Part 1
KONING RICHARD DE DERDE.
PERSONEN:
Koning Edward de Vierde. Edward, prins van Wales, } Richard, hertog van York, } zijn zonen. George, hertog van Clarence, } Richard, hertog van Gloster, } broeders des konings. Een jonge Zoon van Clarence. Hendrik, graaf van Richmond, later koning Hendrik de Zevende. Kardinaal Bourchier, aartsbisschop van Canterbury. Thomas Rotherham, aartsbisschop van York. John Morton, bisschop van Ely. De hertog van Buckingham. De hertog van Norfolk. De graaf van Surrey, zijn zoon. Graaf Rivers, broeder van koningin Elizabeth. De markies van Dorset, } Lord Grey, } haar zonen. De graaf van Oxford. Lord Hastings. Lord Stanley, ook graaf Derby genoemd. Lord Lovel. Sir Thomas Vaughan. Sir Richard Ratcliff. Sir William Catesby. Sir James Tyrrel. Sir James Blount. Sir Walter Herbert. Sir Robert Brakenbury, commandant van den Tower. Christopher Urswick, een priester.—Een ander Priester. Tressel en Berkeley, edellieden van lady Anna. De Lord-Mayor van Londen.—De Sheriff van Wiltshire.
Elizabeth, gemalin van koning Edward den Vierden. Margaretha, weduwe van koning Hendrik den Zesden. De hertogin van York, moeder van koning Edward den Vierden, van Clarence en van Gloster. Lady Anna, weduwe van Edward, prins van Wales, den zoon van koning Hendrik den Zesden, later gemalin van Richard. Een jonge Dochter van Clarence.
Lords. Gevolg. Een Heraut. Een Griffier. Een Gevangenbewaarder. Burgers. Moordenaars. Boden. Geesten. Krijgslieden enz.
Het tooneel is in Engeland.
EERSTE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een straat.
Gloster komt op.
GLOSTER. Nu werd de winter onzer wreev’le stemming Tot blijden zomer door de zon van York; De zware wolken, die ons huis bedreigden, Verzwolg de diepe schoot des oceaans. Nu drukken zegekransen ons de slapen; Ons butsig wapentuig siert thans den wand; Het slaggedruisch vervangen vreugdegalmen, De felle marschen zoete dansmuziek; De krijg ontfronste ’t norsch gerimpeld voorhoofd, Bestijgt niet meer ’t geharnast ros, en wekt Geen angst in ’t hart van schrikb’re tegenstanders, Maar huppelt, bij een eed’le gastvrouw, luchtig Naar ’t wulpsche welgevallen van een luit. Doch ik, geenszins gevormd voor snaaksche grappen, Of om verliefden spiegels ’t hof te maken, 15 Die, ruw gestempeld, de’ adel mis van gang, Die ’t oog bekoort van dart’le, luchte nimfen, Ik, in dien juisten bouw te kort gedaan, Valsch door Natuur van evenmaat verstoken, Verknoeid, onafgewerkt, te vroeg de wereld, Die ademt, ingezonden, nauwelijks half Voltooid en wel zoo lam, zoo vreemd van vorm, Dat honden bassen, als ik langs hen hink,— Ik ken, in dezen tijd van vreêschalmeien, Voor mij geen enkel lustig tijdverdrijf, Dan ’t staren op mijn schaduw in de zon En ’t heeklen van mijn eigen wangestalte; En daarom—wijl ik niet voor minnaar deug Om dezen welbespraakten tijd te korten— Is mijn besluit genomen: ’k word een booswicht En zweer des tijds nietswaardig beuz’len haat. Aanslagen smeedde ik, heb ze voorbereid Door dronken profetieën, briefjes, droomen, Om bij mijn broeder Clarence en den koning Weêrzijdschen haat, ten doode toe, te wekken; En is de koning even waar en trouw, Als ik geslepen, valsch en onbetrouwbaar, Dan wordt nog heden Clarence ingerekend, Ter wille van een profetie,—dat G Aan Edwards erven dood bereidt en wee.— Duikt in mijn ziel, gedachten; Clarence komt.
(Clarence komt op, vergezeld van Bewakers, alsmede van Brakenbury.)
Mijn broeder, goeden dag! Waartoe die wacht Bij uw genade?
CLARENCE. Zijne majesteit Heeft, voor mijn veiligheid bezorgd, bevolen, Dat ik aldus ten Tower wierd geleid.
GLOSTER. En dat waarom?
CLARENCE. Omdat ik George heet.
GLOSTER. Ach, dit mylord, is uwe schuld toch niet; Daarvoor moest hij uw peten laten boeten. O, moog’lijk is zijn majesteit van plan, U in den Tow’r opnieuw te laten doopen. Maar Clarence, wat is de oorzaak? mag ik ’t weten?
CLARENCE. Ja, Richard, als ìk ’t weet; doch ik verklaar, Tot nog toe weet ik ’t niet. Maar, zoo ik hoor, Hecht hij aan profetieën en aan droomen, En schrapt de letter G van ’t ABC; Hem spelde een wich’laar, zegt hij, dat een G Zijn kroost onterving brengen zou en wee; Nu, mijn naam, George, o ramp! begint met G, Dus, ìk bedreig zijn kroost en stoor zijn vreê. Dit, zoo ik hoor, en zulke grillen meer Zijn oorzaak, dat zijn hoogheid mij deed vatten.
GLOSTER. Zoo gaat het, doet een man, wat vrouwen willen! U zendt de koning, neen, niet naar den Tower; Mylady Grey, zijn vrouw, die is het, Clarence, Die hem tot zulk een uiterste verleidt. Was ’t niet door haar en dien hoogeed’len vriend, Antonius Woodville, Rivers thans, haar broeder, Dat hij lord Hastings naar den Tower zond, Waar hij eerst heden uit ontslagen werd? Wij zijn niet veilig, Clarence, zijn niet veilig.
CLARENCE. Bij God! geen mensch is veilig, dan verwanten Der koningin, en ook die nachtherauten, Des konings en mejuffer Shore’s loopers. Hebt gij vernomen, hoe als need’rig smeek’ling Lord Hastings haar om zijn bevrijding bad?
GLOSTER. Deemoedig jamm’rend bij haar godd’lijkheid, Erlangde de eed’le kamerheer zijn vrijheid. Ik zeg: naar ìk denk, is het voor ons zaak,— Zoo wij des konings gunst behouden willen,— Als hare dienaars haar livrei te dragen. Sinds onze broeder haar, en die jaloersche, Versleten weeuw tot edelvrouwen sloeg, Stelt haar gesnap in ’t koninkrijk de wet.
BRAKENBURY. ’k Bid uw’ genaden beiden om vergiff’nis, Doch zijne majesteit beval mij streng, Dat niemand, van wat stand hij ook mocht zijn, Vertrouw’lijk met zijn broeder spreken zou.
GLOSTER. Zeer wel; en als ’t uw edelheid behaagt, Vrij moogt gij alles hooren, wat wij zeggen. ’t Is, man, geen hoogverraad; ’t is, dat de koning Vroed is en vroom, zijn eed’le koningin Van rijpen leeftijd, schoon en niet jaloersch;— Alsook, dat Shore’s vrouw een mooien voet heeft, Een kersenmond, schoone oogen, zoete tong; En dat der koningin geslacht voornaam werd. Wat zegt gij, heer, kunt gij dit alles looch’nen?
BRAKENBURY. ’k Heb met dit alles niets te doen, mylord. 97
GLOSTER. Met juffer Shore niets te doen? Wel, man, Wie iets met haar wil doen, één uitgezonderd, Die doe het liefst in diep geheim, alleen.
BRAKENBURY. Wie is die een, mylord?
GLOSTER. Haar man, gij schelm; zoudt gij mij willen vangen?
BRAKENBURY. Vergeef mij, uw genade, maar ik bid u, Niet meer te spreken met den eed’len hertog.
CLARENCE. Wij kennen uwen last en willen volgen.
GLOSTER. Wij, koninginneslaven, moeten volgen. Vaar, broeder, wel; ik spoed mij tot den koning En wat gij mij gelast voor u te doen, Zelfs koning Edwards weeuw als zuster groeten, Ik zal het doen, zoo ’t u bevrijden kan. Want inderdaad, die diepe smaad eens broeders Treft mij veel dieper dan gij denken kunt.
CLARENCE. Ik weet, die smaad behaagt nòch u nòch mij.
GLOSTER. Kom, lang zal uw gevangenschap niet duren; Ik maak u vrij, of raak voor u in hecht’nis; Heb midd’lerwijl geduld.
CLARENCE. Dit moet; vaarwel!
(Clarence, Brakenbury en de Wacht af.)
GLOSTER. Ga vrij dien weg, waarlangs gij nimmer keert, Onnooz’le Clarence! Zoo bemin ik u, Dat ik welras uw ziel ten hemel zend, Zoo die uit onze hand de gift aanvaardt. Doch wie komt daar? de pas bevrijde Hastings?
(Hastings komt op.)
HASTINGS. ’k Wensch mijn doorluchten heer een blijden morgen.
GLOSTER. Ik insgelijks mijn waarden kamerheer; Gij zijt recht welkom in de vrije lucht. Hoe hebt gij uw gevangenschap gedragen?
HASTINGS. Geduldig, heer, zooals gevang’nen ’t moeten. Maar toch, ik hoop eens hun mijn dank te brengen, Die de oorzaak waren der gevangenschap.
GLOSTER. Vertrouw dit, ja, en dit zal Clarence ook; Die u vijandig waren, zijn het hem, En zijn nu hem, als vroeger u, te sterk.
HASTINGS. Een jammertijd, die de’ aadlaar op doet sluiten, En gier en havik rooven laat naar lust!
GLOSTER. Wat is er in de wereld wel voor nieuws?
HASTINGS. Geen nieuws zoo slecht van buiten, als te huis:— De koning voelt zich krank, is zwak, zwaarmoedig; Zijn artsen zijn om hem in groote zorg 137
GLOSTER. Nu, bij Sint Paul, dit nieuws is waarlijk slecht. O, maar zijn leefwijs was sinds lang verkeerd; De koning heeft zijn krachten uitgeput; ’t Is zeer bedroevend, als men hieraan denkt. Spreek, houdt hij ’t bed?
HASTINGS. Ja zeker.
GLOSTER. Ga, bid ik, voor; ik zal u daad’lijk volgen.
(Hastings af.)
’t Loopt, hoop ik, af; maar sterven mag hij niet, Eer George in postgalop ten hemel voer. ’k Ga tot hem; ’k wil zijn haat op Clarence hitsen, Door leugens, wel gestaald met zware reed’nen; En zoo mijn diepe toeleg niet mislukt, Heeft Clarence nu geen tweeden dag te leven; Dan haal’ God koning Edward in zijn hemel, En late de aard aan mij om daar te woelen. Dan zal ik Warwick’s jongste dochter huwen; Maar hoe! ik doodde haar gemaal, haar vader! De beste schaad’loosstelling voor de deerne, Zoo ìk nu haar gemaal en vader word; Dit wil ik doen, niet juist zoozeer uit liefde, Als om een ander diep verholen doel, Dat ik door haar te huwen moet bereiken. Doch ik wil koopen, vóór er iets te koop is; Nog ademt Clarence; koning Edward leeft; Zijn zìj weg, dan bereek’nen, wat het geeft!
(Gloster af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een andere straat in Londen.
Het lijk van Koning Hendrik den Zesden wordt in een open kist ten tooneele gedragen, begeleid door Edellieden met hellebaarden, gevolgd door Lady Anna als rouwdraagster.
ANNA. Zet neer, zet neer uw eerbiedwaarden last,— Zoo eere door een lijkwâ kan omhuld zijn,— Opdat mijn rouwbeklag een wijl betreure Des eed’len Lancaster’s ontijdig eind.— Ach, ijskoud wezen van een heil’gen koning! Des vorstenhuizes Lancaster bleek stof! Gij, bloedloos overschot van koningsbloed! Vergun mij, uwen geest hier op te roepen, Dat die de weeklacht hoor’ van Anna, de arme, De vrouw van Edward, uw vermoorden zoon, Dien hìj doorstak, wiens hand u wonden sloeg! Zie, in de poorten, waar u ’t leven uitvloot, Vloeit, ach vergeefs! de balsem mijner oogen! Vervloekt de hand, die zulke scheuren reet! Vervloekt het hart, dat tot dit doen het hart had! Vervloekt het bloed, dat dit bloed stroomen deed! Meer gruwb’re ellende treff’ dien onverlaat, Die ons verlaten maakte door uw dood, Dan ik aan adders, spinnen, padden wensch, Of eenig kruipend, giftig tuig, dat leeft! 20 Heeft hij een kind ooit, ’t zij een misgeboorte, Een monster, vóór zijn tijd aan ’t licht gebracht, Dat door zijn leelijk en gedrocht’lijk wezen Der moeder hoopvol oog verstijv’ van schrik; En dit zij zijner boosheid erfgenaam! En heeft hij ooit een vrouw, dan worde zij Onzaal’ger nog door zijnen dood, dan ik Het door mijn jonge gade werd en u!— Komt, thans naar Chertsey met uw heil’gen last, Dien we uit Sint Paul ter plechtige uitvaart haalden; Rust vrij, als gij vermoeid zijt, telkens uit; Ik weeklaag dan bij koning Hendriks lijk.
(De Dragers nemen het lijk op en gaan voort.)
(Gloster treedt op.)
GLOSTER. Niet verder, gij, die ’t lijk draagt, zet het neder!
ANNA. Wat zwarte toov’naar roept dien duivel op, Tot storing van een vroom en christ’lijk werk?
GLOSTER. Zet neêr het lijk, gij schurken! Bij Sint Paul, Ik maak tot lijk een elk, die zich verzet!
EERSTE EDELMAN. Terug, mylord, en laat de baar voorbij.
GLOSTER. Schaamt’looze hond, blijf staan, als ik ’t beveel; Uw hellebaard omhoog, niet voor mijn borst, Of, bij Sint Paul, ik sla u voor den grond, En ik vertreed u, beedlaar, om uw stoutheid.
(De Dragers zetten de baar neder.)
ANNA. Hoe! Siddert gij? gij allen zijt bevreesd? Helaas, ik wraak u niet, want gij zijt sterflijk, En ’t sterflijk oog verdraagt den duivel niet.— Verdwijn, gij gruwzame afgezant der hel! Gij hadt slechts op zijn sterflijk lichaam macht; Zijn ziel erlangt gij niet; daarom van hier!
GLOSTER. Wees christ’lijk, lieve heil’ge; vloek niet zoo.
ANNA. Bij God, weg, booze duivel! stoor ons niet; Gij, die de schoone wereld tot uw hel, Vol vloekgehuil en jammer hebt gemaakt! Als de aanblik uwer gruw’len u vermaakt, Zie dan dit staaltje van uw slachtersdaden.— Ziet, mannen, ziet, des dooden Hendriks wonden Ontsluiten haar verstijfden mond; zij bloeden!— Bloos, bloos, gij klomp van snoode afzicht’lijkheid! Want uw nabijheid dringt dit koude bloed Uit ledige aad’ren, waar geen bloed meer woont; Uw ondaad, ja, onmenschlijk, onnatuurlijk, Verwekt dien stortvloed, even onnatuurlijk. O God, gij schiept dit bloed, o wreek zijn dood! Gij aard, gij drinkt dit bloed, o wreek zijn dood! Gij hemel, dood den moord’naar met uw bliksem, Of gaap, gij aarde, wijd, verslind hem levend, Zooals gij ’t bloed verzwelgt diens goeden konings, Door de’ arm van dezen helleknecht geslacht!
GLOSTER. Prinses, gij kent de leer der liefde niet, Die kwaad met goed vergeldt en vloek met zegen.
ANNA. Gij schurk, gij kent geen wet, van God noch mensch; Het wildste beest kent eenig medelijden. 71
GLOSTER. Dit ken ik niet en ben alzoo geen beest.
ANNA. O wondervreemd, ook duivels spreken waar!
GLOSTER. Nog vreemder, zulk een gramschap bij een engel! Sta toe, o godd’lijk toonbeeld eener vrouw, Dat ik van die vermeende booze dingen Uitvoerig uwe vrijspraak mij verwerv’.
ANNA. Sta toe, gij helsch gedrocht’lijk beeld eens mans, Dat ik voor die bewezen booze dingen Uitvoerig u, vervloekte, nogmaals vloek.
GLOSTER. Gij, schooner dan ooit tong het uit kan drukken, Geef mij geduldig tijd, dat ik me ontschuldig.
ANNA. Gij, snooder dan ooit hart vermoeden kan, Ontschuldigd zult gij zijn, als ge u verhangt.
GLOSTER. Door die vertwijfling zou ik schuld erkennen.
ANNA. Door die vertwijfling delgt gijzelf uw schuld, Daar gij verdiende wraak neemt op uzelf, Die onverdienden moord op and’ren pleegdet.
GLOSTER. Doch zoo ’k hen niet versloeg?
ANNA. Dan waren zij niet dood; Doch dood, zij zijn ’t, en, helleslaaf, door u.
GLOSTER. Ik doodde uw gade niet.
ANNA. Dan leeft hij nog.
GLOSTER. Neen, hij is dood, doch viel door Edwards hand.
ANNA. Boos liegt uw tong, want koningin Marg’retha Zag zelf uw moordstaal rooken van zijn bloed; Gij hebt het ook op hare borst gericht, Doch uwe broeders sloegen ’t ras ter zijde.
GLOSTER. Ik werd geprikkeld door haar lastertong, Die hun schuld valsch op mijne schoud’ren laadde.
ANNA. Gij werdt geprikkeld door uw moord’naarsziel, Die nooit van iets dan bloedvergieten droomt. Hebt gij deez’ koning niet gedood?
GLOSTER. ’k Stem toe.
ANNA. Toe stemt gij ’t, egel? Dan stemm’ God mij toe, Dat gij vervloekt zijt om die booze daad! O, hij was deugdzaam, zacht en liefderijk.
GLOSTER. Te beter voor den hemel, die hem heeft.
ANNA. Daar is hij, ja; gìj zult er nimmer komen.
GLOSTER. Dan dank’ hij mij, die hem er henen zond; Hij zal er beter thuis zijn dan op aarde. 108
ANNA. En gij kunt enkel thuis zijn in de hel.
GLOSTER. O, nog op ééne plaats; mag ik die noemen?
ANNA. Een kerkerkrocht.
GLOSTER. Uw slaapvertrek.
ANNA. De rust ontvliê de kamer, waar gij ligt!
GLOSTER. Zoo is ’t, tot ik bij ù lig, eed’le vrouw.
ANNA. Ik hoop het.
GLOSTER. Ik weet het.—Maar, lieve lady Anna,— Om uit dit scherp, spitsvondig woordschermuts’len Te komen tot bedaarder onderhoud,— Spreek, is, die de oorzaak was des vroegen doods Der twee Plantagenets, Hendrik en Edward, Niet even laakbaar, als die ’t feit volbracht?
ANNA. Gijzelf waart de oorzaak en gevloekte werking.
GLOSTER. En uwe schoonheid de oorzaak dezer werking, Uw schoonheid, die mij in den slaap bezocht, Om der geheele wereld dood te wagen Voor één uur levens aan uw zoete borst.
ANNA. Als ik dit dacht, ik zeg u, menschenmoorder, Mijn nagels reten uit mijn wang dat schoon.
GLOSTER. Mijn oog verdroeg ’t vergaan dier schoonheid niet; Stond ik er bij, gij zoudt haar nimmer deren; Gelijk heel de aard zich aan de zon verkwikt, Zoo ik aan haar; zij is mijn dag, mijn leven!
ANNA. Nacht overhuive uw dag, en dood uw leven!
GLOSTER. Schoone engel, vloek uzelf niet; gij zijt beide.
ANNA. Ja, ware ik dit, om mij op u te wreken!
GLOSTER. O, zulk een vijandschap is onnatuurlijk, U wreken op den man, die u bemint!
ANNA. Die vijandschap is goed, naar recht en rede; Mij wreken op den moord’naar mijns gemaals!
GLOSTER. Die u van uw gemaal beroofde, deed het, Om, lady, u een beet’ren te verschaffen.
ANNA. Een betere ademt er op aarde niet.
GLOSTER. Eén wijdt u beet’re liefde nog dan hij.
ANNA. Wie is ’t?
GLOSTER. Plantagenet.
ANNA. Dat was hijzelf.
GLOSTER. Dezelfde naam, ja, doch een beter man.
ANNA. Waar is hij?
GLOSTER. Hier.
(Zij spuwt naar hem.)
Wat spuwt gij zoo naar mij?
ANNA. Ik wenschte, ’t ware een dood’lijk gif voor u! 146
GLOSTER. Nooit kwam vergif van zulk een zoete plaats.
ANNA. En nooit kleefde er vergif aan snooder pad. Uit mijn gezicht! want gij verzengt mijn oogen.
GLOSTER. Uw oogen hebben mij in vlam gezet.
ANNA. O, waren ’t basilisken, bliksems schietend!
GLOSTER. Ik wenschte ’t ook, dan ware ik dood op eens; Thans geven zij me een dood, die ’t leven laat. Uw oog heeft zilte tranen mij ontperst, Mijn oogen smaad gebracht door kindsche droppen, Dien oogen, die nooit rouwetranen kenden, Noch toen mijn vader York en Edward weenden Om Rutland’s jammerkreet, toen over hem Clifford met donk’ren blik het zwaard verhief, Noch toen uw dapp’re vader, als een kind, Het droef verhaal deed van mijns vaders dood, En tienmaal op moest houden, snikte en weende, Dat elk, die ’t hoorde, vochte wangen had, Als boomen in den regen; in dien rouwtijd Weerhield mijn mann’lijk oog een laffen traan; En wat die smart het nooit heeft afgeperst, Deed uwe schoonheid, maakte ’t blind van weenen. Nooit smeekte ik iets aan vriend of vijand af; Nooit leerde mijne tong een vleiend woord; Doch nu mij uwe schoonheid wenkt als loon, Smeekt mijn trotsch hart en leert mijn tong te spreken.
(Zij ziet hem met een hoonenden blik aan.)
Leer uwen lippen zulk een hoon niet, lady, Zij zijn ten kus geschapen, niet tot hoon. Als uw wraakgierig hart niet kan vergeven, Zie, ’k leen u hier dit scherpgepunte zwaard; Gij, berg het vrij in deze trouwe borst, En drijf de ziel er uit, die u vergoodt. Zie, ik ontbloot haar, dat gij dood’lijk toestoot, En bid, deemoedig knielend, om mijn dood.
(Hij ontbloot de borst; zij richt er het zwaard op.)
Neen, weifel niet: ik doodde koning Hendrik; Maar ’t was uw schoonheid, die er mij toe drong. Stoot toe; ja, ik doorstak den jongen Edward;— Maar ’t was uw hemelsch aanschijn, dat mij dreef.
(Zij laat het zwaard vallen.)
Neem op het zwaard, of mij in uwe gunst.
ANNA. Rijs, huich’laar op, hoezeer uw dood mijn wensch zij, Ik wil ’t niet zijn, die met den zwaarde u recht.
GLOSTER. Zeg mij dan mij te dooden, en ik doe het.
ANNA. Dit deed ik reeds.
GLOSTER. Gij deedt het in uw toorn; Zeg ’t nu nog eens; terstond zal deze hand, Die, om uw liefde, uw liefde heeft gedood, Veel trouwer liefde om uwe liefde dooden; Aan beider dood zult gij meeplichtig zijn.
ANNA. O, kende ik slechts uw hart!
GLOSTER. Ik draag het op de tong.
ANNA. Wellicht zijn beide valsch. 195
GLOSTER. Nooit sprak dan iemand waar.
ANNA. Nu dan, steek op uw zwaard.
GLOSTER. Zeg dan: wij zijn verzoend.
ANNA. Dit blijke u door ’t vervolg.
GLOSTER. Dus, leef ik nog in hoop?
ANNA. Dit, hoop ik, doet een elk.
GLOSTER. Draag dezen ring van mij.
ANNA. Die aanneemt, geeft nog niet.
(Zij laat zich den ring aan den vinger steken.)
GLOSTER. Zie, hoe mijn ring om uwen vinger sluit; Zoo houdt uw borst mij ’t arme hart omsloten, Draag gij die beide, beide zijn zij u. En als uw arme, trouw verknochte dienaar Nog ééne gunst van uw genâ mag smeeken. Dan grondt gij hem voor eeuwig zijn geluk.
ANNA. Wat is het?
GLOSTER. Dat gij den rouwdienst hem wilt overlaten, Die meerder oorzaak heeft om rouw te dragen, En u van hier naar Crosbyhof begeeft. Daar kom ik, nadat ik deze’ eed’len koning In ’t klooster Chertsey plechtig heb begraven, En tranen vol berouw op ’t graf geplengd, Met allen spoed eerbiedig u bezoeken; Om veel geheime reed’nen smeek ik u: Sta deze gunst mij toe.
ANNA. Van ganscher harte; zeer verheugt het mij, Te zien, dat gij boetvaardig zijt geworden.— Komt, Berkeley en Tressel, begeleidt mij.
GLOSTER. Zeg mij vaarwel.
ANNA. ’t Is meer dan gij verdient; Doch daar gij mij geleerd hebt, u te vleien, Zoo denk, dat ik u reeds vaarwelgezegd heb.
(Lady Anna met twee Edellieden af.)
GLOSTER. Gij, neemt het lijk weer op.
EEN EDELMAN. Naar Chertsey, uwe hoogheid?
GLOSTER. Neen, naar de Karmelieten; wacht mij daar.
(Al de overigen met het lijk af.)
Werd ooit in zulk een luim een vrouw gevrijd? Werd ooit in zulk een luim een vrouw gewonnen? Ik wil haar hebben, niet haar lang behouden. Wat! ik, de moord’naar van haar man en vader, Ik vang haar in haars harten diepsten haat, Met vloeken op haar tong, het oog vol tranen, Bij ’t bloedend lijk, getuige van haar haat; God, haar geweten, alles tegen mij; Ik, zonder vrienden, die mijn aanzoek steunen, Dan huich’laarsblikken, en den baren duivel; En toch zij mijn!—de wereld tegen niets! Ha! Heeft zij dien wakk’ren prins alreeds vergeten, Edward, haar gade, dien ik voor drie maanden Te Tewksbury doorstak in arren moede? 242 Een edelman, zoo goed en minnenswaard,— Zoo kwistig door natuur bedeeld met gaven, Jong, dapper, wijs, echt koninklijk voorwaar,— Is in de wijde wereld niet te vinden; En toch vernedert zij haar blik tot mij, Die ’t gouden bloeisel afsneed van dien prins En haar tot weduw maakte op bange sponde! Mij, wiens geheel geen halven Edward opweegt! Tot mij, die hink en zoo wanstaltig ben! Mijn hertogdom, ja, tegen éénen duit, Dat ik aldoor mijzelven heb miskend; Mijn kop af, dat zij mij, wat ìk niet vind, Voor een verbazend knappen jonkman houdt. Ik moet mij, wat het koste, een spiegel koopen, En schaf een paar dozijnen snijders aan, Om drachten uit te denken, die mij goed staan. Nu ’k bij mijzelf in gunst gekomen ben, Leg ik er ook een weinig aan te kost. Doch eerst help ik dien kerel in zijn graf, En kom dan jamm’rend bij mijn liefste weer.— Schijn helder, zon, tot ik een spiegel heb, Opdat ik in mijn schaduw vreugde schepp’!
(Gloster af.)
DERDE TOONEEL.
Aldaar. Een kamer in het paleis.
Koningin Elizabeth, lord Rivers en lord Grey komen op.
RIVERS. Houd moed, vorstin; geen twijfel, of zijn hoogheid Is binnen korten tijd geheel hersteld.
GREY. Zijt gij er om bedrukt, dit maakt hem erger; Blijf dus om Gods wil immer welgemoed, En beur hem op door luchtig, vroolijk praten.
KONINGIN ELIZABETH. Als hij eens stierf, wat leed zou dan mij treffen!
GREY. ’t Verlies van zulk een gâ, geen verder leed.
KONINGIN ELIZABETH. Zulk een verlies sluit al wat leed is in.
GREY. God heeft u met een wakk’ren zoon gezegend, Die u na zijnen dood tot troost zal zijn.
KONINGIN ELIZABETH. Ach, hij is jong; en zijne jeugd wordt dan Aan Richard Gloster’s hoede toevertrouwd, Een man, die mij, noch een van u, mag lijden.
RIVERS. Is dit bepaald, moet hij protector worden?
KONINGIN ELIZABETH. Besloten is ’t, ofschoon nog niet bepaald; Maar ’t moet, indien de koning komt te vallen.
(Buckingham en Stanley treden op.)
GREY. Daar zijn de lords van Buckingham en Stanley.
BUCKINGHAM. Uw koninklijke hoogheid alle heil!
STANLEY. God geve uw majesteit weer vreugd als vroeger! 19
KONINGIN ELIZABETH. Gravinne Richmond, waarde lord van Stanley, Zegt wis geen amen op uw goeden wensch. Doch, beste Stanley, schoon ze uw gade zij En mij niet lijden moog’, geloof me, ik koester Voor u geen haat om haar laatdunkendheid.
STANLEY. Ik bid u, schenk dien boozen lastertongen Van die haar valsch betichten geen gehoor; Of, wat men haar terecht ten laste legt, Beschouw dit als een zwakheid, die veeleer Uit kranke luim, dan boozen zin ontspruit.
KONINGIN ELIZABETH. Zaagt gij vandaag den koning reeds, lord Stanley?
STANLEY. Wij hebben, hertog Buckingham, en ik, Zoo even zijne majesteit bezocht.
KONINGIN ELIZABETH. Hoe vindt gij ’t uitzicht op zijn beterschap?