Chapter 6 of 11 · 3912 words · ~20 min read

Part 6

DORSET. O kalmte!—moeder, spreek, hoe gaat het u?

KONINGIN ELIZABETH. O Dorset, spreek niet tot mij, spoed u heen; Dood en verderf vervolgt u op de hiel; Uw moeders naam is kind’ren tot een voorspook. Wilt gij den dood ontgaan, vlucht over zee, En ga tot Richmond, uit den greep der hel. Ga, haast u, haast u, uit dit slachthuis voort, Of gij vermeêrt het aantal hier der dooden, En ’k sterf geboeid door Margaretha’s vloek: „Geen moeder, vrouw, noch Eng’lands koningin!”

STANLEY. Vol wijze zorg is deze uw raad, vorstin.— (Tot Dorset.) Gebruik het vluchtig voordeel van elk uur; Ik schrijf aan mijnen zoon om uwentwil, Zoodat hij onderweg u tegenkomt: Laat u niet vangen door onzinnig toeven.

HERTOGIN. O onheilzaaiend stormweer van ellende!— O mijn gevloekte schoot, gij bed des doods; Der wereld hebt ge een basilisk gebroed, Wiens onontwijkbare oogstraal moordend is!

STANLEY. Kom nu, vorstin; men zond vol haast mij uit.

ANNA. En ik zal gaan, het hart vol tegenzin.— O, gave God mij, dat de koningswrong Van goud, die mij het hoofd omspannen moet, Roodgloeiend ijzer ware en ’t brein mij zengde! De zalf zij dood’lijk gif, opdat ik sterv’, Eer iemand roepe: „Leev’ de koningin!”

KONINGIN ELIZABETH. Ga, arme ziel; uw glans benijd ik niet; Wensch niet, tot troost voor mij, uzelve leed.

ANNA. Waarom? geen leed?—Toen hij, mijn gade thans, Op mij, die ’t lijk van Hendrik volgde, toetrad, Toen ’t bloed nauw van zijn handen was gewischt, Het bloed diens engels, van mijn and’ren gade, En van den heil’ge, dien ik weenend volgde,— O, toen ik op ’t gelaat van Richard staarde, Was dit mijn wensch: „Wees gij vervloekt, die mij, Zoo jong, tot zulk een oude weduw maakt! En zoo gij huwt, omware leed uw bed, 74 En zij uw vrouw,—is één ooit zoo verdwaasd, Rampzaal’ger door uw leven, dan gij mij Gemaakt hebt door den dood mijns dierb’ren gaden!” En zie, eer ik den vloek herhalen kon, In korter tijd nog, werd mijn vrouwehart Plompweg gevangen door zijn honigwoorden, Werd zelf het doelwit van mijn eigen vloek, Die sinds mijn oogen alle rust ontroofde; Want nooit, geen enkel uur, werd in zijn bed De gulden dauw des zoeten slaaps mijn deel, Of ik werd wakker door zijn bange droomen. Daarbij, hij haat mij om mijn vader Warwick En zal wis dra van mij ontslagen zijn.

KONINGIN ELIZABETH. Vaarwel, arm hart, uw klagen treft mij diep.

ANNA. Niet dieper, dan mijn ziel uw leed betreurt.

DORSET. Vaarwel gij, die met smart uw glans begroet!

ANNA. Vaar, arme, wel, die afscheid er van neemt!

HERTOGIN (tot Dorset.) Ga gij naar Richmond, goed geluk geleide u!— (Tot Anna.) Ga gij naar Richard, eng’lengoedheid hoede u! (Tot Koningin Elizabeth.) Ga naar uw vrijplaats, goede troost vervulle u! Ik naar mijn graf, waar ik in vrede ruste; ’k Heb tachtig jaren leed en zorg gekend; Elk uur van lust bracht weken van ellend!

KONINGIN ELIZABETH. Toef nog, zie met mij om en groet den Tower.— Heb deernis, oud gebouw, met die twee kind’ren, Die boosheid in uwe muren heeft geprangd! Gij, ruwe wieg voor zulke lieve knapen! Rotsharde voedster, somb’re speelgenoot Voor teed’re prinsen, zorg voor mijne kleenen! Zoo smeekt mijn dwaze smart tot uwe steenen.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een staatsiezaal in het paleis.

Trompetgeschal. Richard, gekroond, Buckingham, Catesby, een Page, en Anderen komen op.

KONING RICHARD. Gij allen, gaat ter zij.—Neef Buckingham,—

BUCKINGHAM. Mijn heer en vorst!

KONING RICHARD. Reik mij de hand. (Richard beklimt den troon.) Door uwen raad, uw bijstand, Is koning Richard nu zoo hoog gezeteld; Maar zal nu deze glans ons slechts een dag, Of zal hij ons door duurzaamheid verheugen?

BUCKINGHAM. Hij leve steeds en blijve u immer bij.

KONING RICHARD. O Buckingham, nu speel ik eens voor toetssteen, En zie of gij van goud zijt, louter goud.— Prins Edward leeft.—Raad, wat ik zeggen wil.

BUCKINGHAM. Spreek verder, beste heer.

KONING RICHARD. Nu, Buckingham, ik meen, ’k wil koning zijn.

BUCKINGHAM. Dat zijt gij ook, mijn hooggeprezen heer.

KONING RICHARD. Zoo, ben ik koning? Ja,—maar Edward leeft. 14

BUCKINGHAM. Ja, edel vorst.

KONING RICHARD. O bitter boos vervolg, Dat: „Jeugdige Edward leeft.”—„Ja, edel vorst.”— Neef, vroeger waart gij zoo stompzinnig niet;— Moet ik het zeggen?—’k Wensch de bastaards dood; En ik zou willen, dat het ras gedaan wierd. Wat zegt gij nu? Spreek daad’lijk, zeg het kort.

BUCKINGHAM. Uw hoogheid kan zijn welgevallen doen.

KONING RICHARD. Hoe is ’t? gij zijt één ijs; uw vuur is koud. Spreek, heb ik uw belofte, dat zij sterven?

BUCKINGHAM. Geef mij een oogwenk lucht en rust, mijn vorst, Aleer ik mij verklaar in deze zaak; Ik zal u spoedig mijn besluit doen kennen.

(Buckingham af.)

CATESBY (ter zijde). De vorst is boos; hij bijt zich op de lip.

KONING RICHARD (komt van zijn troon af.) ’k Wil narren om mij heen met ijz’ren brein, En onbedachte knapen; niemand past mij, Die met behoedzaam oog mijn hart doorvorscht. Die Buckingham, die ’t hooge zoekt, wordt lastig. Knaap!

PAGE. Mijn vorst?

KONING RICHARD. Weet gij niet iemand, wien verleid’lijk goud Zou koopen voor een heim’lijk werk des doods?

PAGE. Ik ken een ontevreden edelman, Wiens armoê met zijn hoogmoed kwalijk strookt; Geen twintig reed’naars roerden zoo zijn hart Als goud, om hem tot alles te verlokken.

KONING RICHARD. Hoe is zijn naam?

PAGE. Zijn naam, mylord, is Tyrrel.

KONING RICHARD. Ik weet van hem. Ga, knaap, en haal hem hier.

(De Page af.)

De sluwe, diepe peinzer Buckingham Zal niet meer bij mijn raadslag naast mij staan; Bleef hij zoo lang mij onvermoeid ter zijde, En hijgt hij nu naar adem?—Nu, het zij!—

(Stanley komt op.)

Gij daar, lord Stanley? wat voor nieuws? 45

STANLEY. Mijn genadig vorst, De markgraaf Dorset, hoor ik, is gevlucht, Tot Richmond, in de streken waar hij toeft.

KONING RICHARD. Catesby, een woord. (Stanley treedt terug.)—Strooi uit bij ’t volk, dat Anna, Mijn vrouw, gevaarlijk, zeer gevaarlijk, ziek is; Ik zorg wel, dat zij buiten toegang blijft. En spoor me een kalen jonker op, wien ik Clarence’s dochter ras tot vrouw kan geven;— De knaap beteekent niets, hem ducht ik niet.— Hoe is het droomt gij?—’k Zeg nog eens verbreid, Dat Anna ziek is, en wel sterven zal; Aan ’t werk! want ik moet zorgen, ied’re hoop, Die door haar groei mij schaden kon, te rooien!—

(Catesby af.)

Mijns broeders dochter moet ik huwen, anders Staat heel mijn koningschap op dun, broos glas.— De zoons vermoorden, dan de dochter huwen? Onzeek’re kans, ja; maar ik waadde in bloed Zoo ver, dat zonde zonde baren moet. Geen schreiend meêlij woont er in dit oog.—

(De Page komt terug met Tyrrel.)

Uw naam is Tyrrel?

TYRREL. James Tyrrel, uw gehoorzaamste onderdaan.

KONING RICHARD. Zijt gij dit waarlijk?

TYRREL. Toets mij, groote vorst.

KONING RICHARD. Sloegt gij wel een van mijne vrienden dood?

TYRREL. Als ’t u behaagt; twee vijanden nog liever.

KONING RICHARD. Dat hebt gij juist getroffen. ’k Heb er twee, Aartsvijanden, die slaap en rust mij rooven, Die ’k wenschte, dat gij onder handen naamt; Tyrrel, ik meen de bastaards in den Tower.

TYRREL. De toegang sta mij open, en weldra Zijt gij van alle vrees voor hen bevrijd.

KONING RICHARD. Dit klinkt mij als muziek. Kom nader, Tyrrel; Ga, met dit teeken.—Sta nu op, en luister;

(Hij fluistert.)

Dat is ’t, niets meer;—bericht mij: ’t is gedaan, En reken op mijn gunst en op bevord’ring.

TYRREL. Ik ga terstond aan ’t werk.

(Tyrrel af.)

(Buckingham komt op.)

BUCKINGHAM. Mylord, ik heb die zaak eens overwogen, Die vraag, waar gij mij over hebt gepolst.

KONING RICHARD. Nu, laat dat.—Dorset is gevlucht naar Richmond.

BUCKINGHAM. Dit hoor ik ook, mylord.

KONING RICHARD. Stanley, hij is uw stiefzoon, geef wel acht. 90

BUCKINGHAM. Mijn vorst, ik bid nu om het mij beloofde, Waarvoor gij woord en eere hebt verpand, Het graafschap Hereford en de tilb’re have, Waarvan gij mij ’t bezit verzekerd hebt.

KONING RICHARD. Let, Stanley, op uw vrouw; verzendt zij brieven Aan Richmond, gij zijt er aanspraak’lijk voor.

BUCKINGHAM. Wat zegt uw hoogheid op mijn billijk vragen?

KONING RICHARD. Het staat mij voor,—Hendrik de Zesde heeft Voorspeld, dat Richmond koning worden zou, Toen Richmond nog een nietig knaapje was. Koning!—wellicht—

BUCKINGHAM. Mijn vorst,—

KONING RICHARD. Vanwaar, dat die profeet niet zeggen kon, Dat ik, die bij hem stond, hem dooden zou?

BUCKINGHAM. Mijn vorst, het mij beloofde graafschap—

KONING RICHARD. Richmond!—Ik was onlangs in Exeter; Daar liet de burgemeester ’t slot mij zien, En noemde ’t Rougemont; bij dien naam rilde ik, Omdat een Iersche bard mij eens voorspelde, Dat ik na ’t zien van Richmond veeg zou zijn.

BUCKINGHAM. Mijn vorst,—

KONING RICHARD. Nu ja, hoe laat is ’t?

BUCKINGHAM. Ik waag het, uwe hoogheid te herinn’ren Aan wat mij werd beloofd.

KONING RICHARD. Nu goed; maar zeg, hoe laat?

BUCKINGHAM. Op slag van tienen.

KONING RICHARD. Goed, laat het slaan.

BUCKINGHAM. Waarom dit: „Laat het slaan?”

KONING RICHARD. Wijl tusschen mijn gedachten en uw beed’len Uw slag steeds komt, als van een klokkeventje, Ik ben in geen goedgeefsche luim vandaag.

BUCKINGHAM. Zoo? Dan—verklaar mij, of gij wilt, of niet.

KONING RICHARD. Gij hindert mij, ik heb geen milde bui.

(Koning Richard en Gevolg af.)

BUCKINGHAM. Zoo, staat het zoo? betaalt hij al mijn diensten Met zulk een hoon? maakte ik hem daarvoor koning? Ik spiegel mij aan Hastings; en ik snel, Reeds veeg, naar Brecknock, eer de bijl mij vell’.

(Buckingham af.)

DERDE TOONEEL.

Aldaar.

Tyrrel komt op.

TYRREL. Het bloedig stuk, de gruwel is gepleegd, De zwartste daad van deerniswaarden moord, Waar ooit dit land de schuld van op zich laadde. Dighton en Forrest, die ik had gehuurd Voor dit meedoogenlooze slachterswerk,— Ofschoon aartsschurken, honden heet naar bloed, Zij smolten weg in teederheid en meêlij, Als kind’ren, bij ’t verhaal huns droeven doods. „O, zoo,” sprak Dighton, „lag het lieve paar,” „Zoo, zoo,” sprak Forrest, „beide’ elkaâr omstreng’lend Met hunne schuldelooze albasten armen, De lippen als vier rozen ééner plant, Die in haar zomerpracht elkander kusten; ’t Gebedenboek lag bij hen, op hun peluw; Wat,” zeide Forrest, „schier mijn ziel bekeerde, Maar, o, de duivel!”—plots’ling zweeg de schurk, En Dighton sprak toen verder:—„Wij versmoorden Het liefste meesterwerk, dat ooit natuur Sinds de’ eersten dag der schepping had gevormd.” Voort ijlden beiden vol gewetenswroeging; Zij konden niet meer spreken; ’k liet hen gaan, Om zelf den moord’naar-koning ’t nieuws te melden.

(Koning Richard komt op.)

Daar komt hij.—Alle heil, mijn heer en koning!

KONING RICHARD. Vriend Tyrrel, maakt uw tijding mij gelukkig?

TYRREL. Wanneer ’t gedaan zijn van ’t gegeven werk U, heer, gelukkig maakt, wees dan gelukkig; Het is gedaan.

KONING RICHARD. Gij zaagt toch zelf hen dood?

TYRREL. Ja, heer.

KONING RICHARD. En ook begraven, beste Tyrrel?

TYRREL. De kapelaan des Towers heeft hen begraven, En ’k weet, moet ik erkennen, zelf niet waar.

KONING RICHARD. Kom tot mij, Tyrrel; spoedig, in de voornacht; Dan moet gij mij vertellen, hoe zij stierven. Bedenk ook, hoe ik u beloonen kan, En wees weldra bezitter van uw wensch. Vaarwel intusschen!

TYRREL. Need’rig neem ik afscheid.

(Tyrrel af.)

KONING RICHARD. Den zoon van Clarence heb ik opgekooid; Zijn dochter uitgetrouwd in lagen stand; 37 In Abrams schoot zijn Edwards zoons ter rust; En Anna zeî der wereld goede nacht. Nu, daar ik weet, dat de Bretagner, Richmond, Mijn jonge nicht Elizabeth wil eig’nen, En door dien echtknoop vlamoogt op de kroon, Ga ik tot haar, als flink, begeerlijk vrijer.

(Catesby komt op.)

CATESBY. Mijn vorst,—

KONING RICHARD. Goed nieuws of slecht, dat gij zoo binnenstormt?

CATESBY. Slecht nieuws heer: Ely is gevlucht naar Richmond; En Buckingham staat met de stoute knapen Van Wales in ’t veld, en daag’lijks groeit zijn macht.

KONING RICHARD. Ely bij Richmond wekt mij grooter zorg, Dan Buckingham’s bijeengeraapte troep. Kom! Dit heb ik geleerd, dat angstig wikken De looden dienaar is van traag verzuim, Verzuim slaktrage, macht’looze armoe brengt. Daarom, wees gij mijn vleugel, vuur’ge spoed, Wees mijn Mercuur, mijn bode, vol van gloed!— Ga, monster volk; mijn schild zij kort beraad; Staat oproer schrap, dan brenge kloekheid baat!

(Beiden af.)

VIERDE TOONEEL.

Voor den Tower.

Koningin Margaretha komt op.

KONINGIN MARGARETHA. Zoo, nu toch wordt de voorspoed overrijp, En valt ras in den rotten muil des doods. Ik heb in deze streken sluw geloerd, Het tanen mijner vijanden bespied. Een gruw’lijk voorspel zie ik opgevoerd, En wil naar Frankrijk, hopend, dat, wat volgt, Niet minder bitter, zwart en tragisch blijk’! Ter zijde, onzaal’ge Margareet; wie komt daar?

(Zij gaat ter zijde.)

(Koningin Elizabeth en de Hertogin van York komen op.)

KONINGIN ELIZABETH. Mijn arme prinsen! ach mijn teed’re knapen! O onontloken bloemen, geur’ge knoppen! Indien, door eeuw’ge kluisters niet bekneld, Uw lieve zielen door het luchtruim waren, Zoo zweeft nu op uw luchtwiek om mij heen, En hoort de weeklacht uwer moeder aan!

KONINGIN MARGARETHA (ter zijde.) Omzweeft haar, zeggend: „Recht om recht”; dit bracht Uw jongen daag’raad dood en eeuw’ge nacht.

HERTOGIN. Zoo meen’ge ellende brak alreeds mijn stem, Dat mijn van jammer moede tong verstomde;— Edward Plantagenet, waartoe uw dood? 19

KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Plantagenet boet voor Plantagenet, Edward voor Edwards dood naar recht en wet.

KONINGIN ELIZABETH. Wijkt gij, o God, van zulke teed’re lamm’ren, En werpt hen in de kaken van den wolf? Riep zulk een moord ooit vrucht’loos tot uw troon?

KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Toen Hendrik stierf en mijn geliefde zoon.

HERTOGIN. Dood leven, blind gezicht, gij schim, die leeft, Weeschouwspel, smaad der aard, aan ’t graf door ’t leven Onthouden, kort begrip van lange smart, Uw onrust ruste op Eng’lands trouwen grond, Trouwloos gedrenkt, verzaad van schuldloos bloed!

(Zij zet zich neder.)

KONINGIN ELIZABETH. O, wildet gij zoo ras me een graf verstrekken, Als gij me een weemoedvollen zetel biedt, ’k Zou mijn gebeent’ hier bergen, niet doen rusten! O, wie heeft grond tot treuren, buiten ons?

(Zij zet zich nevens haar.)

KONINGIN MARGARETHA (te voorschijn tredend). Zoo ’t oudste leed het meest eerwaardig is, Zoo gunt aan ’t mijne ’t recht van de’ ouderdom, En aan mijn somb’re smart den eere zetel.

(Zij zet zich tusschen haar.)

Als leed gezelschap duldt, zoo tel op nieuw Uw weeën door ’t aanschouwen van de mijne:— Ik had een Edward, tot hem Richard doodde; Ik had een Hendrik, tot hem Richard doodde; Gij hadt een Edward, tot hem Richard doodde; Gij hadt een Richard, tot hem Richard doodde.

HERTOGIN. Ik had een Richard ook, tot gij hem dooddet; Ik had een Rutland ook; gij hielpt hem dooden.

KONINGIN MARGARETHA. Gij hadt een Clarence ook, dien Richard doodde. Aan de spelonk van uwen schoot ontwrong zich Een helhond, die ons allen jaagt, ten doode; Dien hond, die eer dan oogen tanden had Tot lamm’renmoord en ’t lepp’ren van hun bloed,— Dien boozen schender van Gods handenwerk, Der wereld stouten aartstyran, die troont In oogen, stuk gewreven, dof van ’t weenen,— Dien slaakte uw schoot, om ons naar ’t graf te drijven.— O, alvergelder, o rechtvaardig God, Hoe dank ik u, dat dit bloeddorstig ondier Op ’t lijflijk kroost nu van zijn moeder aast, Aan and’rer weeklacht hare klachten paart!

HERTOGIN. O Hendriks gade, juich niet in mijn wee; Getuige ’t God, ik heb geweend om ’t uwe.

KONINGIN MARGARETHA. Vergeef het mij: mij hongert steeds naar wraak, En nu verzaad ik mij door ze aan te zien. Uw Edward stierf, die mijnen Edward doodde; Uw andere Edward stierf, voor mijnen Edward; De kleine York is toegift, wijl die twee Mijns dooden hooge waarde niet bereikten. 66 Uw Clarence stierf, die mijnen Edward doodde; En zij, die dit dolzinnig werk aanschouwden, De echtbreker Hastings, Rivers, Vaughan, Grey, Zijn voor hun tijd versmoord in ’t donker graf. Slechts Richard leeft, der helle zwarte speurhond, Gespaard, opdat hij haar als maak’laar zielen Inkoop’ en toezend’, maar welras, welras, Genaakt zijn eind, beklaag’lijk, onbeklaagd; De aard gaapt, de hel vlamt op, de duiv’len brullen, De heil’gen bidden: „Plots’ling vaar’ hij heen!” Verscheur zijn levensbrief, o God! dit smeek ik, Dat ik ’t beleve en zegg’: „De hond is dood!”

KONINGIN ELIZABETH. Gij hebt voorspeld, ja, eenmaal wenschte ik nog U naast mij, om mij die gezwollen giftspin, Die booze bultpad mee te helpen vloeken.

KONINGIN MARGARETHA. Ik noemde u ijd’len glans van mijne grootheid, Een vorstenbeeltnis, een armzaalge schim, Een flauwe spieg’ling van wat ik eens was, Het lokkend voorspel van een schrikvertooning, Een, hoog verheven voor een diepen val, Een moeder, met twee schoone zoons bedot, Een droom van wat gij waart, een bonte vlag, Om ’t doel te zijn van ieder dreigend schot, Een glanzend schild, een ademtocht, een zeepbel, Strookoningin, slechts om ’t tooneel te vullen. Waar is uw gade thans? waar zijn uw broeders? Waar uw twee zonen? waar thans uw geluk? Wie smeekt en knielt en zegt: „Heil, koningin”? Waar zijn uw vleiers, die gebogen pairs? Waar is die dichte stoet, die u omgaf? Houd dit u voor, en vraag: Wat ben ìk nu? Voor fiere gade,—diepgebogen weduw; Voor blijde moeder,—jamm’rend om dien naam; Voor toegesmeekte,—zelve need’rig smeekend; Voor koningin,—met ramp gekroonde schooister; Voor een, vol hoon voor mij,—door mij gehoond; Voor een, gevreesd van elk,—vol vrees voor één; Voor algebiedend,—door niet één gehoorzaamd. Zoo is de loop van ’t recht geheel gedraaid, En laat u aan den tijd geheel ten prooi; U bleef slechts de gedachte aan wat gij waart, Die dubbel kwelt, wijl gìj zijt wàt gij zijt. Mijn plaats naamt gij voor u;—en naamt gij niet ’t Gerechte deel voor u van mijnen rouw? Half draagt uw trotsche nek alsnu mijn juk; Doch hier wring ik het moede hoofd er uit En laat zijn last in al zijn zwaarte op u.

(Zij rijst op.)

Vaarwel, York’s gade, koningin der smart; In Frankrijk laav’ dit Engelsch wee mijn hart!

(Koningin Elizabeth en de Hertogin van York rijzen op.)

KONINGIN ELIZABETH. O gij, in ’t vloeken meesteres, o toef, En leer ook mij, mijn vijanden te vloeken! 117

KONINGIN MARGARETHA. Ontzeg u ’s nachts den slaap, en vast bij dag; Stel naast uw levend wee uw dood geluk; Denk uwe kinderen schooner dan zij waren, En die hen moordde, snooder dan hij is; Vergroot uw smaad, dit zal uw haat vermeêren, En ’t eeuwig wrokken zal u vloeken leeren.

KONINGIN ELIZABETH. Mijn taal is stomp; o, dat haar de uwe scherpe!

KONINGIN MARGARETHA. Haar wette uw leed, tot ze als de mijne snerpe!

(Koningin Margaretha af.)

HERTOGIN. Waarom moet jammer rijk in woorden zijn?

KONINGIN ELIZABETH. Wind-pleitbezorgers van het leed, hun klager, Lucht-erven zijn ’t van arm gestorven vreugd, Zucht-reed’naars zijn ’t van namelooze ellend! Maar geef hun lucht; al kunnen ze ook de smart Niet delgen, toch verlichten zij het hart.

HERTOGIN. Is ’t zoo, dan geen bedwang; maar kom, ga mede En smoren we in een storm van bitt’re woorden Mijn vloekb’ren zoon, die uw twee kleinen smoorde!

(Trompetgeschal achter het tooneel.)

’t Is zijn trompet; kom, geef uw woede lucht!

(Koning Richard komt op, met marcheerende troepen.)

KONING RICHARD. Wie treedt mij te gemoet en stremt mijn tocht?

HERTOGIN. Zij, die voor goed uw loop had kunnen stremmen, De slachtersdaden, schurk, die gij volbracht, Door u te worgen in haar onheilsschoot.

KONINGIN ELIZABETH. Omhult gij ’t voorhoofd met een gouden kroon, Waar, zoo recht recht was, ingebrand moest zijn De moord der prinsen, wien die kroon behoorde, En mijner zoons en broeders gruweldood? Spreek! zeg mij, lage slaaf, waar zijn mijn kind’ren?

HERTOGIN. Gij pad, gij pad, waar is uw broeder Clarence, En Ned Plantagenet, zijn kleine zoon?

KONINGIN ELIZABETH. Waar is de wakk’re Rivers, Vaughan, Grey?

HERTOGIN. Waar is de goede Hastings?

KONING RICHARD. Trompetten, schalt, en trommen, slaat alarm! De hemel hoore ’t niet, hoe die klappeien Hier Gods gezalfde last’ren. Trommelt, zeg ik!—

(Trompetgeschal, Tromgeroffel.)

Weest kalm, gij beiden, spreekt mij vleiend toe, Of in het woeste krijgsrumoer versmoor ik Aldus de kreten van uw woeste drift. 153

HERTOGIN. Zijt gij mij zoon?

KONING RICHARD. Ja, dank zij Gode en u en mijnen vader.

HERTOGIN. Zoo hoor mijn ongeduld geduldig aan.

KONING RICHARD. Ik heb dien trek van uw geaardheid, moeder, Dat ik den toon van fel verwijt niet duld.

HERTOGIN. O, laat mij spreken!

KONING RICHARD. ’t Zij; ik hoor niet toe.

HERTOGIN. ’k Wil in mijn woorden zacht en vriend’lijk zijn.

KONING RICHARD. En, lieve moeder, kort, want ik heb haast.

HERTOGIN. Gij zooveel haast? ik heb op u gewacht, Bij God, in mart’ling en in angst des doods.

KONING RICHARD. En kwam ik niet in ’t eind om u te troosten?

HERTOGIN. Neen, bij het heilig kruis, gij weet te wel, Sinds gij op aard zijt, werd mij de aard een hel. Zwaar, schier ondraaglijk was mij uw geboorte Uw kindsheid was weerbarstig en vol luim; Uw schooltijd wild en woest, verschrikkend, roekloos; Uw jong’lingschap vermetel, stout en waagziek; Uw rijper leeftijd trotsch, fijn, sluw, bloeddorstig, Min woest, maar boozer, zacht bij fellen haat. Kunt gij een enkel rustig uur mij noemen, Waarin uw bijzijn mij verkwikking bracht?

KONING RICHARD. Geen, dan misschien dat morgenuur, dat eens U van mijn bijzijn afriep naar ’t ontbijt. Is u het zien van mij zoo onverkwikk’lijk, Dan trekke ik voort en geev’ geen ergernis.— Gij, roert de trommen!

HERTOGIN. ’k Bid u, hoor mij spreken.

KONING RICHARD. Te bitter spreekt gij.

HERTOGIN. Hoor een enkel woord, Want nimmer zal ik weder tot u spreken.

KONING RICHARD. Nu!

HERTOGIN. Of gij zult sterven door Gods raadsbesluit, Eer ge als verwinnaar keert uit dezen krijg; Of ik bezwijk van smart en hoogen leeftijd, En nimmer zie ik uw gelaat terug. Neem daarom mijnen zwaarsten vloek met u; Hij drukke in de ure van ’t gevecht u meer Dan heel de wapenrusting, die gij draagt! Mijn beden strijden voor uw tegenstanders; En Edwards kind’ren, hunne zieltjes, fluist’ren, Uw vijand moed, vertrouwen in het hart, En zeggen hem geluk en zege toe. Bloed is uw lust, in ’t eind zij uw bloed uw straf; Volgt smaad u thans, hij volge u ook in ’t graf.

(De Hertogin af.)

KONINGIN ELIZABETH. Veel meerder grond, doch minder kracht tot vloeken Viel mij ten deel; ’k zeg Amen op haar taal.

(Zij wil heengaan.)

KONING RICHARD. Toef, eed’le vrouw, ik heb met u te spreken. 198

KONINGIN ELIZABETH. Ik heb geen koningszoons ter slachting meer, En mijne dochters, Richard, zullen bidden Als nonnen, niet als koninginnen weenen; En daarom kies haar leven niet tot wit.

KONING RICHARD. Een dochter hebt ge, Elizabeth bij name, Schoon, deugdrijk, waardig koningin te zijn.

KONINGIN ELIZABETH. En brengt haar dit den dood? O, laat haar leven; ’k Wil zelf haar deugden, al haar schoon verderven, Mijzelve, als Edwards bed ontrouw, belast’ren, Den sluier der onteering op haar werpen; ’k Wil, zoo de moord haar leven slechts ontziet, Verklaren: Edwards bloed is ’t hare niet.

KONING RICHARD. Ontzie haar bloed; zij is een koningskind.

KONINGIN ELIZABETH. Dit wil ik looch’nen, red ik zoo haar leven.

KONING RICHARD. Haar bloed is ’t, wat het best haar leven hoedt.

KONINGIN ELIZABETH. Die hoede was ’t, waarom haar broeders stierven.

KONING RICHARD. Een booze ster beheerschte hun geboorte.

KONINGIN ELIZABETH. Hun leven, neen, beheerschten booze vrienden.

KONING RICHARD. Niet af te wenden is de wil van ’t lot.

KONINGIN ELIZABETH. Zoo ’t lot berust bij wie van God zich wendden. Een schooner dood waar’ mijn kind’ren lot, Had God met schooner leven u gezegend.

KONING RICHARD. ’t Is, alsof ik uw schapen ’t leven nam.