Part 2
En ook Prometheus, de trotsche beschermer der menschen, die het gewaagd had zich tegen den wil van Zeus te verzetten, ontging zijn straf niet. Twee goden kregen bevel hem naar den Kaukasus te brengen en Hephaistos smeedde hem met sterke ketenen aan een rotsblok vast. Iederen dag kwam een geweldige adelaar, boorde zijn scherpen snavel in het lichaam van den weerlooze en pikte hem de lever uit; iederen nacht sloot de wonde zich weer en groeide de lever weer aan, opdat den volgenden dag het wreede spel opnieuw kon beginnen. Duldelooze pijnen leed Prometheus; maar standvastig bleef hij weigeren het trotsche hoofd voor Zeus te buigen en nooit kwam berouw bij hem op, dat hij het vuur had geroofd en aan de aardbewoners had geschonken. Geduldig droeg hij zijn lijden, totdat eindelijk Heracles den adelaar doodde en Zeus Prometheus van verdere straf ontsloeg.
DEUCALION EN PYRRHA.
(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN I, reg. 244 vlgg.)
Het menschelijk geslacht was ten gevolge van dat alles verwilderd, en zoozeer gewoon geraakt aan misdaad en kwaad, dat er geen hoop op beterschap meer bestond en Zeus het besluit opvatte het te verdelgen. Dichte regenstroomen deed hij neerdalen uit den hemel en Poseidon, de beheerscher van zeeën en rivieren, deed met forsch geweld zijn wateren uit de diepte losbreken, zoodat spoedig de geheele aarde overstroomd werd. De menschen zochten redding op heuvels en bergen, op schepen en vlotten; ze dreven rond op de plaats, waar zij nog kort te voren den ploeg hadden gedreven door de vruchtbare akkers; zij voeren over de daken heen van hun ondergedompelde huizen. Velen werden, tot zelfs op de hooge toppen der bergen, door den wassenden vloed verzwolgen; en wie door het water gespaard werd, kwam om door gebrek aan voedsel.
Twee menschen slechts, Deucalion en zijn vrouw Pyrrha, ontkwamen aan den algemeenen ondergang. Zij hadden steeds eerbied voor de goden getoond en met innige vroomheid hun gebeden opgezonden en hun offers gebracht. Eenzaam dobberden zij rond op den onmetelijken plas en bereikten eindelijk den top van den Parnassus, die alleen nog boven de watervlakte uitstak. Toen zag Zeus hen en besloot hen te redden. Hij deed het water zakken en ook Poseidon kalmeerde de opgeruide stroomen; de zeeoevers werden weer zichtbaar; de rivieren trokken zich binnen haar beddingen terug, en weldra vertoonde zich ook de oppervlakte der aarde. Maar eenzaam lag zij daar, in groote verlatenheid; de velden waren met slik bedekt, de boomen onder het water verstikt. Woest en onbewoond strekte zij zich voor het oog der geredden uit; geen mensch, geen dier vertoonde zich aan hun zoekenden blik.
Treurig overzagen beiden het tooneel der ellende. Zij besloten naar de ruïne van een nabijgelegen heiligdom te gaan en daar de godheid om herstel van het menschelijk geslacht te vragen. In vurig gebed wierpen zij zich neer op den killen, steenen bodem; toen klonk een stem hun tegemoet: „Gaat heen uit den tempel, omsluiert uw hoofd en werpt de beenderen van uw groote moeder achter u.” Verwonderd hoorden beiden het orakel aan en wisten niet wat het beduidde. Eindelijk echter sprak Deucalion: „De woorden van de godheid bedoelen geen kwaad. Onze groote moeder is de aarde, en de steenen zijn haar gebeente, dat wij achter ons moeten werpen.” Wel achtte Pyrrha deze oplossing bedenkelijk, maar men kon het, meende ze, licht eens probeeren. En zie, de steenen, die zij nu, gesluierd, achter zich wierpen, verloren hun hardheid en namen menschelijken vorm aan: het werden mannen of vrouwen, naarmate Deucalion of Pyrrha ze geworpen had. Zoo is een nieuw geslacht van menschen ontstaan, hard en opgewassen tegen zwaren arbeid, een geslacht, dat in zijn werken zijn oorsprong nooit verloochent.
Deucalion intusschen heerschte nog langen tijd als een wijs en rechtvaardig koning over zijn nieuwe onderdanen. Zijn zoon Hellen werd de stamvader der Hellenen of Grieken.
MIDAS.
(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN XI, reg. 85 vlgg).
Toen de God van den wijn, Dionysos, nog op de aarde verkeerde om de menschen te leeren hoe zij den wijnstok planten en uit de druif den kostelijken wijn konden persen, kwam hij ook in het rijk van Midas, den rijken vorst van Phrygië. In zijn gevolg bevond zich de oude Silènus, die op bevel van Zeus den jongen god had opgevoed. Toevallig raakte deze verdwaald en werd door onderdanen van Midas voor den koning gebracht. Welwillend nam deze hem op, onthaalde hem vele dagen lang met groote gastvrijheid en gaf hem toen aan Dionysos terug. Verheugd stond de god aan Midas toe, zich een geschenk te kiezen. „Laat dan alles, wat ik aanraak, in goud veranderen!” bad de vorst. En zijn wensch werd vervuld; de tak, dien hij met de hand beroerde, de steen, dien hij opraapte, de halmen, die hij afbrak en de vrucht, die hij plukte, ze werden alle van goud. Maar ook het eten, dat hij aan den mond wilde brengen, veranderde in goud, goud werd de wijn, dien hij aanraakte met zijn lippen. Toen begreep hij het dwaze van zijn vraag; angstig en beschaamd snelde hij naar Dionysos terug en bad vurig dat hem het heillooze geschenk weer zou worden ontnomen. „Ga u dan baden in de bron van den Pactolus, waar die het rijkelijkst vloeit,” antwoordde de god, „en duik ook met uw hoofd onder water.” Midas deed het, de verleende gave werd hem ontnomen, maar sedert dien tijd voert de Pactolus goudkorrels mee in zijn stroom.
Eens waagde de herdersgod Pan het met Apollo een wedstrijd in muziek aan te gaan. Toen de eerste zijn fluitspel geëindigd had, greep de laatste zijn lier en ontlokte zulke wonderschoone tonen aan het instrument, dat hem de prijs werd toegekend. Ieder was het met de beslissing eens: alleen Midas achtte haar onrechtvaardig. Toen rekte Apollo zijn ooren uit, deed ze met grijzige haren begroeien en maakte ze beweeglijk: ezelsooren droeg voortaan koning Midas. Door het dragen van een muts trachtte hij zijn schande te verbergen; alleen zijn barbier moest de verandering bemerken, maar streng werd hem verboden over de zaak te spreken. Hij kòn echter niet zwijgen en toch durfde hij het geheim niet zoo maar openbaren. Hij groef daarom een gat in den grond, fluisterde nauw hoorbaar zijn bevinding daarin, en maakte toen het gat weer dicht. Dàt gaf opluchting! Maar toen op die plek later biezen groeiden, klonk het dikwijls zacht in den wind: „Koning Midas heeft ezelsooren!” en zoo is het geheim onder de menschen gekomen.
ORPHEUS EN EURYDICE.
(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN, X reg. 1 vlgg.)
Wonderlijke gaven bezaten de menschen van dien overouden tijd. De zanger Orpheus zong zoo heerlijk bij den klank der lier, dat wilde dieren zich als lammeren neervlijden aan zijn voeten, dat boomen hun wortels uit den grond scheurden om de zoete tonen te volgen, dat zelfs steenen door zijn gezang tot in hun binnenste werden geroerd. Zijn echtgenoote was de nymf Eurỳdice. Toen deze eens met haar vriendinnen op een weide speelde, werd zij door een giftige slang gebeten en stierf aan haar wonden. Toen waagde Orpheus het naar de onderwereld af te dalen en den troon van Hades te naderen. Met snarenspel begeleidde hij zijn weemoedigen klaagzang. Toen weenden de schimmen, Tàntalus vergat zich naar het water te bukken, Sìsyphus zat luisterend op den steen, die niet meer wegrolde en zelfs de Erìnyen vergoten haar eerste tranen. Toen werd Eurỳdice geroepen en aan haar man teruggegeven; hij mocht haar meevoeren naar de bovenwereld, mits hij niet naar haar om zou kijken vóór hij het schimmenrijk zou hebben verlaten. En reeds waren zij dicht bij den uitgang gekomen, toen Orpheus, bang dat zij hem toch nog zou ontgaan en vol verlangen om haar te zien, den blik naar achteren wendde; dadelijk ontvlood zij; toen hij de armen naar haar uitstrekte, ontmoetten zij niets dan ijle lucht; een nauwelijks hoorbaar vaarwel bereikte alleen nog zijn ooren. En toen hij haar wilde volgen, weigerde Cerberus hem door te laten. Treurig zat hij zeven dagen en zeven nachten aan den oever van den Styx, de rivier, die het rijk van Hades omgeeft; toen pas keerde hij naar de aarde terug. Eenzaam zette hij zijn leven voort, en trouw aan de gestorvene, vermeed hij den omgang met vrouwen; door woedende Bacchanten, die rondzwierven door de gebergten van Thracië, werd hij daarom verscheurd. De vogels beklaagden den dood van den zanger, treurend lieten ook de boomen hun takken hangen en met droef gemurmel stroomden beken en rivieren, Orpheus werd thans echter voorgoed met zijn vrouw hereenigd.
PHAËTON.
(OVÌDIUS. METAMORPHOSEN II, reg. I vlgg.)
Phaëton was de zoon van den zonnegod Helios en van een sterfelijke koningsdochter. Aan zijn goddelijke afkomst werd echter getwijfeld; daardoor gekrenkt, besloot hij zelf zijn vader op te zoeken en zich zekerheid te verschaffen. Hij ging op weg naar de schitterende zonneburcht, door Hephaistos met groote kunstvaardigheid gemaakt; rijk was het materiaal, maar rijker nog het drijfwerk, waarmeê het versierd was. Op een troon, schitterend van edelgesteenten, zat Helios, gekleed in purperen gewaad; om hem heen stonden de eeuwen, de jaren, de maanden en de dagen en ook de jaargetijden: de jonge lente, de zomer met een krans van aren om het hoofd, de herfst, rood van druivensap, en de koude winter met zijn ruige, grijze haren. Op grooten afstand bleef Phaëton staan; hij kon den glans van het licht van meer nabij niet verdragen. Toen nu zijn vader den stralenkrans, die hem de oogen verblindde, had afgezet en hem naar de oorzaak van zijn komst had gevraagd, vertelde hij die en vroeg om een onderpand, dat zijn afkomst ontwijfelbaar zou kunnen bewijzen. Toen stond, ten teeken dat hij werkelijk zijn zoon was, de zonnegod hem toe welke gunst ook te vragen en bezwoer hem bij de goden van de onderwereld, dat hij die in zou willigen. En Phaëton vroeg voor één enkelen dag het bestuur over den zonnewagen. Bedenkelijk schudde Helios het hoofd, wees hem op de gevaren, aan de reis verbonden en zocht met dringende woorden hem te bewegen, iets anders te kiezen. ’t Was alles te vergeefs; Phaëton bleef bij zijn verzoek.
Dus werd hij door zijn vader naar den wagen gebracht. Ook deze was door Hephaistos gemaakt, de as en de dissel en de velgen uit goud, de spaken uit zilver, en schitterende edelgesteenten versierden het juk. De Horen, de eeuwig jeugdige godinnen van de jaargetijden, spanden de paarden aan. Toen zette Helios zijn zoon den lichtenden stralenkrans op het hoofd, gaf hem allerlei aanwijzingen ter herkenning van den weg, allerlei wenken ter vermijding van gevaren, en liet hem, toen de tijd van vertrek was gekomen, met bezwaard hart gaan. Hinnekend worstelde het vurige vierspan met den slagboom, die het tegenhield; toen die weg was genomen, schoten ze vooruit, de wolken door, den oostenwind voorbij, die in dezelfde richting zich bewoog. Maar de wagen was lichter dan hij anders placht te zijn; als een boot op de hooge zee slingerde hij heen en weer. Ook misten de paarden de vaste hand van hun gewonen bestuurder; zij dwaalden af van de voorgeschreven baan. Phaëton werd bang; hij wist niet waarheen hij de teugels zou wenden, wist niet, hoe hij zijn paarden weer meester zou worden. En toen hij zoo heel diep beneden zich de aarde zag liggen, verbleekte hij van schrik; te midden van zooveel licht kwam duisternis over zijn oogen. Hij speurde naar redding om zich heen, maar ver achter hem lag het oosten, even ver voor hem nog het westen en dreigend verhieven zich om hem heen de woeste gestalten van de teekens van den dierenriem. De schorpioen strekte zijn giftige scharen naar hem uit; toen liet hij de teugels glippen en in onstuimige vaart sleurden de paarden hem met zich mee. Nu eens verhieven zij zich hoog in de lucht, dan weer naderden zij tot vlak bij de aarde; de wolken begonnen te verdampen, het gras verdorde, boomen raakten in brand, heele steden gingen te gronde, rivieren droogden uit en zelfs tot in de onderwereld drong het verblindende licht van den zonnewagen door. Driemaal trachtte Poseidon zich te verheffen uit zee, maar driemaal, door de hitte teruggeschrikt, dook hij weer onder. Toen erbarmde zich Zeus over de bedreigde aarde en met een bliksemschicht stortte hij den ongelukkigen Phaëton van zijn wagen. Als een ster, die verschiet, tuimelde hij neer in de onmetelijke diepte. Treurend rouwde de vader om zijn zoon; een geheelen dag bleef hij verborgen in zijn paleis, een geheelen dag bleven de menschen van het zonlicht verstoken.
De aarde heeft van Phaëtons tocht de sporen bewaard. Afrika is voor een groot gedeelte uitgedroogd en tot woestijn geworden. En de bevolking van dat werelddeel heeft nog steeds een verbrande, zwarte huid.
SÌSYPHUS.
Corinthe, de groote handelsstad aan de smalle landengte tusschen Hellas en den Peloponnesus, werd gesticht door Sìsyphus, een zeer listig man. Als onverschrokken zeeman steeds bedacht op winst, wist hij door sluwheid en bedrog onmetelijke rijkdommen te verwerven. Zijn hebzucht verleidde hem zelfs tot verraad jegens de goden. Toen zond Zeus den Dood, om hem naar de onderwereld te brengen. Maar de sluwerd was niet licht te vangen. Hij bemerkte de nadering van den Dood, wist hem door slimheid in zijn macht te krijgen en bond hem met sterke banden. Een tijdlang stierf er toen niemand op aarde.
Eindelijk verscheen echter de krijgsgod Ares, bevrijdde den Dood en leverde Sìsyphus aan hem over. Maar vóór hij naar de onderwereld ging, droeg hij zijn vrouw op de gebruikelijke doodenoffers voor hem niet te brengen. Toen nu Hades zich erover beklaagde, dat hij de gewone geschenken niet ontving, wist hij verlof te krijgen zijn vrouw op dat verzuim opmerkzaam te gaan maken. Eenmaal boven, toonde hij niet veel lust naar het schimmenrijk terug te keeren. Hij bleef dus op aarde; tot Hermes verscheen en hem voorgoed naar de onderwereld overbracht. Daar werd voor straf hem opgelegd een zwaar rotsblok tegen een berg op te wentelen. Telkens, als hij bijna boven is, ontsnapt hem de steen, en altijd weer opnieuw, in eindelooze afmatting, moet hij met zijn vergeefschen arbeid beginnen.
BELLEROPHONTES.
(HOMERUS: ILIAS VI reg. 155 vlgg.)
Een kleinzoon van dezen Sìsyphus was Bellerophontes. Hij had het ongeluk op jacht zijn broeder te dooden en moest daarom uit Corinthe vluchten. Zoo kwam hij bij den koning van Tiryns, die hem gastvrij opnam. Hier zocht de koningin de liefde te winnen van den jongen man, wien de goden schoonheid en kracht hadden verleend. Hij versmaadde haar echter en zij, geërgerd, klaagde hem nu aan bij haar man: hij zou, omgekeerd, met opvallenden ijver haar vriendschap hebben gezocht. De koning geloofde de lasterlijke beschuldiging; maar daar hij hem zelf niet wilde dooden, zond hij hem naar zijn schoonvader, koning Iobates van Lycië, en gaf hem een wastafeltje mee, dat in geheime teekens het verzoek bevatte den overbrenger te dooden. Iobates ook weer ontving hem vriendelijk; negen dagen lang onthaalde hij hem feestelijk, en negen stieren werden geslacht voor het maal. Den tienden dag echter vroeg hij hem naam en afkomst; toen gaf Bellerophontes hem het tafeltje over, dat hij mee had gekregen. De koning deinsde terug voor de bloedige opdracht; liever zond hij zijn gast op ondernemingen uit, die hij bijna zeker met den dood zou bekoopen. Eerst gaf hij hem last de Chimaira te bestrijden, van voren een leeuw, van achteren een draak en een geit in het midden; hij doodde het monster. Daarna droeg hij hem op de Solymers te bevechten, een naburigen volksstam, die strooptochten maakte in het Lycische land; hij overwon hen. Verder werd hij uitgezonden tegen de Amazonen; zegevierend keerde hij terug uit den kamp. Eindelijk versloeg hij nog een bende Lyciërs, tegen hem in hinderlaag gelegd. Toen begreep Iobates dat zijn gast een bijzondere lieveling van de goden was; hij gaf hem een van zijn dochters tot vrouw en deelde met hem zijn rijk.
Later verhaalde men, dat Bellerophontes zijn overwinningen behaalde, gezeten op het paard Pègasus; uit den romp van de door Perseus gedoode Medusa zou dit dier zijn ontstaan. Nog nimmer had het een menschelijken ruiter gedragen; toen gaf Athene Bellerophontes een met goud beslagen teugel, dien het ros zich gewillig liet aanleggen. Pijlsnel vloog het voort, tot boven de rotskloof, waarin de Chimaira huisde, die nu door Sìsyphus’ kleinzoon werd afgemaakt.
Jaren lang leefde Bellerophontes in ongestoord geluk. Maar de voorspoed maakte hem overmoedig; hij begeerde zich met de goden op één lijn te stellen. Om nu door te dringen tot het paleis van Zeus op den hoogen Olympus, besteeg hij opnieuw den Pègasus. Toen trof de toorn van den hemelvader den verblinden sterveling; het paard, door Zeus wild gemaakt, steigerde hoog in de lucht en wierp den driesten ruiter ter aarde, zoodat hij jammerlijk omkwam.
MELEAGER EN ATALANTA.
(OVÌDIUS, METAMORPHOSEN VIII, reg. 260 vlgg.)
In de stad Calydon regeerden koning Oineus en zijn vrouw Althea. Bij een oogstfeest had de vorst verzuimd ook op het altaar van Artemis te offeren. Toen zond de vertoornde godin een geweldigen ever in het land. Hoog, als lansen, stonden de borstels op zijn lijf; de oogen schoten vuur, en een paar geweldige slagtanden staken hem ver uit den muil. De korenvelden werden vertrapt, de vruchtboomen vernield of verschroeid door zijn heeten adem, het vee verminkt; angstig vluchtte men van het land binnen de muren der steden. Nu besloot Meleager, ’s konings dappere zoon, met een schare uitgelezen jonge mannen het monster te dooden. Velen namen deel aan de jacht; onder hen ook een meisje, Atalanta genaamd. Door haar vader, uit boosheid omdat zij geen jongen was, in een eenzame bergstreek te vondeling gelegd, door een berin gezoogd, door jagers gevonden en opgevoed, was ze een hartstochtelijke jageres geworden. Meleager bewonderde haar en kreeg haar lief.
Negen dagen lang vermaakten zich de jagers aan het hof van koning Oineus; op den tienden dag werd de jacht gehouden. Het dal, waarin de ever placht te huizen, werd van alle kanten omsingeld; toen werd het ondier opgejaagd uit zijn verborgen verblijfplaats. Woedend stoof het op zijn belagers los; takken kraakten en braken om hem heen en de honden, die hem in den weg kwamen, werden op zijn scherpe slagtanden links en rechts ver weg geslingerd. Tevergeefs wierpen de jagers hun speren; ze stuitten af op zijn borstelige huid of misten hun doel. Zware wonden werden hun door den ever toegebracht; meer dan één van hen zonk bloedend ter aarde. Nu echter wondde Atalanta het eerst hem met een pijl in den nek. Toen Meleager het donkere bloed zag vloeien, wees hij haar den prijs toe: de huid van den ever, als die geveld zou zijn. De mannen schaamden zich en drongen nog onstuimiger op het monster aan; maar toen er één de buik werd opengereten, durfden zij nog slechts uit de verte hun wapens werpen. Eindelijk echter stiet hem Meleager zijn speer midden in den rug en terwijl het dier razend in de rondte draaide, bijtend naar de schacht, bracht hij het van dichtbij de doodelijke wonde toe. Zijn makkers begroetten hem als overwinnaar; maar hij zelf gaf huid en kop aan Atalanta over. Een gemompel van ontevredenheid ging door geheel den stoet; en toen twee ooms van Meleager, die deel hadden genomen aan de jacht, het meisje den eereprijs trachtten te ontrukken, werd de jonge man driftig en doodde hen beiden in de worsteling, die volgde.
Op weg naar den tempel, om er de goden te danken voor de overwinning van haar zoon, zag Althea de lijken van haar broeders wegdragen. Toen zij hoorde, dat Meleager de oorzaak was van hun dood, besloot zij hem te straffen. Kort na de geboorte van haar jongen waren de schikgodinnen, de Moiren, die ’s menschen levensdraad spinnen, meten en afsnijden, haar kamer binnengetreden. Zij hadden een blok hout op den haard gelegd: het knaapje zou leven, zoo lang dat blok zou bestaan. Zoo gauw zij verdwenen waren, had de moeder het hout uit het vuur genomen, gebluscht en zorgvuldig weggeborgen. Nu haalde ze het te voorschijn, en gaf het, hoewel aarzelend, aan de vlammen prijs. Van een inwendig vuur voelde Meleager plotseling zijn lichaam branden: onder heftige pijnen zonk hij neer, en toen het houtblok geheel in asch uit elkaar viel, blies ook hij den laatsten adem uit. Toen werd Althea door bittere spijt toch nog bevangen; het leven werd haar, te midden van den rouw van haar omgeving, een ondragelijke last; zelve maakte zij er een einde aan.
Van Atalanta wordt ook wel verteld dat zij, evenals Artemis, zich had voorgenomen, ongehuwd te blijven. Zij had daarom bepaald dat alleen hij, die haar in den wedloop overwon, haar man zou worden, maar dat sterven zou, wie overwonnen werd. Zij gaf dan een voorsprong en doorboorde met haar speer de tegenpartij, die zij inhaalde. Reeds hadden velen hun leven verloren, toen het tenslotte aan Meilanion gelukte, de zege te behalen. Drie gouden appels, die hij van Aphrodite gekregen had, liet hij bij tusschenpoozen vallen; Atalanta raapte ze op en intusschen bereikte Meilanion het doel, dat voor den wedkamp was gesteld.
DANAÖS.
Koning Belos van Lybië liet bij zijn sterven zijn rijk aan zijn beide zonen na: Aigyptos kreeg het naar hem genoemde Aegypte, Dànaös erfde het overige land; de eerste was vader van vijftig zonen, de laatste van een vijftigtal dochters. Aigyptos, niet tevreden met zijn deel, trachtte zich van het geheele gebied, waarover zijn vader geheerscht had, meester te maken. Hij bestreed zijn broeder en overwon hem. Toen begeerden zijn vijftig zonen de vijftig dochters van den overwonnene tot vrouw. De Danaïden weigerden haar toestemming en vluchtten met hun vader over zee naar Argos. Daar werden de vluchtelingen vriendelijk opgenomen; de burgers van Argos riepen Dànaös zelfs tot hun koning uit, toen een wonderteeken hun beduid had, dat dit de wil der goden was.
Ondertusschen rustten de zonen van Aigyptos schepen uit en landden in Argos. Zij gaven voor met vreedzame bedoelingen te komen, maar zij vielen intusschen hun oom zoo lastig, dat deze tenslotte voor hun aandrang bezweek en hun zijn dochters ten huwelijk gaf. Dànaös echter wantrouwde ook nu nog zijn neven en wrokte over zijn gedwongen vlucht uit Afrika. Daarom gaf hij aan de meisjes dolken meê en liet haar zweren dat zij in den nacht, die zou volgen op het bruiloftsfeest, haar echtgenooten in den slaap zouden vermoorden.
Alle Danaïden volbrachten de daad; Hypermnestra alleen maar spaarde haar man. Zij beiden regeerden, na Dànaös’ dood, over het rijk van Argos; machtige helden stammen van hen af, o.a. Perseus en Hèrakles (Hercules).
De overige Danaïden moesten zwaar voor haar misdrijf boeten. In den diepen, donkeren Tàrtaros moeten zij dag in, dag uit, water scheppen in een vat, dat nimmer vol wordt, daar in den bodem tallooze gaten zijn aangebracht.
PERSEUS.
Perseus was de zoon van Zeus en Danaë. Zijn grootvader Acrisius, koning van Argos, had eens van een orakel de voorspelling ontvangen, dat hij door de hand van zijn kleinzoon om zou komen. Daardoor verschrikt, liet hij moeder en zoon in een gesloten kist in zee werpen. Maar Zeus redde hen en liet hen drijven naar een eiland, waar een gastvrije koning regeerde. Vriendelijk trok deze zich het lot der ballingen aan en voedde Perseus op aan zijn hof.
Toen Perseus volwassen was en hij den koning lastig werd, gaf deze hem de opdracht het hoofd van Medusa te halen. Zij was één der drie Gorgonen, gevleugelde vrouwen met slangenhaar, en soms ook afgebeeld met groote slagtanden in den mond. Schrik en ontzetting ging van dat drietal uit; wie het aanzag, versteende.
Athene en Hermes wezen hem den weg naar haar verre woning aan den rand van den Oceaan; bovendien werd hij door hun bemiddeling uitgerust met vleugelschoenen, een zak en een helm, die het vermogen had onzichtbaar te maken. Ruggelings naderde hij nu het slapende monster, vóór zich het spiegelgladde schild van Athene. Hij trof het achter zijn rug met het scherpe zwaard, dat Hermes hem had gegeven, deed snel den afgehouwen kop in zijn tasch verdwijnen en vloog haastig weg op zijn vleugelschoenen, onzichtbaar voor de zusters die hem vervolgden.