Chapter 9 of 12 · 3907 words · ~20 min read

Part 9

Razend van pijn tastte de reus maar al om zich heen, maar het lukte ons aan zijn greep te ontkomen. Het moeilijkste echter wachtte ons nog; wij moesten trachten het hol uit te komen, en dit scheen ondoenlijk. Want toen ’s morgens de cycloop zijn kudde door de half geopende deur naar buiten liet, voelde hij zorgvuldig met de handen rond, opdat geen onzer bij deze gelegenheid zou ontsnappen. Maar ook nu redde ons een gelukkige inval. Ik koppelde telkens drie groote rammen aan elkaar en onder de middelste van elk drietal bond ik één mijner makkers; daarop pakte ik zelf een verbazend grooten ram in de dikke wol en hield mij stevig onder zijn lichaam vast. Wat ik vermoed had gebeurde. Toen de cycloop den volgenden morgen opnieuw zijn beesten naar de weide dreef, werden wij behouden meê naar buiten gedragen en waren dus weer vrij! Vlug dreven wij de geheele kudde naar ons schip, gingen aan boord en stieten af van den oever. Toen het vaartuig zich een eind van het land had verwijderd, kon ik mij het genot niet ontzeggen den reus met luider stem zijn schanddaad te verwijten en hem in te lichten omtrent mijn waren naam. In zijn woede greep de Cycloop vervaarlijke rotsblokken en slingerde die uit alle macht in de richting, waaruit hij mijn stem vernam. Maar de rotsblokken, die anders het brooze vaartuig zouden hebben verpletterd, stortten voor en achter het schip in de hoog deinende zee en behouden bereikten wij het kleine eiland, waar de achtergebleven makkers ons met luid gejubel ontvingen. Na ons door den slaap te hebben gesterkt, zetten wij den tocht voort; maar vele gevaren stonden ons nog te wachten.

[X.] Allereerst kwamen wij bij

Aiolos (Aeolus)

den beheerscher der winden, die ons vriendelijk opnam en ons bij de afreis een zak meêgaf, waarin de winden, stormen en orkanen waren opgesloten, opdat zij ons geen letsel zouden kunnen doen. Maar na een vaart van negen dagen, toen slaap mij bevangen had, openden mijn gezellen, in het gezicht reeds van de kust van Ithaca, den zak in de meening dat hij zilver en goud bevatte. De gevangen winden stormden eruit en zweepten ons vaartuig op de golven rond; wij werden teruggeslagen in de richting vanwaar wij kwamen en landden ten slotte weer op het eiland van Aeolus. Uitgeput van vermoeienis en teleurstelling gingen wij aan wal, en nadat wij ons een weinig met spijs en drank hadden verkwikt, maakte ik mij opnieuw op naar Aeolus’ paleis. Ik vond den god in den huiselijken kring bezig met den maaltijd en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij de zaal zag binnentreden. Hij vroeg vanwaar ik kwam en wat mij overkomen was. Ik verhaalde hem de onvergefelijke dwaasheid van mijn vrienden en bad om nieuwen bijstand voor den verderen tocht. Maar Aeolus verhief zich vol ontzetting van zijn zetel en riep met vreeselijke stem mij toe: „Pak u weg uit mijn woning! Ik herberg geen man, dien de toorn der goden vervolgt en bied geen bijstand aan hem, die hun wraak treft!” Met deze barsche woorden joeg hij mij uit het paleis. Ik snelde naar buiten en keerde diep bedroefd naar mijn makkers terug. Weer moesten wij het woest geweld der golven trotseeren en mijn vrienden ontzonk de moed. Zes dagen roeiden wij rusteloos voort, eindelijk, op den zevenden dag, landden wij bij de

Laistrygonen,

een menschenetend reuzenvolk, dat mij en de mijnen te lijf ging en al de vaartuigen op één na vernielde. Met dat eene ontkwam ik gelukkig en bereikte een eiland, dat door de schoone halfgodin

Kirke (Circe)

[XI.] een toovenares, werd bewoond. Nadat wij een paar dagen aan het strand hadden vertoefd om te bekomen van al de doorgestane ellende, zond ik een deel van mijn mannen op kondschap uit. Zij keerden niet terug; zij werden door Circe in zwijnen veranderd. Alleen de leider van het troepje ontkwam en berichtte mij, dat onze makkers in de woning der toovenares verdwenen waren en niet meer te voorschijn waren gekomen. Toen maakte ik mij op om hen te redden. Op weg naar Circe’s woning kwam Hermes mij tegemoet in de gedaante van een jongen man; hij gaf mij een kruid, dat mij zou beveiligen tegen alle tooverkunsten der godin. Het deed uitnemend zijn werking. Zoo ontkwam ik zelf aan het gevaar en dwong Circe bovendien mijn makkers hun vroegere gedaante te hergeven. Vroolijk werd nu maaltijd gehouden in de sierlijke zaal van het tooverpaleis; toen liet Circe ons ongehinderd gaan. Zij had mij als naaste taak een bezoek aan de Hades aangewezen, waar ik den ziener Teiresias omtrent het vervolg van mijn tocht moest ondervragen. Een gunstigen wind zond ons nu de godin, die het schip snel voorwaarts dreef, en nauwelijks was de zon in zee ondergegaan, of wij waren reeds aan den grooten Oceaan gekomen, aan de kust der

Cimmeriërs,

die in eeuwige duisternis is gehuld en nooit door de stralen der zon wordt verlicht. Hier brachten wij het offer, door Circe ons voorgeschreven; zoodra uit de kelen der schapen, die wij daar slachtten, het bloed in de groeve vlood, die ik er gemaakt had, doken uit de diepte der onderwereld de schimmen der afgestorvenen naar de rotskloof op, waarin wij ons ter zijde van den machtigen stroom bevonden. Jongelingen en grijsaards, vrouwen en kinderen snelden aan; in dichte scharen, met afgrijselijke kreten, omfladderden zij den offerkuil, zoodat een vreeselijke ontzetting zich van mij meester maakte. Snel beval ik mijn volgelingen, naar Circe’s raad, de geofferde schapen te verbranden en gebeden te richten tot de onsterfelijke goden. Zelf trok ik het zwaard van mijn zijde en verhinderde de schimmen van het offerbloed te drinken, vóór ik Teiresias had ondervraagd. Aan de schim van onzen vriend Elpènor, die vóór het vertrek van Circe’s eiland door een val van het dak den dood had gevonden en in de haast onbegraven was gebleven, beloofde ik voor een eervolle begrafenis te zorgen. Weldra naderde nu ook de Thebaansche ziener, een gouden staf in de rechterhand. Onmiddellijk herkende hij mij en begon: „Edele zoon van Laërtes, wat dreef u het zonnelicht te verlaten en dit oord van verschrikking op te zoeken? Trek thans uw zwaard van den kuil weg, opdat ik neme van het offerbloed, en zóó in staat worde gesteld u uw lot te voorspellen.” Ik week van den kuil en stiet mijn zwaard in de scheede; toen nam de schim van het bloed en onthulde mij de toekomst. „Op een blijden terugkeer, Odysseus, hoopt ge; maar een god zal u dien bemoeilijken en aan de hand van den Aardschudder kunt gij niet ontkomen. Zwaar hebt gij hem beleedigd, omdat gij zijn zoon Polyphèmos van zijn oog hebt beroofd. Toch zal u de thuiskeer niet geheel zijn afgesneden; houd slechts uw eigen hart en dat van uw makkers in toom. Eerst zult gij landen op het eiland Trinacrië. Wanneer gij daar de heilige runderen en schapen van den Zonnegod ongedeerd laat, zal uw reis gelukkig afloopen; maar doet gij hun leed, dan voorspel ik uw schip en uw vrienden verderf. Al ontsnapt gij zelf aan den ondergang, ge zult dan toch pas laat, ellendig en eenzaam, op een vreemd vaartuig, uw vaderland bereiken. Ook daar zult ge slechts jammer vinden: overmoedige mannen, die uw goed verbrassen en naar de hand dingen van uw vrouw Penèlope. Hebt gij dezen hetzij met geweld of met list, bedwongen of gedood, heeft daarna geruimen tijd kalm geluk u toegelachen, neem dan, maar eerst wanneer ge oud zijt geworden, een roeispaan op de schouders en loop steeds door tot ge aan menschen komt, die de zee niet kennen, geen schepen hebben en niet met zout hun spijzen kruiden. En wanneer in dat verre, vreemde land een wandelaar u tegenkomt en u zegt dat ge een korenschop draagt op uw rug, steek dan den riem in den grond, breng Poseidon een offer en keer weder huiswaarts. Eindelijk zal, terwijl uw rijk bloeit, een zachte dood van uit zee u wegnemen.” Dit was de inhoud van zijn voorspelling. Ik dankte den ziener; en toen mijn oog viel op de schim van mijn moeder, die zwijgend neerzat bij den offerkuil, vroeg ik hem hoe ik het aan moest leggen om te maken, dat ook zij mij herkende. „Vergun haar slechts van het offerbloed te nemen,” antwoordde Teiresias. Toen week ik met het zwaard weer terug van den kuil en mijn moeder nam van het bloed. Dadelijk herkende zij mij en vroeg naar de reden van mijn komst. Ik deelde haar meê, wat zij wenschte te weten, en ondervroeg haar op mijn beurt over haar dood, want levend had ik haar achtergelaten toen ik tegen Troje optrok. Ook hoe het thans bij ons thuis toeging vroeg ik haar met angstig kloppend hart; en de schim antwoordde: „uw vrouw, naar wie gij zoo angstig vraagt, vertoeft in uw huis, u onwankelbaar trouw, en treurt dag en nacht om u. Geen ander voert uw scepter, maar uw zoon Telèmachos bestuurt uw goed. Uw vader Laërtes heeft zich naar het land teruggetrokken en komt niet meer in de stad; daar slaapt hij niet in een vorstelijk vertrek, niet op een zacht gespreid leger; als een slaaf ligt hij naast het haardvuur op stroo, in een slecht kleed gehuld, den ganschen winter door; in den zomer vindt hij op een hoop rijs onder den vrijen hemel zijn bed. En dat doet hij uit droefheid over uw lot. Ik zelf ben bezweken door verdriet over u, mijn dierbaar kind, en geen ziekte heeft mij weggeraapt.”

Zoo klonk haar woord en mij greep onweerstaanbaar heimwee aan naar mijn geboortegrond; in mijn armen wilde ik haar sluiten, maar zij zweefde weg als een droombeeld. Andere schimmen kwamen, vrouwen van beroemde helden en helden zelf, vóór allen Agamemnon, wiens aanblik mij het hart in den boezem roerde; verder Achilles, Patroclos en al de helden, die voor Troje, op de terugvaart of in hun woning hun einde hadden gevonden. Zij dronken van het offerbloed en verhaalden mij hun lot. Slechts de schim van Ajax, den zoon van Tèlamon, dien ik eens in den strijd om de wapenrusting van Achilles had overwonnen en die daarom zelfmoord had gepleegd, hield zich op een afstand, en zelfs toen ik hem bad toch niet verder te toornen, antwoordde hij niets, maar vluchtte in het duister onder de andere schimmen. Ook lang reeds gestorvenen zag ik verschijnen: den doodenrechter Minos en den overmoedigen Tàntalos, die smachtend van dorst midden in het water stond en hongerend de schoonste vruchten onder zijn bereik had. Ook Sìsyphos zag ik, die met vergeefsche moeite een reusachtig rotsblok tegen een berg opwentelde, dat telkens aan zijn handen ontglipte als hij den top genaderd was. Naast hem stond de schim van Heracles; maar ’t was slechts zijn schaduw, want hij zelf leidde als Hebe’s echtgenoot een zalig leven bij de goden. Zijn schim echter stond daar, duister als de nacht, hield den pijl op de boogpees en zag dreigend rond, als wilde hij een vijand bestoken. Gaarne had ik ook Theseus en zijn vriend Peirìthoös gezien, maar bij het spookachtig gewemel der ontelbare schimmenscharen overviel mij plotseling een beklemmende angst, als werd het hoofd van Medusa mij voorgehouden. IJlings verliet ik met mijn makkers de rotskloof en begaf mij weder naar het strand van den Oceaan.

[XII.] Daarop zeilden wij, volgens de belofte aan Elpènor gegeven, naar Circe terug. Hier verbrandden wij het gebeente van onzen dooden vriend, begroeven de asch, wierpen een grafheuvel op en plaatsten daarop een gedenkzuil. Toen voeren wij heen, door Circe nog voor allerlei gevaren gewaarschuwd, en rijkelijk van levensmiddelen voorzien. Vele avonturen wachtten ons nog. Allereerst dat van de

Sirenen.

Deze nymfen, die, aan het strand gezeten, alle voorbijvarenden door haar betooverende zangen tot zich lokten om ze dan te verpletteren tegen de rotsen, beproefden ook ons met haar lied te bekoren. Ik stopte echter, zooals Circe mij had aangeraden, de ooren van mijn makkers vol was en liet mij zelf aan den mast vastbinden. Zoo ontkwamen wij aan dit gevaar; maar dadelijk weder wachtte ons een ander. Want wij bevonden ons nu in de onmiddellijke nabijheid van

de Scylla en de Charybdis,

de eerste een blaffend monster, dat in een grot tegenover de Charybdis huisde, de laatste een draaikolk, die dagelijks driemaal tot op den bodem toe het water wegzoog en het dan bruisend en met vervaarlijk geweld weer terugwierp. Wilde men het eene gevaar vermijden, dan verviel men in het andere; ook ons kostte de doortocht zes onzer mannen, die door de Scylla gegrepen en verslonden werden. Overigens liepen wij gelukkig vrij en zetten koers naar Trinacrië, waar mijn makkers, trots het verbod, eenige van de

Runderen van Helios

slachtten. De straf bleef niet uit. Want in een hevigen orkaan werd het schip door een bliksem van Zeus uit elkaar geslagen; al mijn gezellen verdronken, terwijl ik zelf ternauwernood aan de kolk der Charybdis ontkwam en eindelijk, nadat ik negen dagen had rondgezwalkt op de onstuimige zee, op Ogygia, het eiland van Calypso, werd geworpen. Vandaar ben ik, na nieuwe gevaren te hebben getrotseerd, bij u geland.

VI. HET WEDERZIEN.

[XIII.] De Phaiaken waren in verrukking over al het gehoorde. Nog één dag vertoefde Odysseus te midden van zijn gastvrienden, hakend naar den avond, die voor het vertrek was bepaald. Toen die viel, ging hij scheep. De krachtige, jonge mannen, die hem tot roeiers zouden dienen, zetten zich aan de riemen, en vlug als een vogel scheerde de lichte galei over het effen zeevlak. Odysseus zonk in diepen slaap. De dappere held, die zooveel groote daden had verricht, zooveel lijden had doorstaan, lag nu, een doode gelijk, en sliep gerust alsof alle beproevingen slechts een droom waren geweest. Juist toen de morgenster opging, landde het vaartuig in een bocht van Ithaca. Zelfs de forsche stoot van den voorsteven op den zandigen oever wekte den held niet uit zijn vasten slaap en de jongelingen, die den armen zwerver in zijn rust niet wilden storen, vatten zachtjes de uiteinden aan van het kleed, waarop hij lag uitgestrekt, en droegen hem voorzichtig aan land. Ook de geschenken droegen zij uit het ruim en plaatsten ze naast hem onder een olijfboom, opdat hij ze zou zien zoodra hij ontwaakte. Daarop zetten zij zich weer op de roeibanken en keerden vroolijk huiswaarts. Maar zij zouden de hunnen niet terugzien. Door het geleide, aan Odysseus gegeven, hadden zij Poseidon vertoornd; reeds in het gezicht van Scheria, het eiland der Phaiaken, raakte hij het vaartuig aan en veranderde het in een steenklomp. Ook gaat het verhaal, dat het geheele eiland verzonk in de diepte van de zee.

Ondertusschen sloeg Odysseus de oogen op en zag rond. Overal hing een dichte nevel en de ongelukkige herkende zijn vaderland niet. Troosteloos doolde hij rond op de kust en onderzocht den naasten omtrek. Toen naderde hem Athene in de gedaante van een herdersknaap, de werpspeer in de hand en sandalen aan den voet. Verheugd bemerkte Odysseus den knaap en vernam van hem met onuitsprekelijke blijdschap, dat hij terug was gekeerd in het dierbare, lang verbeide vaderland. Nu maakte Athene zich aan den held bekend en zette zich met hem neer onder een ouden olijfboom, om verder raad te plegen. Ofschoon zij hem haar bijstand beloofde, beval zij hem toch de grootste voorzichtigheid aan, omdat de vrijers velen in aantal waren. In geen geval, meende zij, mocht iemand eenig vermoeden koesteren van zijn aankomst, voordat hij zijn vrienden had leeren kennen en eenige aanhangers heimelijk om zich had verzameld. Daarom wilde zij zijn voorkomen veranderen, en hem een kleeding verschaffen, waarin niemand op het geheele eiland den grooten koning zou vermoeden. Zij beroerde hem met haar staf en terstond schrompelde het krachtige vleesch ineen, de huid werd stram en vol rimpels, de trotsche nek boog zich, het bruine, weelderige haar viel uit en mat keken de oogen, die even te voren nog schitterden van jeugdig vuur. De lange, schitterende kleedij, die in breede plooien sierlijk zijn lichaam omgaf, werd tot een gelapte, vuile kiel, en als mantel hing een oud, versleten schaapsvel over zijn schouders. Ter voltooiing van het bedelaarspak schonk zij hem nog een viezen, met moeite samengehouden knapzak en gaf hem een knoestigen stok in de hand. In deze uitrusting beval zij hem den zwijnenhoeder op te zoeken, die een der trouwste aanhangers van het koninklijk huis en een aartsvijand van de vrijers was; van hem zou hij spoedig meer vernemen; zelve wilde de godin intusschen den jongen Telèmachos tegemoet snellen, die juist Sparta zou verlaten, en op wiens verderf de vrijers loerden. Zij zou hun lagen verijdelen en hoopte weldra den jongen man in ’s vaders armen te kunnen voeren.

[XIV.] Zoo scheidden zij en Odysseus besteeg het steile, ruwe pad over de boschachtige hoogten in de richting, waarin hem Athene de woning van den braven zwijnenhoeder Eumaios had gewezen. Gastvrij werd hij daar ontvangen, voedsel werd hem rijkelijk verstrekt en veel werd gesproken over den afwezigen meester, den jammerlijk zeker omgekomen Odysseus. Een lang verhaal van verzonnen avonturen dischte de bedelaar zijn gastheer op, toen deze hem vroeg naar zijn afkomst en zijn verleden. En eindelijk, toen de avond daalde, legde Odysseus zich ter ruste, warm gedekt door een mantel, dien Eumaios hem geleend had.

[XV.] Intusschen spoedde Pallas Athene zich naar Lacedaemonië, om Telèmachos tot terugkeeren aan te sporen. Zij vond hem wakend in de voorgalerij van Menelaos’ woning, vlijde zich naast hem neer, noopte hem de terugreis te aanvaarden en waarschuwde hem voor de hinderlaag, door de vrijers hem gelegd. Den volgenden morgen al werd afscheid genomen en den tweeden dag reeds Pylus bereikt. Zonder zelfs het paleis van Nestor te bezoeken, scheepte Telèmachos zich in. In den stillen nacht zeilde hij met zijn makkers naar Ithaca terug, terwijl Odysseus vriendelijk door Eumaios werd onderhouden, die hem nu ook zijn levensloop verhaalde: hoe Phoenicische kooplieden zijn voedster hadden overgehaald met hen weg te zeilen, hoe zij hem, toen nog een kind, op het schip had gelokt, en hoe Laërtes hem had gekocht en in zijn dienst had gehouden. Tot diep in den nacht praatte de herder door, en toen de morgen daagde, was ook Telèmachos met zijn makkers behouden op Ithaca geland. Naar de woning van Eumaios richtte Odysseus’ zoon zijn schreden.

[XVI.] Vroolijk sprongen de wachthonden hem tegemoet en met groote hartelijkheid werd hij door den trouwen herder welkom geheeten. Odysseus kon nauwelijks zijn vreugde bedwingen, toen hij zijn zoon, zoo kloek en zoo fier, zag binnentreden. Met de nederigheid van een armen zwerver stond hij op van zijn zetel om den jongen vreemdeling zijn plaats af te staan, maar de bescheiden Telèmachos weerhield hem en sprak: „Blijf zitten, vriend, ik zal hier of daar wel een plekje vinden.” Odysseus zette zich weer neer en de zwijnenhoeder maakte terstond een nieuw leger gereed van rijs en bokkevellen, waarop Telèmachos plaats nam. Daarop droeg hij de overblijfselen van den laatsten maaltijd aan en zette die Telèmachos voor, mengde den wijn voor zijn gasten en bood vrijgevig alles wat hij bezat. Gedurende den maaltijd vroeg de jongeling den zwijnenhoeder, welken gast hij daar gekregen had en hoe die hier was verzeild geraakt. Eumaios antwoordde: „Hij zegt, dat hij uit Creta stamt en vele reizen heeft gedaan, en daarbij vele rampen heeft geleden; nu wacht hij op verder geleide: ik draag hem aan u op; reeds heb ik hem van uw hulpvaardigheid gesproken.”

Spoedig daarop verwijderde zich de herder en ging naar Penèlope, om deze den gelukkigen terugkeer van haar zoon te melden. Nog oogde Odysseus door de halfgeopende deur hem na, toen daarbuiten een jonkvrouw verscheen, die hem tot zich wenkte. De honden kropen stilletjes weg, maar Telèmachos zag de verschijning niet. Odysseus ried onmiddellijk de nabijheid van zijn goddelijke beschermster en ging onder een voorwendsel de deur uit. Nu gebood hem Athene zich aan zijn zoon bekend te maken, en op hetzelfde oogenblik veranderde hij weer in den vroegeren Odysseus. Met koninklijke waardigheid trad hij de hut binnen, die hij kort te voren in lompen had verlaten. Telèmachos staarde verstomd de heldengestalte aan en het werd hem bang om het hart; hij dacht, dat een god hem op de proef kwam stellen. „Vreemdeling,” zoo richtte hij zich tot hem, „hoe anders verschijnt gij mij thans in kleeding en voorkomen! Ik voel het, mij nadert een god. Spaar mij, en wees mij genadig; gaarne geef ik u de offers, die u toekomen.” „Neen!”, riep Odysseus, „ik ben geen god; hoe zou ik aan onsterfelijken gelijk zijn? Uw vader ben ik, om wien gij zoo lang reeds treurt, om wien gij zooveel smaad hebt moeten verdragen van overmoedige mannen. Ik ben Odysseus!” En nu stroomden de tranen en gaven vader en zoon zich over aan de weelde van het wederzien. Vergeten was in deze ééne omarming alle ellende van vervlogen jaren, alle tegenspoed en gevaar, alle smart over zoo dikwijls teleurgestelde hoop; verdwenen was ook de vrees voor de bezwaren, die wachtten.

Met Telèmachos beraamde nu Odysseus nog de maatregelen, die zij nemen zouden om de vrijers te straffen, en daarop, toen Eumaios terug was gekeerd en de avondmaaltijd was gebruikt, legden zij zich allen ter ruste.

VII. DE MOORD DER VRIJERS.

[XVII.] Den volgenden morgen maakte Telèmachos het eerst zich op naar het koninklijk paleis, waar hij door Penèlope met tranen van blijdschap werd begroet. Hij moest haar alles vertellen wat hij op zijn tocht had ervaren en gehoord. Iets later verscheen toen ook Odysseus, een oude bedelaar weer, door niemand herkend. Alleen een hond, een jong dier nog toen hij Ithaca verliet, nu oud en verwaarloosd en aan het einde van zijn leven, herkende zijn meester en kwispelde zwakjes met den staart. Met smaad werd hij door de minnaars bejegend; Antìnoös, de onbeschaamdste, wierp zelfs met een voetenbank naar hem en trof hem aan den schouder. Penèlope echter, die medelijden had met den grijzen zwerver, liet hem bij zich ontbieden; misschien ook had hij op zijn omdolingen van Odysseus iets gehoord! Maar uit angst voor de vrijers, liet hij zeggen, durfde hij niet komen. Een blijder ontmoeting stond voor de deur.

[XVIII.] Nog een andere bedelaar was gewoon bij de vrijers aalmoezen in te zamelen. Zelfs hij smaadde Odysseus, door afgunst gedreven, en tartte hem tot een gevecht. Dat was een nieuwe vermakelijkheid voor de minnaars, die zich haastig schaarden in een kring en het tweetal daar binnen post deden vatten. Het kostte Odysseus moeite zich in te houden, maar hij wilde zich nog niet in zijn volle kracht openbaren. Met één kaakslag echter deed hij zijn tegenstander neertuimelen in het stof en legde hem voor langen tijd het stilzwijgen op. Ook tot Penèlope drong het gerucht van dien wonderlijken tweestrijd door. Zij daalde af uit haar bovenvertrek en vertoonde zich te midden der vrijers. Niet zóó, sprak zij, placht men een vrouw zich te winnen. Rijke geschenken werden dan gegeven, maar haar goed werd niet al bij voorbaat verbrast! „Rijke geschenken zullen u geworden,” was het antwoord der vrijers, en zij stuurden dienaren naar hun woningen om ze te halen. Odysseus intusschen genoot van den aanblik van zijn vrouw, verheugde zich over haar slimheid en de fierheid van haar houding en verlangde te sterker naar het oogenblik, dat hij zich aan haar kenbaar zou kunnen maken. Maar nieuwen hoon had hij eerst nog te verduren toen het maal weer werd aangericht en de vrijers hem weer tot het mikpunt van hun moedwil maakten.