Part 3
[Ovidius Metamorphosen. IV. reg. 630 vlgg.] Vermoeid van de lange vlucht, wilde hij uitrusten bij koning Atlas, die het hemelgewelf op zijn schouders torste. Maar gedachtig aan een orakel, dat hem gewaarschuwd had voor een zoon van Zeus, die hem eens zou berooven van het kostbaarste wat hij bezat, weigerde hij den afgematte op te nemen en trachtte hem zelfs met geweld uit zijn nabijheid te verjagen. Toen hield Perseus hem den Medusakop voor: Atlas werd steen; als een hooge berg verheft hij zich nu nog op Afrika’s noordkust.
[Ov. Met. IV. reg. 662 vlgg.] Toen bond Danaë’s zoon zich de vleugels aan de voeten en zweefde weldra weer door de lucht over de woonplaats van vele volken heen. Gekomen aan het land der Aethiopiërs, werd hij getroffen door een eigenaardig schouwspel: hij zag een jonge vrouw aan een rots gebonden, die eenzaam uitstak boven de oppervlakte van de zee. Een lichte wind bewoog zacht haar haren en tranen vloeiden langs haar wangen; overigens scheen zij een beeld van marmer, zoo stil en zoo bleek. Vol verbazing hield Perseus zijn vlucht in en vroeg haar naar haar naam en naar de oorzaak van haar banden. Andròmeda heette zij; haar moeder had de Nereïden beleedigd door zich mooier te achten dan zij; die hadden bij Poseidon haar beklag gedaan en de beheerscher der zeeën had een vloed doen opkomen en een ontzettend monster gezonden, dat alle dagen uit zee opdook en mensch en dier verslond. Pas als de dochter van de koningin aan het dier geofferd zou worden, zou de bezoeking ophouden, had een orakel gezegd. En gedrongen door het volk, was haar vader tot dien uitersten maatregel overgegaan.
Nauwelijks had zij dit verhaal gedaan, of een geruisch klonk op uit de heftig bewogen zee; het ondier vertoonde zich en naderde zijn prooi. Perseus echter nam aan het te dooden als Andròmeda zijn vrouw zou worden. De wanhopige ouders aanvaardden hem op die voorwaarde gaarne als hun schoonzoon. Toen verhief hij zich hoog in de wolken, schoot als een arend op het monster neer en trof het diep met zijn zwaard tusschen de schouders. Houw op houw volgde; en eindelijk, van een rotspunt af, gaf hij het den genadestoot, dwars door het lichaam heen. Daarop werd Andròmeda van haar boeien bevrijd en de blijde bruiloft voorbereid. In droefheid zou echter de vreugde verkeerd zijn, als niet het Medusahoofd weer uitredding had gebracht. Phineus, met wien Andròmeda vroeger was verloofd geweest, trad plotseling met een aantal volgelingen de feestzaal binnen en eischte de bruid op, die hij zelf had verlaten; maar met zijn aanhang werd hij door Perseus in steen veranderd.
Nu keerde de held met zijn jonge vrouw naar zijn moeder terug. Maar nog moest vervuld worden wat het orakel aan zijn grootvader Acrisius had voorspeld. Toevallig troffen grootvader en kleinzoon elkaar bij een wedstrijd zonder elkaar te kennen. Perseus deed een ongelukkigen worp met een discus en trof Acrisius zoo forsch tegen het oog, dat de oude man doodelijk gewond ter aarde zonk. Te laat werd Perseus gewaar wien hij had gedood. Hij volgde zijn grootvader in de regeering over Argos op en leefde verder rustig met zijn gemalin, niet langer vervolgd door de slagen van het noodlot. Het hoofd van Medusa schonk hij aan Athene, die het op haar borstharnas of op haar schild hechtte als een vreeselijk wapen tegen haar vijanden.
HERACLES.
De sterkste held uit den Griekschen voortijd was Hèracles (Hercules), de zoon van Amphìtryon en Alcmène. Zijn vader was uit Argos naar Thebe gevlucht; daar werd Hèracles geboren. Om zijn geweldige kracht werd hij ook wel voor een zoon van Zeus gehouden; daarom, zoo meent men, heeft Hera hem zoo bitter gehaat en hem zijn geheele leven lang aan allerlei gevaren en moeiten blootgesteld. Toen hij nog maar pas geboren was, zond zij twee reusachtige slangen op hem af; het ventje greep ze dicht onder den kop en wurgde ze met zijn stevige handjes.
Op zestienjarigen leeftijd zond zijn vader hem naar de kudden op den berg Cithaeron. Hier versloeg hij den Cithaeronschen leeuw, die onder het vee veel schade aanrichtte; huid en kop droeg hij als kleeding en hoofdbedekking voortaan meê en als wapen een boog en een zware knods (Zie de Farnesische Hèracles, het bekende beeld te Napels). Hier zou hij ook, volgens een later verhaal, door bewuste keuze den loop van zijn verder leven hebben bepaald. Twee vrouwen nl. traden op hem toe: de eene waardig en eerbaar en ingetogen bij haar schoonheid; de andere van een opvallend mooi, dartel en uitdagend. Toen de eerste hem toe wilde spreken, drong de andere haar weg; zij, het Genot, beloofde hem te voeren langs een weg van louter genietingen als hij haar wilde volgen. De Deugd daarentegen stelde hem, als hij haar gezelschap koos, een langen en bezwaarlijken weg in het vooruitzicht; want—zeide zij—de goden verleenen de menschen zonder arbeid en moeite geen geluk; maar vast en zeker zou hij zóó eenmaal komen aan het goede doel.—En Hèracles koos den weg van de Deugd.
Niet lang nadat hij in Thebe was teruggekeerd, beval het Delphisch orakel hem naar Mycene te gaan, om in dienst van koning Eurystheus twaalf zware werken te verrichten; na de volbrenging daarvan zou hem de onsterfelijkheid ten deel vallen. Allereerst werd hem opgedragen den Nemeïschen leeuw te dooden, die vreeselijk huis hield in het dal van Nemèa. Hèracles bestookte het dier eerst met pijlen; toen hij echter bemerkte, dat het onkwetsbaar was, dreef hij het met zijn knods in zijn hol terug, ving het, toen het op hem afsprong, in zijn armen op en worgde het tegen zijn borst. De tweede strijd gold de Hydra van Lerna, een waterslang met negen koppen, waarvan de middelste onsterfelijk was; zoodra één kop werd afgehouwen, kwamen er twee nieuwe voor in de plaats. Bovendien werd het monster geholpen door een reuzenkreeft, die, zoo gauw het werd aangevallen, uit zee kwam opdagen. Die kreeft werd eenvoudig door Hèracles vertrapt; en door een vriend liet hij, telkens wanneer hij een kop had afgeslagen, met een gloeienden paal het gat toeschroeien, zoodat geen nieuwe weer op kon schieten; eindelijk wierp hij op den onsterfelijken kop een geweldig rotsblok. Met de giftige gal van de Hydra bestreek hij zijn pijlen, zoodat hun wonden ongeneeslijk werden.
Nu volgden drie jachtavonturen in Arcadië. Op den berg Keryneia, op de grens van Arcadië en Archaie, leefde het kerynitische hert, aan Artemis gewijd, met gouden gewei en koperen hoeven; levend moest Heracles het aan Eurystheus brengen. Een vol jaar lang achtervolgde hij het snelle dier: toen wondde hij het licht in den poot en wist het zoo te vangen. Ook den Erymanthischen ever, die het landschap aan den voet van den berg Erymanthus verwoestte, ving hij levend; hij dreef hem in de diepe bergsneeuw, bond hem en droeg hem weg. Eindelijk werd hem nog gelast de Stymphalische vogels te verdrijven; zij huisden in de omgeving van het meer Stymphalos, hadden metalen klauwen en snavels en veeren, die zij als pijlen konden afschieten. Met groote, ijzeren kleppers joeg Heracles ze op, doodde een gedeelte met zijn pijlen en verdreef de anderen.
Ook naar Elis voerden hem zijn tochten. Daar woonde koning Augìas, die zeer rijk was aan vee. In één dag moest hij nu den hof, waarin de runderen verblijf plachten te houden, reinigen van allen mest. Hij leidde de rivieren Alpheüs en Peneüs door den stal en volbracht zóó de opdracht, die hem was verstrekt.
Nu richtte Heracles zich naar Zuid en Noord. Op Creta regeerde koning Minos. Een stier, dien Poseidon uit zee had laten opkomen, had hij den zeegod moeten offeren. Maar het dier was zoo mooi, dat Minos het had behouden. Toen had Poseidon het beest dol gemaakt, zoodat het alles verwoestend, het heele land onveilig maakte. Heracles bracht nu den stier gebonden naar Mycene, waar Eurystheus, doodelijk verschrikt, hem dadelijk weer liet loopen. Bij Marathon in Attica werd hij later door Theseus gevangen en aan Apollo geofferd.
Ook de woeste paarden van den Thracischen koning Diomèdes, die met menschenvleesch gevoed werden, bracht Heracles levend over naar Mycene. Eurystheus liet ze weer vrij; toen werden ze in het gebergte door wilde dieren verscheurd.
De volgende tocht voerde Heracles ver naar het Oosten. In Azië woonde het dappere vrouwenvolk der Amazonen, die door koningin Hippolỳte werden geregeerd. Deze droeg, als teeken van haar waardigheid, een kostbaren gordel, welken Admete, de dochter van Eurystheus, wenschte te bezitten. Hippolỳte wilde aanvankelijk den gordel vrijwillig geven; maar Hera verspreidde onder de Amazonen het gerucht, dat de koningin geroofd zou worden. Toen stormden de krijgshaftige vrouwen te paard op Heracles los, die in een woedenden strijd met moeite overwon, Hippolỳte, die hij van verraad verdacht, doodde en den gordel met zich meê voerde.
Op den terugweg landde Heracles bij Troje. Daar heerschte groote rouw. Apollo en Poseidon hadden, in menschelijke gedaante, koning Laòmedon aangeboden om tegen een bepaalde belooning de vesting Pergamos te ommuren. Toen het werk klaar was, werd het loon hun geweigerd. Apollo zond nu een pest, Poseidon een zeemonster, dat mensch en dier doodde. Pas als de koning zijn dochter aan het ondier offeren zou, zou de bezoeking wijken. Daarom werd Hesìone aan een klip aan het strand der zee geketend, opdat zij door het monster verslonden zou worden. Juist toen landde Heracles. Hij bood aan het meisje te redden, als hem de paarden werden gegeven, die Laòmedon als vergoeding voor zijn geroofden zoon Ganymèdes van Zeus had gekregen. De overeenkomst werd aangegaan; het ondier werd door Heracles gedood; maar ook hem werd de beloofde belooning onthouden. Toen ging hij weg onder de bedreiging, dat hij eens met een legermacht terug zou keeren om wraak te nemen.
Het terrein van de volgende daden van Heracles lag in het verre westen. Hij moest de runderen van Gerỳones halen, die woonde op een eilandje in den Oceaan; uit drie lichamen was het monster samengegroeid. Zijn prachtige runderen werden bewaakt door een reus en een grimmigen hond. Heracles trok om de Middellandsche Zee heen langs de noordkust van Afrika en plaatste aan weerskanten van de straat van Gibraltar een groote rots, als een zuil, die de herinnering aan zijn versten tocht moest bewaren. Toen hij aan den oever van den Oceaan was aangekomen, wist hij niet, hoe hij het eiland zou bereiken. Juist reed Helios met zijn zonnewagen dicht over zijn hoofd heen, op het punt het zeevlak in het westen te bereiken. Heracles had last van de felle stralen en boos legde hij op den zonnegod aan. Deze had pleizier in den durf van den sterveling en leende hem de gouden, bekervormige boot, waarmeê hij ’s nachts naar het Oosten terug placht te varen. Zoo kwam Heracles op het eiland, versloeg den reus en zijn hond, doodde ook Gerỳones, toen die hem na wilde zetten, en dreef de runderen weg. Toen hij nu in Italië was gekomen en rust nam in de grasrijke vlakte van den Tiber, ontstal hem, terwijl hij sliep, de vuursnuivende reus Cacus enkele van zijn mooiste beesten. Bij den staart trok hij ze naar zijn hol, opdat Heracles het spoor zou bijster worden. Deze zocht ook vergeefs en besloot ten slotte maar weg te trekken. Maar het geloei van de opbrekende kudde werd uit de verte beantwoord; zóó ontdekte hij de plaats waar de ontbrekende koeien verborgen waren. Van boven af sprong hij neer in de grot, waarin Cacus zich verschanst had, en na een hevige worsteling te midden van vuur en vlammen werd hij hem ten slotte meester. De bevolking van de streek was hem dankbaar voor zijn daad, een plechtig feest werd te zijner eere gevierd, en van dien tijd af bestond in Latium een eeredienst voor Hercules.
Weer naar het westen voerde hem zijn volgende tocht. Aan den oever van den Oceaan stond in de tuinen van Atlas een wonderboom met gouden appelen, die de aarde eens als een huwelijksgeschenk voor Hera had laten groeien; de dochters van Atlas, de Hesperiden, verzorgden den boom en een nooit slapende draak bewaakte hem. Heracles moest drie van die appelen halen. Na lang rondzwerven kwam hij bij Atlas, die het hemelgewelf op zijn schouders droeg. Deze plukte voor hem de vruchten, terwijl Heracles zoolang de ontzettende vracht van hem overnam. Toen Atlas echter met de drie appels terugkwam, wilde hij den zwaren hemel niet weer opnemen, maar zelf de vruchten naar Eurystheus brengen. Heracles ging op het voorstel in, maar verzocht hem nog even den hemel te houden, tot hij zich een kussen op den schouder zou hebben gelegd, die wat zeer begon te doen. Atlas liet zich vangen; Heracles raapte boog, pijlen en appels van den grond en maakte zich uit de voeten. Eurystheus schonk hem de gouden vruchten en hij wijdde ze aan Athene, die hem bij zijn werken zoo dikwijls had bijgestaan.
De laatste en zwaarste onderneming van Heracles was het halen van Cèrberus, den vreeselijken hond, die de wacht hield voor de onderwereld. Bij kaap Taenarum daalde Heracles naar de Hades af; Pluto gaf hem verlof den hond met zich mee te voeren, als hij hem zonder wapens meester kon worden. Dat lukte. Stevig bond hij toen het monster vast en droeg het zoo naar de bovenwereld om het aan Eurystheus te laten zien. Daarop bracht hij het naar zijn vroegere verblijfplaats terug.
Na de volbrenging van deze twaalf daden, waarvan een bekende voorstelling in beeldhouwwerk voorkwam op de metopen van den grooten Zeustempel in Olympia, was Heracles uit den dienst van Eurystheus ontslagen. Uit innerlijken drang ging hij echter toch op avontuur uit. Hij begaf zich naar Oechalië op Euboea, waar de beroemde boogschutter Eùrytos regeerde; die had zijn dochter Iole tot vrouw beloofd aan wie hem in het schieten zou overtreffen. Heracles won het van hem: maar Eùrytos gaf hem zijn dochter niet en joeg hem bovendien met smaad uit zijn woning. Bij de herinnering aan dien hoon doodde Heracles niet lang daarna in zijn eigen paleis Eùrytos’ zoon Iphitos, door hem, zijn gast, in een vlaag van drift van den burchtmuur naar beneden te storten. Die schending der gastvrijheid kon niet ongestraft blijven; Heracles werd zwaar ziek en de ziekte zou pas wijken, als hij voor een jaar als slaaf zou verkocht worden en de koopsom als zoengeld aan Eùrytos zou worden gegeven. Zoo kwam hij, door bemiddeling van Hermes, in tijdelijken slavendienst bij Òmphale, koningin van Lycië; de prijs werd Eùrytos als weergeld aangeboden, maar deze weigerde hem aan te nemen en de oude wrok bleef dus bestaan.
In den dienst van Omphale werd Heracles diep vernederd; de trotsche koningin trok hem een vrouwenkleed en zachte sandalen aan en liet hem wol spinnen, terwijl zij zelve er bij stond met zijn leeuwenhuid om de schouders en spelend met zijn knods. Alleen af en toe vergunde zij hem ook nu nog op avonturen uit te gaan.
Na afloop van den tijd dezer slavernij trok Heracles op zijn wraaktocht tegen Troje uit; verschillende helden voerde hij met zich meê, Laòmedon werd overwonnen en met al zijn zonen omgebracht; alleen de jongste, Podàrkes of Prìamos, werd op Hesìone’s voorbede in het leven gelaten; daarvoor trad het meisje met den Griekschen held Télamon in het huwelijk.
Na nog verschillende avontuurlijke ondernemingen in allerlei deelen van de Grieksche wereld, begaf Heracles zich naar Calydon in Aetolië, waar de gastvrije koning Oineus troonde; diens dochter Deïaneira begeerde hij tot vrouw. Velen dongen naar de hand van het mooie meisje, onder hen de naburige stroomgod Achelòüs, die allerlei gestalten aan kon nemen, en nu eens als een stier, dan weer als een slang of in de gedaante van een mensch met een kop van een stier zich aan de beangste Deïaneira vertoonde. In een ontzettend gevecht overwon Heracles zijn medeminnaar. Als echtgenoot van Deïaneira bleef hij toen langen tijd in het paleis van koning Oineus. Eindelijk trok hij weg met zijn jonge vrouw en begaf zich naar Trachis aan het Oetagebergte, waar een vriend van hem woonde. Onderweg kwam hij aan een breede rivier, waarover de Centaur Nessos de reizigers op zijn rug placht over te dragen. Ook Deïaneira zou hij overvoeren. Maar plotseling hoorde Heracles haar een angstkreet slaken en hij zag, hoe de Centaur zich met haar uit de voeten wilde maken. Toen greep hij zijn boog en doodde Nessos met een pijlschot. Stervend ried deze Deïaneira aan, het bloed, dat aan den pijl kleefde, als een toovermiddel te bewaren; het zou dienst kunnen doen, als Heracles haar ooit ontrouw mocht worden.
Toen Heracles nu in Trachis woonde, besloot hij met Eùrytos af te rekenen. Hij veroverde en verwoestte Oechalië, versloeg Eùrytos en zijn zonen en nam Iole als krijgsgevangene mee. Aan den rand van Euboea hield hij halt om er Zeus een dankoffer te brengen voor het slagen van zijn onderneming; Iole zond hij naar Trachis vooruit. Toen Deïaneira zag, hoe mooi deze was, werd zij bang dat Heracles haar om Eùrytos’ dochter verstooten zou. Zij dacht aan het toovermiddel, dat Nessos haar verschaft had, bestreek met het zorgvuldig bewaarde bloed een prachtig feestgewaad en zond dat Heracles om het te dragen, als hij Zeus het bedoelde offer zou brengen. Verheugd sloeg de held zich het kleed om de schouders, maar nauwelijks was het bloed aan zijn lichaam warm geworden of het drong verterend in zijn ledematen door. Door razende pijnen werd hij gefolterd. Toen de eerste aanval voorbij was, liet hij zich op een schip naar Trachis overbrengen, waar Deïaneira zich zelve had gedood, zoodra zij had vernomen welk onheil zij tegen wil en dank had aangericht. Hier vernam Heracles, dat het gif van Nessos afkomstig was, die zich zoo op afschuwelijke wijze aan hem had gewroken; nu wist hij ook, dat zijn einde nabij was, want een orakel had hem voorspeld, dat hij door een doode gedood zou worden. Hij liet zich naar den Oeta dragen, richtte daar een brandstapel op, besteeg hem, en verzocht alle voorbijgangers hem aan te steken. Niemand wilde. Maar eindelijk bewees Philoctètes, die als koning heerschte op het Oetagebergte, hem dien vriendendienst; als belooning kreeg hij daarvoor Heracles’ boog en zijn nooit missende pijlen. Weldra laaiden de vlammen op, bliksemstralen schoten neer, en onder het rollen van de donderslagen werd de held naar den Olympus opgevoerd. Daar leefde hij voort onder de onsterfelijke goden, met Hera nu verzoend, en gehuwd met Hebe.
THESEUS.
Theseus was een zoon van den Atheenschen koning Aegeus. Deze was naar Troezen in Argolis getrokken en daar getrouwd; in Troezen werd ook Theseus geboren. Toen zijn vader naar Athene terugkeerde, legde hij onder een rotsblok een zwaard en een paar sandalen; als Theseus volwassen was, moest zijn moeder, die met het kind in Troezen achterbleef, hem bij den steen brengen; lukte het den jongen dien steen van zijn plaats te krijgen, dan moest zij hem toerusten met het zwaard en de sandalen en hem naar Aegeus in Athene sturen. De proef werd genomen toen Theseus zestien jaar oud was: de jonge man verplaatste het rotsblok met gemak, wapende zich met het zwaard, schoeide zich met de sandalen en begon onbevreesd den gevaarlijken tocht naar Athene. In dien tijd namelijk waren bergen en wouden nog bewoond door wreede reuzen, door roovers en monsters van allerlei aard en ook Theseus vond die in grooten getale op zijn weg. Hij overwon ze allen en deed ze ondergaan, wat zij zoo dikwijls vreedzame reizigers hadden doen lijden. Eindelijk kwam Theseus in Athene aan; aan het zwaard, dat hij voerde, werd hij door zijn vader herkend en blijde werd hij opgenomen in het vaderlijk paleis.
Athene echter verkeerde toen in drukkende afhankelijkheid van het eiland Creta. Aegeus had den zoon van Koning Minos van Creta gedood en moest nu, door hem overwonnen, alle negen jaar zeven jongens en zeven meisjes naar het eiland zenden. De ongelukkigen werden dan opgesloten in het labyrinth, een doolhof vol dwaalgangen, door den Atheenschen kunstenaar Daidalos (Daedalus) gebouwd. Daar werden ze verslonden door den Minotaurus, half stier, half mensch. De derde zending zou nu vertrekken; reeds was het lot geworpen, en de straten van Athene waren vol gejammer. Toen maakte medelijden met de treurenden en toorn over de vernedering van zijn vaderstad zich van Theseus meester; hij wilde meê om den strijd met het monster aan te gaan. Met tegenzin willigde zijn vader dit verzoek in, en er werd afgesproken dat in plaats van de zwarte rouwzeilen, die het schip placht te voeren, witte zeilen geheschen zouden worden als het waagstuk gelukt zou zijn; dan kon Aegeus al uit de verte zich verheugen over den behouden terugkeer van zijn eenigen zoon. Dus voer Theseus weg en kwam gelukkig op Creta aan, waar Ariàdne, Minos’ dochter, liefde opvatte voor den moedigen jongen man. Op raad van Daìdalos gaf zij hem een kluwen; het uiteinde daarvan kon hij vastmaken bij den ingang van het labyrinth en het onder het voortgaan laten afloopen; was de overwinning behaald, dan zou hij langs dien draad den uitgang weer kunnen bereiken. Het lukte Theseus den Minotaurus te verslaan en, dank zij de hulp van Ariàdne, den uitweg te vinden uit het labyrinth. Samen scheepten zij zich nu in en verlieten haastig het eiland. Aanvankelijk ging alles goed; gunstige wind deed de zeilen zwellen en als een pijl vloog het lichte schip door de zee. Onderweg deden zij Naxos aan en toen de avond daalde vielen beiden in een koele grot in slaap.
Toen ontdekte Dionỳsos, aan wien het eiland was gewijd, de schoone Ariàdne. Haar aanblik trof hem zóó, dat hij meende zonder haar bezit niet gelukkig te kunnen zijn. In den droom verscheen hij aan Theseus en beval hem, als hij zijn leven lief had, onmiddellijk Ariàdne te verlaten. Theseus ontwaakte, hevig verschrikt, want nog was het hem als hoorde hij de woorden van den god. Vlug sprong hij op van zijn leger, wekte zijn makkers en ging scheep. Toen Ariàdne ontwaakte, was hij reeds zóó ver weg, dat zij nog slechts de zeilen op grooten afstand bespeurde. Dionỳsos echter troostte haar in haar verlatenheid en nam haar nu tot vrouw. De blijde bruiloft werd door alle goden bijgewoond; rijke geschenken werden de bruid vereerd; Zeus verleende haar zelfs de onsterfelijkheid; en Dionỳsos voerde verheugd zijn jonge vrouw naar den Olympus, waar zij aan zijn zijde voor eeuwig onder de goden vertoeft.
Theseus voer ondertusschen de vaderlandsche kust tegemoet. Maar hij vergat de zwarte zeilen door witte te vervangen. Lang had Aegeus in spanning al gewacht op den terugkeer van het schip, dat naar Creta was uitgevaren. Eindelijk, terwijl hij op een hooge rotspunt op den uitkijk stond, zag hij in de verte het sombere doek, dat hem den dood van zijn zoon scheen te melden. Toen maakte wanhoop zich van hem meester; hij stortte zich in de zee, die sinds dien tijd den naam van de Aegaeïsche draagt.
Theseus werd nu koning van Athene. Vele dappere daden worden nog van hem verteld. Zoo zou hij den stier, dien Heracles van Creta had gehaald en bij Marathon had laten loopen, gevangen, naar Athene gebracht, en aan Apollo daar geofferd hebben. Ook wordt van hem verhaald, dat hij de tien stad-staatjes, waarin Attica was opgelost, tot één geheel vereenigde en ter viering van die vereeniging het groote feest der Panathenaeën instelde.
De vertrouwdste vriend van Theseus was Peirìthoös, de koning der Lapithen, een stam in Thessalië. Toen deze zijn huwelijk vierde was ook Theseus onder de gasten; verder waren, onder meerderen, de Centauren gevraagd, ruwe wezens, half mensch, half paard. Zij wierpen zich op de vrouwelijke gasten en trachtten die met zich meê te sleuren; een ontzettende strijd ontbrandde, waarin ten slotte, met veel moeite, de Lapithen hun woeste tegenstanders versloegen, die nu verdreven werden naar meer afgelegen streken. In de beeldhouwkunst is deze worsteling, de strijd der beschaving met het barbarendom, herhaaldelijk uitgebeeld; zoo b.v. op een der gevelvelden van den Zeustempel te Olympia en op metopen van het Parthenon.