodiging gehoor; ook de oude koning Siegmund reed meê in het gevolg.

Te Worms volgde het eene feest op het andere. De ridders oefenden zich dagelijks op het burchtplein in het wapenspel, en de beide vorstinnen zagen daarbij toe. Eens roemde Chriemhilde haar gemaal, hoe hij boven allen uitmuntte en de dapperste en schoonste was. Brunehilde bleef met Gunthers lof niet achter. Maar haar schoonzuster somde al maar nieuwe deugden van Siegfried op, tot Brunehilde antwoordde, dat hij zich met koning Gunther toch niet meten kon, omdat hij immers slechts diens leenman was. Dat trof Chriemhilde diep, en zij nam zich voor metterdaad te bewijzen, dat het anders was.

Dien avond begaven, als gewoonlijk, beide vorstinnen zich naar de kerk om er den vesperdienst bij te wonen. Maar, anders dan gewoonlijk, gingen zij niet samen; met een groot gevolg van dienaressen schreed ieder afzonderlijk op het kerkgebouw toe. Brunehilde was het eerst aan den ingang van het bedehuis; zij wachtte Chriemhilde af en beval haar te wachten tot zij zelve binnen zou zijn gegaan. Toen ried Chriemhilde haar aan zich wat minder trotsch te toonen; zij zou haar bewijzen, dat niet Gunther, maar Siegfried haar had overwonnen! En fier schreed zij met haar gevolg Brunehilde voorbij, die gegriefd en toornig, met tranen van spijt in de oogen, als verlamd was door den slag, die haar zoo plotseling werd toegebracht. Na de godsdienstoefening bleef zij weer bij den ingang staan en verlangde van Chriemhilde het bewijs van haar woorden. En dat bewijs werd haar geleverd! Toen klaagde en jammerde Brunehilde, en de trouwe Hagen besloot de smart van zijn meesteres op Siegfried te wreken.

Allereerst diende men te weten, waar de wondbare plek aan Siegfrieds lichaam was. Hagen liet het gerucht verspreiden, dat Ludegeer en Ludegast, die men vrij had gelaten, opnieuw met oorlog dreigden. Siegfried bood zich, zooals hij verwacht had, ook aan voor den tocht. Toen de toerustingen gereed waren, nam Hagen afscheid van Chriemhilde. Zij, wat angstig door alles wat er gebeurd was, verzocht hem op Siegfried te letten in het strijdgewoel; en opdat hij des te beter hem zou kunnen beschermen, gaf zij met een klein kruis op den wapenrok de plaats aan, waar haar man alleen wondbaar was. Daarom was het Hagen te doen geweest; hijzelf had haar den raad gegeven zóó te handelen. Nu was de veldtocht niet meer noodig; boden kwamen en spraken de vroegere geruchten tegen. In plaats van ten oorlog zou men nu ter jacht gaan. Maar weenend trachtte Chriemhilde Siegfried van de jacht terug te houden; zij had gedroomd dat twee wilde zwijnen hem najoegen over de heide en dat de bloemen rood werden gekleurd van bloed, dat twee bergen over hem heen vielen en hem voor altijd aan haar oog onttrokken. Maar in het argelooze hart van Siegfried was voor wantrouwen jegens zijn verwanten geen plaats, en welgemoed reed hij uit ter jacht.

Juist toen voor den maaltijd werd geblazen, kreeg Siegfried een grooten beer in het oog. Hij sprong van zijn paard, ving het dier levend en bond het op zijn zadel. Zóó kwam hij op de plaats waar gegeten zou worden. Daar liet hij den beer los, die een groote ontsteltenis veroorzaakte en een geweldige verwarring stichtte, maar ten slotte door Siegfried met zijn zwaard werd afgemaakt.

Toen kon dus eindelijk de maaltijd beginnen; eten was er genoeg, maar aan drinken was gebrek. Hagen wendde voor dat de lastdieren met den wijn bij vergissing naar een ander gedeelte van het woud waren gezonden. Maar hij wist in de nabijheid een heldere bron; hij sloeg een wedloop daarheen voor: de vlugge Siegfried kon dan meteen de snelheid van zijn voeten doen bewonderen. Siegfried nam de uitdaging aan; hij legde niet eens zijn wapenrusting af. En toch kwam hij het eerst aan het doel; hij wachtte echter tot Gunther was aangekomen en had gedronken; toen bukte ook hij zich over het water. Op dit oogenblik greep Hagen Siegfried’s scherpe speer en joeg haar op de gemerkte plek den held diep in den schouder. Siegfried sprong op en wierp zoo forsch zijn schild naar Hagen, dat deze ter aarde stortte. Toen echter begaven hem de krachten en stervend viel hij neer, Chriemhilde in de zorgen van haar broeder aanbevelend. Hagen beroemde zich openlijk op zijn daad; hij liet den vermoorde in den nacht voor Chriemhilde’s kamer leggen, zoodat zij hem den volgenden morgen, als zij ter mis ging, moest zien. Groot was haar jammer, toen zij haar verlies bemerkte; geheel de burcht en de stad deelden in haar smart. ’s Morgens werd het lijk in den dom tentoongesteld. Gunther verzekerde Chriemhilde dat roovers Siegfried hadden gedood, maar toen Hagen de baar naderde begon de wond van den vermoorde opnieuw te bloeden.

Koning Siegmund trok in diepen rouw naar Xanten terug; Chriemhilde evenwel bleef daar, waar haar Siegfried was begraven. Drie jaren lang verwaardigde zij Gunther met geen woord, Hagen met geen blik.

Om hun zuster te verzoenen, lieten de broeders den schat der Nibelungen naar Worms overbrengen en in gewelven en torens bewaren. Nu schonk de treurende vrouw mild daarvan weg aan allen, die nood leden. Hagen zag dat met wantrouwen en maakte Gunther erop opmerkzaam dat zij op die wijze een heel leger aanwierf. De sleutels werden haar afgenomen en toen zij zich daarover diep beklaagde, liet Hagen den ganschen schat in den Rijn zinken.

Van den tijd af dat de schat der Nibelungen in handen der Bourgondiërs was gekomen, werden deze laatsten zelven gewoonlijk de Nibelungen genoemd.

IV. CHRIEMHILDE’S WRAAK.

Dertien jaren nog bleef Chriemhilde te Worms. Toen zond de Hunnenkoning Etzel (Atilla) den markgraaf Rudigeer en dong naar haar hand. Eerst weigerde zij het aanbod, maar toen Rudigeer haar de hoop voor spiegelde, dat zij zich met de hulp der Hunnen op haar vijanden zou kunnen wreken, ontkiemde bij haar het plan om langs dezen weg de moordenaars van Siegfried te straffen. Zij stemde toe en trok, zeer tegen den zin van Hagen, met een groot geleide naar de Etzelnburcht om er de vrouw van den grooten Hunnenkoning te worden.