Part 11
IV. 4. 221. ’t Is alsof ik uw schapen ’t leven nam. In ’t Engelsch noemt Richard de vermoorde knapen my cousins, waarop Elizabeth, spelende met het nagenoeg gelijkluidende woord to cozen, „foppen, bedriegen, bedrieglijk berooven”, antwoordt: Cousins, indeed; and by their oncle cozen’d of comfort, kingdom enz.—Deze regel en de dertien volgende ontbreken in de quarto’s.
IV. 4. 255. Zoo weet: ik min tot stervens toe uw dochter. In ’t Engelsch zegt Richard from my soul, „van ganscher ziel, uit of met mijn gansche ziel,” en Elizabeth vat dit op: „ver van de ziel, buiten de ziel” en noemt als tegenstelling with her soul, „met haar gansche ziel.” In ’t Nederlandsch moest dit op een andere wijze uitgedrukt worden.
IV. 4. 228. En zoo ik alles deed uit min tot haar? Deze en de 54 volgende regels, die een zeer belangrijk deel van het gesprek uitmaken, tot „haar teed’re jeugd,” ontbreken in de quarto’s.
IV. 4. 346. Wat aller vorsten opperkoning wraakt. Het huwelijk tusschen oom en nicht werd door het strenge kerkelijk recht gewraakt; ook de kronieken spreken vooral om de nauwe bloedverwantschap met afschuw van Richards plan.
IV. 4. 366. Bij mijn Sint George. Richard droeg, als koning, het beeld van den heiligen George op de borst.
IV. 4. 374. Dan, bij mijzelf. Bij deze en de volgende drie regels is de rangschikking der folio, die inderdaad beter te achten is dan die der quarto’s, behouden. De quarto’s hebben: „Welnu, bij de aard”.... „Mijns vaders dood” „Dan, bij mijzelf”.... „Nu dan, bij God”.... Daarentegen hebben de quarto’s in reg. 379 beter the king thy brother en reg. 380 my brother, de folio daarentegen the king my husband en my brothers; men vergelijke, wat het meervoud my brothers betreft, de aanteekening bij II. 1. 67. Slechts één broeder, lord Rivers, komt in dit stuk voor.
IV. 4. 424. Daar, in dat feniksnest. In ’t Engelsch staat: In dat specerijen-nest, in dat uit geurige specerijen gebouwde nest; R. zinspeelt daarmede op den feniks, die, nadat hij zich met zijn geurig nest verbrand heeft, uit zijn asch herleeft.
IV. 4. 428. Ik ga;—zend spoedig mij een schrijven toe, En ik meld u, hoe zij er over denkt. Aangaande de onderhandelingen tusschen Richard en koningin Elizabeth melden Sh. bronnen het volgende:
De sluwe Stanley wist den argwaan des konings, die op hem als stiefvader van den graaf van Richmond rusten moest, zoo goed te ontgaan, dat deze hem alleen streng gebood, elk verkeer tusschen zijn vrouw en de partij van Richmond te beletten. De graaf van Richmond zelf wekte hem meer bezorgdheid. Tevergeefs had hij den hertog van Bretagne tot uitlevering van den pretendent trachten te bewegen; de markies van Dorset was uit de vrijplaats te Westminster tot hem gevlucht; het was geen geheim, dat het plan bestond van een huwelijk tusschen Richmond en de oudste dochter van Edward IV, waardoor ook de erfrechten van het huis York op Richmond zouden overgebracht zijn. Om dit gevaar te voorkomen, kwam Richard op de afschuwelijke gedachte, zooals de kroniek zegt, om zijns broeders weduwe, Elizabeth, door fraaie woorden en schoone beloften te verzoenen, aldus haar en haar dochter in zijn macht te krijgen en het huwelijk met Richmond te beletten. En als er geen ander middel om zijn troon te redden overbleef, wilde hij liever zelf, ingeval zijn gemalin Anna stierf, zijn nicht huwen. Hij zond hiertoe schrandere en welbespraakte mannen naar de vrijplaats tot de koninginweduwe, die hem tegen de beschuldiging van booze aanslagen moesten verdedigen en haar tallooze weldaden moesten beloven voor haar zelve, haar dochters en haar zoon Dorset, wanneer zij zich met Richard wilde verzoenen. En werkelijk begon de koningin toe te geven; zij vergat den moord harer onschuldige kinderen, de beschimping van haar gemaal, de smet, op haar huwelijk geworpen, de eeden, die zij aan graaf Richmond gedaan had; verblind door haar hebzuchtige teederheid voor haar dochters en haar zoon, gaf zij haar dochters in ’s konings hoede, als lammeren in die van den hongerigen wolf, en schreef aan haar zoon, dat hij naar Engeland, waar hem groote eerbetooningen wachtten, kon terugkeeren, dat alles vergeven en vergeten en de liefde des konings voor haar huis verzekerd was. „Waarlijk,” roept de kroniekschrijver uit, „de wankelmoedigheid dezer vrouw zou groote bevreemding wekken, indien alle vrouwen bestendig waren; maar de vrouwen zullen altijd haar aangeboren natuur volgen. Inderdaad was de verlokking groot; want daar de vrouwen meest naar grootheid streven en verhooging in rang haar het gemakkelijkst verleidt, is het minder te verwonderen, dat koning Richard haar zwakheid overwon. Ook is wel aan te nemen, dat zij het niet waagde zijn voorslagen af te wijzen, opdat hij zijn boosheid niet op haar, de hulpelooze, bot vierde.” Zijn bedoelingen met haar oudste dochter zeide hij haar niet; het leven zijner gemalin was nog een hindernis bij dit plan. Weldra stierf zij, waarschijnlijk door vergif, gist de kroniekschrijver. Toen echter bevond Richard, dat zijn nicht een huwelijk met hem te zeerste verafschuwde, zooals inderdaad iedereen deed, en besloot de zaak nog uit te stellen; trouwens, hij had andere zorgen: Richmond was geland en vele Engelsche edelen waren in het geheim op zijn hand.
Naar aanleiding van deze mededeelingen der kroniek heeft Sh. het gesprek van Richard met koningin Elizabeth ontworpen, dat inderdaad een nauwkeurige studie vereischt, zoo men er den gang goed van wil begrijpen. Elizabeth is aanvankelijk buiten zichzelf over Richards ongehoorden voorslag en geeft, zonder eenige voorzichtigheid in acht te nemen, aan haar bitterheid jegens den moordenaar den vrijen loop, en haar hartstochtelijkheid uit zich te sterker, daar de sluwe koning elke dreiging vermijdt. Doch plotseling doet hij haar met een paar korte gezegden, reg. 407 en vlgg., gevoelen, dat zij aan den rand van een afgrond staat, waarin zijn hand haar en de haren ieder oogenblik kan neerstorten. Nu keert haar bezinning terug en daarmede de voorzichtigheid; daar Richard onmiddellijk weder tot zijn zachtmoedige wijs van spreken was teruggekeerd, was het haar mogelijk, schijnbaar toe te geven, en de koning, die op zijn huichelaarskunst vertrouwt en het menschdom veracht, meent een soortgelijken triomf als vroeger over Anna van Warwick behaald te hebben, zoodat hij geen oogenblik aan zijn overwinning twijfelt en na haar vertrek zijn vreugde lucht geeft met de woorden: „Toegeeflijk dwaashoofd! wank’le zwakke vrouw!” Wel oordeelt de kroniek evenals Richard over het toegeven der koningin, maar volgens deze gaf zij toe zonder iets te vermoeden van Richards huwelijksplan; en bovendien oordeelt ook de kroniek, dat zij wellicht hoopte, door haar handelwijze den dwingeland te ontwapenen. Dat zij inderdaad slechts schijnbaar toegeeft, kan men afleiden uit het volgende tooneel, waarin, namens haar, Stanley haar dochter gaarne aan Richmond toezegt.—Dat wij aldus den gang van dit gesprek kunnen verklaren is door Oechelhäuser, in zijn boven reeds vermeld stuk over „Koning Richard III,” in het licht gesteld.
IV. 4. 477. Dan weet gij niet, waartoe die schooier komt. In ’t Engelsch staat: wherefore the Welshman comes, Richmond was de zoon van een Tudor en de Tudors waren uit Wales. De benaming Welshman drukt ook minachting uit, zooals het woord „Welsche” in het Hoogduitsch; om deze terug te geven is hier de vertaling „schooier” gekozen.—Dat Stanley zijn zoon George als gijzelaar moest achterlaten (reg. 497), vond Sh. in de kronieken; zoo ook, dat deze bij den aanvang van den slag bij Bosworth te nauwernood den dood ontging (V. 3. 344).
V. 3. 63. Geef mij een tijdkaars. In ’t Engelsch: Give me a watch. Richard verlangt een kaars, zooals er in de zestiende eeuw in gebruik waren, die door merken was afgedeeld, om naar het afbranden den tijd te berekenen.—Dat Richard in de nacht voor den slag bij Bosworth door booze droomen gekweld werd, was een gerucht, dat door de kronieken vermeld wordt.—Op het tooneel van Shakespeare waren de tenten van Richard en Richmond zoo ingericht, dat de personen, die er in waren, voor het publiek zichtbaar waren.
V. 3. 180. Het licht brandt blauw. Het was een volksgeloof, dat, als een geest in de nabijheid was, de lichten met een blauwe vlam brandden.
V. 3. 304. Hans Norfolk, tijdig heil gezocht, enz. Dit rijmpje, waarmede men Norfolk, die aan Richard trouw bleef, hoewel hij zijn handelingen laakte, tot afval trachtte te bewegen, luidt in de kroniek:
Jocky of Norfolk, be not too bold, For Dickon thy master is bought and sold.
De folio heeft ten onrechte so in plaats van too; Jocky staat voor John, zooals Dickon voor Richard.
V. 3. 314. Wat heb ik meer te zeggen, dan ik deed? Ongetwijfeld een vreemd begin van een toespraak; men moet er uit vermoeden, dat Richard reeds vroeger zijn troepen heeft toegesproken en dat wij in deze toespraak slechts een laatste aansporing hebben te zien, of wel, dat het begin verloren is gegaan (zie boven blz. 269). Dat beide veldheeren een aanspraak gehouden hebben tot hun leger, deelt de kroniek van Holinshed mede; van Richards toespraak weten wij, dat hij Richmond genoemd heeft „een Walliser, een onnoozele bloed zonder moed of zonder ervaring, die aan het hof van Bretagne als een gevangene geleefd heeft op kosten van mij en van mijn broeder.” Aan dit laatste heeft Sh. reg. 324 ontleend: Long kept in Bretagne at our mother’s cost; „Die in Bretagne ’t brood at onzer moeder.” Shakespeare schreef mother, schoon het brother moest zijn; Richards broeder, koning Edward, had aan den hertog van Bretagne een jaargeld betaald op voorwaarde, dat hij aan Richmond alle ondernemingen tegen Engeland zou beletten. In den tweeden druk van Holinshed’s kroniek (van 1586) staat te dezer plaatse de drukfout mother in plaats van brother, en deze druk was het dus zeker, die door Shakespeare gebezigd werd.
V. 4. 2. ’t Is bovenmenschelijk, wat de koning doet. Inderdaad streed Richard met ontembare dapperheid, hij wilde overwinnen of als koning sterven. Zijn leger was veel grooter dan van zijn tegenstander, maar het verraad schuilde in zijn benden. Lord Thomas Stanley, Richmonds stiefvader, vereenigde zich onder het gevecht met Richmond. Richard stortte zich in glanzende wapenrusting, met de fonkelende kroon op den helm in het dichtste strijdgewoel, om zijn tegenstander te bereiken. Reeds had hij Sir William Brandon, Richmond’s banierdrager, met zijn lans geveld, een anderen sterken ridder ter aarde doen storten, hij bedreigde Richmond zelf, toen te rechter tijd Sir William Stanley, de broeder van Thomas, met drieduizend kloeke mannen Richmond ter hulpe kwam en Richards manschappen op de vlucht dreef. Richard zelf vond na manhaften strijd den dood. Lord Stanley nam zijn van zwaardslagen stukgehouwen kroon en zette haar den overwinnenden Richmond op het hoofd, die door het leger als koning Hendrik VII begroet werd.—Des avonds bracht een heraut van Richard, Blanc Sanglier, het naakte lijk van zijn geweldigen meester, als een geveld stuk wild voor hem op het paard hangende, de stad Leicester binnen, waar het in een klooster ter aarde besteld werd.
V. 4. 7. Een paard! een paard! gansch England voor een paard! In ’t Engelsch: A horse! a horse! my kingdom for a horse! In het andere stuk, dat in 1594 werd uitgegeven (zie boven blz. 789) roept Richard eveneens: A horse! a horse! a fresh horse! Het zou kunnen zijn, dat deze uitroep Shakespeare heeft voorgezweefd, toen hij den diepen indruk makenden regel schreef.—Iets anders schijnt hij aan het oudere stuk niet ontleend te hebben.
V. 5. 29. O, mogen Richmond en Elizabeth, van beide huizen de rechtmatige erven, enz. Ongetwijfeld was het aller wensch, dat de vrede verzekerd werd door het huwelijk van Richmond en Edwards dochter Elizabeth, waardoor de bloedige strijd der roode en der witte roos een einde zou nemen. En zeker kon de dichter niet beter zijn stuk besluiten, dan door dezen wensch den nieuwen koning in den mond te leggen. Doch koning Hendrik VII Tudor stond, zooals de geschiedenis leert, inderdaad zijn geheele leven de meening voor, dat hij krachtens zijn eigen recht heerschte, en zijn aanspraken door zijn verbinding met het huis van York niet versterkt waren, en verder dat zijn strijd met Richard een godsgericht was geweest, welks uitspraak zijn recht op den troon bezegeld had. Shakespeare veroorlooft zich dus hier een dichterlijke vrijheid.
EDWARD III (1312–1377.)
Gemalin: Philippa van Henegouwen.
1. Edward, prins van Wales, genaamd de zwarte Prins (1330-1376). Gemalin: Johanna van Kent. | +- Richard II (1367-1400).
2. (Jong gestorven, 1336).
3. Lionel, hertog van Clarence (1338-1368). | +- Philippa. Gemaal: Edmond Mortimer, graaf van March, † 1382. | +- Roger Mortimer, graaf van March, aangewezen troonopvolger | van Richard II, † 1398 in Ierland. | | | +- Anna Mortimer. Gemaal: Richard, graaf van Cambridge | | (zie onder 5). | | | +- Edmond Mortimer, graaf van March (1392-1425). | +- Edmond Mortimer, schoonzoon van Owen Glendower. | +- Elizabeth, gemalin van Percy, bijgenaamd Heetspoor.
4. Jan van Gent, graaf van Richmond, hertog van Lancaster (1340-1399).
Eerste gemalin: Blanca van Lancaster. | +- Hendrik IV (1336-1413). Gemalin: Marie de Bohun. | +- Hendrik V (1387-1422). Gemalin: Catharina van | Frankrijk. | | | +- Hendrik VI (1421-1471). Gemalin: Margaretha van | Anjou. | | | +- Edward, prins van Wales (1453-1471). Gemalin: Anna | Nevil, dochter van den graaf van Warwick. | +- Thomas, hertog van Clarence, † 1421. | +- John, hertog van Bedford, † 1435. | +- Humphrey, hertog van Gloster, † 1447.
Tweede gemalin: Constance van Castilië.
Catharina Swijnford, † 1403. | +- John Beaufort, graaf van Somerset, markies van Dorset, | † 1410. | | | +- John, hertog van Somerset, † 1447. | | | | | +- Margaretha, † 1509, gehuwd met Edmond Tudor, | | graaf van Richmond. | | | | | +- Hendrik VII, Tudor, graaf van Richmond | | (1456-1509). Gemalin: Elizabeth van York, dochter | | van Edward IV. (Zie onder 5). | | | +- Edmond, hertog van Somerset, † 1455. | | | | | +- Hendrik, hertog van Somerset, † 1464. | | | | | +- Edmond, hertog van Somerset, † 1471. | | | | | +- Margaretha, gehuwd met Humphrey, graaf van Stafford | | (zie onder 7). | | | | | +- Hendrik Stafford, hertog van Buckingham, † 1483. | | | +- Johanna, gehuwd met Jacobus I, van Schotland. | +- Kardinaal Beaufort, † 1447. | +- Thomas Beaufort, hertog van Exeter, † 1444. | +- Johanna Beaufort, gehuwd met Ralf Nevil, graaf van Westmoreland.
5. Edmund van Langley, hertog van York (1342-1402). Gemalin: Isabella de Padilla. | +- Edward, graaf van Rutland, hertog van Aumerle, later van | York, † 1415 (bij Agincourt). | +- Richard, graaf van Cambridge, rebel tegen Hendrik V, † 1415. Gemalin: Anna Mortimer, dochter van Roger Mortimer. (Zie onder 3). | +- Richard Plantagenet, hertog van York, † 1460. Gemalin: Cecilia Nevil, dochter van Ralf Nevil, graaf van Westmoreland. | +- Edward IV (1442-1483). Gemalin: Elizabeth Woodville. | | | +- Elizabeth (1467-1503). Gemaal: Hendrik VII | | Tudor. | | | +- Edward V (1470-1483). | | | +- Richard, hertog van York (1474-1483). | +- Edmond, graaf van Rutland (1443-1460). | +- Margaretha, in 1468 gehuwd met Karel de Stoute, hertog | van Bourgondië. | +- George, hertog van Clarence (1448-1478), gehuwd met | Isabella Nevil, dochter van den graaf van Warwick. | | | +- Edward, † 1499. | | | +- Margaretha, gehuwd met Sir Richard Pole, sinds 1513 | hertogin van Salisbury (1471-1541). | +- Richard III, eerst hertog van Gloster (1452-1485). Gemalin: Anna Nevil, weduwe van Prins Edward (zie onder 4). | +- Edward, prins van Wales (1473-1484).
6. (Jong gestorven, 1348).
7. Thomas van Woodstock, hertog van Gloster, gestorven te Calais, in gevangenschap (1356-1397). | +- Humphrey, graaf van Buckingham, † 1460. | +- Humphrey, graaf van Stafford, † 1455 (zie onder 4).
AANTEEKENINGEN
[1] De koning had vroeger met deze dame vertrouwelijken omgang gehad; op aansporen van zijn verwanten, die zijn huwelijk met Lady Grey wilden beletten, kwam zij, op grond van ontvangen trouwbelofte, tegen dit huwelijk op. (Philippe de Comines, tijdgenoot van koning Edward, bericht, dat Edward met een Engelsche dame werkelijk getrouwd is geweest en dat het huwelijk door den bisschop van Bath gesloten was. Volgens de kroniek van Croyland, die hetzelfde bericht, zou deze dame Eleanor Butler, weduwe van Lord Butler van Sudley, en dochter van den graaf van Salisbury, geweest zijn.)
Op dezen grond werden de kinderen van Edward voor onwettig verklaard bij parlementsbesluit, waarin echter Elisabeth Lucy niet genoemd wordt.
Shakespeare volgt Holinshed, wiens bron Hall’s kroniek was, welke op haar beurt uit het bericht van Sir Thomas More geput heeft.
[2] Zij was de dochter van Edmond van Woodstock, graaf van Kent. Zij was eerst gehuwd met graaf Holland; van haar zoons uit dit huwelijk zijn hier te noemen; Thomas, graaf van Kent, later hertog van Surrey, en John, graaf van Huntingdon, later hertog van Exeter.
[3] Deze Edmond Mortimer is met zijn oom, Edmond Mortimer, broeder van Roger Mortimer, door Shakespeare tot één persoon versmolten.
[4] Bij Shakespeare in K. Hendrik IV, door Heetspoor steeds Kate genoemd, in Holinshed’s kroniek Elianor.
[5] Een zuster van Hendrik IV, Elizabeth, was gehuwd met John, hertog van Exeter, halfbroeder van Richard II.
[6] Na Hendriks dood huwde Catharina met Owen Tudor, een edelman uit Wales.
[7] Edmond Tudor was de zoon van Owen Tudor en Catharina van Frankrijk. Na Edmond Tudor’s dood (1456) huwde Margaretha met Lord Stanley, graaf van Derby.
[8] Zijn zoon Edward, door Hendrik VII in zijn bezittingen hersteld, en onder Hendrik VIII groot-connetabel, werd in 1521 onthoofd. Diens zoon Hendrik voerde alleen den titel van Graaf van Stafford.
[9] Haar zoon was: Richard Nevil, door huwelijk graaf van Salisbury, wiens zoon Richard door zijn huwelijk graaf van Warwick werd; haar dochter Cecilia huwde met Richard Plantagenet, zie onder 5.