XVIII.
Een Paardenspel.
De komst van een paardenspel op zulk een klein plaatsje was in dien tijd nog een veel grooter bijzonderheid, dan dit in onze dagen 't geval zou zijn.
Een landbouwer stelt over 't algemeen 't grootste belang in paarden.
En in 't circus, dat er verwacht werd, zouden die dieren optreden en hoogst zeldzame toeren verrichten.
Op verschillende plaatsen waren verbazend groote programma's aangeplakt, helgeel, met kolossale zware letters bedrukt.
Dat programma was een heel merkwaardig stuk. Het vermeldde, dat er kunstrijders en rijdsters van den eersten rang nooit geziene, allerwonderbaarlijkste blijken zouden geven van hun vaardigheid in de hoogere rijkunst; proeven, die hun de gunst verzekerd hadden van de machtigste potentaten en van alle mogelijke volken der aarde en hun den titel hadden doen verwerven van "Professeur in de aller-opperste rijkunst" of iets dergelijks.
En de dieren zouden in 't minst niet voor die wondermenschen onderdoen, maar allermerkwaardigste proeven van verstand en kunstvaardigheid geven.
't Was haast ongeloofelijk!
De tent, waarin deze verwonderlijke voorstellingen zouden gegeven worden, werd opgeslagen op een stuk tuingrond, achter de schuur van de dorpsherberg.
Twee avonden achtereen zou de voorstelling plaats hebben.
Dat bouwen van 't circus was op zich zelf al een feest voor de dorpsjeugd. Zelfs de kruidenier Verbeek en nog eenige andere burgers, die overvloed van leegen tijd hadden en voor wie een weinig afwisseling hoogst welkom was, stonden belangstellend toe te zien.
De jongeluitjes hielpen wakker mee. Op die wijze verrees als door een tooverslag de reusachtige tent, met grijs doek overspannen, ter plaatse waar 't vorig jaar de mangelwortels van den herbergier hadden staan groeien en dat over weinig dagen zou worden omgespit, om er dusgenaamde snij- of staakboonen op te verbouwen.
Welk een wisseling van tooneel!
En dat in zoo'n korten tijd!
Het Ninivé der Ouden, die groote, prachtige wereldstad, de zetel der machtige koningen van Assyrië, was voorbestemd om in den loop der eeuwen te veranderen in "een woning der draken".
En de zonen en dochteren van 't "aloude Volk" trekken reeds sinds verscheiden eeuwen ter bedevaart naar 't Oosten, om te treuren op de bouwvallen van 't onvergetelijk Jeruzalem.
De jeugd leest er van, maar begrijpt de diepe beteekenis er van niet. Eenige minuten zijn al voldoende, om hun dit alles te doen vergeten voor tol, hoepel en springtouw.
Maar hier was 't een gansch andere zaak. Hier verrees voor aller oog op een stuk gewonen tuingrond een tempel, aan de kunst gewijd.
Aan den opbouw er van werkten ze naar hun vermogen mee. Als ze dien over eenige dagen weer even snel zien sloopen en de spade van den daglooner Teunissen zelfs de laatste sporen van zijn bestaan zal doen verdwijnen, wordt het ons jong, levenslustig volkje voor een wijl bang om 't hart en ze leeren plotseling den diepen zin verstaan van de versregels:
"Ieder woelt hier om verand'ring En betreurt ze dag aan dag; Hunkert naar hetgeen hij zien zal; Wenscht terug 't geen hij eens zag."
Maar zoover is het nu nog niet gekomen.
De daglooner moet zijn tijd afwachten.
De tent staat daar nu opgericht; ze is wijd en zijd te zien en neemt door haar reusachtigen omvang den halven groentetuin in beslag.
Zoo iets is hier nog nooit vertoond.
Zie! Nauwelijks is de avond gevallen, of het stille dorp weergalmt van een schetterende muziek en bij den donkerrooden gloed van flambouwen doen nu de feestelijk opgesmukte of liever bont opgetakelde kunstrijders en rijdsters, gezeten op feestelijk versierde paarden, een optocht over het dorpsplein en een kunstenmaker, -- op 't programma heet hij clown, -- met afzichtelijk beschilderd gelaat, houdt met schorre stem een toespraak, waarin Hollandsch en Duitsch allerkomiekst zijn dooreen gemengd. Maar niettemin heeft onze redenaar een aandachtig gehoor, want de wonderen, waarvan hij gewaagt, zullen zoo straks werkelijk aan "'t geachte publiek" vertoond worden, iets wat bij verreweg de meeste wonderverhalen niet het geval is.
Zoo begaf zich de stoet, voorafgegaan door een open rijtuig, waarin de muzikanten zaten, in feestelijken optocht door 't dorp.
En de muzikanten bliezen, als wilden ze hun wangen te bersten blazen en de tamboer sloeg op een verbazend groote turksche trom, dat het zoo'n aard had en de jongeluitjes zongen, dat hun gezicht er rood en hun keel er schor van werd.
En de optocht werd hoe langer hoe grooter en luidruchtiger, naarmate hij verder kwam, want van alle kanten, over alle wegen en paden kwamen in bonte groepen de bewoners der streek en zelfs die van naburige plaatsen vlug naderen. Ze waren in hun beste pak uitgedost en hun vroolijk gepraat en gelach was op een afstand te hooren.
Toen de stoet weer bij 't circus aankwam, was hij door een dichte menigte omstuwd.
Hier werd halt gehouden.
Hij, die "de baas van 't spul" was, nam nu in hoogst eigen-persoonlijkheid het woord.
Zijn houding was echt-koninklijk.
Zijn gebaren waren breed en indrukwekkend.
Jammer was 't daarom, dat ook hij erg schor was en er een taal op zijn eigen hand op nahield.
Niettemin was de toejuiching, die op zijn toespraak volgde, uitbundig.
Geen wonder ook: hij verzekerde "'t geachte publiek", dat de voorstelling precies om zeven uur beginnen zou en dat ze alle voorstellingen van dien aard, die ooit gegeven waren, in alle opzichten zeer ver zou overtreffen.
Toen werden de paarden weer in den stal der schuur van 't dorpslogement gebracht en de lieden, die van buiten gekomen waren, verdrongen zich in de gelagkamer en vulden zelfs de naburige vertrekken, om zich door 't gebruik van "een hartsterking" voor te bereiden op de dingen, die komen zouden.
Het was kwartier voor zeven, toen één der dames van "'t spul", zeer licht gekleed, met een kleurigen mantel los om 't slanke lichaam geslagen, met vlugge hand het tentdoek bij den ingang opende en gelegenheid gaf om een kaart te koopen en binnen te gaan.
De wachtende schare stond in 't donker en zij stond in 't volle licht, dat door één der lampen werd uitgestraald. Zóó leek ze den eenvoudigen landbewoners een hoogst bekoorlijk wezen. Wie nog weifelden tusschen 't Circus, de Spaarbank of iets anders, werden door haar verschijning oogenblikkelijk tot het koopen van een kaartje gedrongen.
En zoo raakte in weinig tijd de ruimte daar binnen met toeschouwers opgevuld. Die helder verlichte ruimte vol feestelijk opgetooide menschengroepen leverde voor allen een zeer ongewoon en bij uitstek feestelijk schouwspel op.
Buiten was 't nu donker en vrij koud; hier daarentegen was het licht, warm en uiterst gezellig.
Jongens en meisjes, mannen en vrouwen, voelden zich hier in elkanders gezelschap zoo tevreden en gelukkig: ze waanden zich in een tooverwereld verplaatst.
De bodem van 't circus was met zaagsel en wit zand dik bestrooid.
Pas had de klok zeven geslagen, of daar had men 't lieve leven gaande! De trom begon te roffelen; de muzikanten deden weer hun horens schallen en een paar kunstenmakers kwamen, op de gewone manier uitgedost, met komieke deftigheid elk van een tegenovergestelden kant het circus met een echten pauwentred binnen stappen. Ze schenen elkaar niet op te merken, buitelden eenige malen over 't hoofd, keken toen, aldoor achteruit loopend, naar de toeschouwers en toonden zich over de aanwezigheid van zulk een menigte menschen uiterst verrast en verbaasd. Op die wijze kwamen ze, steeds achteruit loopend, zoo hevig met elkander in botsing, dat ze met een plof neervielen, op hun rug heen en weer rolden en allererbarmelijkst schreeuwden en huilden, alsof ze zich heel erg bezeerd hadden. De toeschouwers, groot en klein, moesten 't uitschateren, omdat twee zulke groote kerels zich zoo kinderachtig aanstelden. 't Geval werd nog grappiger toen de twee hansworsten, na met huilend gebrul te zijn overeind gekrabbeld, plotseling als dol op elkander toevlogen en elkaar op een half dozijn luid klinkende oorvegen trakteerden, waarna ze 't hoofd met beide handen omvatten en weer in een allerjammerlijkst gehuil uitbarstten.
't Uitbundig geschater, dat hiervan 't gevolg was, verstomde echter oogenblikkelijk, want één der kunstrijders, slank en lenig, kwam op een schimmel 't circus binnendraven. Eerst reed hij stapvoets den kring rond en beantwoordde de toejuichingen, waarmee hij verwelkomd werd, door heel deftig naar alle kanten buigend, het "geëerde publiek" te groeten. Toen reed hij in galop en vervolgens in een wilden ren rond, en ondertusschen stond hij heel bedaard op den rug van zijn schimmel gymnastische toeren te maken, over zijn hoofd te buitelen, door hoepels te springen en dergelijke meer. Boer Reinders, een liefhebber van paarden, verzekerde zijn vrouw dan ook, dat hij zoo iets nooit te voren gezien had en boer Scholte, die ook voor deze gelegenheid was overgekomen, was een en al verbazing. Hij knikte herhaaldelijk goedkeurend met het hoofd en mompelde telkens weer: "Je zou zeggen: hoe is zoo iets nu mogelijk!"
Ook Steven bevond zich onder de toeschouwers.
Hij was een en al bewondering.
Dat was eerst een bekoorlijk leven!
Aldoor reizen en trekken; de bewondering van allen inoogsten en veel geld verdienen op den koop toe!
Hoe benijdde hij die "clowns"!
Immers: kon hij niet, even goed als zij, verscheidene malen achtereen over zijn hoofd buitelen?
Konden hij en Fannie geen kunsten vertoonen, die veel aardiger waren dan alles, wat die twee beschilderde grappenmakers ten beste gaven?
Zelfs in de stad was hij immers bewonderd en toegejuicht! Maar Fannie begon geducht oud en stijf te worden: dat was erg jammer!
"Toch lijdt het geen twijfel," dacht Steven verder, "of ik zou even goed, zoo niet beter, voor clown geschikt zijn dan de twee, die daar telkens zoo uitbundig worden toegejuicht."
De kunstrijder poosde even en één der clowns nam nu de gelegenheid waar om met dit heerschap een gesprek te beginnen. Met zijn schorre, huilerige stem riep hij:
"Mijnheer de directeur, mag ik ook eens rijden?"
Maar deze antwoordde uit de hoogte:
"Och, clown, wat is dat nu voor gekheid? Je kunt immers heelemaal niet rijden!"
De potsenmaker liet zich echter zóó maar niet afschepen; hij verzocht dringend:
"Och toe, meneer de directeur, laat me 't maar eens probeeren!"
"Je zult armen en beenen breken, clown!" waarschuwde de kunstrijder.
"Dat is voor mijn verantwoording, mijnheer de directeur!"
"In dat geval kun je mijnentwege jou gang gaan!"
De ruiter wipte van 't paard en reikte den clown de leidsels over.
"Och toe, help me even een handje!" verzocht deze. "'t Is zoo'n toer om er alleen op te komen!"
"Kom aan! Opgepast dan! Huup-la!" zei de ruiter. Hij gaf daarop zijn makker een duw, zoodat deze over 't paard heenvloog en met een smak aan den anderen kant neerplofte.
Het paard bleef onder die bedrijven tot aller verwondering staan als een paal.
De toeschouwers hieven een schaterlach aan; maar het luidst lachte Steven. Het bleek nu immers duidelijk, dat zoo'n potsenmaker niets anders kon doen, dan 't publiek door zijn zotte kluchten vermaken.
De clown gaf het echter niet op. En zie! een volgende poging om 't makke ros te bestijgen, gelukte boven verwachting.
Ja, daar zat hij er op! Maar hoe? Met zijn rug naar den kop van 't paard gekeerd! Dat scheen hij echter volstrekt niet te merken; althans: hij trok het geduldige beest aan den staart en riep: "Maar directeur, dat paard heeft in 't geheel geen kop! Hoe gek toch!"
Algemeen geschater en gejuich van "'t geachte publiek", waaronder vooral van Steven.
Niets was voorzeker gemakkelijker, dan voor clown te spelen.
Doch zie! daar doet eensklaps onze potsenmaker een stouten sprong en zit in eens behoorlijk op 't paard, dat nu met hem voortdraaft. Hij buitelt op den rug van 't dier over zijn hoofd, alsof dit dagelijksch werk voor hem ware en verricht minstens even sterke toeren, als "meneer de directeur" zelf.
Nu begon Steven tot zijn groote teleurstelling te begrijpen, dat een clown op zijn beurt ook kunstrijder is en dat hij, Steven, daartoe niet alleen de vereischte bekwaamheden mist, maar bovendien te ongeoefend en te oud is, om 't ooit zoover te kunnen brengen.
En och! hij had zoo gehoopt, zich bij deze menschen te kunnen aansluiten en bij hen niet alleen een werkkring maar zelfs een prachtige toekomst te zullen vinden.
Nu begonnen ook bij afwisseling "de dames van 't spul" blijken van hun kunstvaardigheid te geven.
Vlug, lenig en slank, veel meer dan de gewone boerenvrouwen en meisjes, in een zwevend gewaad, dat armen en beenen volkomen vrij liet en schitterde, als 't ware met flonkerende diamanten bezaaid, zweefden ze op het paard voorbij als lichte, bovennatuurlijke wezens uit het een of ander tooversprookje. Ze sprongen door hoog opgehouden hoepels, zoo licht en bevallig alsof haar lichaam geen het minste gewicht had. Dus beschreven ze als 't ware schitterende tooverkringen, terwijl de muziek lustige danswijzen speelde en de toeschouwers telkens weer losbarsten in daverende toejuichingen en handgeklap.
Op die manier vloog de avond om. Een tweede avond volgde en toen -- was 't uit.