Chapter 8 of 20 · 3387 words · ~17 min read

VIII.

De kleine Steven bezoekt het kasteel Heiterloo en raakt leelijk in de klem.

Nu 't speenvarkentje er niet meer was om hem den tijd te korten en Bles het grootste gedeelte van den dag in de weide liep te grazen, vond Steven het in 't groote huis erg eenzaam en stil. Moeder had het meestal te druk met allerlei huiswerk om zich veel met hem bezig te houden en als ze daarmee gereed was, ging ze voor 't spinnewiel zitten en spon soms nog tot laat in den avond. 't Gesnor van 't wiel en 't eentonig getik der oude huisklok waren juist geen aangename muziek.

De knaap liep dan ook, als er geen school was, meestal het huis uit en speelde met zijn makkers op straat, of zag toe bij den arbeid der handwerkslieden. Soms dwaalde hij verder af naar de boerenhoeven in de streek en bewonderde er de paarden, koeien, schapen, varkens en kippen.

Tegen etenstijd zorgde hij echter weer thuis te zijn, want hij had een grage maag.

Maar 's avonds kwam hij wel eens na zonsondergang weer terug. Het zwervende leven, dat zijn vader leidde, scheen ook hij recht aangenaam te vinden.

Kleidorp is betrekkelijk laag gelegen. Ofschoon de Berkel met haar zijtak de Bolksbeek op vrij grooten afstand er van voortstroomt, toch heeft het water van deze laatste eertijds gespoeld tot aan den zoom der geringe verheffing, waarop het plaatsje gelegen is en er aan die zijde een laag klei gevormd, die de voormalige moerasgronden in uitmuntende weiden herschiep.

Op een schoonen voorjaarsnamiddag ging Steven door 't eenzaam, maar mooi, houtrijk landschap. De witte bloemschermen der lijsterbessenboschjes tusschen 't frisch-groen kreupelhout verspreidden hun sterken, zoeten geur en op verschillende plaatsen waren de kanten van den weg getooid met bloeiende bremstruiken. Leeuweriken zweefden kwinkeleerend boven zijn hoofd, zóó hoog, als wilden ze opstijgen naar de zon, die als een groote, stralende bol aan 't blauwe ruim stond te flonkeren. Ze verdwenen ten slotte geheel uit het gezicht, maar ook dan nog was hun liefelijk gezang te hooren.

Hier en daar zong nog een nachtegaal in 't frischgroen gebladerte. De lijsters beproefden hem zijn slag na te doen, doch 't was een vruchteloos pogen.

Het mooie weer en de schoone natuur lokten Steven al verder van huis, in de richting van 't kasteel Heiterloo, dat hem een slot geleek uit een verrukkelijk tooversprookje.

Nergens werd er een tochtje bespeurd. Toch waren de bladeren der populieren langs de breede slooten, die heel mooi in 't zonlicht blonken, voortdurend in een schommelende beweging en ze ritselden onophoudelijk.

De knaap vond het hier een vreemde wereld. In de weiden liepen groote troepen ganzen te grazen. Ze kwamen brutaal, met geheven vleugels, op hem af, alsof ze hem zóó wilden aanvliegen. Hun schril geroep was tot op grooten afstand te hooren.

De boeren in lage streken hielden eertijds groote troepen ganzen om 't voordeel, dat ze gaven. De groote slagpennen werden vrij algemeen als schrijfpennen gebruikt; stalen pennen waren nog zeldzaam. De fijne veeren werden ieder jaar uit de huid van deze vogels geplukt; ze dienden voor dons in kussens en bedden en waren zeer kostbaar.

Groote troepen ganzen werden er naar de naburige markten gedreven en er voor goed geld verkocht om geslacht te worden.

Steven keek op naar 't hoog, oud-vaderlijk kasteel op eenigen afstand, te midden van eeuwenoude, statige eiken, die er trotsche lanen vormden.

De vergulde windvaan op de spits fonkelde in de zon, als ware hij van 't fijnste goud.

Hoe klein was de afstand, die hem nu scheidde van dit tooveroord. Sinds lang reeds had deze plaats hem aangetrokken en rijke stof geleverd voor zijn kinderlijke droomen.

De ganzen staken de koppen met gerekte halzen naar hem uit en 't scheen den knaap toe, dat ze die halzen zoo lang konden maken als ze zelf wilden; de vleugels bewogen ze aldoor op en neer en ze keken hem zoo brutaal aan, alsof ze vragen wilden: "Wat kom je hier doen?"

Steven geleek intusschen in moed op zijn vader. Rustig bleef hij leunen over 't getuinde hek, dat den toegang afsloot en naar de hem nog onbekende dieren zien. Deze begonnen dan ook, toen ze den hun vreemden knaap nauwkeurig beschouwd en niets bijzonders aan hem opgemerkt hadden, weer ijverig te grazen en dat was ook 't verstandigste, dat ze doen konden.

In een naburige sloot klonk nu 't gejoel en gelach van eenige opgeschoten jongens, -- schoolmakkers van Steven.

"Wat zouden die daar uitvoeren?" dacht hij.

"Dat moet ik toch eens zien!"

Hij poogde 't getuinde hek, dat den toegang tot de weide afsloot, te openen, doch 't was te zwaar. Gelukkig zaten op één plaats de stokken, waaruit het gevlochten was, zoover van elkaar, dat hij er doorheen kon kruipen. Dit deed hij ook en zoo kwam hij bij zijn schoolmakkers, -- kinderen van behoeftige daglooners, -- die met bloote beenen in de sloot rondspringen en 't water troebel maakten.

"Kom je ook bloedzuigers vangen?" vroegen ze.

"Wat zijn dat voor beesten?" vroeg Steven.

"Hu!" riep nu één der knapen, "daar voel ik er één!"

Hij tilde 't been uit het water op, pakte 't diertje, dat er zich aan vastgezogen had, beet en deed het in een flesch met water, die op den kant lag.

"'k Heb er ook één!" riep nu een andere knaap, die wat verder de sloot troebel maakte. En toen ook hij het been uit het water trok, zat er eveneens een bloedzuiger aan vast gezogen. "Och," zei hij toen teleurgesteld, "die deugt niet!" Toen wierp hij hem weer in 't water.

"Waarom is die niet goed?" vroeg Steven verwonderd.

"Dat weet ik ook niet," zei de ander, "maar de dokter wil alleen bloedzuigers koopen, die drie roode strepen over den rug hebben; voor deze geeft hij een dubbeltje per stuk."

"Wat doet de dokter met die diertjes?" vroeg Steven weer.

"Menschen, die teveel of onzuiver bloed hebben, wordt wel eens wat bloed afgetapt," antwoordde de jongen heel wijs. "Daarvoor moet men hun een ader openen. Maar onze dokter vindt het gemakkelijker en beter om bloedzuigers te zetten. Die zuigen 't bloed op en als men ze weg neemt, is 't werkje afgeloopen."

Steven nam de flesch met water, waarin de gevangen beestjes rondkropen. Hij bekeek ze een poosje en zei: "Rare dieren! Ze lijken vrij veel op jonge kikvorschen maar hebben niet zoo'n dikken kop. 'k Zou niet graag hebben, dat de dokter er één op mijn armen of beenen zette, om daaruit bloed te zuigen."

"Pijn doet het niet: je voelt er maar weinig van," verzekerde een der knapen en ging daarop weer, evenals zijn makkers, ploeteren in 't troebele water, zoodat het hoog opspatte.

Toen hij weer op de plaats kwam, waar Steven op den kant stond toe te zien, hield hij nog even op om te vragen: "Zeg, heb je verleden Zondag mijn nieuwe pet wel gezien?"

"Die met dien kwast er boven aan?" vroeg Steven.

"Juist."

"Jawel! 't Is een heele mooie!"

"Nu, die kocht ik voor 't geld, dat ik met het vangen van bloedzuigers verdiend heb. Als er van 't najaar veel eikels zijn, ga ik die zoeken onder de boomen bij 't kasteel en verkoop ze aan de boeren. Zoo verdien ik alweer wat. "Alle beetjes helpen!" zegt vader."

't Verwonderde Steven, dat kinderen van behoeftige menschen zooveel moeite moesten doen om eenige stuivers te verdienen. Hij vroeg daarom: "En hoeveel verdient je vader wel, als hij de boeren een dag helpt arbeiden?"

"'s Winters een paar dubbeltjes en 's zomers dertig cent. En aardappels en boonen verbouwen we zelf genoeg op onzen akker," antwoordde de knaap en ging weer ijverig voort met zijn werk.

"Hoe weinig verdienen die menschen toch met hard werken!" dacht Steven en hij liet de dubbeltjes en de centen, die hij zoo maar los in zijn broekzak bewaarde, door de hand glijden. Hij versnoepte in één dag wel eens evenveel, als zoo'n daglooner in denzelfden tijd verdiende. Was zijn toestand zooveel gunstiger dan die van velen zijner makkers?

Dit vond hij niet onwaarschijnlijk.

't Was drukkend warm. Geen tochtje bracht verkoeling aan. Niettemin bleven de ganzen, al voortwaggelend, ijverig 't gras afbijten.

De koeien in de naburige weiden hadden echter de schaduw der populieren en wilgen en van 't elzen kreupelhout langs de slootkanten opgezocht en lagen er rustig te herkauwen.

Hoe mooi groen waren nu die rijk met bloemen getooide weiden, waarover de bonte vlinders rondvlogen. En ze strekten zich te ééner zijde zoover uit, als kwam er nooit een eind aan. Naar 't Noorden reikten ze tot bij 't bosch van 't kasteel Heiterloo.

Verleidelijk blonken de leien van 't hooge dak en den slanken toren hem tegen. En de fonkelende windvaan op de spits scheen hem verlokkend toe te wenken.

Steven was er nu zoo dicht in de buurt gekomen, dat hij den lust geen weerstand kon bieden om er heen te gaan en 't eens van nabij te bezien. Haastig stapte hij voort over 't zoogenaamde kerkpad, dat door de weiden voerde en, daar 't over den moerasgrond liep, op sommige plaatsen onder zijn voeten borrelde en ruischte.

Hoe verbazend warm was het op 't onbeschaduwde pad. Het zweet liep hem met stralen van 't gezicht. Maar welhaast bereikte hij 't smal bruggetje over de beek, dat hem de gelegenheid bood om den overkant te bereiken en eenige minuten later stond hij onder 't lommer der statige laan, die om den grooten bloemen-, groenten- en vruchtentuin en om 't kasteel zelf voerde.

Hoe netjes waren de randen der paden met een scherpe spade afgestoken! De paden zelf waren keurig geharkt en nog geen enkele voetstap stond er in de fijne, regelmatige strepen afgeteekend. Doch hazen en konijnen hadden er hier en daar hun sporen achtergelaten.

't Was hier ongewoon rustig en heerlijk koel. Lijsters en nachtegalen zongen als om strijd en ook de andere vogels taterden en snaterden lieflijk en luid.

Hoeveel netter was 't hier dan in 't dorp met de mestvaalten en vuile riolen aan weerszijden van de straat en de bouwvallige huizen daar achter, voor 't meerendeel grauw en verweerd!

Hij hoorde in den tuin vroolijke kinderstemmen. Maar deze was door een breede, diepe gracht omringd en er achter verhief zich een hooge houten schutting, zoodat de knaap niet zien kon, hoe 't er daar binnen uitzag en wat er voorviel.

Een poos stond hij schier ademloos te luisteren. Zijn hart klopte hoorbaar. Hoe vrijmoedig hij anders ook was, toch vreesde hij hier, zoo ver van huis en in een vreemde streek, zich op verboden terrein te bevinden. Dit was echter niet het geval. Als de menschen, die er in de streek woonden, naar het drie kwartier gaans verwijderde dorp moesten, passeerden ze deze laan en kozen verder denzelfden weg, dien Steven gegaan was om hier te komen. Dicht in de buurt, ter linkerzijde, lag een boerderij, tevens uitspanning en tolhuis. Er was namelijk door den eigenaar van 't kasteel een harde weg aangelegd, waarover men den grooten rijksweg kon bereiken. Wanneer de boeren van dezen kunstweg gebruik wilden maken, moesten ze voor paard en wagen een halven stuiver tolgeld betalen. Die halve stuiver had toentertijd ongeveer de waarde, die thans een dubbeltje heeft. Kochten de lui echter een borrel van vijf centen, dan werd hun het tolgeld geschonken.

Steven mocht ook al huiverig zijn om hier lang te vertoeven, toch was bij hem de nieuwsgierigheid sterker dan de vrees.

Hij keek omhoog langs de dikke boomstammen.

"Als ik in zoo'n boom zat," dacht hij, "dan zou ik alles kunnen zien."

Hij beproefde de boomen te omvademen, maar kon dit niet. Toen ging hij een weinig dieper de laan in en zag nu een dikken, knoestigen stam, waarlangs hij zonder veel moeite opklom. Eenige oogenblikken later zat hij schrijlings op één der dikke, benedenste takken en had nu een vrij uitzicht op den tuin en ook op 't kasteel.

Dat was eerst een prachtige tuin; een echt Wonderland! Aan zijn opgetogen blikken vertoonden zich groote perken met mooie, kleurige bloemen. Op andere perken stonden sierstruiken, die nog haast mooier waren.

Doch 't heerlijkst van al vond hij de perken met bessenstruiken, die vol rijpe trossen zaten, en de breede randen met aardbeiplanten, vol groote, rijpe vruchten, langs de wandelpaden en de boomen vol rijpe kersen. Vlak bij 't kasteel waren groote broeikassen, waaruit hem ook al rijpe vruchten tegenblonken.

Die tuin was een waar Luilekkerland.

En hoe hoog waren die met klimplanten begroeide muren van 't kasteel, loodrecht oprijzend uit de gracht. Druivenboompjes omslingerden met hun frisch groen de vensters en den ronden boog der deur.

De ramen waren met de warmte opengeschoven en voor een dezer zat een dame te lezen uit een fraai gebonden boek, verguld op de snede. Ze was geheel in 't wit gekleed. Vroolijke kinderen, eveneens in witte kleederen, speelden op 't groote, frischgroene grasperk. Ze schenen den knaap wezens toe uit een andere, betere wereld, die met de boerenkinderen uit zijn omgeving, -- zijn schoolmakkers, -- maar zeer weinig gemeen hadden en deze in schoonheid onbeschrijfelijk ver te boven gingen.

Hoe wenschte hij, deel te mogen nemen aan hun spelen en steeds met hen te mogen verkeeren. Maar hij begreep tot zijn groote droefheid, dat hij veel beter voegde bij de boerenkinderen, dan bij hen, om zijn kleeding, zijn spraak, zijn manieren en levenswijs.

Terwijl hij daar zoo zat te peinzen, hoorde hij eensklaps een geluid, alsof er heel in de verte een kanonschot gelost werd. En toen hij naar dien kant uitkeek, zag hij de dalende zon achter een donkere wolk schuil gaan.

Een killen schrik ging hem door de leden.

Hij begreep nu eerst recht het verlatene van zijn toestand. De avond viel, er kwam een dreigend onweer opzetten en hij was alleen en zoo ver van huis.

Er kwam al beweging in de hooge boomtoppen; kikvorschen begonnen in de slooten te kwaken en met het schuilgaan der zon kwam er een schemering over het kort te voren nog zoo licht en zonnig landschap. Overigens heerschte overal nog een diepe stilte, slechts nu en dan afgebroken door 't dof gerommel van 't naderend onweer uit de verte.

Er was iets vreemds, iets sombers gekomen over de laan, waarin hij zich bevond, die hem kort te voren nog zoo mooi, zoo heerlijk had toegeschenen en waar hij zulk een uitnemende beschutting had gevonden voor de felle zonnestralen.

't Leek hem toe, dat het plotseling avond geworden was en hij groot gevaar liep om den nacht buiten in 't donker te moeten doorbrengen.

Er was iets vreemds, iets onbeschrijfelijk sombers gekomen over de groene velden met ruischend graan; over de bloeiende weiden en de zoo even nog glanzende boomen van de streek, die hij uit zijn verheven zitplaats overzien kon.

Drukkender dan ooit was intusschen de warmte, angstwekkend de stilte. Door die stilte heen meende hij een onheilspellend ruischen te hooren, heel ver verwijderd, ja, maar dat aldoor duidelijker werd, onrustbarend snel naderde en de geheele ruimte vulde.

Ook in 't kasteel had men de naderende bui bespeurd.

De schoone dame toch riep de stoeiende jongeluitjes toe, dat ze binnen moesten, komen, want dat er een geducht onweer kwam opzetten.

Eenige oogenblikken later waren nu allen in 't groote kasteel verdwenen; de ramen werden er dicht geschoven; alles werd er stil en eenzaam en Steven bevond zich daar onder die hooge boomen en te midden van die vreemde, oneindige wereld moederziel alleen. De arme jongen wist niet, dat hier dicht in de buurt de hoeve was van boer Jansen, een vriend zijner ouders, dien ook hij zeer goed kende, omdat hij haast iederen Zondag, na kerktijd, bij moeder De Laat een kop koffie kwam drinken. In tien minuten zou Steven die gastvrije woning hebben kunnen bereiken. De boer, of anders een zijner huisgenooten, zou hem, als 't onweer geëindigd was, met genoegen weer hebben thuis gebracht.

Doch Steven wist dit niet. Hij snelde daarom de laan uit, die hem nu in hooge mate angstwekkend toescheen en verwijderde zich zoo snel mogelijk van deze voor hem geheimzinnige plaats. Hij holde 't bruggetje over, waaronder het water van de beek traag voortvloeide naar de rivier en met deze langs drukke steden, vroolijke dorpen, donkere bosschen, bloeiende heiden, korenlanden en weiden naar de groote zee in 't verschiet.

Steven vroeg zich niet af, vanwaar dit water op zijn rusteloozen tocht door de ruimte kwam en waarheen het nu ging. Hij lette evenmin op de visschen, die met de warmte aan de oppervlakte stonden en hem met hun groote oogen als verwonderd aanstaarden. Hij liep voort, alsof zijn leven afhing van den spoed, dien hij maakte. Angstig zag hij telkens weer om naar de bui, die met verbazende snelheid kwam aanzetten.

Een onweer, zooals slechts enkele stokoude ingezetenen er ooit een hadden bijgewoond, brak boven 't kasteel en den omtrek los. Wolken, angstwekkend donker en dreigend, met helkleurige banen als doorstreept, naderden in ijzingwekkende vaart en bedekten alras naar drie zijden de gansche lucht. De saamgepakte wolkgevaarten rolden en buitelden over elkaar, joegen in woeste vaart in kringen rond en ze dreven niet, maar vlogen, als voortgegeeseld door een wervelstorm. Bliksemflitsen schoten door die donkere wolkenbergen heen met oogenverblindende schittering; krakende donderslagen deden telkens weer den grond dreunen en sloegen den anders zoo moedigen knaap in zijn verlaten toestand met een killen schrik. Groote, donkere stukken werden daar omhoog door den storm van de groote wolk afgescheurd en aan flarden uiteen gerukt. Toch was de bui nog niet boven hem.

Hoe onheilspellend ruischten en klaterden echter die rustelooze loovers der populieren!

Daar stak eensklaps ook waar de knaap zich bevond de wind op. Hij loeide en gierde; de boomen bruisten; 't was een gerucht, dat hooren en zien deed vergaan en een luchtpersing die den doodelijk vermoeiden knaap, al loopende, schier den adem benam.

Daar werd zijn vaart eensklaps gestuit door het getuinde hek, dat den ingang afsloot. Ook nu poogde hij, door de opening te kruipen, die hem ruim een uur geleden een doorgang had verschaft. De spoed, dien hij maakte, was echter oorzaak dat hij er in beklemd raakte. Zij kin zat vast tegen zijn knie gedrukt en hoe hij zich ook inspande, hij kon voor- noch achteruit, evenmin als een boef, die in de boeien is kromgesloten.

En daar barstte nu vlak boven hem de bui met ongekende hevigheid los.

De bliksem schitterde; de donder ratelde met korte tusschenpoozen. Stukken ijs ter grootte van een duivenei of nog grooter vielen bij stroomen al kletterend naar beneden. Ze kwamen met zulk een kracht tegen den grond, dat ze herhaaldelijk weer hoog opsprongen en een wilden dans uitvoerden. En die stukken waren niet rond, zooals gewone hagelkorrels, maar zeer onregelmatig van vorm, met scherpe hoeken, alsof er door een vreeselijke kracht een zware ijsbank boven in de lucht was in stukken gebeukt.

De koeien, door de pijn als dol, galoppeerden in de naburige weide met geheven staarten woest heen en weer. De ganzen staken de koppen in de veeren. Steven moest dien kouden zilveren stroom maar op zich laten neerkomen, evenals de gierigaard uit het sprookje, die den wenschring geroofd had en honderdduizend rijksdaalders wenschte te hebben. Die werd jammerlijk gedood door den stroom van op hem neêrvallende geldstukken.

De angst van den armen knaap was onbeschrijfelijk. Hij huilde, hij kermde, hij riep om vader en moeder, maar zijn stem werd door 't gebulder van den storm, 't geklater van den ijsstroom en 't ontzaglijk geratel van den donder geheel verdoofd. En hoe meer pogingen hij deed om zich los te werken, hoe vaster hij tusschen de stokken van 't hek beklemd raakte.

De bui trok eindelijk af en toen lagen de veldvruchten in de streek, waar ze gewoed had, vernield tegen den grond.

Vogels, die een uur te voren nog lustig gezongen hadden, lagen nu dood onder de boomen, tusschen het stuk gehagelde, afgewaaide loover, dat overal de wegen bedekte.

De wagensporen en andere lage plaatsen waren opgevuld met groote brokken ijs, en ofschoon 't in den zomer was, lagen zij er den anderen dag nog.

De zon was intusschen ondergegaan. Het werd avond en Steven zat nog steeds gevangen en zijn angstgeschrei en zijn geroep om hulp bleven maar altijd vruchteloos.

Zou hij hier den heelen nacht zoo moeten blijven zitten?