Chapter 5 of 20 · 1570 words · ~8 min read

V.

Hoe de kleine Steven zijn speelmakker verloor.

"Morgen samen!"

Met dezen groet trad op zekeren morgen een bejaard persoon, klein, maar stevig gebouwd, het woonvertrek der familie De Laat binnen.

Zijn breed, stroef, gerimpeld gezicht, zijn kleine oogen en scherpe stem gaven hem een merk van ongevoeligheid, ja zelfs van wreedheid. Een roode das was als een wrong om zijn hals geknoopt en de mouwen van zijn buis en de pijpen van zijn broek, -- de laatste vooral op de knieën, -- glommen van vet.

"Morgen allemaal!"

Dus luidde de groet van een jongmensch van even achttien jaar, die hem op de hielen volgde en in houding en voorkomen een sprekende gelijkenis met den eerste vertoonde. Ook in hun kleeding was dezelfde overeenkomst op te merken.

Het waren de slager Pelleman en zijn zoon. Beide hadden om hun middel een breeden gordelriem en daaraan hingen in een lederen koker een paar geduchte messen. Naast dien koker hing een lang rond staal, om daarop de messen te scherpen.

Gedurende 't grootste deel van 't jaar hielden deze menschen zich uitsluitend met het landbouwbedrijf bezig. Maar in den slachttijd bezochten ze de boeren, om voor een kleine, geldelijke belooning het slachtvee onder den pekel te brengen.

Toen ze 't woonvertrek binnentraden, zat Steven op zijn kinderstoeltje in 't hoekje van den haard. Zijn moeder had hem opgedragen om de afgebrande houtblokken op het vuur telkens wat aan te schuiven en zoo het water, dat er in een grooten ketel boven hing, aan de kook te brengen.

Hoe schrikte de goede jongen toen deze twee menschen zoo plotseling voor hem stonden! Hij kende ze wel en had ze altijd met zekere vrees, ja met afschrik beschouwd, daar hij, de dierenvriend, het werk, waarvoor ze door de boeren geroepen werden, allerakeligst vond.

Daar stonden ze dan in 't anders zoo vreedzaam en gezellig woonvertrek en bij iedere beweging, die ze maakten, ratelden de messen in hun koker en nu begon Steven met ontzetting te begrijpen, waarom zijn ouders den grooten koperen ketel van buurman geleend en dien vol water boven 't vuur te kook hadden gehangen.

"Heb je alles klaar?" vroeg de slager.

"Ja, 't water kookt," antwoordde de moeder. "Maar ga even zitten en drink eerst een kop koffie. Je bent van morgen zeker al vroeg met het werk begonnen?"

"'t Slachten is haast gedaan. 't Weer wordt te warm," zeide hij met een schorre stem.

"We hebben zoo even bij boer Huisman nog een koe geslacht," zei nu de zoon, die zich verplicht achtte om ook een duit in 't zakje te gooien. "'t Is maar te hopen, dat het met het inzouten niet misloopt!"

De slager knikte toestemmend en wierp een goedkeurenden blik op zijn jongen, die zoo verstandig redeneeren kon.

"Daar hebben we ook al koffie gedronken en we zullen 't best doen niet maar terstond te beginnen," sprak hij.

Steven huiverde bij die woorden.

Roerloos zat hij daar, want met ontzetting begreep hij, dat zijn viervoetige vriend zou geslacht worden.

Ongemerkt, juist zoo of zijn eigen leven op 't spel stond, sloop hij door de tusschendeur weg naar 't achterhuis en boog zich over den rand van 't varkenshok heen, om een laatsten groet te wisselen met zijn speelmakker, zijn vriend.

Deze, die rustig had liggen slapen, werd op eens klaar wakker, toen hij de hem zoo welbekende voetstappen hoorde. Hij hief den kop omhoog uit zijn strooleger, stak nieuwsgierig de lange ooren overeind en liet, bij wijze van morgengroet, een vriendelijk geknor hooren. 't Scheen of hij vragen wou: "Hoe kom je zoo vroeg al?"

Op dit oogenblik werd de tusschendeur opnieuw geopend. De slager en zijn zoon, voorafgegaan door den huisvader, traden op het varkenshok toe.

't Was er vrij donker op de deel, want de buitendeuren waren nog gesloten en zoo viel het den knaap niet moeilijk, om ongemerkt door een zijdeurtje naar buiten te komen.

Alsof de dood hem op de hielen zat, vluchtte hij weg en verschool zich in 't kleine schuurtje, zóó dat hij door een reet in den wand kon zien wat er op de plaats voor 't achterhuis gebeurde.

En toen zag hij iets vreeselijks geschieden, iets wat hij zich jaren naderhand nog met droefheid herinnerde en dat allicht op zijn gedrag in later tijd niet zonder invloed is geweest.

Hij, de dierenvriend, was aan zijn speenvarkentje zeer gehecht. Het goede dier was dan ook altijd zoo blij geweest met zijn gezelschap, dat het, zoodra 't hem maar van ver zag aankomen, van pure blijdschap een paar allerkoddigste luchtsprongen maakte.

Nog gisteren hadden ze op de deel allerpleizierigst samen gestoeid en geworsteld en had hij, Steven, 't nog telkens uitgegierd van pret, als zijn pogen om tweemaal achtereen baas te blijven, door 't verstandig beest, blijkens zijn knorren, heel kwalijk werd genomen. Het had nooit anders dan eerlijk spel willen dulden.

Ook nu was het, zonder eenig onheil te duchten, uit zijn hok komen loopen en met vriendelijk geknor naar buiten gehuppeld. Hij had zich zonder verzet een touw om de achterpooten laten vastmaken. Men stelle zich eens voor, wat er in den knaap moest omgaan, toen hij zag hoe zijn eigen vader, tot wien hij altijd met eerbied en ontzag had opgezien, het arme dier door middel van dat touw neertrok, zoodat het spartelend op den grond kwam te liggen. Het sloeg met de pooten, gilde van angst en pijn en worstelde om te ontkomen, maar te vergeefs. Weldra lag het daar stil en dood, terwijl zijn bloed den grond kleurde.

Steven had meermalen bij de buren een varken zien slachten en dit altijd recht akelig gevonden, maar nu zijn eigen varkentje op dezelfde wijze gekeeld werd, vond hij 't verschrikkelijk.

Droevig schreiend liep hij naar de oude buurvrouw, zijn vriendin en vertelde haar snikkend, wat er gebeurd was en hoe zijn vader zelf aan dat bloedig werk geholpen had.

Deze kon hem echter geen anderen troost geven, dan dat de varkens nu eenmaal vetgemest worden, om ze dan te kunnen slachten en opeten.

Wanneer menschen op zekeren leeftijd een droevig verlies betreuren, troost hen de gedachte aan 't vele goede, dat ze nog mochten behouden en de hoop op een beteren tijd. Hun wereld is zoo groot en zoo ruim en bij ondervinding weten ze, dat het leven van ieder zijn lusten en lasten, zijn vreugde en kommer heeft.

De wereld van een kind daarentegen is klein. Het heeft nog zoo weinig, waaraan 't hechten kan en 't hecht zich daarom ook aan dat weinige met groote innigheid. Hoop op de toekomst is het nog vreemd.

De oude vrouw had het te druk, om veel op zijn verdriet te letten. Ze zat bij de wieg van haar kleinkind, -- het jongste, dat naar haar genoemd was. De kleine schreide heel luid, alsof het ziek was en erge pijn leed. Met bevende stem zong zij een wiegedeuntje en deed ondertusschen de wieg vervaarlijk heen en weer schommelen. Dat was zoo de ouderwetsche manier om kinderen te sussen.

Zoo vond de arme jongen dan ook hier geen troost.

Een poosje bleef hij snikkend kijken naar zijn oude vriendin, die echter al haar opmerkzaamheid aan haar kleinkind bleef wijden. Toen sloop hij weer de deur uit en ging den kleinen moestuin door en over 't pad, dat achter de huizen en tuinen heen naar de einden van de dorpsstraat voerde en waarmee de hoofdpaden der verschillende tuinen in verbinding stonden.

Achter 't smalle tuintje van den nachtwacht gekomen, hoorde hij er de lieve, welluidende stem van zijn vriendinnetje Tonia klinken, die de kippen bijeen riep om ze met het overschot van den morgenmaaltijd te voederen.

Hij ging het tuinpad op, om haar deelgenote van zijn droefheid te maken. Gedeelde smart is maar halve smart. Zoodra ze hem zag aankomen, zette ze 't voederbakje neer en kwam blij op hem toe. Maar toen ze zijn verdriet bemerkte, kreeg ook haar gezicht terstond een ernstige plooi. Deelnemend vatte ze hem bij de hand en vroeg wat hem scheelde. Schreiend vertelde hij 't haar. Ze troostte hem op haar kinderlijke manier en droogde met haar zakdoek zijn mild vloeiende tranen. Ze liet hem de kippen met den haan zien, liet ze uit haar hand eten en praatte tegen hen en ze gaven haar taterend antwoord. De koddige vragen van 't meisje en 't strakke gezicht en de groote oogen waarmee de kippen toeluisterden, maakten, dat Steven onwillekeurig moest lachen.

"Je moet mijn vrouw worden, Tonia," zei hij, zijn verdriet vergetend.

De haan, die den knaap met wantrouwende oogen bekeek, stak nu den kop omhoog, schudde zoo nadrukkelijk van "_Neen_!", dat zijn vuurroede kam als een wimpel wapperde en kraaide toen zoo luid, alsof hij de heele buurt wou toeroepen: "Er kan niets van komen, hoor! We willen Tonia niet missen!"

Toen hij op die wijze zijn gemoed lucht gegeven had, zette hij bedaard weer zijn maaltijd voort.

Een kind vergeet licht zijn zorgen en verdriet. Dat schelle gekraai op dit oogenblik deed Tonia in den lach schieten en Steven lachte eveneens.

Het aardig kind was als een moedertje voor den knaap. Ze praatte heel wijs over wat ze mettertijd doen zouden, als ze beiden groot zouden geworden zijn en op die wijze opende zich voor Steven een schoon verschiet, zoodat hij er heelemaal van opfleurde. Ten slotte verzekerde ze hem, dat ze zijn vrouw wilde worden en zoo kreeg hij weer lust in 't leven.