Part 12
Weer verliepen dertien jaren; toen liet Chriemhilde door haar gemaal de Bourgondiërs tot een bezoek uitnoodigen. Hagen, die het plan der koningin doorzag, ried den tocht af. Maar toen men hem van vrees beschuldigde, dreef hij, in zijn trots gekrenkt, de reis zelf door en beval zijn leenmannen zich gereed te houden. Sierlijk uitgerust brak het leger op. Den twaalfden dag kwam men aan den Donau, die sterk gezwollen was, terwijl brug noch schip den overtocht mogelijk maakte. Hagen maakte zich op om een veerman te zoeken. Plotseling hoorde hij geplas in het water en toen hij naderbij kwam, zag hij een paar nymphen, die zich baadden in een heldere bron. Hij nam haar kleeren weg; om die terug te krijgen, beloofden zij hem den afloop van den tocht te voorspellen. Een voorspoedige reis stelde de eerste in het vooruitzicht; maar toen hij daarop de kleederen had teruggegeven, waarschuwde de tweede hem ernstig voor de onderneming; alleen Gunther’s kapelaan zou behouden naar huis terugkeeren; alle anderen zouden den dood vinden in het Hunnenland.
Spoedig daarop vond Hagen een veerman, die echter weigerde de Nibelungen over te zetten. Hagen sloeg hem dood, sprong in zijn vaartuig en roeide zelf zijn makkers naar den overkant. Toen zijn oog op den kapelaan viel, bekroop hem de lust de proef te nemen omtrent de betrouwbaarheid van de voorspelling, die de nymphen hem gedaan hadden. Hij wierp den niets vermoedende overboord; maar behouden bereikte die weer den oever. Toen begreep Hagen, dat de ondergang der Nibelungen onafwendbaar was; hij vernietigde het schip en deelde zijn tochtgenooten meê, wat hun boven het hoofd hing. Een benauwde vrees maakte zich van hun harten meester, maar het was nu niet meer de tijd om terug te keeren.
Bijna een week lang vertoefden de Bourgondiërs bij markgraaf Rudigeer; Giselheer verloofde zich met diens dochter. Daarop werd de reis vervolgd. Toen men in de nabijheid van de burcht van Etzel was aangekomen, kwam Diederik van Bern, die met zijn Goten bij de Hunnen leefde, de gasten tegemoet; hij waarschuwde de Bourgondiërs, want nog altijd, vertelde hij hun, treurde Chriemhilde om het verlies van Siegfried. De koningin zelve stond verlangend op den uitkijk en verheugde zich in haar hart erover, dat het uur van de wraak nu spoedig zou zijn aangebroken. Niet allen begroette zij even hartelijk; voor Hagen was dat weer een teeken van het gevaar, dat dreigde. Zij vroeg hem naar den schat der Nibelungen; hij had aan schild en harnas, aan zwaard en helm genoeg te dragen gehad, antwoordde hij bitter. En weenend keerde Chriemhilde in haar paleis terug. Toen plaatste zich Hagen met zijn vriend Volker op een steenen bank, juist tegenover de kamer van de koningin. Uit het venster zag deze haar doodsvijand zitten. Vurig smeekte zij haar getrouwen hèm te straffen, die zóóveel jammer over haar had gebracht. Dadelijk wapenden zich vierhonderd Hunnen en aan hun hoofd betrad de koningin het slotplein. Maar kalm bleef Hagen voor de vertoornde Chriemhilde zitten, Siegfrieds zwaard vóór zich op de knie. Toen zij hem verweet, dat hij haar man vermoord had, bekende hij luide en openlijk zijn daad en tartte wie maar wilde, wraak op hem te nemen. Maar de Hunnen, bang voor een held als Hagen, trokken zwijgend af.
Door Etzel werden de Bourgondiërs gastvrij ontvangen en feestelijk in de groote ridderzaal onthaald. Maar met bange vrees begaven de gasten zich ter ruste en uit voorzorg hielden Hagen en Volker de wacht. De laatste speelde zijn makkers in slaap; toen maakte hij zich tot bijstand van Hagen gereed. In het holle van den nacht zagen zij helmen flikkeren in de diepe duisternis; het waren Hunnen, door Chriemhilde gezonden om de wraak te voltrekken. Maar toen zij aan de deur de dappere wachters zagen, keerden zij stil terug en lieten de slapenden ongemoeid.
Den volgenden dag werd een tournooi gehouden, waarbij Volker een Hunnenridder doodde met zijn speer. Woedend over dien smaad, snelden dreigend de Hunnen toe, maar Etzel kwam tusschenbeide en gebood met forsche stem vrede: de daad was immers niet opzettelijk geschied.
Vóór men aan tafel ging trachtte Chriemhilde Diederik van Bern tot een overval van de Bourgondiërs over te halen; maar hij wees met verontwaardiging een dergelijke schending van de gastvrijheid af. Blodelijn, een broeder van Etzel, liet door groote beloften zich eindelijk overreden met de slachting een begin te maken. Terwijl in de ridderzaal de maaltijd werd gebruikt, trad hij met een schaar gewapenden het gebouw binnen, waar Dankwaart met een aantal ridders gehuisvest was. Vriendelijk trad de maarschalk op hem toe; maar Blodelijn eischte strijd. Toen sprong Dankwaart op hem toe en hieuw den Hun met een enkelen slag het hoofd af. Een woedend gevecht ontspon zich daarop tusschen de Hunnen en de Nibelungen, die allen omkwamen. Dankwaart alleen sloeg zich door de vijanden heen en bereikte al vechtend Etzels eetzaal. Met het blanke zwaard in de vuist vertoonde hij zich op den drempel en riep Hagen toe: „Te lang reeds zit ge hier en weet niet van onzen nood; de ridders en ruiters liggen verslagen in hun zaal!” Hagen stond op en beval hem den uitgang goed te bewaken; nu was de tijd aangebroken om aan Chriemhilde den vriendschapsdronk te wijden. Zoo sprekend doodde hij door een slag met zijn zwaard Etzels zoon Ortlieb, en gaf daardoor het sein tot een algemeen gevecht. Moord en doodslag vervulden de zaal. Aan Dankwaarts zijde trad Volker om aan den binnenkant de vlucht der Hunnen te verhinderen; „thans is de zaal goed gesloten,” riep hij den Nibelungen toe, „want vier heldenvuisten winnen het van duizend grendels.”
In doodsangst vroeg Chriemhilde Diederik van Bern om hulp. Hij sprong op een tafel en wenkte om stilte; toen gebood Gunther stilstand van wapenen. Diederik eischte nu, dat men hem en de zijnen vrijheid zou geven zich uit het strijdgewoel te verwijderen. Toen Gunther zijn verzoek inwilligde, verliet hij met Chriemhilde en Etzel de zaal, gevolgd door nog zeshonderd andere ridders; ook Rudigeer met de zijnen kregen verlof om ongehinderd heen te gaan. Nauwelijks echter waren zij weg of opnieuw ontvlamde de krijg, en niet lang duurde het of alle Hunnen binnen de zaal lagen verslagen ter aarde. De Bourgondiërs rustten op de lijken uit van het gevecht en verlangden vrijen aftocht; die werd hun toegestaan op voorwaarde dat Hagen aan Chriemhilde zou worden uitgeleverd. Met verontwaardiging echter werd dat geweigerd.
Toen liet Chriemhilde alle uitgangen van het paleis door krijgers bezetten en het gebouw aan de vier hoeken in brand steken. Rook en hitte en de van het dak neerstortende balken brachten de Bourgondiërs in grooten nood; toch sloegen zij moedig elken nieuwen aanval van de Hunnen af.
Toen de morgen aanbrak, eischte Etzel Rudigeer op, om tegen de Nibelungen te strijden; deze echter weigerde en wilde liever alle hem geschonken leenen teruggeven. Nu herinnerde Chriemhilde hem aan den vroeger gedanen eed, om haar tegen al haar vijanden bij te staan. Treurig wapende zich nu de held en mengde zich met zijn mannen in den strijd. Hagen toonde hem het schild, dat hij eens uit de handen van Rudigeer’s vrouw ten teeken van gastvriendschap had ontvangen en sprak: „Zie hoe het uit elkaar hangt; het kan mij niet meer beschutten!” Toen nam Rudigeer zijn eigen schild van den arm en reikte het den held. Hagen en Volker zwoeren beiden den edelen markgraaf in het gevecht te zullen sparen; maar door den stervenden Geernot doodelijk getroffen, stortte hij neer bij de lijken van al zijn getrouwen. Stuk voor stuk, in verbitterden kamp, werden de Bourgondische helden door hun vijanden afgemaakt; Hagen en Gunther alleen bleven over. Maar ook de Hunnen leden geweldige verliezen en van de mannen van Diederik van Bern, die ten slotte ook hadden ingegrepen in den strijd, restte weldra alleen nog Diederik’s wapenmeester Hildebrand. Toen bood Diederik vrede, als Hagen en Gunther zich aan hem wilden overgeven; de helden weigerden. Zwaar gewond werd daarop Hagen door den Gotenvorst gevangen genomen en naar de koningin gebracht. Ook Gunther werd door Diederik bedwongen en geboeid in een kerker geworpen.
Chriemhilde beloofde Hagen het leven te zullen schenken, wanneer hij haar zeide, waar de schat verborgen lag; hij echter antwoordde, dat hij had gezworen het geheim te bewaren, zoolang een van zijn meesters nog in leven was. Toen zond zij mannen af naar Gunthers kerker en liet haar broeder onthoofden. „Thans,” sprak echter Hagen, „zult gij nooit de plaats vernemen, die buiten mij slechts God nog kent!” Toornig hief nu Chriemhilde Siegfrieds zwaard op en sloeg den weerlooze het hoofd af. Maar de oude Hildebrand kon het niet verdragen, dat een vrouw den dappersten der helden had verslagen; woedend sprong hij op haar toe en doodde haar met een slag van zijn geweldig zwaard. Haar lijk lag naast dat van haar doodsvijand. Zoo eindigde het feest; uit vreugde was diepe rouw geboren.