Chapter 7 of 20 · 2350 words · ~12 min read

VII.

Een aanranding.

"Je kunt van avond niet verder gaan, vriend: het is al laat; 't loopt naar elf uur; 't is buitengewoon donker en de weg is zeer eenzaam; over een afstand van een uur gaans ongeveer staat er geen enkel huis in de buurt -- en 't is er in den laatsten tijd onveiliger dan ooit. Al een paar avonden achtereen heb ik hier in de omgeving personen zien rondspoken, die 'k vooral in den laten avond liever niet tot reisgezel hebben zou."

Zoo sprak de dikke, verstandige waard uit de herberg "De Zonnebloem", welke herberg als een welkome pleisterplaats op een eenzaam punt stond aan den straatweg van D. naar G. en verder naar de Duitsche grens. Over dien weg had destijds een druk verkeer plaats. De postbode van H. sprong daarover met één stijf en één gezond been voort naar 't vier uur gaans verwijderde D. en keerde nog dienzelfden namiddag en avond naar H. terug, beladen met brieven en pakken en niet zelden ook met geldswaarden. Zoo deed hij alle dagen.

Lange rijen zwaar beladen vrachtwagens werden er op vaste dagen en avonden iedere week soms laat in den avond over voortgetrokken door groote, bonkige paarden, met rinkelende bellen aan de tuigen. Onder die wagens liepen groote, nijdige wachthonden, die een kwaadaardig gebrom lieten hooren, zoo vaak er iemand voorbij kwam. De voerlieden, meestal ruwe, gebaarde mannen, met een door wind en weder gebruind gelaat, waren van wapens voorzien om in geval van nood de brutale roovers weerstand te kunnen bieden, welke laatste zich in de donkere bosschen aan weerszijden van den weg schuil hielden van wie er sommige zelfs niet voor een moord terugdeinsden.

Onze tijd schiep ook in dit opzicht betere toestanden. Nu loopt de spoortrein door de streek en brengt in weinig tijd personen en goederen veilig naar de plaats van bestemming. De vrachtwagens zijn grootendeels verdwenen, het verkeer over den straatweg heeft weinig meer te beteekenen en de roovers moesten derhalve uitzien naar een ander middel van bestaan.

"De weg is zeker eenzaam en op verschillende plaatsen zijn er aan weerskanten groote bosschen, waarin roovers zich heel gemakkelijk kunnen verschuilen, maar hetzelfde kan men zeggen van de meeste wegen hier in de streek," antwoordde De Laat, -- want hij was het, tot wien de waard zijn waarschuwing richtte.

"En" -- dus ging hij voort, -- "de onveiligheid op de wegen is ook zoo groot niet meer, als men wel beweert. Geschiedenissen als die van Hutten Klaas behooren voor goed tot het verleden.

Ik, die op alle uren van den avond en soms in den nacht onder weg ben, heb tot nog toe altijd mijn reis kunnen vervolgen, zonder door iemand gehinderd te worden. Waarom zou ik dan van avond juist gevaar te duchten hebben?"

"Je sprak daar van Hutten Klaas," zei nu de kastelein nieuwsgierig. "Dien naam heb ik meer gehoord. Wie was dat ook?"

"'k Zal u in 't kort vertellen, wat ik van hem weet," antwoordde de zaadhandelaar.

"Omstreeks 1775 woonde in de Wienersteeg tusschen Delden en Goor de zeventigjarige Klaas Annink, die men gewoonlijk Hutten Klaas noemde. Zijn vrouw Aarne Aarnink was toen vier en vijftig jaar, hun zoon Jannes was een en twintig en hun jongste, Gerrit, dertien jaar oud.

Klaas werd door de heele buurt en ver daar buiten gevreesd en geschuwd. Men was te bang voor hem, om hem aan te klagen, zoodat hij zijn schelmstukken ongestraft kon uitvoeren. Hij en zijn huisgenooten stalen ganzen, eenden, kippen, boomvruchten, gevulde bijenkorven enz.

Zekere Pompen Herman, zooals men hem noemde, een neef van Klaas' vrouw, kwam dikwijls bij hen aan huis en maakte dan telkens weer aanmerkingen op hun gedrag. "Als de politie er achter komt, wachten jelui de vreeselijkste straffen," waarschuwde hij dan.

Ze werden bang, dat hij hen verraden zou en toen hij eens weer bij hun haard zat, zonder eenig kwaad vermoeden te hebben, sloegen zij hem dood. Zoo kon hij hen niet meer verklappen.

Op een keer traden twee slagers, de gebroeders De Leeuw, de onzalige woning binnen om hun pijp aan te steken en te zien, of ze er misschien ook een stuk vee zouden kunnen koopen.

Klaas merkte wel, dat ze een aardig sommetje geld bij zich hadden. "Ik moet geld hebben om den hooikoop op Langenhorst te betalen," riep hij met schorre stem en liep ijlings naar de deel.

De twee bezoekers vreesden, dat hij vandaar het een of ander moordtuig wilde gaan halen en vluchtten weg.

Zooals je weet, komen er nog telkens kooplieden, afkomstig uit het Oldenburgsche, naar Drente, Twente en de Graafschap, om er allerlei wollen goed: kousen, sokken, wanten enz. te verkoopen. Hun waar dragen zij in een mars op den rug; ze bieden die te koop aan de huizen en eveneens op jaarmarkten en kermissen.

Zulk een "Hozzenkramer" was ook zekere Willem Stint, die, wanneer hij de markten te Goor en te Delden bezocht, telkens bij Hutten Klaas zijn intrek nam. Dit deed hij ook, toen hij in 1775 van de Goorsche wintermarkt huiswaarts keerde. Hij had een aardige som geld bij zich. Het kamertje, waar hij logeerde, was naast de keuken. Toen hij zich ter rust wilde begeven, hoorde hij een onheilspellend gemompel tusschen Klaas en zijn vrouw. Hij kreeg daardoor argwaan en bleef gekleed en met zijn stevige stok in de vuist geklemd afwachten wat er gebeuren zou. En toen nu Klaas de deur opende om hem in den slaap het leven te benemen, werd hij door Stins overmand. Maar door 't gerucht en geschreeuw, dat hierdoor ontstond, werden de beide zoons gewekt en de oudste kwam zijn vader te hulp, terwijl de vrouw die twee aanhitste. Eenige oogenblikken later was nu de ongelukkige kramer een lijk.

De vader van dezen maakte er zich ongerust over, dat zijn zoon, die altijd gewoon was om met Kerstmis thuis te zijn, zelfs midden-Januari nog niet was teruggekeerd. Hij begaf zich derhalve op reis om hem te zoeken. Op een Zondagmiddag kwam hij in Delden, juist toen de kerk uitging. Tot zijn verbazing zag hij onder de kerkgangers een persoon, die een broek aan had juist gelijk aan die van zijn vermisten zoon.

Het was Hutten Klaas.

Hij deelde die ontdekking mede aan 't gerecht en dit gaf bevel om Klaas en de zijnen te arresteeren. De vrees voor deze onmenschen was echter zoo groot, dat niemand er zich toe leenen wilde om hen in hun eigen huis te vatten.

Daar Klaas een trouw kerkganger was, werd de volgende Zondag afgewacht. Toen posteerden zich zes stevige boschjagers aan de kerkdeur en namen Klaas en Jannes gevangen.

Ook Aarne en Gerrit werden daarop in huis in verzekerde bewaring genomen. De gevangenen werden van elkaar gescheiden, om geen afspraken te kunnen houden. Zoo gelukte het, hen allen tot een volledige bekentenis te brengen. Ze werden naar Oldenzaal gevoerd en daar gekerkerd. In de Oudheidkamer aldaar bevindt zich nog de stoel, waarop Klaas werd vastgezet. 't Is een houten leuningstoel, -- een lomp meubel, -- met wijd uitstaande pooten om hem meer stevigheid te geven. Aan de leuningen en de pooten zijn ijzeren banden bevestigd, waarmee de moordenaar werd vastgezet. Klaas en Jannes werden geradbraakt en Aarne aan een paal geworgd. De jongste, Gerrit, werd met een schip den Oceaan opgestuurd, een middel dat eertijds veel werd aangewend bij jeugdige personen, van wie men voor de toekomst weinig goeds verwachtte."

"Nu, dat waren dan toch echte schurken!" zei de goedhartige waard huiverend. "Maar als je meent, dat de rooverstroep, die hier bij avond en ontijd gezien wordt, veel beter is, dan heb je het toch mis. Ik verzeker je, dat je 't niet in je hoofd zoudt krijgen om van avond de reis te vervolgen, als je hun boeventronies gezien hadt. Die kerels staan nergens voor en zouden ook niet voor een moord terugdeinzen.

En de politie staat tegenover die bandieten vrijwel machteloos. 't Moet al een groote plaats zijn, waar men meer dan één veldwachter heeft en die blijft natuurlijk, als hij eenigszins kan, bij avond en nacht in 't dorp waar hij thuis hoort, wat hem ook niet kwalijk te nemen is. Ik zou in zijn geval niet anders handelen: het hemd is nader dan de rok. Buiten de bewoonde plaatsen is 't niet veilig. Nog de vorige week is de slager Simons een goede tien minuten gaans van hier staande gehouden door een persoon, die hem op een brutalen toon vroeg, hoe laat het was. Maar Simons is een reus van een vent. Hij zwaaide den aanrander met zijn geducht slagersmes vlak voor 't gezicht heen en riep dreigend: "Zoo laat is 't!" en de boef uitte een kreet van ontzetting en vluchtte als een bloode haas het hout in."

"'t Zou al een stoere vent moeten zijn, die mij den baas werd!" sprak de zaadhandelaar bedaard en hij toonde zijn dikken stok met looden knop. "En als 't op een snijpartij mocht uitloopen," hervatte hij, "dan kan ik ook wel mijn man staan!"

Dit zeggende haalde hij uit een broekzak een vervaarlijk schedemes te voorschijn. "Je ziet, ik ben op een nachtelijke ontmoeting met dat rooversgespuis voorbereid en zal 't er maar op wagen. 'k Zou morgen gaarne bijtijds weer in huis terug zijn om er de zaken te regelen."

Hij betaalde de vertering en nam afscheid.

De waard sloot de deur achter hem dicht en blies het licht uit.

Zoo stond hij dan geheel alleen te midden van een oneindige, in nachtelijk donker gehulde ruimte.

't Was er angstwekkend stil. Geen vogel zong.

Alleen 't schor geblaf van een wachthond op een verwijderd boerenerf verbrak bij poozen 't algemeen zwijgen.

Zoo stil en snel mogelijk poogde hij voort te gaan, maar tot zijn spijt kwam 't hem voor, of zijn voetstappen op de steenen nu veel meer gerucht maakten dan anders.

Toch achtte hij 't veiliger het midden van de straat te houden, dan er nevens te gaan over den graszoom, waar hij door iemand, die in 't hout verborgen op hem loerde, onverhoeds kon worden overvallen.

Hij stapte een goede tien minuten vlug voort en lette onderwijl scherp op alles, wat er om hem heen bespeurd werd. Zoo bereikte hij 't punt, waar de weg tusschen dichte dennenbosschen voortloopt. Hier was 't erg donker, maar de oogen van De Laat waren daaraan gewoon geraakt. Een eenzamer plek was er echter moeilijk te bedenken. Niet alleen zijn voetstappen maar zelfs zijn kleeren maakten nu, naar hij zich verbeeldde, een verwonderlijk groot gerucht.

Nog niet lang was hij zoo voortgegaan, toen hij eensklaps ter zijde van den weg eenig gerucht hoorde, dat hem uiterst verdacht voorkwam. Starend keek hij in die richting en zag nu uit het hout een persoon te voorschijn treden en regelrecht op hem aankomen. "Goeien avond!" zeide hij barsch.

"Ook goeien avond!" zei De Laat zoo mogelijk nog barscher en stapte voort.

Doch de ander trad hem op zijde en vroeg: "Waar gaat dat zoo laat in den avond nog naar toe, vriend?"

"Naar huis, man! -- Waarom vraag je dat zoo?"

"Ja, zie je, 'k moet je in dat geval waarschuwen! 't Is hier in de streek verschrikkelijk onveilig. En je hebt, als ik me niet vergis, een aardig sommetje geld bij je. Geef mij dat zoolang in bewaring: ik ken hier den weg en zal zorgen, dat het me niet afhandig gemaakt wordt!"

"Maak je maar niet ongerust: ik kan er zelf wel voor zorgen en 'k zal het doen ook, wees daar zeker van!"

"Dat kunt ge niet!" verzekerde de ander.

"Probeeren is 't naaste!" zei De Laat met een forsche stem. "Hier is mijn geld! We willen er om vechten!"

Hij wierp den zak, gevuld met rinkelende geldstukken, vóór zich op straat.

De ander bukte om dien te grijpen en er zich dan snel mee uit de voeten te maken, doch De Laat zwaaide nu zijn geduchten stok, zoodat die gonsde door de lucht en met een doffen slag op 't hoofd van den aanrander neerkwam. Deze zakte in de knieën en viel daarop kreunend met een smak op de straatsteenen.

De Laat greep weer zijn zak met geld en snelde terug, overtuigd dat zijn leven afhing van den spoed, dien hij maakte.

In ijlende vaart voorthollend, hoorde hij van verschillende kanten een doordringend gefluit, dat hem weinig goeds voorspelde. Gelukkig bereikte hij weer de uitspanning, die hij kort geleden verlaten had. Hij klopte er aan en riep dringend: "Doe in 's hemels naam vlug open!"

De waard was blijkbaar op dezen afloop bedacht geweest. Oogenblikkelijk opende hij de deur en sloot die terstond weer achter hem dicht.

"We steken geen licht aan; we blijven hier in 't duister bij elkaar zitten, in afwachting van wat er verder gebeuren zal," zeide hij.

Nog nauwelijks waren ze gezeten, of ze hoorden daar buiten een geloop en gedraaf als van een troep jonge veulens.

Er volgde een bonzend kloppen op de deur en toen riep er één met een grove stem op een kommandotoon:

"Kastelein, doe gauw open! We moeten er in!"

"Hei daar! -- Wie maakt daar in 't holle van den nacht zoo'n helsch leven?" riep de waard met een stem, alsof hij geducht boos was, omdat men hem uit zijn eersten slaap had doen opschrikken.

"Goed volk! Doe maar gauw open!" riep de stem van buiten terug.

"Jelui hadden maar vroeg moeten komen. Bij nacht laat ik niemand binnen: ik heb ook tijd om te slapen noodig."

"Kom, maak maar geen uitvluchten: je herbergt een koopman en dien moeten we noodzakelijk spreken!"

"Jelui hebben abuis. Een drie kwartier geleden is hier wel een koopman geweest, maar die is, na 't noodige gebruikt te hebben, weer verder gereisd. 'k Heb toen terstond het licht uitgebluscht en ben onder de dekens gekropen en ben ook niet van plan voor morgenvroeg weer op te staan. 't Is voor mij en mijn huisgenooten vandaag zwaar werken geweest!"

Er volgde een gemompel van dreigende stemmen, met nu en dan een ruwen vloek of een ijselijke verwensching er tusschen.

Maar welhaast dropen ze af, om in de buurt naar den vluchteling te zoeken.