Chapter 12 of 20 · 866 words · ~4 min read

XII.

Een vervelende dag en een pleizierige avond.

Steven de Laat was alzoo door toevallige omstandigheden Schutterskoning geworden, een eer, die hem echter al heel weinig genoegen verschafte. De opschudding toch, die de beer veroorzaakte, toen de schutters weer 't kermisplein kwamen opmarcheeren, maakte dat de overige kermisgasten zoo goed als geen opmerkzaamheid wijdden aan dezen feestelijken intocht.

Zijn koningin had hem terstond bij de aankomst in 't dorp weer verlaten en toen hij evenals de anderen naar den beer ging kijken, wekte 't de verontwaardiging en ergernis van onzen dierenvriend, dat het arme beest mishandeld, ja geworgd werd.

Maar na al 't gebeurde waagde hij het niet, daarop aanmerkingen te maken.

Daarbij kwam, dat zijn vader niet thuis was en zijn moeder door een hevige hoofdpijn gekweld werd. Tonia liet zich ook niet weer zien en zoo gevoelde hij zich te midden van de kermisdrukte zeer alleen. Niemand toonde in 't minst belang te stellen in 't door hem behaalde succes en terwijl hij tusschen die feestvierenden heen en weer ging, zag hij sommigen hem lachend nakijken en hoorde hij hen spottende aanmerkingen maken op zijn koningschap.

Mismoedig verwijderde hij zich uit deze omgeving en sloeg het pad in, dat achter de tuinen om liep. Herhaaldelijk ging hij daarover heen en weer en keek telkens, of hij zijn vriendin niet kon te zien krijgen, doch ze kwam niet te voorschijn en haar vader evenmin. En na den schrik, dien hij hen onwillekeurig veroorzaakt had, durfde bij hen ook geen bezoek brengen.

Ach, hoe miste hij 't goede meisje, dat gewoon was in zijn lust en leed te deelen!

De kermis, waarvan hij zich zooveel genoegen had voorgesteld, bracht hem nu enkel verveling.

De dag viel Steven ijselijk lang en hij was blij, dat eindelijk de avond viel.

De kermis was echter nog in vollen gang.

De bejaarde lieden waren naar huis terug gekeerd, maar de jongelui hadden hen vervangen.

De mallemolen was nu schitterend verlicht. De kramen en spellen waren 't evenzoo. Daardoor had het kerkplein een recht druk, licht, gezellig aanzien gekregen, dat te beter uitkwam, naarmate de omgeving meer in 't duister werd gehuld.

Steven, die nog maar altijd doelloos ronddwaalde, hoorde, toen hij op den hoek de herberg van Klaas Brouwer voorbijging, een vreemd brommen, gevolgd door een schaterend lachen. Nieuwsgierig om te zien, wat er daar gaande was, stapte hij naar binnen.

De groote petroleumlamp, die midden in 't vertrek aan den zolder hing, gaf een flauw, roodachtig schijnsel.

Dikke wolken tabaksrook vulden de ruimte.

Deze, vermengd met een warme, benauwende dranklucht, golfden hem in de deuropening tegen en benamen hem schier den adem.

Bij 't flauwe licht zag hij een bonte groep kermisgasten als een donkere massa de ruimte vullen. 't Was een duwen en dringen van geweld.

Steven bleef verwonderd bij den ingang staan, om te vernemen wat er gaande was, en merkte al spoedig, dat Dronken Hannes deze lieden met zijn praten en zijn plompe kunsten vermaakte. Met schorre stem riep hij:

"Jelui meenen, dat de beer dood is, maar dat heb je toch mis! Hier staat hij in levenden lijve voor je!"

Met zijn log lichaam, gehuld in den ruigen pijekker en zijn ordeloozen haarbos, gedekt met een ruwe muts, leek hij ook vrij wel op een beer, die op zijn achterpooten stond.

Nu ging hij plat op den rug op den vloer liggen en riep: "Ziezoo, daar ligt nou de beer! Wie een dubbeltje geeft, mag op zijn buik staan. De beer zal hem er afgooien, zonder gebruik te maken van zijn klauwen of tanden!"

"Hier is een dubbeltje!" zei een jonge boer en reikte hem zulk een geldstukje toe. "Als je mij niet kunt afwerpen, krijg ik mijn geld weerom, is 't niet zoo?"

"Zonder twijfel!" bromde Hannes met zijn diepe basstem, en allen schoten om de vreemdheid van 't geval in den lach.

De boer trok zijn schoenen uit en plaatste zich boven op hem. "Van de plank gewiepst!" zei deze.

Door een plotselinge intrekking en weer uitzetting der buikspieren wierp hij nu werkelijk den boer van zich en wel met een kracht, die hem midden onder de tafel deed belanden. Deze werd uitgelachen, Hannes daarentegen door allen luide toegejuicht.

Steven vond het geval zoo komiek, dat zijn schaterlach boven de anderen uit klonk. "'t Is toch heel gevaarlijk," zeide hij, "om zoo'n Isegrim te laten losloopen, zonder een berenleider die hem in geval van nood in bedwang kan houden."

"Die berenleider moet jij wezen!" riepen allen. "De schutterskoning is het best in staat om zoo'n vervaarlijk, ruig beest te temmen."

"Ja," riep Hannes nu, "Steven moet mijn meester zijn en niemand anders!"

Men bracht nu een touw en knoopte het den beer om zijn middel. Hannes maakte zotte sprongen en bromde haast precies zoo, als hij 't den beer had hooren doen en Steven was berenleider. Hij gaf hem een blaaspijp bij wijze van geweer in handen en liet hem exerceeren en na iederen toer ging hij bij "'t geachte publiek" rond om in zijn pet centen voor zijn beer in te zamelen.

Hannes verdiende dien avond met zijn toeren goed geld en Steven had nog nooit zulk een pleizierigen avond gehad als dezen.