XI.
De Beer.
Toen de feestelijke stoet onder 't geklapper der vrij uitwaaiende driekleur, 't gebom der trommen en de woeste grimassen en sprongen der bielemans, het kerkplein met de kermisvermakelijkheden weer bereikte, mocht ze zich niet, zooals gewoonlijk, in de algemeene opmerkzaamheid en belangstelling verheugen.
Er heerschte daar namelijk een ijselijke opschudding.
Telkens hoorde men een angstwekkend gebrul, oogenblikkelijk gevolgd door een geschreeuw en getier, dat hooren en zien deed vergaan.
Dat gebrul werd veroorzaakt door een grooten, bruinen beer, dien men voor een dubbeltje kon te zien krijgen. Maar 't beest hield niet van die kermisdrukte. Eerst was hij erg leelijk gaan kijken, toen nog leelijker gaan brommen en eindelijk woedend tegen de traliën van zijn kooi opgestoven. Hij schudde en rukte er aan met zijn klauwen, dat ze rinkelden, terwijl hij allerverschrikkelijkst brulde.
De toeschouwers liepen in de grootste ontsteltenis de tent uit en deelden hun schrik ook aan de lieden op het plein mede.
"Wat is er toch te doen?" hoorde men nu veldwachter Van Braam met een forsche stem vragen.
"De beer is uit zijn kooi losgebroken," riepen sommigen.
Zelfs waren er, die meenden gehoord te hebben, dat hij al een vrouw te pakken had en bezig was het arme mensch tot ontbijt te gebruiken, zonder dat iemand hem dit durfde beletten.
De veldwachter verschrikte bij 't hooren van deze Jobstijding evenzeer als de anderen. Gelukkig kwam één der jongens door de toeschouwers heendringen en vertelde, dat onze Isegrim nog wel in zijn kooi zat opgesloten, doch alle krachten inspande om los te komen.
't Was intusschen een reden tot geruststelling, dat de veldwachter met zijn scherp wapentuig aanwezig was om in geval van nood het bloeddorstige monster te bedwingen.
Hij drong dan ook tusschen de kermisgasten heen tot bij de kooi en wendde zich tot den berenleider met de forsche vraag: "Wat is er hier gaande?"
"Hoe-oe-oe!" brulde de beer met een allerijselijkst basgeluid, alsof hij zeggen wou: "Zoo je dat nog niet weten mocht, heerschap, dan zal ik 't jou wel aan 't verstand brengen!" Daarop vloog hij weer tegen de tralies op en schudde die met zijn klauwen, dat ze rinkelden en zelfs begonnen door te buigen.
De veldwachter sprong, evenals de anderen, verschrikt achteruit.
Men bleef van een eerbiedigen afstand naar 't razende monster kijken. 't Heele dorp raakte in rep en roer.
De herbergen liepen leeg. In den mallemolen en voor de kramen en spellen was er niemand te zien. De beer had aller belangstelling op zich gevestigd.
"De kwajongens hebben 't kreatuur getergd!" riep de eigenaar van den beer, ten einde raad.
"Daar is niets van aan!" schreeuwden de jongens.
"Moet zoo'n leelijk beest ons hier de heele kermispret bederven?" vroeg een boerin nijdig.
"Men moet hem een ring door den neus doen, dan zal hij wel tot bedaren komen," zei boer Scholte. "Wat dunkt u daarvan, smid?"
"Voor mijn part, moog je je gang gaan," antwoordde deze. "Ik ben mijn leven nog niet moe."
"Doe 't beest een touw onder den buik door!" ried de veldwachter. "Als hij de voorpooten niet op den grond kan krijgen, is zijn kracht gebroken."
Allen vonden dit een goeden raad.
De smid wipte even zijn werkplaats binnen en kwam welhaast met een lang, dik touw en een haak terug:
"Laten we beginnen met den barren sinjeur een touw om den snuit te doen," ried boer Scholte, "we kunnen dien snuit tusschen de traliën doortrekken en de smid kan er dan op zijn gemak een ring door maken! Is 't eenmaal zoover, dan zal hij wel tot bedaren komen!"
Men vond dit een verstandigen raad en na veel vergeefsche pogingen gelukte 't eindelijk, het touw om den snuit van den beer te bevestigen.
Een dozijn kermisgasten, onder wie ook de veldwachter, trokken nu uit alle macht aan het touw.
Maar op eens ging er een kreet van verbazing en schrik op onder de toeschouwers. Door 't hevig rukken en trekken toch was de strik van den ruigen snuit gegleden en pof! daar sloegen onze wakkere maats tegen den grond en zwaaiden met de beenen in de lucht.
Men dacht in 't eerste oogenblik natuurlijk, dat de beer schuld had aan hun plotselinge verdwijning.
Toen de eerste ontsteltenis bedaard was, zei de veldwachter: "Neen, zoo gaat het niet. 't Is beter, dat we den lastigen sinjeur het touw om den nek doen!"
De berenleider opperde eenige bezwaren tegen dit plan, maar niemand luisterde naar hem.
Werkelijk gelukte het, den raad van den veldwachter op te volgen.
Men trok weer uit alle macht aan de beide einden van het touw.
De beer spartelde in 't begin nog geducht tegen, maar welhaast liet hij een akelig geluid hooren; hij werd zoo gedwee als een lam en dus kon de smid hem zonder gevaar een ring door den neus maken.
Toen men na dezen welgeslaagden arbeid het touw losliet, zakte 't monsterdier op den bodem der kooi en gaf geen enkel teeken van leven meer.
Hij was geworgd.
Zijn meester bleef hem eerst als versuft aanstaren, hief toen ontsteld de handen in de hoogte en riep op droevigen toon: "Nu hebben jelui 't arme schepsel vermoord! Och, och! wat moet ik nu in 't vervolg aanvangen? Nu ben ik mijn middel van bestaan kwijt!"
"Beter een doode beer, dan een razende beer, want die zou van ons allemaal koud vleesch maken!" zei de veldwachter.
De anderen vonden dit verstandig gesproken en welhaast waren de herbergen weer overvol en ook de mallemolen was weer druk bezet. De berenleider stond met zijn viervoetigen reisgenoot alleen. Hij wrong de handen en zei op klagenden toon:
"Och, mijn arme Bruin, mijn kameraad en broodwinner al sinds jaren, hoe kon je toch zoo raar doen? Verongelukt is jou leven en het mijne meteen! Och, och, mijn goede Bruin, wat zal jou baas toch in 't vervolg zonder jou beginnen?"
Maar zoo de beer zich vroeger ook al over een en ander mocht bekommerd hebben, nu deed hij dit niet meer.
De vennootschap, die hem verplichtte om voor Jan en alleman kunsten te maken, terwijl zijn reisgenoot de centen opstreek, was voorgoed ontbonden.