Chapter 5 of 11 · 3998 words · ~20 min read

Part 5

Catesby heeft Hastings over ’t plan gepolst, En vindt dat stugge heerschap zoo vol vuur, Dat hij zijn hoofd verliezen wil, eer ’t kind Zijns meesters, zooals hij eerbiedig spreekt, ’t Bezit van Eng’lands troon verliezen zal.

BUCKINGHAM. Ga even uit de zaal, heer; ik kom na.

(Gloster af, gevolgd door Buckingham.)

STANLEY. Wij hebben ’t hooge feest nog niet bepaald. Op morgen is wat al te spoedig, dunkt mij; Want ik ben zelf nog zoo niet toegerust, Als ik zou zijn, wanneer ’t verschoven werd.

(De Bisschop van Ely komt terug.)

ELY. Waar is mylord, de hertog Gloster? Ik zond om ’t aardbeiproefjen iemand heen.

HASTINGS. De hertog ziet van morgen opgeruimd; Een streelend denkbeeld zweeft hem voor den geest, Als hij zoo vroolijk goeden morgen wenscht. Ik acht, dat niemand in de christenheid Zijn liefde en haat zoo slecht verbergt als hij; Wat hij op ’t hart heeft, leest ge op zijn gelaat.

STANLEY. Wat leest gij van zijn hart dan op ’t gelaat Door ’t een of ander teeken, dat hij toonde?

HASTINGS. Wel, dat hij tegen niemand hier iets heeft; Zijn trekken hadden anders ’t wis verraden.

(Gloster en Buckingham komen terug.)

GLOSTER. Ik bid u allen, zegt, wat zij verdienen, Die mij naar ’t leven staan door duivelsplannen Van vloek’bre hekserij, en reeds mijn lijf Door helsche tooverkunst aan ’t kwijnen brachten?

HASTINGS. Mijn vuur’ge liefde tot u dringt mij, heer, Dat ik vóór allen in deez’ eed’len kring, Wie schuldig zijn, veroordeel; wie ze ook zijn, Den dood, heer, zeg ik, hebben zij verdiend.

GLOSTER. Ziet dan met eigen oogen ’t schendig stuk. Aanschouw, hoe ik behekst ben; ziet, mijn arm Is als een loot, die wegkwijnt, ingeschrompeld; ’t Is ’t werk van Edwards vrouw, die booze heks, Verbonden met die veile snol, vrouw Shore; Die merkten door haar hekserij mij zoo.

HASTINGS. Als zij door zulk een doen, mijn eed’le vorst,—

GLOSTER. „Als!” gij beschermer van die vloekb’re snol, Spreekt gij van „Als?”—Gij zijt een aartsverrader;— Het hoofd hem af!—ja, bij Sint Paul, ik zweer, Ik roer geen spijs aan, vóór ik dit aanschouw.— Lovel en Ratcliff, zorg, dat dit geschiede;— En wie mij liefheeft, sta nu op en volg’ mij.

(Gloster en Buckingham, met den Staatsraad af; alleen Hastings, Lovel en Ratcliff blijven.)

HASTINGS. Wee, wee, om Eng’land! geenszins, neen, om mij! 82 Want ik, verdwaasde, had dit kunnen keeren. Wat Stanley droomde van des evers stoot, Heb ik bespot en ’k heb de vlucht versmaad. Driemalen is vandaag mijn paard gestruikeld, En ’t ging aan ’t steig’ren bij het zien des Towers, Als schuwde ’t, mij te dragen naar het slachthuis. Nu is de priester, dien ik sprak, mij noodig; En nu berouwt mij, dat ik dien heraut, Te triumfeerend, zeide, dat mijn haters In Pomfret heden bloedig sterven moesten, En ik mij veilig voelde in gunst en eer. O Margaretha, Margaretha! zwaar Treft thans uw vloek des armen Hastings’ hoofd.

RATCLIFF. Kom aan, maak voort; de hertog wil aan tafel, Biecht dus wat kort, hij wacht reeds op uw hoofd.

HASTINGS. O vluchtig gunstbetoon van stervelingen, Meer dan de gunst van God door ons bejaagd! Wie hoop bouwt op den adem van uw glimlach, Leeft als een dronken zeeman op een ra, Dien ied’re schomm’ling neer te sling’ren dreigt In de opgesperde kaken van het diep.

LOVEL. Kom, kom, maak voort; geen jamm’ren helpt u hier.

HASTINGS. O Richard, man des bloeds!—Rampzalig Eng’land! De jammervolste tijden spel ik u, Die deze gruwelwereld ooit aanschouwde. Komt, mij naar ’t blok, en hem mijn hoofd gebracht; Wie spot, zie toe! hij volgt mij, eer hij ’t wacht.

(Allen af.)

VIJFDE TOONEEL.

Binnen de muren van den Tower.

Gloster en Buckingham komen op, in oude harnassen en zeer slordig gewaad.

GLOSTER. Komaan, neef, kunt gij sidd’ren en verbleeken, Uw adem smoren midden in een woord, En dan op nieuw gaan spreken, weer verstommen, Als waart gij schier waanzinnig, dol van schrik?

BUCKINGHAM. Gerust! den besten speler boots ik na, Zie om bij ’t spreken, gluur naar elken kant, Ik beef en staar, wanneer een stroohalm trilt, En teeken diepen argwaan; holle blikken Staan mij ten dienst en ook gedwongen lachjes, En beide steeds gereed en op hun post, Om aan mijn listen luister bij te zetten. Maar Catesby is gegaan, niet waar?

GLOSTER. Ja zeker; En, zie, ook weer terug, en met den mayor.

(De Lord-Mayor en Catesby komen op.)

BUCKINGHAM. Lord-Mayor,—

GLOSTER. Gij daar, let op de slotbrug! 15

BUCKINGHAM. Hoor, een trom!

GLOSTER. Snel, Catesby, naar den muur, zie uit!

BUCKINGHAM. Lord-Mayor, de reden, dat wij zonden,—

GLOSTER. Zie om, verweer u, hoor, de vijand komt!

BUCKINGHAM. God, en onze onschuld, zie het en verweer’ ons!

(Lovel en Ratcliff komen op, met Hastings hoofd.)

GLOSTER. Geen onraad! vrienden zijn ’t: Ratcliff en Lovel.

LOVEL. Hier is het hoofd des snooden aartsverraders, Van Hastings, vol gevaar, en nooit verdacht.

GLOSTER. Zoo lief was mij de man, dat ik moet weenen. Ik hield hem voor ’t eenvoudigst goedig schepsel, Dat adem had op aarde als christenmensch; ’k Had hem tot boek gekozen, waar mijn ziel ’t Geheimste, dat zij dacht, in nederschreef; Zoo glad vernis van deugd gaf hij zijn ondeugd, Dat, zijn bekende zonde niet gerekend,— Zijn omgang, meen ik, met de vrouw van Shore,— Hij ied’re smet van de’ argwaan bleef ontgaan.

BUCKINGHAM. En toch, hij was de gluip’rigste verrader, Die ooit geleefd heeft. (Tot den Lord-Mayor.) Spreek, hadt gij ’t kunnen denken of gelooven,— Als wij niet door bijzond’re redding leefden En ’t u getuigden,—dat die aartsverrader Beraamd had, heden in de raadzaal mij En onzen goeden hertog te vermoorden?

MAYOR. Wat, deed hij dit?

GLOSTER. Wel, denkt gij, dat wij Turken zijn of heid’nen, En, tegen alle rechtsvorm in, zoo ijlings De doodstraf aan dien schurk voltrokken hadden, Zoo niet de hachlijkheid van ’t oogenblik En Eng’lands vrede en onze veiligheid Ons had genoopt zoo snel te werk te gaan?

MAYOR. Nu, heil zij u! hij heeft zijn dood verdiend; En beiden deedt gij wel, mylords, verraders Van dergelijke plannen af te schrikken.

BUCKINGHAM. Ik had niets beters meer van hem verwacht, Sinds hij zich eens verslingerde op vrouw Shore.

GLOSTER. Doch ’t was ons plan niet, dat hij sterven zou, Eer gij, mylord, getuige er van kondt zijn, Wat dezer vrienden welgemeende spoed, Iets vuur’ger dan wij wenschten, heeft verhinderd. Ik had gewild, heer, dat gij dien verrader Hadt hooren spreken en van schrik en angst Het plan en doel van zijn verraad belijden, Opdat gij hiervan aan de burgerij 59 Verslag kondt doen, die nu wellicht om hem Ons zal miskennen en zijn dood betreuren.

MAYOR. Maar, beste heer, uw woord volstaat geheel, Als had ik hem gezien en hooren spreken, En twijfelt niet, ik deel, doorluchte prinsen, Den trouwen burgers mee, hoe gij hierin Geheel naar de’ eisch van ’t recht gehandeld hebt.

GLOSTER. Juist hierom wenschten wij uw lordschap hier, Om elk verwijt te ontgaan der booze wereld.

BUCKINGHAM. Doch kwaamt ge ook voor ons doel hier iets te laat, Getuig toch, wat gij hoort, dat wij bedoelden. En nu, Lord-Mayor, mijn waarde heer, vaarwel!

(De Lord-Mayor af.)

GLOSTER. Ga, volg, volg op den voet, neef Buckingham. Naar Guildhall gaat de mayor in alle haast; Toon daar, zooveel de tijd u gunstig schijnt, De onechtheid aan van Edwards kroost; vertel hun, Hoe Edward eens een burger hangen liet, Die had gezegd, dat zijn zoon erfgenaam Der kroon zou zijn; hij had zijn huis bedoeld, Dat naar het gevelteeken zoo genoemd werd. Dan, schilder hun zijn boozen, wulpschen lust, Zijn dierlijk jagen naar gestâge wiss’ling, Dienstmaagden, dochters, vrouwen hun belagend, Wààr ook zijn vlammend oog, zijn roofziek hart, In toomloos blaken zich een prooi verkoos. Ja, tref desnoods in zoo ver ook mijzelf: Zeg hun, dat, toen mijn moeder van dien woest’ling, Van Edward, groot ging, de doorluchte York, Mijn hooge vader, oorlog voerde in Frankrijk, En door nauwkeur’ge tijdsbereek’ning vond, Dat dit kind niet een spruit van hem kon zijn, Wat ook door al zijn trekken zich verried, Die geenszins naar mijn eed’len vader zweemden. Doch roer dit met verschooning aan, van verre, Omdat, zooals gij weet, mijn moeder leeft.

BUCKINGHAM. Ducht niets, mylord, ik zal voor reed’naar spelen, Als ware ’t gulden loon, waar ik voor pleit, Voor mij bestemd. En nu, mylord, vaarwel.

GLOSTER. En breng hen, zoo gij slaagt, naar Baynard’s slot; 98 Daar treft gij mij in goed, eerwaard gezelschap: Bisschoppen, wijs, geleerd, en vrome vaders.

BUCKINGHAM. Ik ga; en tegen drie, misschien vier uur, Verneemt gij ’t nieuws, dat Guildhall u verschaft.

(Buckingham af.)

GLOSTER. Ga, Lovel, spoed u ras naar doctor Shaw,— En gij (Tot Catesby.) naar broeder Penker;—beiden wensch ik In Baynard’s slot te spreken, binnen ’t uur.

(Lovel, Catesby en Ratcliff af.)

In de eerste plaats geef ik nu heim’lijk last, ’t Gebroed van Clarence uit het oog te voeren, En streng bevel, dat niemand, wie ook, ooit Wordt toegelaten tot de beide prinsen.

(Gloster af.)

ZESDE TOONEEL.

Een straat in Londen.

Een Kanselarijschrijver komt op.

KANSELARIJSCHRIJVER. Hier heb ik de aanklacht van den goeden Hastings, In ’t net geschreven met een staande hand, Dat elk ze heden in Sint Paul kan lezen. En zie, hoe alles fraai te zamen hangt: Elf uren kostte mij het overschrijven, Want Catesby zond het stuk mij gist’renavond; Het stellen duurde wis geen kort’ren tijd; En toch, vijf uur geleden leefde Hastings, Nog onbeschuldigd, onverhoord, vrank, vrij. Een schoone wereld thans!—Wie is zoo stomp, Dat hij ’t bedrog, zoo tastbaar, niet doorziet, En wie zoo stout te zeggen, wat hij ziet? Boos is de wereld; alles gaat te grond, Sluit vrees bij zulk een boosheid elk den mond.

(Schrijver af.)

ZEVENDE TOONEEL.

Londen. Het binnenhof van Baynard’s slot.

Gloster komt van de eene zijde op, Buckingham van de andere.

GLOSTER. Hoe is ’t, hoe is ’t, wat zegt de burgerij?

BUCKINGHAM. Nu, bij de heil’ge moeder onzes Heeren, De burgerij is stom, zij zegt geen woord.

GLOSTER. En spraakt gij van de onechtheid van de prinsen?

BUCKINGHAM. Ja, en van ’t echtverdrag met lady Lucy, En zijn verloving in Parijs bij volmacht, En van zijn booze lusten, nooit verzaad, Het dwingen tot zijn wil van burgervrouwen, Zijn woeden om een niets, van zijn onechtheid, Daar hij verwekt moet zijn, terwijl zijn vader In Frankrijk was, alsook van zijn gelaat, Dat geen gelijk’nis met den hertog toonde; En toen maakte ik gewag van uwe trekken, En schetste u als uws vaders evenbeeld Door vorm zoowel als adel van gemoed, En sprak van al uw Schotsche zegepralen, Uw krijgsbeleid, uw wijsheid in den vrede, Uw goedheid, deugd en vrome need’righeid; Niets inderdaad, wat tot uw doel kon leiden, Werd niet vermeld, of vluchtig slechts genoemd; En ’k riep, toen ik aan ’t eind was mijner rede, Een elk, die Eng’land liefhad, op, te juichen: „God zegen’ Richard, Eng’lands heer en koning.”

GLOSTER. En deden zij ’t? 23

BUCKINGHAM. Neen, help’ mij God! zij spraken zelfs geen woord; Als stomme beelden, ademende steenen, Zoo staarden zij, doodsbleek, elkander aan. Dit ziende, gispte ik hen en vroeg den mayor, Wat dit halsstarrig zwijgen moest beteek’nen. Die zeide, ’t volk was niet gewoon, dat iemand Hen toesprak, dan de man, wiens ambt het was. Die moest nu, wat ik had gezegd, herhalen: „Zoo zegt de hertog, zoo beweert de hertog,” Maar sprak geen enkel woord om ’t zelf te staven. Hij zweeg; toen wierpen enk’len mijner lieden, Aan ’t eind der zaal, de muts omhoog; en tien, Twaalf stemmen riepen: „Leve koning Richard!” Fluks deed ik met die wein’gen nu mijn voordeel En sprak: „Dank, lieve vrienden, wakk’re burgers; Die algemeene en blijde bijvalskreet Toont, dat gij wijs zijt en u Richard lief is.” En snel brak ik toen af en ging van daar.

GLOSTER. Wat stomme blokken! wilden zij niet spreken?

BUCKINGHAM. ’k Verzeker u, geen woord, mylord.

GLOSTER. En wil de mayor niet komen met de zijnen?

BUCKINGHAM. De mayor is reeds nabij. Toon u bezorgd; Wees niet te spreken dan op sterken aandrang; En, hoor, neem een gebedenboek ter hand, En neem aan elke zijde een geest’lijk heer, Want op dien grond vertrouw ik, hen te stichten. Geef ook aan hun verzoek niet snel gehoor, Maar speel een meisjesrol: zeg „neen,” en grijp het.

GLOSTER. Ik ga; doet gij voor hen uw woord zoo goed, Als ik voor mij u antwoord geef met neen, Dan kunnen we op een heuchlijk slagen reek’nen.

BUCKINGHAM. Ga, ga, ’t balkon op! de lord-mayor klopt aan.

(Gloster af).

(De Lord-Mayor komt op, met Aldermans en andere Burgers.)

Mylord, wees welkom; ja, ik schilder hier; Licht moog’lijk is de hertog niet te spreken.

(Catesby komt uit het slot.)

Nu, Catesby, geeft de hertog mij gehoor?

CATESBY. Hij vraagt, dat uw genade, waarde lord, Op morgen hem bezoeke, of overmorgen. Hij is in ’t slot met twee eerwaarde vaders In geest’lijke overpeinzing gansch verdiept; Hij wil niet, dat een wereldsch doel hem dringt, Nu van die heilige oef’ning af te zien. 64

BUCKINGHAM. Vriend Catesby, ga nog eens tot de’ eed’len hertog; Zeg hem, dat ik, de mayor en aldermans Met ernstig doel, om zaken van gewicht, Niets minder dan ons aller welzijn rakend, Een onderhoud met zijn genade wenschen.

CATESBY. Ik wil ’t hem daad’lijk melden, edel heer.

(Catesby af.)

BUCKINGHAM. Nu, deze prins, mylord, is niet een Edward, Niet op een weeld’rig rustbed uitgestrekt, Neen, neergeknield in heilige overpeinzing; Niet met een paar boelinnen dartel schertsend, Neen, peinzend met een paar geleerde priesters; Niet slapend om het trage lijf te mesten, Neen, biddend om zijn wakk’re ziel te sterken; Gelukkig Eng’land, zoo de vrome vorst Het koningschap des lands aanvaarden wilde! Edoch, ik vrees, ons smeeken is vergeefsch.

MAYOR. Verhoede God, dat zijn genade neen zegt!

BUCKINGHAM. Ik vrees, dit doet hij. Daar is Catesby weer.

(Catesby komt weder op.)

Nu, Catesby, wat is ’t antwoord van zijn hoogheid?

CATESBY. Hij staat verbaasd, waarom gij zulk een macht Van burgers voor zijn slot verzameld hebt; En daar dit niet vooraf hem werd gemeld, Zoo ducht hij, dat gij weinig goeds bedoelt.

BUCKINGHAM. Het doet mij leed, dat mijn doorluchte neef Vermoedt, dat ik iets kwaads bedoelen kan. Bij God, de reinste liefde voert ons hier! Ga dus nog eens en zeg dit zijn genade.

(Catesby af).

Zijn vrome lieden aan hun rozenkrans, Dan valt het zwaar, hen daarvan af te lokken; Zoo zoet voor ’t hart is ijv’rig overpeinzen.

(Gloster verschijnt boven, op een balkon, tusschen twee bisschoppen. Catesby komt terug.)

MAYOR. Zie, zijn genade met twee heil’ge mannen!

BUCKINGHAM. Twee deugdpilaren voor een christenvorst, Beletsels, dat hem ijdelheid ten val brengt! En in zijn hand, zie, een gebedenboek, Echt sieraad, om een vromen man te kennen. Plantagenet, roemruchtig, waardig vorst, Verleen een gunstig oor aan ons verzoek, En duid het storen van uw vromen ijver En christ’lijke overdenking ons niet euvel.

GLOSTER. Geen verontschuldiging, mylord, is noodig; Ik vraag u, dat gij ’t mij niet euvel duidt, Dat ik, verzonken in den dienst mijns Gods, Gedraald heb met de ontvangst van mijne vrienden. Maar nu, wat is ’t, dat uw genade wenscht?

BUCKINGHAM. Iets, wat aan God en alle braven, hoop ik, 109 In dezen onbeheerden staat, behaagt.

GLOSTER. Ik heb vermoeden, dat ik iets beging, Wat in der burg’ren oogen onrecht is, En dat gij mijn onachtzaamheid komt laken.

BUCKINGHAM. Zoo is ’t, mylord; en mocht het u behagen, Op onze beê ’t verzuim weer goed te maken!

GLOSTER. Leef ik niet daarvoor in een christenland?

BUCKINGHAM. Zoo weet dan, dit is uw verzuim: gij laat Den hoogen stoel, den troon der majesteit, De sceptervoering van uw voorgeslacht, Uw rang door ’t lot, uw aanspraak door geboorte, Den erfroem van uw koninklijken stam, Aan de’ uitwas over van een valschen tak. De zachtheid van uw domm’lige gedachten, Die wij tot welzijn van het land hier wekken, Berooft dit edel eiland van zijn leden; Misvormd is zijn gelaat door schandemerken, Zijn vorstenstam geënt met wilde rijzen, Schier neergestort in de’ opgesperden afgrond Der diepste en donkerste vergetelheid. Om dit verderf te keeren, smeeken wij, Dat uw genade zelf den last aanvaarde En ’t koninklijk bewind in dit uw land, Niet als protector, ruwaard, plaatsvervanger, Als slaafsch bewerker van eens anders winst, Neen, als ’t van lid tot lid aan u gekomen Geboorterecht, uw eigen erf en rijk. Dies kom ik, mij vereenend met de burgers, Uw vrienden, die u eeren en beminnen, En op hun vuur’gen drang, om uw genade Voor ons en onze goede zaak te stemmen.

GLOSTER. Ik weet niet, of stilzwijgend heen te gaan, Of u met scherpe reed’nen te bestraffen, Met mijnen rang en uwen staat best strookt; Antwoord ik niet, misschien zoudt gij vermoeden, Dat schuilende eerzucht, stom, bereid zich toont Om ’t gulden juk van ’t koningschap te dragen, Waar gij mij dwaaslijk mee beladen wilt; En doe ik u verwijten voor uw bede, Die uwe trouwe liefde zoo mij kruidt, Dan stoot ik mijne vrienden voor het hoofd. Ik spreek dus, en ontga zoo de eerste klip; Maar wil bij ’t spreken ook de tweede ontwijken; En daarom zij mijn stellig antwoord dit: Uw liefde is wis mijn dank waard; doch mijn waarde, Verdienst’loos is ze, en schuwt uw hoog verlangen. Vooreerst, ware ied’re hindernis gekapt En heel de weg mij naar de kroon geëffend,— Als waar’ gerijpt, wat mijn geboort’ mij schonk,— Dan blijft mijns geestes armoê toch zoo groot, En wat me ontbreekt zoo machtig en zoo veel, Dat ik veel liever wegschuil voor mijn grootheid,— Een boot mij wetend, die geen zee kan bouwen,— Dan dat ik in mijn grootheid schuilen wil En stikken in den nevel van mijn glorie. 164 Doch, Gode dank! gij hebt mij niet van noode; En ’k ware in nood, hadt gij voor hulp mij noodig;— De koningsboom liet koningsvrucht ons na, Die, door den stillen gang des tijds gerijpt, Der majesteit gestoelte eens sieren zal, En wis door zijn bewind ons heil verzeek’ren. Hem leg ik op, wat gij op mij wilt leggen, Het recht en erfdeel van zijn goed gesternte; En God verhoede, dat ik ’t hem ontrukk’!

BUCKINGHAM. Mylord, dit toont een nauwgezet gemoed; Doch uw bezwaren zijn gezocht en nietig, Wanneer gij alles grondig overweegt, Gij zeidet: Edward is uws broeders zoon; Wij zeggen ’t ook,—maar niet van Edwards vrouw; Want eerst was hij verloofd met lady Lucy,— Uw moeder, die nog leeft, kan dit getuigen;— En later werd hij ondertrouwd bij volmacht Met Bona, zuster van den Franschen koning. Die beiden schoof hij ras ter zij; er kwam Een arme smeekelinge, een neergebogen, Berooide moeder van verscheiden zoons; En die bedrukte, half verlepte weduw, Den middag van haar goeden tijd voorbij, Verraste, boeide en won zijn dartel oog, En bracht het hoogste streven van zijn geest Tot diepen val en boozen dubbelecht. Bij haar, in dat onwettig bed, verwekte Hij Edward, uit beleefdheid prins genoemd. Nog snijdender kon ik uw recht u toonen, Doch uit ontzag voor enk’len, die nog leven, Perk ik mijn tong verschoonend grenzen af. Neem dus, mylord, thans voor uw vorstlijk hoofd De waardigheid, die wij u bieden, aan, Zoo niet om ons en heel het land te zeeg’nen. Ten minste om de’ eed’len stam, waaruit gij sproot, Die door ’t bedrog des tijds verbast’ren zou, Zijn echten, rechten wasdom weer te geven.

MAYOR. Stem toe, mylord; uw burgers bidden ’t u.

BUCKINGHAM. Wijs, hooge vorst, niet af, wat liefde u biedt.

CATESBY. Maak hen verheugd; verhoor hun wettig smeeken.

GLOSTER. Ach, waarom dringt gij deze zorg mij op? Ik deug niet voor vertoon en majesteit;— Ik bid u, neemt het mij niet euvel af, Ik kan en wil uw wenschen niet verhooren.

BUCKINGHAM. Als gij niet wilt,—als uwe liefde huivert, 208 Dat kind, uws broeders zoon, de kroon te ontnemen, Gelijk uws harten zachtheid ons bekend is, Uw teed’re, weeke, vrouw’lijk zachte denkwijs, Die gij voor uw verwanten,—’t bleek ons,—voedt, Ja eveneens, voorwaar, voor alle standen,— Zoo weet: of ge onzen wensch verhoort of niet, Uws broeders zoon heerscht nimmer hier als vorst; Wij planten iemand anders op den troon, Tot smaad en ondergang van heel uw huis; Met dit besluit verlaten wij u thans. Komt, burgers, komt; bij God, ik smeek niet meer!

GLOSTER. O vloek toch niet, mylord van Buckingham!

(Buckingham en de Lord-Mayor gaan heen, de Burgers volgen.)

CATESBY. Roep hen terug, geliefde prins, verhoor hen; Wijst gij hen af, geheel het land zal boeten.

GLOSTER. Wat dwingt gij mij een wereld op van zorgen? Roep hen terug; ik heb geen hart van steen, Maar ben door vriendensmeeking te vermurwen,

(Catesby houdt de reeds vertrekkende burgers terug en gaat heen.)

Al zegg’ mijn ziel en mijn geweten neen.—

(Buckingham, de Lord-Mayor en de overigen komen terug, met Catesby.)

Mijn neef van Buckingham, en acht’bre mannen, Wijl gij ’t geluk mij op de schouders gespt, Om, of ik wil of niet, zijn last te dragen, Moet ik me er onder buigen, met geduld; Maar als nu zwarte laster, bitt’re smaad, Ooit in ’t vervolg verschijnen van uw dwang, Dan spreke uw noodzaak, die mij bukken deed, Mij vrij van elke blaam en elke smet; ’t Is God bekend, en deels ziet gij het zelf, Hoe ver van mij begeerte en eerzucht is.

MAYOR. God loon ’t u, heer! wij zien ’t, en zullen ’t zeggen.

GLOSTER. En als gij ’t zegt, is ’t waarheid, wat gij zegt.

BUCKINGHAM. Zoo groet ik thans u met uw koningsnaam: Lang leve Richard, Eng’lands waardig koning!

ALLEN. Amen!

BUCKINGHAM. Behaagt het u, dat morgen ’t kronen volge?

GLOSTER. Als ’t u behaagt: gij zijt het, die het wilt.

BUCKINGHAM. Op morgen dus verzellen wij uw hoogheid; En nemen afscheid met blijmoedig hart.

GLOSTER (tot de Bisschoppen.) Komt, gaan wij weder aan ons heilig werk.— Vaarwel, mijn neef;—vaartwel, mijn lieve vrienden!

(Allen af).

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Voor den Tower.

Van de eene zijde komen op: Koningin Elizabeth, de Hertogin van York en de Markies van Dorset; van de andere zijde: Anna, hertogin van Gloster, met Clarence’s kleine dochter Margaretha Plantagenet, aan de hand.

HERTOGIN. Wie zie ik daar? Plantagenet, mijn kleinkind, En door moei Gloster bij de hand geleid! Zoo waar ik leef, recht hart’lijk gaat zij daar De jonge prinsen in den Tower bezoeken.— Welkom, mijn dochter!

ANNA. God verleene u beiden Een morgen, die geluk en vreugde u breng’!

KONINGIN ELIZABETH. U, goede zuster, ook! Waar gaat gij heen?

ANNA. Niet verder dan den Tower; en, naar ik gis, Heeft uwe bedevaart hetzelfde doel: Den lieven prinsen daar een groet te brengen.

KONINGIN ELIZABETH. Dank, lieve zuster; allen gaan wij saam. 11

(Brakenbury komt op.)

En juist van pas komt daar de commandant.— Heer commandant, met uw verlof, ik bid u, Hoe maakt de prins het en mijn kleine York?

BRAKENBURY. Zeer goed, vorstin; maar, wil het mij vergeven. Ik mag niet toestaan, dat gij hen bezoekt; De koning heeft uitdrukk’lijk dit verboden.

KONINGIN ELIZABETH. De koning! wie?

BRAKENBURY. Ik meen den Lord Protector.

KONINGIN ELIZABETH. Behoede God hem voor dien koningstitel! Plaatst hij zich tusschen hunne liefde en mij? Ik ben hun moeder; wie verspert hen mij?

HERTOGIN. Ik ben huns vaders moeder; ’k wil hen zien.

ANNA. En ik hun moei, in liefde hun een moeder; Laat mij dus binnen; ’k neem uw schuld op mij; Ik schors u,—en ’t gevaar voor mijne reek’ning.

BRAKENBURY. Neen, eed’le vrouw, ik neem geen schorsing aan; Ik deed een eed er voor; vergeef mij dus.

(Brakenbury af.)

(Stanley komt op.)

STANLEY. Waar’ dit uur reeds verstreken, eed’le vrouwen, Dan groette ik uw genâ van York als moeder En leidsvrouw van twee schoone koninginnen.— (Tot Anna.) Kom, eed’le vrouwe, haast u naar Westminster; U wacht de kroon als Richards koningin. 33

KONINGIN ELIZABETH. O, snijd mijn keurslijf los; Mijn hart, beklemd, wil ruimte voor zijn kloppen, Of ik bezwijm bij zulk een moordend nieuws!

ANNA. O booze tijding! O onwelkom nieuws!