Part 10
[XIX.] De dag echter, waarop hij zich wreken zou, was nu aanstaande. Toen de zaal na den maaltijd was leeggeloopen, bracht Telèmachos, geholpen door Odysseus, alle wapens weg, opdat de vrijers weerloos zouden zijn als het strafgericht zou beginnen. Nog eens daalde toen Penèlope af uit haar bovenvertrekken; de gedachte, dat de vreemde zwerver iets van haar echtgenoot kon hebben gehoord, liet haar geen rust. Tegenover haar neergezeten, vertelde hij haar nu hoe hij, jaren geleden, Odysseus op zijn heenreis naar Troje in het land van zijn vader had ontmoet, en gaf haar de verzekering, dat hij terug zou keeren en wraak zou nemen voor alles, wat zij had geleden. Haar trouwste dienares gaf zij order den bedelaar met zorg te verplegen en zij, zijn voedster, herkende haar pleegkind aan een litteeken, dat zij zag. Maar hij legde haar streng het stilzwijgen op en zij beloofde het geheim te bewaren.
[XX.] Een onrustige nacht volgde. Penèlope, die meende dat zij niet lang meer aan het doen van een keuze zou kunnen ontsnappen, sliep laat pas in en was vroeg al weer wakker. En ook Odysseus kon den slaap niet vatten; fel brandde de toorn in zijn hart en allerlei wraakplannen warrelden vaag in zijn hoofd dooreen. De morgen brak aan, en van alle kanten dreven herders hun beesten aan voor het maal van de vrijers. Duchtig werd er gegeten en gedronken; dapper werd weer de arme bedelaar beschimpt en bespot en van Telèmachos werd geëischt, dat hij zijn moeder aan zou sporen nu eindelijk dan toch de keuze te doen.
[XXI.] Toen verscheen plotseling Penèlope in de zaal, gevolgd door haar dienaressen, en sprak: „Welaan, mannen, ik ben bereid één van u als vrouw te volgen. Begint den wedstrijd, opdat ik zie wie onder u mijn hand het meest verdient. Hier is de boog, waarvan eens Odysseus zich bediende; wie uwer daarmeê een pijl kan schieten door de openingen van twaalf achter elkaar geplaatste bijlen, dien zal ik kiezen tot man.” Terwijl zij zoo sprak, bracht de zwijnenhoeder boog en pijlen aan, en sloeg Telèmachos op een rij achter elkaar de bijlen in den grond en riep de vrijers tot den wedstrijd op. De een na den ander beproefde nu den geweldigen boog te spannen; maar hoe zij zich inspanden, het wilde niemand gelukken, ofschoon zij hem ten laatste met vet insmeerden en, om hem leniger te maken, nog boven het vuur hielden. Terwijl dit in de mannenzaal voorviel, bleef Odysseus niet werkeloos. Hij wendde zich tot den trouwen zwijnenhoeder en den koeherder, die niet minder aanhankelijkheid aan zijn geslacht had betoond, maakte zich aan hen kenbaar en beval hen de naar de achterzalen voerende deur en de buitenpoort der burcht zorgvuldig te sluiten. Daarop keerde hij in de zaal terug, waar de vrijers, mismoedig en slecht geluimd over het vruchtelooze van hun inspanning, reeds hadden besloten verdere pogingen tot den volgenden dag uit te stellen. Nu trad Odysseus vooruit en smeekte als gunst ook eens een poging te mogen doen om den boog te spannen. De vrijers stonden verstomd over zooveel onbeschaamdheid, maar Penèlope beval hem den boog te reiken, en beloofde hem, voor het geval dat hem het proefstuk gelukte, sierlijke kleederen, een speer en een zwaard; toen verliet zij, op verzoek van Telèmachos, met haar dienaressen de zaal. Odysseus sloeg nu de hand aan den boog; met geringe moeite spande hij het reusachtige wapen, en fluitend vloog de pijl door de twaalf openingen.
[XXII.] Nu was het laatste uur voor de vrijers geslagen; de held stond in zijn ware gedaante voor zijn vijanden en riep: „De wedstrijd is wel afgeloopen; maar nu kies ik mij een ander doel, dat geen schutter nog getroffen heeft!” Zoo dreigende, schoot hij Antinoös een pijl door den strot, zoodat de beker hem uit de hand viel en hij, ter aarde zinkend, de tafel met spijzen en wijn omverwierp. Een groote schrik maakte zich van de vrijers meester: zij zochten naar hun wapens, maar vonden die niet. Toen namen zij tot verzoenende woorden hun toevlucht en boden vergoeding voor al de schade, die zij hadden aangericht. Maar Odysseus wees elk aanbod van de hand; tusschen vluchten en weerstand bieden liet hij hun de keus en de vlucht zou hun bovendien niet baten, zoo verzekerde hij hun. Met de tafels als schilden en met getrokken zwaard drongen de vrijers op hem aan; maar die het waagden waren gedood, voor ze hem hadden bereikt. Telèmachos haalde schilden en helmen en scherp gepunte speren, en met de beide trouwe herders plaatste hij zich naast Odysseus om hem te helpen bij ’t verweer. De pijlen raakten op en de toestand werd hachelijk, toen de geitenhoeder Melanthios met wapens voor de vrijers aan kwam dragen.
Athene echter liet haar beschermeling ook nu niet in den steek; zij sprak hem moed in en deed de speren, die naar het viertal geslingerd werden, naast hen in deurpost en wanden boren zonder hen te schaden. Maar van Odysseus en zijn makkers was iedere worp raak. Toen greep wilde verbijstering de vrijers aan en als runderen, door stekende horzels vervolgd, als kleine vogels, door gieren opgejaagd, vlogen zij in alle richtingen door de zaal. Twee van hen slechts spaarde Odysseus, op voorspraak van Telèmachos, omdat zij tegen hun zin aan de gelagen hadden deelgenomen. Al de anderen werden geveld; als visschen, neergeworpen uit het net op het strand van de zee, lagen zij te hoop op den vloer van de zaal.
Het werk der vergelding was nu voleindigd; de lijken werden naar buiten gebracht, de tafels gereinigd, de lucht door het branden van zwavel gezuiverd. Ook werd nog streng gericht gehouden over de dienaressen, die gemeene zaak met de vrijers hadden gemaakt; de andere werden naar de zaal ontboden en begroetten met blijde woorden hun teruggekeerden meester.
[XXIII.] Intusschen had de trouwe voedster, die ’t eerst Odysseus had herkend, Penelope gewekt uit den rustigen slaap, waarin Athene haar gedompeld had. Zij wilde het blijde nieuws niet gelooven, zij werd er boos om dat men haar wekte uit den sluimer, waarin zij al haar ellende had vergeten. Maar ’t was geen verzinsel, verzekerde haar de voedster. Toen sloeg zij haar armen om den hals van de oude, die alles moest vertellen wat zij had gehoord en gezien; hoe had Odysseus alleen zoovelen kunnen verslaan? En Eurykleia verhaalde hoe zij hem gezien had, bebloed en bevuild, maar fier als een leeuw te midden van de verslagenen. Toch kwam weer de bange twijfel boven; zou het geen god geweest zijn, die de vrijers had gedood? Zij liet zich echter meêtronen naar de zaal en zette zich tegenover Odysseus neer, altijd nog huiverig om het gehoopte te gelooven. Maar langzamerhand, door verschillende teekenen, kwam het zekere herkennen; toen maakte onzeggelijke blijdschap zich van haar meester en gaf zij eindelijk zich over aan haar herwonnen geluk. Veel hadden zij elkaar te vertellen, zij over al wat zij had geleden tijdens zijn afwezigheid, hij over zijn omzwervingen en zijn verlangen naar huis. En toen de morgen aanbrak, maakte Odysseus zich op om ook zijn ouden vader te bezoeken en hem in persoon de blijde tijding van zijn terugkomst mede te deelen.
[XXIV.] Hij vond den ouden man in verwaarloosde kleeding bezig in den boomgaard. Schertsend trad hij op hem toe, prees hem om zijn vlijt, laakte de weinige zorg, die hij aan zijn uiterlijk besteedde en vroeg of hij werkelijk op Ithaca was beland en of hij Odysseus daar kon vinden. Maar toen Laërtes nu in luide jammerklachten uitbrak over het verlies van zijn zoon, werd het hem onmogelijk zijn rol nog langer te spelen; de blijde herkenning volgde, het rouwkleed werd afgelegd en na lange jaren tooide zich de oude weer met vorstelijk gewaad.
Inmiddels hadden de verwanten der vrijers het volk in beroering gebracht en trokken op tegen Odysseus, om van hem en de zijnen den zoen te nemen voor de vermoorden. Reeds was men handgemeen geworden toen Athene, met goedvinden van Zeus, tusschenbeide kwam. Zij bracht de gemoederen tot rust en weldra was de eendracht hersteld tusschen koning en volk.
ORESTES EN PYLADES.
(AESCHYLUS: AGAMEMNON, CHOËPHOREN, EUMENIDEN).
[Agamemnon.] Minder blijde dan de thuiskomst van Odysseus was de terugkeer van Agamemnon. Veel was er sedert zijn vertrek in het koninklijk paleis veranderd. Boos over het gebeurde in Aulis, leefde Clytaimnestra er vroolijk samen met haar neef Aigisthos, den zoon van Thyestes; hij troonde er als heer en meester, onbekommerd over de mogelijke terugkomst van Agamemnon.
Tijden lang had de wachter op het hooge burchtdak uitgezien naar het seinvuur, dat van eiland tot eiland en van bergtop tot bergtop den val van Troje aan Griekenland zou melden. Eindelijk kleurde in de verte de hemel zich rood van den lang verwachten gloed, en haastig werd aan Clytaimnestra de blijde boodschap van Troje’s ondergang bericht. De burgers twijfelden en durfden haar mededeeling nauwelijks gelooven; vrouwenpraat, meenden zij, gesproten uit lichtgeloovigheid. Maar een heraut bevestigt het bericht, door de seinvuren overgebracht, en Clytaimnestra maakt zich gereed om waardig haar terugkeerenden man te ontvangen.
Hoog op zijn wagen nadert Agamemnon. Naast hem zit Cassandra, Priamos’ dochter. Luide wordt hij toegejuicht; hartelijk wordt hij welkom geheeten door Argos’ burgers, hartelijk ook door Clytaimnestra begroet. Zoo bitter had zijn lange afwezigheid haar gesmart; zij had zich zoo verlaten, zoo onveilig gevoeld; uit angst, dat hem iets kwaads mocht overkomen, had zij zelfs hun zoon, den kleinen Orestes, naar elders doen voeren en in het verre land der Phocenzen werd hij opgevoed! Onuitputtelijk is zij in vleiende bijnamen; zij noodigt hem uit, den wagen te verlaten, en aan haar dienaressen geeft zij last purperen kleeden over den bodem uit te spreiden, opdat zijn voet den grond niet zou beroeren. Langs dat bloedroode pad schrijdt Agamemnon argeloos op zijn woning toe.
Ook Cassandra wordt uitgenoodigd het paleis binnen te treden. Maar zij aarzelt; in haar geest ziet zij den moord gebeuren, die voorbereid wordt, ziet zij in het bad den weerloozen Agamemnon, nadat hem een mantel over het hoofd is geworpen, door bijlslagen gedood. En zij ziet ook zich zelve, deelende in het lot van haar Griekschen meester. Lang blijft zij aarzelen in stomme verbijstering, maar eindelijk daalt zij van den wagen af en gaat, zich haar lot volkomen bewust, de koningsburcht binnen.
Weldra klinken doordringende kreten naar buiten, en kort daarop vertoont zich Clytaimnestra, de bloedige bijl nog in de hand. Dat was recht doen, juicht zij zegevierend, recht doen over Iphigeneia, de onschuldig geslachte.
Maar moord om moord, wordt haar voorspeld.
Zij echter jubelt voort: Aigisthos zal haar een schild zijn en een beschermer, nu de man, die Chryseïs beminde en Cassandra met zich meêvoerde, samen met die Cassandra, gedood daar neerligt.
Ook Aigisthos komt nu te voorschijn en geeft luide uiting aan zijn vreugde. Hij was het, die alles had uitgebroed; alleen de uitvoering had hij aan vrouwenlist overgelaten! En als dreigende stemmen zich tegen hem verheffen, als wordt gezinspeeld op de wraak van Orestes en het uitbarsten van een strijd, bij de wederzijdsche verbittering, haast onvermijdelijk schijnt, treedt Clytaimnestra bemiddelend tusschenbeide en voert Aigisthos binnen het paleis, waar zij nu voorgoed het rijk alleen zullen hebben.
[De Choëphoren.] Niet ongestoord echter zou de vreugde blijven. Op last van Apollo, den god ook van de bloedwraak, trok Orestes uit het land der Phocenzen naar Argos. Zijn trouwe vriend Pylades vergezelde hem op zijn tocht. Samen richtten zij zich naar het grafteeken van Agamemnon en Orestes offerde daar een lok van zijn haar aan de nagedachtenis van zijn vader. Toen naderde, uit het vrouwenvertrek, een stoet van in het zwart gekleede dienaressen de plaats, waar Orestes zich ophield; ook Electra, zijn zuster, was onder het getal. De vrienden traden terug en verborgen zich achter het grafteeken.
Het was de angst van Clytaimnestra, door droomen gewekt, die de dienaressen had uitgezonden. Door offers moesten zij trachten de schim van Agamemnon tot rust te brengen. Maar anders dan haar was opgedragen, roept Electra, door haar omgeving bovendien daartoe aangespoord, Agamemnon als beschermer op voor zich en Orestes tegen het geweld van haar moeder, die ook haar niet beter dan een slavin behandelt. Mocht Orestes toch wederkeeren en wraak nemen over al het kwaad, dat geschied was!
Dan ontdekt Electra den haarlok op het graf. Zou het een geschenk van Orestes zijn, een offer aan den doode? En ook de sporen van voetstappen ziet zij nu in het zand. Zij durft nog niet hopen; maar plotseling treedt Orestes te voorschijn en maakt zich aan haar bekend. Als zij op zijn woord hem niet wil gelooven, toont hij haar zijn kleed, door haar zelve geweven. En ook deelt hij haar meê, dat hij is gekomen om op Apollo’s bevel den dood van haar vader op de moordenaars te wreken.
Even later klopt hij, onkenbaar voor de zijnen, aan de poort van het paleis en zegt, dat hij een gewichtige tijding heeft te melden. Clytaimnestra zelve treedt hem tegemoet. Hij vertelt haar, dat hij uit Phocis is gekomen. Onderweg ontmoette hij een man, die, toen hij hoorde dat zijn weg naar Argos voerde, hem opdroeg aan Orestes’ ouders de tijding van diens dood te brengen. Hij moest hun vragen of zijn asch naar Argos moest worden overgebracht, of dat zij wilden dat hij in het verre land, waar hij gestorven was, ook begraven zou worden. Een knecht krijgt last Orestes naar de mannenzaal te voeren en te zorgen, dat het hem daar aan niets ontbreekt; Clytaimnestra zal intusschen met Aigisthos overleggen.
Weldra richt deze zich zelf naar de plaats, waar Orestes vertoeft. Dan kondigen luide kreten aan, dat de wraakoefening is begonnen; een knecht stormt naar buiten en meldt den dood van Aigisthos. Clytaimnestra snelt toe en begrijpt, wat gebeurd is. En als ook Orestes naar buiten komt en haar hoort jammeren om Aigisthos, den moordenaar van zijn vader, schijnt het hem weinig moeite te zullen kosten, zijn taak tot het einde toe te volbrengen. Maar Clytaimnestra, in haar doodsangst, doet een beroep op wat hij als zoon voor zijn moeder moet gevoelen. Dan aarzelt Orestes en vraagt Pylades om raad. Die herinnert hem echter aan de opdracht van Apollo; alle aarzeling wijkt en ook Clytaimnestra boet met den dood het wreede welkom, dat zij Agamemnon had bereid.
Het werk van de wraak is dus volbracht. Maar een doodelijke angst komt nu over Orestes; met folterende onzekerheid kwelt hem de vraag, of hij goed gedaan heeft of niet. Hij ziet de Erìnyen op zich aanstormen, zwart gesluierd, met slangen in de haren. Hij kàn niet blijven op de plaats, die getuige was van den doodslag. En ondanks de geruststellende woorden van zijn omgeving, die hem tracht te beduiden, dat hij goed heeft gehandeld en zijn plicht heeft gedaan, ijlt hij weg, als in een bui van waanzin.
[De Eumeniden.] Wij vinden hem terug aan het altaar van Apollo’s tempel te Delphi. Om hem heen, in een breeden kring, bevinden zich de Erìnyen, in diepen slaap nu verzonken. De god zelf reinigt hem van mogelijke schuld en raadt hem aan naar de stad van Pallas Athene te vluchten, smeekend daar haar beeld te omvatten, en haar om uitspraak te vragen in zijn zaak. Aan Hermes draagt hij op, hem veilig te geleiden.
Als Orestes weg is, vertoont zich de schim van Clytaimnestra en wekt de Erìnyen. Jammerend roepen zij om hun gevluchte prooi, maar Apollo verjaagt ze uit zijn heiligdom.
Intusschen heeft Orestes Athene bereikt. Terwijl hij aan het altaar vertoeft dagen de Erìnyen op, doodelijk vermoeid van de snelle jacht. Dreigend eischen zij zijn bloed, zijn dood. Angstig vlucht Orestes de trappen op van het altaar tot vlak aan het godenbeeld; en in een kring weer om hem heen legeren zich de vreeselijke wraakgodinnen.
Dan komt Pallas Athene en hoort beide partijen. Ook zij vindt het moeielijk een beslissing te nemen; zij draagt dat op aan een rechtbank van gezworenen, den areopagus, dien zij tot dit doel instelt. Als alle rechters gestemd hebben, werpt ten slotte de godin zelve ten gunste van Orestes nog een steentje in de urn; voor en tegen blijken nu bij de telling gelijk, en dus is Orestes vrijgesproken.
De Erìnyen worden met moeite door Athene met deze beslissing verzoend; de vereering van de landstreek stelt zij haar in het vooruitzicht, en als weldoende godinnen, als Eumeniden, houden zij er voortaan verblijf.
[Euripides: Iphigeneia in Tauris.] Volgens een andere lezing lieten de Erìnyen zich echter niet allen verzoenen; een gedeelte bleef Orestes vervolgen en nogmaals wendde deze zich tot Apollo. Die geeft hem nu de opdracht het beeld van zijn zuster uit Tauris te halen en naar Attica te brengen. Met Pylades weer begeeft Orestes zich op weg en komt met zijn schip bij Tauris aan. De vrienden besluiten zich te verbergen en den nacht af te wachten om het beeld te rooven uit den tempel, waarin Iphigeneia als priesteres voor Artemis dienst doet.
Agamemnon’s dochter had dien nacht gedroomd, dat Orestes was gestorven. Juist is zij bezig met haar gezellinnen voor hem een doodenoffer te brengen, als een herder haar komt melden, dat een paar vreemdelingen, Hellenen, gevangen genomen zijn en nu, naar de gewoonte van de streek, aan Artemis geofferd moeten worden; zij had dus alles voor die plechtigheid in gereedheid te brengen. Geboeid worden de mannen aangebracht. Al vragend en vorschend verneemt Iphigeneia van Orestes, dat hij uit Mycene kwam, hoort wat aan zoovele Grieken, die naar Troje waren getrokken, was overkomen, en wat er met Agamemnon bij zijn terugkeer was gebeurd. Ook verneemt zij, dat Orestes nog leeft; dan belooft zij hem de vrijheid, als hij een brief voor haar aan haar moeder wil overbrengen. Orestes weigert; hij zal blijven en Pylades de boodschapper zijn. Mocht bij een schipbreuk de brief soms omkomen, dan moest hij mondeling aan Orestes mededeelen, dat ook Iphigeneia, de dood gewaande, nog in leven is. Driftig vraagt Orestes, waar zij zich dan bevindt, en als de priesteres zich daarop aan den vreemdeling bekend maakt, bewijst ook hij haar wie hij is en roept haar hulp in om de opdracht van Apollo te volbrengen. Dan wordt overlegd, hoe men weg zal vluchten en het beeld van Artemis met zich meê zal voeren. Als koning Thoas komt om het offeren van de vreemdelingen bij te wonen, vertelt Iphigeneia hem dat zij, den tempel betredend, het godenbeeld verwijderd vond van het voetstuk, waarop het placht te staan. Toen zij de gevangenen ondervroeg, bleek haar dat beiden aan moedermoord schuldig waren. Het beeld, door hen aangeraakt, moest nu door zeewater gereinigd worden en ook de vreemdelingen moesten van hun schuld zoo worden gezuiverd. Geboeid, opdat zij niet zouden ontvluchten, moest hij ze haar meêgeven naar het strand en zelf bij den tempel blijven tot zij weer zou keeren. Zoo doet hij; maar weldra komt een dienaar hem melden, dat de vreemdelingen op het punt zijn met de priesteres en het beeld in zee te steken, en als Thoas zich tot de vervolging gereed wil maken, verschijnt Pallas Athene en gebiedt hem dat na te laten. Hij schikt zich naar dat bevel en laat de vrienden met Iphigeneia ongehinderd vertrekken.
AENEAS.
(VERGILIUS: AENEÏS).
I. DE AANKOMST IN CARTHAGO.
[Boek I.] Aeneas, uit het brandende Ilium ontsnapt, voer met zijn vader Anchises, met zijn zoontje Ascanius of Iulus, en met tal van makkers op een twintigtal schepen van de Trojaansche kust weg, om, naar de beschikking van het noodlot, in Italië zich een nieuw rijk in te richten.
Maar Juno haatte hem, den Trojaan, en zij vreesde hem bovendien. Zij, de beschermster van het jonge Carthago, wist dat deze stad eens door gesprotenen uit Trojaansch bloed vernietigd zou worden. Toen Aeneas van Sicilië was weggevaren en het doel van zijn reis dus reeds zeer nabij was, wendde daarom Juno zich tot Aeolus, den god van den wind. De schoonste uit de nymfen, die haar begeleidden, bood zij hem tot vrouw, als hij Aeneas wilde verhinderen, het doel van zijn tocht te bereiken. Toen liet Aeolus alle stormen tegelijk op de schepen los. Door geweldige golven werden de lichte vaartuigen ver uiteen geslingerd. Mannen raakten overboord en dreven, worstelend met de hooge stortzeeën, hier en daar op den plas. Voor allen scheen de ondergang nabij. Toen echter merkte Neptunus de ongewone beroering in zijn rijk. Hij reed naar de oppervlakte, en het zeevlak werd effen onder de wielen van zijn wagen.
De schepen waren intusschen gedeeltelijk vergaan; de overige waren geheel uit den koers geslagen en ver van elkander verwijderd geraakt. Dat van Aeneas landde eindelijk op Afrikaanschen bodem.
Nog niet lang geleden was Dido, een Tyrische koningsdochter, hier aangekomen. Zij was met den rijken Tyriër Sychaeus getrouwd geweest; maar haar broeder Pygmalion, die na den dood van haar vader koning was geworden, had haar man vermoord om zich van zijn schatten meester te kunnen maken. Toen durfde Dido niet langer in Tyrus blijven en vluchtte met een aantal volgelingen over zee naar Afrika, waar zij nu bezig was een nieuwe stad, Carthago, te bouwen.
Aan het strand van het voor hen onbekende land werd door de schepelingen maaltijd gehouden en Aeneas trachtte zijn makkers moed in te spreken: daar immers het noodlot het wilde, zou men, hoe dan ook, ten slotte toch in Italië belanden! Maar inwendig werd hij ook zelf door groote zorgen gefolterd. Toen richtte zich zijn moeder Venus tot Jupiter, en wist van hem gedaan te krijgen, dat Hermes naar Dido werd gezonden, om haar zacht tegenover de vreemdelingen, die in aantocht waren, te stemmen. Ook verscheen Venus, in de gedaante van een jageres, zelve aan haar zoon, openbaarde hem, waar hij was, sprak hem moed in, en wees hem den weg, dien hij had te volgen. Voor ieder onzichtbaar, in een wolk gehuld, bereikte hij met een van zijn makkers de stad. Daar zag hij met bewondering de plaats in aanbouw en de toekomstige bewoners als nijvere bijen in de weer. En hij voelde zich als in een omgeving van bekenden, toen hij in het beitelwerk, dat een der tempels versierde, allerlei tooneelen uit den strijd voor Troje zeer duidelijk herkende.
Gezanten van de andere schepen, die inmiddels ook aan deze kust waren geland, naderden de stad; zij werden door Dido minzaam ontvangen. Toen brandden Aeneas en zijn makker van verlangen om zich ook te vertoonen; en plotseling week de nevel, die hen omgaf: stralend als een god stond de held voor Dido en maakte zich aan haar bekend. Een oogenblik was de koningin verbijsterd door den plotselingen aanblik van den beroemden krijger, toen sprak zij hem toe met vriendelijke woorden en voerde hem zelve naar haar paleis, waar een schitterende maaltijd in gereedheid werd gebracht.