IX.
Hoe Dronken Teunis uit visschen ging en wat hij thuis bracht.
Teunis Vlak, gewoonlijk dronken Teunis genoemd, zat op den drukkend-warmen namiddag, in 't vorige hoofdstuk vermeld, in zijn hut voor 't klein, vierkant raampje en keek belangstellend uit naar 't bed met bloeiende Duizendschoonen, die hij met veel zorg had gekweekt op een perkje in 't midden van 't stukje grasgrond vóór zijn deur.
Een dagloonersvrouw uit de buurt, moeder Bremer, die medelijden had met den eenzamen man, had hem zaad gegeven en uit dankbaarheid had hij dezen morgen een hoekje grond voor haar omgespit. "Je bent menschen, die ook moet tobben en sloven om van den eenen dag tot den anderen te komen en voor wat hoort wat," had hij gezegd.
Maar met zijn dik, log lichaam en bij die groote warmte was hem dit ongewoon werk uiterst moeilijk gevallen, temeer daar hij zijn pijekker niet had kunnen uittrekken om den haveloozen, vervuilden toestand zijner overige plunje.
Hij was zeer blij geweest, toen tegen den middag het werk was afgeloopen. De vrouw had hem op een maal aardappelen en een stukje spek vergast en daaraan had hij zich recht tegoed gedaan. En nu zat hij in zijn hut van de vermoeienis wat uit te rusten en van 't vriendelijk uitzicht te genieten.
De oude stoel, -- de éénige die hij rijk was, -- kraakte onder zijn gewicht, zoo vaak hij zich maar even bewoog. Zijn beenen lagen gestrekt over 't worteleinde van een afgezaagden eikenstam, die hem voor tafel diende.
"'t Lijkt wel niet heel netjes, zoo met de beenen op tafel te zitten," zeide hij bij zich zelf. "'k Doe juist zoo als de boer, wiens dochter als keukenmeid bij een groot heer diende en die hem bij zijn bezoek op lekkere kluifjes onthaalde. "Leg de beenen maar op tafel, vader!" zei de dienstmaagd en de man, die moe was van 't loopen, strekte ook zijn beslijkte beenen over de tafel uit; hahaha!"
Hij lachte zoo, dat zijn dikke buik er van schudde. De vergissing van dien boer vond hij erg komiek.
"Ik zit hier toch wel gemakkelijk," -- dus ging hij, in zich zelf sprekende, voort. "'k Zit hier juist zoo, of 'k van mijn renten leef! Voor rentenier heb ik werkelijk heel veel aanleg. Hoe jammer toch dat vader Adam, toen hij nog in 't Paradijs en derhalve in goeden doen was, vergeten heeft om één gulden voor mij op de spaarbank te beleggen, rente op rente! Als hij dit gedaan had, zou ik nu wijd en breed millionair zijn geweest. Nu is 't voor mij: "Adam, gij moet werken!" En aan werken heb ik een broertje dood. 'k Begrijp niet, hoe de menschen 't bij zoo'n hitte een heelen dag volhouden! Toch zal ik op de eene of andere wijze moeten pogen om wat te verdienen. Van 't leegloopen kan de schoorsteen niet rooken. Haha!" lachte hij weer, "al had ik ook volop te koken, te bakken en te braden, toch zou er een zware wijs opgaan om _mijn schoorsteen, die er niet is_, aan 't rooken te krijgen. 't Is hier een naar, duf hol; erg vervelend om er alleen te wonen. Maar als ik hier een vrouw en een half dozijn schreeuwende kleuters om mij heen had, zou er toch rijkelijk veel leven in de brouwerij zijn, dunkt me zoo. Maar 'k zit me hier anders erg te versuffen. Die grauwe leemen wanden, die zoldering van stroo, die vloer van zand, waarin de stoel telkens wegzakt, zijn allesbehalve geschikt om iemands leven te veraangenamen. 'k Heb al heel wat buitelingen gemaakt met dien stoel en vrees nog eens mijn nek er mee te zullen breken.
Maar hoe ik mijn toestand zou kunnen verbeteren, weet ik niet. Voor straat- of struikroover mis ik de noodige vereischten. Die kerels zouden zich niet ontzien om een moord te plegen. Ze wilden me dwingen om te zeggen wie hun kameraad een groot gat in 't hoofd had geslagen, natuurlijk om hem later te dooden, want de schelmen staan voor niets. Doch ik hield mij onnoozel. 'k Zei maar, dat ik in een droge sloot achter 't elzen hakhout had verborgen gezeten, toen er twee personen waren voorbij gekomen, van wie de één den ander verteld had, dat hij naar D. ging en met een aardige som geld in den buidel hoopte terug te komen.
Neen, met dat boevengespuis wil ik in 't vervolg niets meer te maken hebben. Maar de gebraden duiven vliegen me hier ook niet in den mond, dat is zeker! 't Best zal zijn, dat ik met den hengel wat ga visschen. Welbezien is het toch alles maar begonnen om de hap-hap-hap en de snap-snap-snap. Jan Blom zei laatst: hij nam 't zijn vader erg kwalijk, dat die hem het _eten_ geleerd had, omdat hij nu van den morgen tot den avond moest sloven en zwoegen om een schraal kostje te winnen. 't Is een oolijke grappenmaker, die Jan, doch dat aldoor werken in 't land zou mij toch op den duur niet bevallen. 't Is vrij wat gemakkelijker om, zooals ik, met visschen en wildstroopen, of, als 't niet anders kan, met bedelen aan den kost te komen. Maar komaan! Laat ik den tijd en de gelegenheid te baat nemen en geen gras laten groeien over 't plan om te gaan visschen. 'k Denk haast, dat de visch met dit warme weer wel zal willen bijten."
Met een vlugge beweging poogde hij op te staan. Ongelukkig kwam zijn log lichaam nu grootendeels op de ééne zijde van den wrakken stoel te rusten. De poot brak en onze Teunis werd zandruiter.
{Illustratie: Hoe onheilspellend ruischten en klaterden echter die rustelooze loovers der populieren! (Pag. 74).}
"Daar heb je 't al," bromde hij, terwijl hij steunend en kreunend overeind scharrelde. "'t Is hier toch allemaal terdege goed spul van 't jaar nul. 't Ergste is, dat ik nu geen stoel meer heb: in 't vervolg zal ik op de tafel moeten zitten."
Hij sloeg met de vlakke hand het zand van zijn pijekker, ging toen naar een hoek van 't vertrek, nam een bierflesch met wormen om tot aas voor de visschen te dienen en stak die in den zak. Vervolgens stak hij een paar angels bij zich en stapte heel deftig naar buiten. De wrakke deur trok hij achter zich toe, terwijl hij bromde:
"Waar niets is, heeft zelfs de keizer zijn recht verloren. 't Is daarom ook geheel onnoodig, mijn deur te sluiten."
Daarop spoedde hij zich langs zijwegen en paden naar de lage streek, ten Westen van 't dorp, waar de meeste slooten waren en er derhalve de meeste kans was om wat te vangen.
Op de plaats gekomen, waar hij zijn geluk wilde beproeven, wischte hij zich met de mouw het zweet van 't gelaat en sneed toen een buigzamen tak van een knotwilg, maakte daaraan de lijn met den angel vast en zei: "Ziezoo, klaar is Kees!"
De flesch met de wormen legde hij naast zich neer. Achter 't elzen hakhout vond hij een schaduwrijk plekje en 't malsche gras bedekte er, als een mollig tapijt, den bodem. 't Was een heerlijk plekje, veel beter geschikt om er na de vermoeienissen van dezen dag eens goed uit te rusten, dan zijn duffe, vunzige hut.
De vogels zongen lustig; heerlijk geurden de bloemen; overal daar buiten was het licht en vroolijk.
Hij kon dan ook den lust niet weerstaan, om hier een middagdutje te doen. "'t Is toch gemakkelijk, als je overal thuis bent!" zeide hij.
Languit ging hij in 't gras liggen en weldra sliep hij zoo vast als een beer.
Toen tegen den avond het onweer kwam opzetten, lag hij nog in een diepen slaap gedompeld. Hij hoorde niet steeds heviger en dreigender het rommelen van den donder en zag evenmin 't aldoor feller schitteren van de bliksemstralen.
Men verbeeldde zich dus zijn ontsteltenis, toen hem plotseling een stroom van scherpe ijsstukken met kracht op hoofd en aangezicht vielen en daarop hun rondedans dansten. In 't eerst meende hij in zijn botte verbijstering, dat de kwajongens, die hem op straat wel eens honend naschreeuwden, met striemende zweepslagen zijn gezicht bewerkten. Woedend sprong hij op, stiet een rauwen vloek uit en balde de vuisten om de denkbeeldige vijanden te lijf te gaan. Doch al ras begreep hij, wat er eigenlijk gaande was en dat het de neerkletterende ijsstroom was, die hem pijnigde.
Ten einde raad wierp hij zich plat op zijn buik, trok zijn pijekker over 't hoofd en bleef zoo liggen, tot de bui had uitgewoed. Doch ook toen hij zoo lag ontlokte de pijn hem nog telkens smartelijke kreten. 't Leek hem bij 't afgrijselijk gerucht, dat de bui maakte, dat de wereld vergaan moest.
De bui trok af, even snel als ze was opgekomen. De natuur kwam weer tot bedaren, maar geen vogel hoorde men meer zingen. Een doodsche stilte had het wilde gerucht van zoo even vervangen.
Teunis haalde diep adem. Om zich heen vertoonden zich overal de teekenen der verwoesting. Weiden en velden glinsterden, maar 't was de kille glans van 't ijs, dat overal den bodem bedekte en hier en daar zelfs lag opgehoopt. De hoop van den landman op een goeden oogst was over een groote streek vernietigd.
Onder den naasten populier lag tusschen de ijsstukken een doode lijster. Teunis nam den vogel in de hand, bekeek hem een poosje en zei toen meewarig: "Arm dier! Kort geleden hoorde ik je nog zoo lustig zingen en nu al dood! Maar je einde is snel en je doodspijn niet groot geweest. Koude en hitte, honger en dorst, storm en onweer kunnen je niet meer deren!"
Zacht legde hij den vogel neer onder 't elzenloof. "Mijn mooie bloemen zullen ook wel duchtig geleden hebben," mompelde hij, terwijl hij in gedachten voortging.
Het vreeselijk natuurtooneel had een diepen indruk op hem gemaakt.
Juist wilde hij een zijweg inslaan, die voorbij het dorp naar zijn hut leidde, toen hij op eenigen afstand het angstgeschrei en 't geroep om hulp van een knaap hoorde. Hij liep vlug dien kant uit en vond er Steven in de klem zitten.
"Hoe kom jij hier zoo verzeild, jongen?" vroeg hij verbaasd. En toen de knaap maar aldoor bleef om hulp schreeuwen, poogde hij hem uit zijn moeilijken toestand te verlossen. "Je hebt het zwaar te verduren gehad, mijn baasje!" zei Teunis. "Je bloedt! Wist ik maar, hoe 'k je helpen kan!"
Na eenig wikken en wegen begon hij de stokken van boven af in de hoogte te werken en zoo de ruimte, waarin Steven bekneld zat, te vergrooten en op die manier gelukte 't hem den knaap te verlossen.
Hij vatte hem vriendelijk bij de hand.
Steven, die zich nu weer vrij voelde, kwam ook welhaast tot bedaren. Hij klaagde echter dat gezicht, hoofd, nek en handen hem zoo'n pijn deden.
"Geen wonder!" zei Teunis. "Je hebt de bui ongedekt moeten doorstaan. Maar vertel me toch eens, hoe je zoo ver van huis bent weggedraaid!"
"Moeder was druk met de wasch en vader was ook niet thuis," antwoordde de knaap. "Ik verveelde me en ben maar wat gaan wandelen. 'k Ben heelemaal bij 't kasteel geweest en kon, toen de bui opkwam, niet weer zoo gauw terug loopen."
"'t Is niet goed van je, om heel alleen zoo ver weg te loopen," zei Teunis, die hem wel een aardige jongen vond. "Als je wandelen wilt, doe je beter door den anderen kant uit te gaan, waar niet zulke diepe modderslooten zijn. Hier zou de bullebak je wel eens kunnen te pakken krijgen en dan was 't met je gedaan."
Zoo pratende, waren ze 't dorp genaderd en gekomen op de plek, waar een zijpad leidde naar de buurt waar Teunis woonde. En daar deze om begrijpelijke redenen De Laat en zijn vrouw liever niet wilde ontmoeten, zeide hij: "Ziezoo, mijn jongen! nu kun je 't huis gemakkelijk zelf vinden, is 't niet? Kijk, daar staat de kerk met den hoogen toren en er vlak bij is je huis."
"O ja," antwoordde Steven. "Wel bedankt!"
Toen liep hij wat hij loopen kon voort en de eerste, die hij op straat ontmoette, was zijn vriendinnetje Tonia, die hem vertelde, dat men in 't dorp overal naar hem zocht.
Teunis ging in gedachten verdiept zijns weegs. Hij dacht na over allerlei dingen en o.a. ook daarover, hoe 't hem, die geen werken geleerd had, mogelijk zou zijn om in 't vervolg op een fatsoenlijke manier te leven en den kost te winnen.
't Was ook voor hem geen geschikte tijd, om ergens in 't dorp bezoeken af te leggen.
In verschillende huizen was geen ruit heel gebleven. De bewoners, die zich, toen de bui losbrak, buiten de deur gewaagd hadden, met het voornemen om de blinden te sluiten, waren genoodzaakt geweest om in allerijl weer naar binnen te vluchten, zonder hun doel bereikt te hebben.
De dorpsstraat was dik bedekt met stukken ijs; de riolen waren er mee opgevuld. Veld- en tuinvruchten waren vernield. Droefheid en ontsteltenis heerschten algemeen.
Toen Steven thuis kwam, vond hij er zijn vader en moeder niet: ze waren in den grootsten angst naar hem aan 't zoeken. Hij ging derhalve weer de straat op, om te ontdekken waar ze waren. Welhaast vonden ze elkaar weder. Toen de ouders hoorden, waar hun jongen geweest was en wie hem uit zijn moeilijken toestand verlost en weder thuis gebracht had, kende hun verbazing geen grenzen. 't Kwam hun voor, dat ze Teunis wel eens verkeerd hadden beoordeeld en ze waren voortaan vriendelijk jegens hem.