Chapter 5 of 12 · 3886 words · ~19 min read

Part 5

Antìgone—zoo luidde Crèon’s bevel—zou levend ingemetseld worden in een grafgewelf. Zelf spoorde hij tot haast aan en verzekerde, dat geen geklaag zou baten. Hij zou zich door niemand, allerminst door een vrouw, laten overwinnen; hij zou dòòrzetten, onwrikbaar en onvermurwbaar, tot het einde toe! Teiresias wees hem erop, hoe de offerteekens ongunstig waren, hoe starre eigenzinnigheid, voor rede onvatbaar, steeds dwaasheid was gebleken, hoe weinig verheffend het was over een doode gericht te houden. Alles te vergeefs! Maar ten slotte, door Crèon’s hoonende antwoorden getergd, toonde hij hem al den jammer, dien hij op het punt stond zich op den hals te halen: de Erìnyen gereed om zich op hem te storten, en weeklacht en dood tot in de zalen van zijn paleis! Toen, eindelijk, brak zijn trots; toen, plotseling, scheen het hem toch niet onmogelijk, dat er goddelijke wetten waren, die, ook ondanks het woord van een koning, verdienden nageleefd te worden. Haastig snelde hij naar Antìgone’s graf; dat werd geopend, maar... ’t was te laat! Zij had aan haar leven een einde gemaakt. En voor de oogen van zijn vader volgde haar Haimon; en toen Crèon, jammerend, zich opmaakte naar zijn paleis, werd het bericht hem tegemoet gebracht, dat ook zijn vrouw door eigen hand gestorven was. De ondergang van heel zijn geslacht was de harde straf van zijn koppig tekort aan eerbied voor de instellingen der goden.

Na tien jaar ondernamen de zonen van de voor Thebe gevallen helden, de Epigonen, een nieuwen tocht tegen de stad. En ditmaal waren de goden de onderneming gunstig; de Thebanen werden overwonnen en vluchtten weg op raad van Teiresias, die echter zelf op de vlucht is omgekomen. Een zoon van Polyneikes erfde de heerschappij over Thebe.

DE ARGONAUTENTOCHT.

In de Boeötische stad Orchomenus heerschte koning Athamas; hij was gehuwd met Nèphele, een godin, en had twee kinderen, Phrixos en Helle. Toen Athamas bovendien nog een sterfelijke vrouw trouwde, verliet Nèphele hem; van nu af hadden haar kinderen het slecht, want hun stiefmoeder haatte hen en stond hen zelfs naar het leven. Eindelijk bracht zij het zóóver, dat Athamas besloot Phrixos als offer te slachten. Toen zond Nèphele den kinderen een ram met gouden vacht; die droeg hen weg, op zijn rug, ver over land en zee. Helle viel onderweg in de zeeëngte, die naar haar de Hellespont heet, maar Phrixus kwam in Colchis aan, aan de Oostkust van de Zwarte Zee, en werd daar door koning Aeëtes gastvrij opgenomen. Uit dankbaarheid voor zijn redding offerde hij den ram aan Zeus en schonk het gouden vlies aan Aeëtes, die het ophing in een tuin, aan Ares gewijd; daar werd het door een nimmer slapenden draak bewaakt. In Griekenland achtte men het onmogelijk, dat vlies te rooven; maar het werd toch geroofd en wel door den held Iason en de Argonauten.

In Iolcus, een stad in Thessalië, was Aeson koning; hij werd door zijn halfbroeder Pelias van de heerschappij beroofd. Toen hem nu zijn zoon Iason werd geboren, vreesde hij dat Pelias dezen zou dooden; daarom zond hij den knaap heimelijk naar het naburige Peliongebergte, waar de wijze Centaur Cheiron zich met zijn opvoeding belastte; thuis werd een lijkfeest gevierd, als ware het kind gestorven. Toen Iason twintig jaar oud was, keerde hij naar Iolcus terug, om het rijk van zijn vader op te eischen. Onderweg, bij het doorwaden van een rivier, verloor hij een schoen; zóó kwam hij op de markt, forsch en kloek, een voorwerp van bewondering voor de burgers, die hem zagen. Juist reed Pelias op zijn wagen voorbij; toen hij den jongen man zag, aan één voet maar geschoeid, verschrikte hij hevig, want een orakel had hem gewaarschuwd voor een man met één schoen; die zou hem dooden. Op een vraag daaromtrent maakte Iason zich bekend als de zoon van Aeson, door Cheiron opgevoed, en gekomen om de heerschappij aan Pelias’ handen te ontrukken. Hij vroeg naar de woning van zijn vader. Die werd hem gewezen en met groote vreugde werd hij in het ouderlijk huis opgenomen. Na eenige dagen trok hij met zijn bloedverwanten naar het paleis van Pelias en eischte van hem troon en scepter voor zijn vader terug. Pelias deed alsof hij het verzoek dacht in te willigen; hij verzocht Iason alleen vooraf het gulden vlies uit Colchis te halen; hem zelf had een orakel deze onderneming opgedragen, maar hij was er te oud voor; Iason was jong en moedig; die zou het avontuur zeker durven bestaan!

En hij had goed gezien; vol vreugde nam Iason de opdracht aan en rustte zich uit voor den verren tocht. Hij verzamelde als krijgsmakkers de grootste helden van Griekenland, onder wie Hèracles en Theseus, de broeders Tèlamon en Peleus, Meleàger, den zoon van Oineus, Laërtes, den vader van Odỳsseus, Zètes en Càlaïs, de gevleugelde zonen van Bòreas, den Noordenwind; verder den beroemden zanger Orpheus en nog vele anderen meer. Naar de Argo, het schip, waarop zij de reis ondernamen, heetten zij de Argonauten.

De tocht ging over Lemnos en door den Hellespont. Na tal van avonturen kwamen zij aan den ingang van de Zwarte Zee. Daar woonde te Salmydessus, op den Thracischen oever, de Phoenicische waarzegger Phineus, dien de goden, om zijn onbescheidenheid, met blindheid hadden gestraft en die bovendien werd gekweld door de Harpyen, meisjes in vogelgedaante, die hem zijn eten wegroofden. De Argonauten bevrijdden hem van die plaag; Zètes en Càlaïs joegen de gevleugelde kwelgeesten na, haalden ze in, en lieten ze zweren Phineus niet meer lastig te vallen. Uit dankbaarheid voor dezen dienst lichtte de ziener de Argonauten in omtrent den weg, dien zij moesten volgen en waarschuwde hen voor de Symplegaden, twee rotsen, die voortdurend tegen elkaar sloegen, zoodat tot nu toe geen schip het had gewaagd er tusschen door te varen, en die zij toch moesten passeeren. Hij ried hun, vóór zij den doortocht beproefden een duif te laten uitvliegen; ontkwam die gelukkig, dan konden zij de vaart wagen; anders was het beter de reis op te geven. De Argonauten deden, zooals hij gezegd had; de duif kwam ongedeerd tusschen de rotsen door; alleen het uiterste puntje van den staart werd haar afgeknepen. Zóó ging het ook met het schip, dat maar een klein gedeelte van den achtersteven verloor. De rotsen gingen nog éénmaal uit elkaar; sedert staan ze stil op haar plaats en laten de schepen ongehinderd zeilen.

Na een lange vaart door de Pontus Euxìnus, de Zwarte Zee, landden de Argonauten in Colchis. Iason begaf zich naar koning Aeëtes en vroeg van hem de uitlevering van het gulden vlies. Een zware taak werd hem daarvoor opgelegd; hij moest twee vuursnuivende stieren, met metalen hoeven, opvangen, ze onder het juk spannen en er een stuk land mee beploegen; vervolgens moest hij in de voren drakentanden zaaien. Maar Aphrodìte kwam hem te hulp; zij wekte bij de toovenares Medèa, een dochter van Aeëtes, een vurige liefde voor den hoofdman der Argonauten. Toen deze het meisje beloofde, dat hij haar als zijn vrouw mee naar Griekenland zou voeren, gaf zij hem een zalf om daarmee zijn lichaam en zijn wapens te bestrijken; onoverwinnelijk werd hij daardoor en onaantastbaar voor het vuur. Nadat hij nu het veld had omgeploegd, zaaide hij de drakentanden; onmiddellijk schoten woeste, geharnaste mannen uit den grond op, die zich dreigend tegen Iason wendden. Hij wierp, op raad van Medèa, een steen onder hen; zij verdachten elkaar van den worp, gingen elkaar te lijf en versloegen elkander.

Iason had den verlangden arbeid volbracht en eischte dus het vlies. Maar Aeëtes weigerde het uit te leveren, omdat hij vermoedde dat Iason door de tooverkunsten van zijn dochter geholpen was.

’s Nachts slopen nu de leider der Argonauten en het meisje, dat hem geholpen had, naar de plaats, waar het gulden vlies bewaard werd. Medèa bracht den draak, die de vacht bewaakte, in slaap; haastig veroverden zij den kostbaren buit, snelden naar het schip, dat voor de afreis gereed lag, en voeren met de overige helden weg. Medèa had ook haar broertje Apsyrtos mee aan boord genomen; toen nu Aeëtes hen met een vloot vervolgde, doodde zij het kind in haar begeerte om Iason te redden, wierp zijn ledematen in zee, en ontkwam met haar tochtgenooten in den tijd, dien Aeëtes aan het verzamelen der verspreide lichaamsdeelen besteedde.

Langs groote omwegen en onder tal van gevaren en avonturen kwam eindelijk de Argo in Iolcus terug; hier vond Iason zijn geheele geslacht door Pelias uitgeroeid. Maar met Medèa’s hulp wist hij zich gruwelijk te wreken. Als priesteres van de toovergodin Hèkate drong zij in Pelias’ woning binnen en trachtte de dochters van den ouden vorst over te halen haar vader een gevaarlijke verjongingskuur te doen ondergaan. De meisjes hadden maar weinig vertrouwen in haar voorstel; toen deed zij de kuur voor met een ouden ram, dien zij kookte en als een lam weer te voorschijn deed komen. Maar Pelias verging het minder gelukkig; hij bleef dood in den ketel, daar Medèa op het laatst haar hulp aan de dochters ontzegde.

De zoon van dezen Pelias verdreef Iason en Medèa uit de stad. Zij begaven zich naar Corinthe. Toen Iason daar Medèa verstiet om de dochter van den Corinthischen koning te huwen, wreekte de diep gekrenkte vrouw, die alles voor haar man had opgeofferd, zich op vreeselijke wijze. Zij doodde de bruid; zij doodde zelfs haar beide jongens, omdat zij óók kinderen van Iason waren; toen vloog zij in een wagen, bespannen met een gevleugelden draak, door de lucht naar Athene. Later, heet het, keerde zij naar haar vaderland terug en herstelde haar vader Aeëtes, die uit zijn rijk was verdreven, weer op den troon. Iason vond zijn dood door de Argo, die op de landengte van Corinthe, als een wijgeschenk aan Poseidon, was opgesteld. Eens sliep hij in de schaduw van het oude schip; toen viel het uiteen en verpletterde hem.

DE TROJAANSCHE OORLOG.

I. DE BRUILOFT VAN PELEUS EN THETIS.

De eerste aanleiding tot den Trojaanschen oorlog was de bruiloft van den Thessalischen koning Peleus met de zeenimf Thetis. Alle koningen, vorsten en voornamen van Thessalië waren op het bruiloftsfeest genoodigd, en zelfs de goden waren van den Olympus neergedaald, om bij het huwelijk van de schoone Thetis, de dochter van den zeegod Nereus, tegenwoordig te zijn. Alleen Eris, de godin van den twist, had men om begrijpelijke redenen niet gevraagd. Toen nu het feest in vollen gang was, trad zij ongenoodigd binnen en wierp in de zaal een gouden appel, die het opschrift droeg: „voor de schoonste.”

Vele van de vrouwelijke gasten hoopten in het geheim; maar zij lieten die hoop varen, toen Hera, Athene en Aphrodite aanspraak maakten op het geschenk. Deze drie wendden zich om een beslissing tot Zeus; maar de oppergod, die geen der godinnen wilde krenken en toch maar aan ééne den prijs der schoonheid kon geven, trok zich terug in zijn paleis op den Ida bij Troje. Ook dààr echter was hij niet veilig, ook dààrheen vervolgden hem de twistenden en eischten van hem dat hij uitspraak in het geschil zou doen. Toen verwees hij ze naar Paris, een zoon van koning Prìamus van Troje, die aan den voet van den Ida de kudden hoedde en als scheidsrechter zou kunnen optreden.

II. PRIAMOS EN PARIS.

Koning Prìamos, een zoon van Laòmedon, was getrouwd met Hècabe (Hecuba), maar had buiten haar nog vele andere vrouwen; zoo had hij vijftig zonen en vijftig dochters.

Onder zijn dochters waren Polỳxena en Cassàndra de bekendste. De laatste, even weetgierig als schoon, won de liefde van Apollo. Toen deze nu haar tot vrouw begeerde, verlangde zij eerst van hem de gave der voorspelling; maar toen zij die kunst verstond, wilde zij haar belofte niet gestand doen. De god werd boos en strafte haar woordbreuk op vreeselijke wijze: niemand zou ooit geloof hechten aan haar voorzeggingen. Zoo voorzag zij alle rampen, die Troje en haar bloedverwanten zouden treffen en zij voorspelde ze geheel naar waarheid, maar niemand sloeg geloof aan haar waarschuwende woorden en zij werd slechts bespot en uitgelachen.

Van Prìamos’ zonen was Hector de oudste en de dapperste. Zijn vrouw Andròmache schonk hem een zoontje, Astỳanax geheeten. Maar het meest bekend van Prìamos’ zonen zou Paris worden, niet door zijn dapperheid maar door het ongeluk, dat hij bracht over zijn land en over zijn geslacht.

Reeds vóór zijn geboorte was dit aan zijn ouders voorspeld. Hècabe had namelijk gedroomd, dat de zoon, die haar geboren zou worden, geheel Troje in brand zou steken. Daarom had men den knaap in een woud te vondeling gelegd, in de hoop dat hij er zou omkomen. Doch een berin had zich over het kind ontfermd, een herder had het gevonden en meegenomen en als zijn eigen zoon groot gebracht; Alexander had men den knaap genoemd.

Toen Prìamos bemerkte dat zijn zoon nog leefde en een flinke jongeman was geworden, wilde hij hem niet meer dooden, in de hoop, dat de booze voorspelling nu niet meer zou worden vervuld. Hij nam hem tot zich en droeg hem de zorg op voor zijn groote runderkudde. Deze hoedde Paris juist aan den voet van den Ida, toen de drie godinnen, door Zeus gezonden, hem kwamen bezoeken om van hem te vernemen, wie van haar de schoonste was.

Men kan zich voorstellen, hoe vreemd Paris opkeek. Lang zat hij neer in aarzelende bewondering; het was hem onmogelijk uitspraak te doen. Toen wilde Hera door geloften hem overhalen, haar den appel te geven: rijkdom en macht zou zij hem verleenen. Maar pas bespeurde Athene, dat Paris onder den invloed dier voorspiegelingen kwam, of zij beloofde hem wijsheid en krijgsroem, wanneer hij haar den prijs der schoonheid toekende. En ook Aphrodìte bleef niet achter: de mooiste vrouw, die op aarde leefde, zou de zijne worden, als hij in haar voordeel besliste. Toen was het pleit beslecht; aan Aphrodìte reikte hij den appel. Blij met haar succes, nam zij van nu af Paris onder haar bescherming. Maar Hera en Athene voelden zich diep beleedigd; koning Prìamos en zijn geheele geslacht, zelfs de stad Ilium, moesten boeten voor het oordeel van Paris.

III. DE SCHAKING VAN HELENA.

De mooiste vrouw echter, die toen op aarde leefde, was Hèlena, gehuwd met Menelàos, koning van Sparta. Dus besloot Paris naar Griekenland te varen om deze Hèlena te schaken. Door Aphrodìte, die hem tot den tocht had aangespoord, begeleid, begaf hij zich op weg; de godin wist het zoo te schikken, dat, toen Paris in Sparta aankwam, Menelàos juist op reis was.

Naar de gewoonte dier tijden nam Hèlena den vreemdeling gastvrij in haar woning op. Toen Paris haar zag, stond hij sprakeloos van bewondering. En ook Hèlena kreeg al spoedig den jongeling lief; zij liet zich overreden haar man te verlaten en met Paris op een schip naar Troje te vluchten. En niet alleen dat zij haar plicht tegenover Menelàos vergat, zij nam bovendien nog veel gouden en zilveren voorwerpen mee, die hem toebehoorden.

Toen hij van zijn reis terugkeerde en bemerkte, dat zijn vrouw gevlucht en zijn schatten geroofd waren, was Menelàos diep geërgerd en peinsde op wraak. Hij vernam dat Paris, de zoon van den machtigen koning van Troje, de roover van zijn vrouw en van zijn bezittingen was; maar hij voelde zich niet machtig genoeg om alléén de trouweloosheid te wreken en Hèlena te dwingen naar huis terug te keeren. Daarom zond hij allereerst naar zijn broeder Agamemnon, den koning van Mycène, en liet hem weten, wat er was geschied. De machtige Agamemnon beloofde zijn broeder hulp. Toen werden boden gezonden naar alle Grieksche vorsten om hen aan te sporen tot deelneming aan den tocht tegen Troje. Van alle kanten werd medewerking toegezegd; alleen Odỳsseus, de koning van Ithaca, trachtte zich te onttrekken aan de reis. Hij voelde zich zoo gelukkig in het bezit van zijn jonge vrouw Penèlope en van zijn pasgeboren zoontje Telèmachos, dat hij niet kon besluiten zijn vreedzaam leven te ruilen voor de gevaren van den krijg. Hij hield zich krankzinnig, toen men hem kwam halen voor den tocht; een ezel en een stier had hij gespannen voor den ploeg, en hij strooide zout in de kromme voren, die hij trok in het zand aan den oever van de zee. Toen legde plotseling Palamèdes den kleinen Telèmachos vlak voor het kouter: ineens was de houding van Odỳsseus een andere; span en ploeg was hij volkomen meester. Het ging nu niet langer aan uitvluchten te zoeken; ook hij trok mee. Op Palamèdes heeft hij zich echter met zijn vriend Diomèdes later bitter gewroken. Zij begroeven geld in zijn tent, en beschuldigden hem van verraderlijke verstandhouding met de Trojanen. Toen het klinkend bewijs op hun aanwijzing werd gevonden, scheen twijfel niet meer mogelijk; de ongelukkige werd, onschuldig, veroordeeld en door zijn tochtgenooten gesteenigd.

Andere bekende deelnemers aan den tocht zijn: Nestor, de oude koning van Pylus, de wijze raadgever der Grieken; Idòmeneus, de heerscher van Creta; Ajax van Salamis, en zijn broeder Teucer; dan Ajax, de Locriër, ook de kleine Ajax genaamd, terwijl de andere de groote heette. Door slimheid en listige overredingskracht muntte Odỳsseus uit; door dapperheid en mannelijke kracht Achilles, de grootste der Grieksche helden voor Troje, dien zijn beste vriend en strijdmakker Patroclos overal vergezelde.

IV. IPHIGENEIA IN AULIS.

De Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, verzamelden zich in Aulis, een stad aan de Grieksche kust, tegenover Euboea. Het duurde lang voor allen samen waren; onder het wachten vermaakten de helden zich met de jacht. Eens joeg Agamemnon een prachtige hinde op, die hij lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Maar het hert was aan de godin der jacht, Artemis, gewijd, en in haar toorn vroeg deze Poseidon, den god der zee, die ook de winden beheerschte, de afvaart der Grieken te verhinderen.

Maanden lang liet hij windstilte heerschen, zoodat het den Grieken onmogelijk was de haven van Aulis uit te loopen. Bij onderzoek bleek, dat de boosheid van Artemis oorzaak was van den tegenspoed, en dat die pas zou ophouden, als Agamemnon zijn oudste dochter Iphigeneia zou offeren.

Bang voor een opstand in het leger als hij zou weigeren dit offer te brengen, besloot Agamemnon, na een zwaren zelfstrijd, het meisje naar Aulis te ontbieden; zij werd van huis weggelokt onder het voorwendsel, dat zij aan Achilles uitgehuwd zou worden. Toen Clytaimnestra, haar moeder, die mede naar Aulis was gekomen, vernam wat er eigenlijk zou gebeuren, vertelde zij Achilles waartoe men zijn naam zoo schandelijk had misbruikt. Samen besloten zij het offer te verhinderen, Clytaimnestra door den drang van smeekende woorden, Achilles desnoods door wapengeweld. Maar Iphigeneia, die wist, hoezeer haar dood haar landgenooten zou baten, besloot voor hen haar leven te geven. Toen echter Calchas, de priester, het offermes had opgeheven om het meisje te treffen, daalde plotseling een wolk op het altaar neer; en toen die weer was opgetrokken, lag een hinde geslacht op de offerplaats. Artemis had Iphigeneia gered en weggevoerd naar Tauris, waar zij voortaan in haar tempel als priesteres dienst deed.

Een gunstige wind blies nu weldra in de zeilen en na een gelukkige vaart werd Troje bereikt. Toen de Grieken hier geland waren, trokken zij hun schepen op het strand en sloegen daarbij hun tenten op. Driemaal beproefden zij de stad stormenderhand in te nemen, waar de muren het zwakst waren; maar ’t was vergeefs, want Troje was zwaar versterkt en de inwoners weerden zich dapper. De Grieken moesten tot een langdurig beleg overgaan; daar echter hun troepen niet voldoende waren om de stad aan alle kanten in te sluiten, werd de onderneming van het eene jaar tot het andere slepende gehouden. De verovering van tal van naburige stadjes, zoowel op Aziatischen als Europeeschen bodem, was langen tijd het eenige resultaat van den tocht.

V. ACHILLES EN AGAMEMNON.

[Homeros: Ilias, boek I.] Negen jaren waren op deze wijze voorbijgegaan sinds de Grieken voor Troje waren aangekomen, en nog was de stad niet ingenomen. Tal van rooftochten waren in den omtrek gemaakt; allerlei kostbaarheden, ook slaven en slavinnen, waren buitgemaakt. Onder de laatste Chryseïs, een dochter van Chryses, een priester van Apollo; zij was aan Agamemnon toegewezen.

Met den krans van Apollo op gouden staf, kwam nu Chryses in het kamp der Grieken en bood voor zijn kind hun een grooten losprijs aan. Maar Agamemnon joeg hem smadelijk weg. Zwijgend ging hij heen en aan het eenzame zeestrand bad hij Apollo den smaad te wreken, die men hem had aangedaan. De god verhoorde hem; somber als de nacht, den boog over de schouders, de pijlen rammelend in den koker, schoot hij van den Olympus neer. Ver van de vloot hield hij stand. Toen zond hij zijn pestdragende pijlen naar het kamp der Grieken, elk schot raak en elk schot doodelijk. Den tienden dag riep Achilles een volksvergadering samen; hij wenschte dat een ziener de oorzaak zou vragen van Apollo’s toorn en van hem het middel ter verzoening zou vernemen. De priester Calchas echter aarzelde te spreken, bang voor den wrok van Agamemnon. Maar toen Achilles hem zijn bescherming had toegezegd, openbaarde hij de reden van de sterfte onder de Grieken: geen verzuim van offers, maar de smaad, zijn priester aangedaan, had Apollo ontstemd; en niet voor dat Chryseïs, zelfs zonder losprijs, was vrijgelaten, zou de god zich tevreden toonen. Dreigend verhief zich toen Agamemnon; met grimmige woorden wendde hij zich tot Calchas; hij weigerde Chryseïs uit te leveren, tenzij men hem een geschenk van gelijke waarde teruggaf; wilde men dat niet, hij zou het met geweld doen weghalen uit de tent van Achilles, van Ajax of van Odysseus! Achilles werd boos, toen hij die bedreiging hoorde; niet hìj was beleedigd door de Trojanen; toch had hij het leeuwenaandeel gehad aan den strijd; maar als het op deelen was aangekomen, was zijn geschenk steeds kleiner geweest dan dat van Agamemnon. Liever keerde hij naar huis terug, dan nog langer voor dezen buit te vergaderen! Minachtend antwoordde hem Agamemnon: vrij moest hij maar heengaan als zijn gemoed hem daartoe dreef. Maar eerst nog zou hij bemerken, hoever de aanvoerder der Grieken in macht hem te boven ging. Zelf zou hij uit Achilles’ tent Briseïs weghalen, het meisje, dat dezen als geschenk uit den buit ten deel was gevallen.

Dat was Achilles te erg. Hij had zijn zwaard getrokken en was op het punt den overmoedigen Atride neer te stooten. Maar Pallas Athene daalde af van den Olympus, greep hem bij zijn blonde haren en overreedde hem met moeite, zijn toorn te bedwingen. Plechtig echter zwoer hij, dat hij geen aandeel meer zou nemen aan den strijd tegen de Trojanen; eens zou het Agamemnon bitter berouwen, dat hij het zoover had laten komen. Nog deed Nestor, de oude vorst van Pylos, de wijze raadgever der Grieken, een poging om in gemoede den twist bij te leggen; ’t was te vergeefs; onder bittere, wederzijdsche verwijten werd de vergadering ontbonden.

Chryseïs werd aan haar vader teruggezonden; reinigingsoffers werden gebracht. Maar ook werd op last van Agamemnon Briseïs weggehaald uit de tent van Achilles. Smartelijk bleef deze den hoon gevoelen, door Agamemnon hem aangedaan; ver van het strijdgewoel hield hij zich werkeloos op bij de schepen, en op zijn verzoek richtte zijn moeder Thetis zich met vleiende woorden tot Zeus, om van hem te verlangen, dat hij voorspoed zou geven aan de Trojanen. Met een plechtigen hoofdknik gaf de oppergod haar de verzekering van zijn goede gezindheid.