Chapter 19 of 20 · 926 words · ~5 min read

XIX.

Een crisis.

Toen Steven eenige dagen later tegen den avond nog eens de plaats bezocht; waar de tent gestaan had, was de daglooner Teunissen al bezig met er den grond om te spitten en in gereedheid te brengen voor 't poten van de staak- of snijboonen.

Mismoedig keerde hij terug naar de straat, waar de dorpsjeugd zich vermaakte met eenige bonte lappen en kleurige linten, welke door de kunstenaars waren achtergelaten.

Steven doolde dien avond nog laat door 't dorp en den omtrek rond. Hij had rust noch duur. Het leven, dat hem vroeger zoo bekoorlijk had geschenen, had nu alle aantrekkelijkheid voor hem verloren.

Toen hij voorbij de woning van den nachtwacht ging, herinnerde hij zich zijn laatste gesprek met zijn vriendin Tonia. Evenals gewoonlijk was ze ook nu vriendelijk jegens hem geweest, maar hij had een droeven trek op haar lief gelaat bespeurd en ze had hem zeer ernstig onder 't oog gebracht, dat hij den kostbaren tijd met straatslijpen verkwistte, terwijl zijn goede vader zijn hulp zoozeer behoefde.

Uit haar geheele gedrag jegens hem was hem duidelijk gebleken, dat ze in de toekomst al heel weinig van hem hoopte. Dit had hem te meer gegriefd, daar hij wist dat de zoon van den smid, een algemeen geacht, werkzaam jongmensch, haar tot vrouw wenschte.

Beter dan ooit te voren begreep hij nu, dat zijn leven op mislukking zou uitloopen.

Al voortgaande over de stille, donkere straat, raakte hij ten laatste erg vermoeid. Hij huiverde en rilde en voelde zich doodziek. Zijn hoofd gloeide en klopte.

Zoo bereikte hij weer het ouderlijk huis. Hij drukte 't hoofd tegen de koude steenen om 't zoo te verkoelen. Toen werd hij zóó duizelig, dat hij met de hand tastte naar eenig voorwerp om zich aan vast te houden. Doch hij vond geen houvast en viel schavend langs den muur. Daar lag hij, als dood.

Zijn verhit brein was intusschen werkzamer dan ooit.

In zijn koortsachtige droomen werd het _verleden_ weer _heden_. Hij bevond zich weer in de vriendelijke, gezellige, ouderlijke woning. Zijn moeder was er weer, vroolijk, vol hoop en goeden moed. Het speenvarkentje en Bles, ja alles was er weer, zooals het geweest was in vroeger, gelukkiger tijden. Zelfs de oude moeder Teunissen, die hem achter haar rokken verborgen had, als hij niet naar school wilde, was in 't vertrek aanwezig. Ofschoon ze al jaren geleden gestorven en 't kleinkind, dat ze zoo vaak in slaap gewiegd en gezongen had, nu al bezig was om een handwerk te leeren, -- ze was er weer en wiegde ouder gewoonte datzelfde kleinkind, terwijl ze zong, gelijk ze vroeger deed:

"Suja, suja kindjen! Hoe ben je dan zoo stout? Heb je pijn in 't buikjen, Of zijn je voetjes koud? Prikt je hier of daar een speld? Is er een bandje, dat je knelt? We zullen een vuurtje stoken; We zullen een papje koken. 't Wiegjen dat gaat: tik-tak! Voor den kleinen dikzak."

Steven gevoelde zich, ondanks zijn doodelijke matheid, gelukkig.

In zijn droomen toch genoot hij weer al de zelfopofferende liefde van zijn vervlogen jeugd. Nachtegalen zongen hem weer in slaap, als in zijn prille jeugd; de lucht was verkwikkend warm en bezwangerd met den heerlijken geur van het klaverveld en de rozen, van de vlier, den meidoorn en de kamperfoelie. Velden, weiden, boomen en bosschen waren mooi groen; ze waren met dauwdroppels overdekt, die schitterden in 't avondlicht als fonkelende juweelen. De boschduiven koerden en de koekoek riep.

Hij vond zich opgenomen in den kring der schoone gelukkige kinderen van 't kasteel Heiterloo; ze beminden hem als een broeder, speelden met hem in den mooien tuin en genoten naar hartelust van de heerlijke vruchten en zijn ouders stonden glimlachend, innig blij toe te zien; ze verheugden zich in 't geluk van hun kind.

Wat later bevond hij zich in 't circus, onder de kunstrijders. Hij deed ongeloofelijke toeren en werd door 't verbaasde publiek uitbundig toegejuicht.

Maar een volgende maal spookten wilde droomen door zijn ontsteld brein. In verbeelding bevond hij zich weer op 't schuttersveld en schoot bij ongeluk den vader der arme Tonia dood. Hij hoorde haar klagen en jammeren; hij zag hoe ze radeloos de handen wrong en hij wenschte, dat de grond zich onder hem opende en zich weer boven hem toesloot. Zijn vrienden stonden op eenigen afstand verrast en verschrikt toe te zien; ze meden en schuwden hem en de veldwachter trad op hem toe, deed hem de boeien aan en leidde hem weg om hem in verzekerde bewaring te brengen.

Ook de avontuurlijke tochten met Dronken Hannes doorleefde hij in verbeelding weer.

Eens verscheen hem in zijn koortsige droomen zijn goede vader, gebogen onder een zwaar pak, waarmee hij de klanten wilde bezoeken.

Hoe vermoeid en lusteloos zag die vroeger zoo krasse, moedige man er nu uit!

Hoe langzaam vorderde hij en wat leunde hij zwaar op zijn stok!

Steven kon het niet aanzien, dat hij zich zoo moest inspannen en poogde op te staan, bij hem te komen en 't pak van hem over te nemen, doch dit was hem geheel onmogelijk. Het was hem juist zoo, of hij door sterke armen werd vastgehouden.

Hij was plotseling zwaar ziek geworden en toen hij aan den hoek der ouderlijke woning was neergestort, hadden zijn vader en Tonia, die er 't huiswerk verrichtte, dit gehoord; ze waren ijlings toegeschoten en hadden hem te bed gebracht.

Dag en nacht moest er bij hem gewaakt worden. Zijn toestand was uiterst bedenkelijk en 't stond te vreezen, dat hij er nooit weer van zou opkomen.