Part 2
BUCKINGHAM. Heb moed, vorstin; hij spreekt recht opgeruimd.
KONINGIN ELIZABETH. God sterk’ hem! Sprak hij met u over zaken?
BUCKINGHAM. O ja, vorstin; het is zijn wensch, uw broeders Met hertog Gloster duurzaam te verzoenen, Alsmede met den opperkamerheer; Hij liet hen naar zijn kamer opontbieden.
KONINGIN ELIZABETH. Ware alles goed!—Doch dit zal nimmer zijn; Ik vrees, ons heil staat op zijn middaghoogte.
(Gloster, Hastings en Dorset komen op.)
GLOSTER. Zij doen mij onrecht, en ik wil ’t niet dulden.— Wie zijn zij, die steeds klagen bij den koning, Dat ik, ik, wrok, voor hen recht liefd’loos ben? Zij, bij Sint Paul, zijn voor den koning liefd’loos, Die zoo zijn oor met twistgeruchten vullen. Wijl ik niet vleien kan, niet mooi kan praten, Toelachen, streelen, foppen en bedriegen, Strijkages op zijn Fransch, recht aap’rig, maken, Moet ik volstrekt een wrokkend vijand zijn. Kan geen eenvoudig man meer vreedzaam leven, Dat niet zijn eerlijk hart belasterd wordt, Door fulpen, sluw, indringend vleigeboefte?
GREY. Tot wien in dezen kring spreekt uw genade?
GLOSTER. Tot u, die zonder deugd zijt en genade. Spreek, wanneer krenkte ik u, of kwetste ik u?— Of u?—Of u?—of iemand van uw bent? Hale u de pest! De koning, onze heer,— Wien God behoede, beter dan gij ’t wenscht!— Heeft nauwlijks voor een ademhaling rust, Dat gij hem niet met lage klachten kwelt. 61
KONINGIN ELIZABETH. Verkeerd neemt gij de zaak op, broeder Gloster. De koning, door zichzelf alleen gedreven, En niet door and’re klagers aangezet, Maar lettend, moog’lijk, op uws boezems wrok, Die zich uitwendig in uw doen verraadt, Wrok tegen mij, mijn broeders en mijn kind’ren, Deed u ontbieden, opdat hij den wortel Van uwen haat ontdekken, rooien moog’.
GLOSTER. Ik weet niet;—al te slecht is thans de wereld: ’t Kleinjantje rooft, waar de aad’laar zich niet waagt; Sinds elke schooier edelman hier werd, Werd menig edelman een kale schooier.
KONINGIN ELIZABETH. O duid’lijk is uw meening, broeder Gloster; Mijn, mijner vrienden opkomst wekt uw nijd. God geve, dat wij nimmer u behoeven!
GLOSTER. God geeft inmiddels, dat wij u behoeven. Mijn broeder is gekerkerd door uw toedoen, Ikzelf in ongenade, heel onze adel Geminacht; en de hoogste posten vallen Met gravenkronen daag’lijks hun ten deel, Wier rijkdom, gist’ren nog, geen zilvren kroon was.
KONINGIN ELIZABETH. Bij Hem, die uit mijn need’rig, stil geluk Tot deze bange hoogte mij verhief, Nooit deed ik iets om tegen hertog Clarence Den koning op te zetten; veeleer was ik Zijn voorspraak en volijv’rig pleitbezorger. Mylord, gij doet mij smaadlijk onrecht aan, Door zulk een valsche smet op mij te werpen.
GLOSTER. Gij kunt ook looch’nen, dat niet uw bedrijf Lord Hastings in den Tower heeft gebracht.
RIVERS. Zij kan ’t, mylord; want—
GLOSTER. Zij kan ’t, lord Rivers,—wel, wie weet het niet?— Zij kan, mijn heer, nog meer doen, dan dit looch’nen; Zij kan—aan meen’gen vetten post u helpen, En later looch’nen, dat ze er iets voor deed, En zeggen, dat gij ’t uw verdiensten dankt. Wat kan zij niet? Zij kan,—ja trouwens, kan—
RIVERS. Wat trouwens kan zij?
GLOSTER. Wat trouwens kan zij? met een koning trouwen, Een jonkman, ja, een knappen vrijgezel. Uws vaders moeder deed een minder keus. 102
KONINGIN ELIZABETH. Mylord van Gloster, al te lang verdroeg ik Uw plompen smaad en uwen bitt’ren spot; Bij God, ik meld nu aan zijn majesteit Den groven hoon, dien ik zoo vaak moest lijden. Veel liever ware ik dienstmaagd op het land Dan groote koningin met dit beding, Van zulk een schimp en hoon en smaad te dulden; Klein is mijn vreugd als Eng’lands koningin.
(Koningin Margaretha verschijnt op den achtergrond.)
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Dat kleine word’ nog minder, bid ik God! Mij komt uw rang en staat en zetel toe.
GLOSTER. Wat! dreigt gij met een aanklacht bij den koning? Goed, spaar mij niet; zie, wat ik heb gezegd, Dit zal ik voor den koning staande houden. Al wachtte mij de Tower, ’k zou het wagen. ’t Is sprekenstijd, mijn diensten zijn vergeten.
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Gij duivel! Al te goed staan mij die voor; Mijn gade Hendrik dooddet gij in den Tower, Edward, mijn armen zoon, te Tewksbury.
GLOSTER. Eer gij, ja eer nog uw gemaal gekroond was, Was ik het pakpaard van zijn hooge wenschen, Verdelger van zijn trotsche weerpartijders En mild belooner van zijn medestanders; Ik schonk hem koningsbloed door ’t mijn te spillen.
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Ja, èn veel beter bloed dan ’t zijne of ’t uwe.
GLOSTER. En al dien tijd trokt gij, en Grey, uw gade, Partij steeds voor het huis van Lancaster; En gij ook, Rivers,—Viel uw gade niet Als Margaretha’s krijger bij Sint-Albaans? Laat mij, zijt gij ’t vergeten, u herinn’ren, Wat gij voor dezen waart en wat gij zijt, Alsook, wat ik geweest ben en nu ben.
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Een lage moord’naar, en dit zijt gij nog.
GLOSTER. Die arme Clarence heeft zijn vader Warwick Verzaakt, zijn eed van trouw aan hem verbroken;— Vergeev’ hem Jezus!
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Straff’ hem God er voor!
GLOSTER. Om, voor de kroon, aan Edwards zij te strijden; En zie, tot loon zit de arme prins in hecht’nis. Gaav’ God, ik had een steenen hart als Edward, Of hij een zacht, meewarig hart als ik; Ik ben te kindsch-goedhartig voor deze aarde.
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Zoo vaar ter helle uit schaamte en wijk van de aarde; Gij kakodæmon! dààr ligt uw gebied.
RIVERS. Mylord van Gloster, in die heete dagen, Waar gij op wijst, opdat wij vijand blijken, Zijn we onzen heer en souverein gevolgd; Wij zouden ’t u doen, zoo gij koning waart.
GLOSTER. Als ik dat waar’!—Marskramer ware ik liever! Zelfs de gedachte er aan, zij ver van mij! 150
KONINGIN ELIZABETH. Zoo luttel heils, mylord, als gij voor u Van ’t koning-zijn verwacht in dezen lande, Zoo luttel heils, geloof mij, smaak ikzelf, Schoon ik de koningin zij van dat rijk.
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Ja, luttel heils smaakt Eng’lands koningin; Want dit ben ik, en enkel tot mijn onheil. Ik houd mijn gramschap thans niet langer in.—
(Zij treedt naar voren.)
Hoort mij, vrijbuiters, die krakeelt, die twist Bij ’t deelen van uw buit, aan mij ontroofd! Wie uwer, die mij aanblikt, siddert niet, Zoo niet voor uw vorstin, als onderdaan, Toch voor die gij onttroond hebt, als rebel?— Gij, hooge schurk, wend uw gelaat niet af!
GLOSTER. Boos, rimpl’ig tooverwijf, wat doet gij hier?
KONINGIN MARGARETHA. Herhalen kom ik hier uw euveldaden; Dit wil ik doen, aleer ik u laat gaan.
GLOSTER. Zijt gij hier niet op straf des doods verbannen?
KONINGIN MARGARETHA. Ja, doch ik lijd als balling dieper wee, Dan, blijf ik hier, de dood mij brengen kan. Gij zijt mij een gemaal en zoon verschuldigd,— En gij, een koninkrijk,—gij allen, leenplicht; U komt het lijden toe, dat ik verduur, Mij al ’t geluk, dat gij hebt overmeesterd.
GLOSTER. De vloek mijns eed’len vaders, toen gij hem De heldenslapen kroondet met papier, Zijn’ oogen stroomen afdwongt door uw hoon, En toen om ze af te drogen hem een doek gaaft, Gedoopt in ’s lieven Rutland’s schuldloos, bloed,— Zijn vloeken, die zijn bitter hart u toen Heeft toegeslingerd, zijn ’t, die op u vielen; En God, niet wij, vergeldt uw bloedig doen.
KONINGIN ELIZABETH. God is gerecht, hij wreekt onschuldig bloed.
HASTINGS. O, ’t was de snoodste daad, dat kind te slachten, De wreedste, die ooit menschenoor vernam.
RIVERS. Tirannen zelfs, zij weenden bij het hooren.
DORSET. Geen mensch, die daar geen wraak uit profiteerde.
BUCKINGHAM. Northumberland, die ’t aanzag, stortte tranen.
KONINGIN MARGARETHA. Wat! blikketanddet ge allen, eer ik kwam, Als zoudt ge elkander bij den gorgel pakken, En keert gij al uw haat nu tegen mij? 190 Bewoog York’s schrikb’re vloek den hemel zoo, Dat Hendriks dood, mijns lieven Edwards dood, ’t Verlies der kroon, mijn bitt’re ballingschap, Slechts boeten zijn voor dien halfwassen brasem? Dringt zoo een vloek, de wolken door, ten hemel?— Laat dan, grauw zwerk, mijn rassche vloeken, door!— Door brassen, niet in de’ oorlog, sterve uw koning, Gelijk door moord, om hem te kronen, de onze! Edward, uw zoon, de nieuwe prins van Wales, Voor Edward, mijn zoon, vroeger prins van Wales, Sterv’ door geweld, ontijdig, jong, als hij! Gij, koningin voor mij, die koningin was, Gij, overleef, als ik, onzaal’ge, uw rijk! Leef lang, om uwe kind’ren te bejamm’ren, En zie eene and’re, zooals ik u zie, Getooid, als gij ’t in mìjn recht zijt, in ’t uwe! Lang voor uw dood zij uw gelukstijd dood; En sterf, na menig eind’loos uur van wee, Sterf, niet meer moeder, vrouw, noch koningin! Rivers en Dorset, gij waart ooggetuigen, Ook gij, lord Hastings, toen met purp’ren dolken Mijn zoon doorstoken werd; ik smeek tot God: Geen uwer leev’ natuurs gezetten tijd; Een plots’ling onheil moge u nedermaaien!
GLOSTER. Staak uw bezwering, booze, dorre heks!
KONINGIN MARGARETHA. Met niets voor u? Blijf, hond, gij zult mij hooren. Wanneer de hemel nog een erger wee In voorraad heeft, dan ik u wenschen kan, Dan spaar’ hij ’t op, tot uwe zonden rijp zijn, En stort’ dan al zijn grimmigheid op u, U, vredestoorder in deze arme wereld! Gewetensangst knaag’ als een worm uw ziel! Verdenk uw vrienden immer van verraad, Kies aartsverraders tot uw boezemvrienden! Geen slaap luik’ ooit uw onheilbrengend oog, Tenzij terwijl een mart’lend droomgezicht U met een hel van woeste duivels pijnigt! Behekst, wanstaltig wezen! wroetend zwijn! Gij, van natuur in uw geboortestond Als slaaf gebrandmerkt, als een zoon der hel! Gij schande van uw moeders zwang’ren schoot! Verfoeide wanvrucht van uws vaders lenden! Gij vod in eere! diep verachte—
GLOSTER. Margaretha!
KONINGIN MARGARETHA. Richard!
GLOSTER. He!
KONINGIN MARGARETHA. Ik riep u niet.
GLOSTER. Dan vraag ik u verschooning, want ik waande, Mij riept gij al die bitt’re namen toe.
KONINGIN MARGARETHA. Dit deed ik, maar een antwoord vroeg ik niet. O, laat mij nu mijn vloek ten einde brengen!
GLOSTER. Ik deed dit reeds; hij sluit met „Margaretha.” 239
KONINGIN ELIZABETH. Zoo keerde uw vloek nu tot uzelve weer.
KONINGIN MARGARETHA. Arm vorstenbeeld, gij mijner grootheid schijnglans? Wat strooit ge op die gezwollen giftspin suiker, Wier dood’lijk web in ’t rond u heeft omstrikt? Gekkin, gij wet een mes, dat u zal dooden. Eens komt de dag, dat gij mij naast u wenscht, Om die gebulte giftpad mee te vloeken.
HASTINGS. Gij leugenspelster, dat uw waanzin zwijg’! Put ons geduld niet uit, het mocht u schaden.
KONINGIN MARGARETHA. Schande op u allen! ’t mijne is uitgeput.
RIVERS. Hij diende u goed, die uwen plicht u leerde.
KONINGIN MARGARETHA. Mij goed te dienen, ware uw aller plicht; Leert mij, dat ik hier heersch en gij gehoorzaamt. O, dient mij goed en leert uzelf dien plicht.
DORSET. Geen redetwist met haar, zij is waanzinnig.
KONINGIN MARGARETHA. Stil, jonge markgraaf, gij zijt schaamtloos stout; Nauw gangbaar is uw pasgemunte rang. O, wist uw jeugdige adel, wat het zegt, Zijn rang te derven, in ellend’ te leven! Wie hoog staat, wordt door meen’ge vlaag geschud; En als hij valt, wordt hij geheel verpletterd.
GLOSTER. Een goede raad;—behartig hem, markies.
DORSET. Hij past voor u, mylord, gelijk voor mij.
GLOSTER. Veel meer nog; maar ik werd zoo hoog geboren. In cedertoppen bouwt ons aad’laarsras, En dartelt met den wind en trotst de zon.
KONINGIN MARGARETHA. En maakt de zon tot nacht;—ach, ach! getuig’ dit, Mijn zon, mijn zoon, in doodsnacht nu gehuld, Wiens flonkerstralen uwer gramschap wolk Met eeuw’ge duisternis omtogen heeft! York’s broedsel, ’t bouwt in onzer jongen nest; O God, gij ziet het; duld, o duld het niet; Wat bloed deed winnen, ga door bloed verloren!
BUCKINGHAM. Stil, dit is schande! ’t is onchrist’lijk doen.
KONINGIN MARGARETHA. O spreek mij niet van christ’lijkheid of schande, Gij allen waart onchrist’lijk jegens mij, En schand’lijk hebt gij al mijn hoop geslacht. Woede is mijn christ’lijkheid, mijn leven schande, En in die schande leev’ de wrok der smart!
BUCKINGHAM. Houd op, houd op!
KONINGIN MARGARETHA. Doorluchte Buckingham, ik kus uw hand; 280 Dit zij u teeken van mijn vrede en vriendschap; U en uw edel huis ga ’t immer wel! Uw kleed’ren zijn niet met ons bloed bespat, En gij niet in ’t bereik van mijnen vloek.
BUCKINGHAM. En niemand hier, geen vloeken reiken verder Dan tot de lippen, die hen lucht doen zijn.
KONINGIN MARGARETHA. En ik geloof, dat zij ten hemel stijgen, Gods vrede er wekken uit zijn zoeten slaap. O Buckingham, o hoed u voor dien hond! Zie, kwispelt hij, dan bijt hij; als hij bijt, Dan woedt zijn gifttand tot den dood toe door. Heb niets met hem te doen, wacht u voor hem! Dood, hel en zonde hebben hem geteekend, En al hun dienaars zijn in zijn gevolg.
GLOSTER. Wat zegt zij u, mylord van Buckingham?
BUCKINGHAM. Niets waar ik acht op sla, genadig heer.
KONINGIN MARGARETHA. Wat! hoont gij mij, die vriend’lijk raad, en hangt gij Den duivel, waar ik u voor waarschuw, aan? O denk eens aan dit uur, als hij door wee Uw hart vaneen zal rijten, en zeg dan: „Die arme Margaretha was profetisch!”— Zoo leeft dan, elk van u bij hem gehaat, En hij bij u, en allen saam bij God!
(Koningin Margaretha af.)
HASTINGS. Mij rees het haar te berge bij haar vloeken.
RIVERS. Mij ook; dat zij hier vrij blijft, is me een raadsel.
GLOSTER. Valt haar niet hard; want bij Gods heil’ge moeder, Veel onrecht moest zij lijden; mij berouwt Het deel, dat ik er aan heb toegevoegd.
KONINGIN ELIZABETH. Ik deed geen leed haar aan, zoover ik weet.
GLOSTER. Toch pluktet gij de vruchten van haar leed. Ik was vol vuur om iemand goed te doen, Die nu te koel van al mijn diensten denkt. Voorwaar, wat Clarence deed, wordt goed betaald! Erkent’lijk wordt hij in een kot gemest;— Vergeev’ God hun, die daar de schuld van zijn!
RIVERS. Een vroom besluit, een christen waard, te bidden Voor hen, die schade ons hebben toegevoegd!
GLOSTER. Zoo doe ik steeds;—(Ter zijde.) en ’k heb er reden toe, Want vloekte ik nu, ik had mijzelf vervloekt.
(Catesby komt op.)
CATESBY. De koning, eed’le vrouw, wenscht u te zien,— En uwe hoogheid ook, en u, mylords. 321
KONINGIN ELIZABETH. Wij komen, Catesby.—Gaat gij mede, lords?
RIVERS. Wij volgen uwe hoogheid.
(Allen af, behalve Gloster.)
GLOSTER. Ik doe het booze, en roep het eerst om wraak. Het onheil, dat ik heim’lijk heb gesticht, Leg ik als zwaren last op vreemde schouders. Ikzelf wierp Clarence in dat donker kot, En nu beween ik hem bij stikziende uilen, Zooals bij Stanley, Hastings, Buckingham; En zeg, de koningin, zij en haar aanhang, Die hitsen tegen hem den koning op. En zij gelooven ’t; ja, zij wetten mij, Dat ik op Rivers, Vaughan, Grey mij wreek; Dan zucht ik, zeg hun met een bijbelspreuk, Dat God gebiedt, voor ’t kwade goed te doen; En zoo bekleed ik steeds mijn naakte boosheid Met dwaze vodden, uit de Schrift gekaapt, En schijn een heil’ge, als ik echt duivelsch ben.
(Twee Moordenaars komen op.)
Maar stil! het zijn mijn beulen, die daar komen.— Gij wakk’re stoute, vastberaden mannen, Zijt gij bereid, dat zaakjen af te doen?
EERSTE MOORDENAAR. Ja, eed’le heer, wij komen om de volmacht, Opdat wij toegang vinden, waar hij is.
GLOSTER. Zeer goed bedacht; ik heb ze bij mij; hier!
(Hij geeft hun de volmacht.)
En komt, is ’t werk gedaan, naar Crosbyhof. Maar mannen, brengt met spoed uw taak ten eind; Weest onverbidd’lijk; laat hem niet aan ’t woord; Want Clarence weet te praten, en wellicht Vermurwde hij uw hart, als gij gingt luist’ren.
EERSTE MOORDENAAR. Gerust, mylord; wij maken daar geen praats; Wie babbelt, leutert meest; wees gij verzekert, Wij roeren onze handen, niet de tong.
GLOSTER. Een dwaas ween’ tranen, gij eer molensteenen; Gij lijkt mij flinke kerels;—komt, aan ’t werk, Gaat, gaat, en snel!
EERSTE MOORDENAAR. Dat zullen wij, uw hoogheid.
(Allen af).
VIERDE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in den Tower.
Clarence en een Stokbewaarder komen op.
STOKBEWAARDER. Hoe ziet uw hoogheid heden zoo bedrukt?
CLARENCE. O, ’k heb een nacht doorleefd van diepe ellend, Vol bange droomen, schrikk’lijke gezichten; Zoowaar ik een geloovig christen ben, Nog eens een nacht als deze door te staan, Ik deed het voor geen wereld blijde dagen; Zoo vol van naamlooze’ angst was mij die tijd!
STOKBEWAARDER. Wat was uw droom, mylord? ik bid u, meld dit.
CLARENCE. Mij dacht, dat ik ontsnapt was uit den Tower, En dat een schip mij voerde naar Bourgondië; Mijn broeder Gloster was mijn reisgezel; Hij lokte me uit mijn hut op ’t dek; wij deden Daar saam een wand’ling, blikten uit naar England, En spraken van die duizend zware tijden Uit de’ oorlog tusschen York en Lancaster, Die ons getroffen hadden. Bij die wand’ling Op ’t glibb’rig dek, kwam het op eens mij voor, Dat Gloster struikelde en bij ’t vallen mij, Die trachtte hem te houden, overboord En in ’t gewoel der woeste baren stiet. O God, hoe smartlijk scheen ’t mij, te verdrinken! Wat vreeslijk waterklotsen in mijn oor! Wat beelden van den gruwb’ren dood in ’t oog, Mij dacht, ik zag een duizend schrikb’re wrakken, Een duizend menschen, waaraan visschen knaagden, Goudklompen, reuzige ankers, hoopen paarlen, Onschatb’re steenen, tal van prachtjuweelen, Op heel den bodem van de zee verspreid; In schedels lagen enkele; in de holten, Waar oogen eens in huisden, zaten nu, Als schimpten zij op oogen, flonkersteenen, Het glibb’rig slijk der diepte tegenlonkend, En spottend met het doodsgebeente in ’t rond.
STOKBEWAARDER. Hadt gij in ’t oogenblik des doods den tijd Om zoo der zee geheimen te bespieden?
CLARENCE. Zoo kwam ’t mij voor, en menigmaal beproefde ik Den geest te geven, doch de zee hield wreev’lig Mijn ziel steeds vast en liet haar niet ontglippen Om de open, ruime, vrije lucht te zoeken; Zij deed haar stikken in mijn hijgend lichaam, Dat bijna barstte om haar in zee te loozen.
STOKBEWAARDER. Werdt gij niet wakker in dien zwaren doodsstrijd?
CLARENCE. Neen, neen, mijn droom ging nog na ’t leven door; 43 O toen begon de storm voor mijne ziel! Haar bracht, zoo scheen ’t mij, over ’t somb’re water De norsche veerman, van wien dichters spreken, Naar ’t koninkrijk der nacht, die nimmer eindt. En de eerste, die mijn vreemd’lingziel daar groette, Was mijner vrouw roemruchte vader Warwick, Die luide riep: „Wat gees’ling voor verraad Bereidt dit duist’re rijk den valschen Clarence?” En zoo verdween hij. Daarna zweefde een schim Gelijk een engel nader, ’t lichte haar 53 Met bloed bevlekt; met luider stemme kreet hij: „Clarence is daar, die eedvergeten Clarence, Die mij bij Tewksbury op ’t veld doorstak;— Grijpt, grijpt hem, Furiën; sleept hem weg ter martling!” En, docht mij, een legioen van booze geesten Omringde mij en huilde mij in ’t oor, Zoo schrikverwekkend, dat ik door ’t gebrul Ontwaakte en rilde en nog geruimen tijd Niet anders dacht dan in de hel te zijn; Zoo diep was in mijn ziel de droom gegrift.
STOKBEWAARDER. Geen wonder, dat hij u ontzette, heer; Want van ’t verhaal alleen ben ik ontsteld.
CLARENCE. O stokbewaarder! O, ik deed dat alles, Dat tegen mijne ziele nu getuigt, Om Edwards wil; en zie, hoe hij ’t mij loont!— O God, verzoent geen innig smeeken u, Maar eischt gij wrake voor wat ik misdeed, O, boet uw grimmigheid alleen op mij, Spaar mijn onnooz’le vrouw, mijn arme kinders!— Bewaker, ’k bid u, blijf een wijle hier, Want mijne ziel is bang, ik wensch te slapen.
STOKBEWAARDER. Dit zal ik, heer; God geve uw hoogheid rust.
(Clarence slaapt in.)
(Brakenbury komt op.)
BRAKENBURY. Het leed verstoort èn wakenstijd èn rustuur, En maakt de nacht tot morgen, dag tot nacht. Der vorsten een’ge heerlijkheid zijn titels, Uitwendig schitt’ren voor inwendig slaven; Voor ongenoten hersenschimmen voelen Ze een wereld vaak van rustelooze zorg; Zoodat van lagen stand een hooge naam In niets verschilt dan in den roep der faam.
(De twee Moordenaars komen op.)
EERSTE MOORDENAAR. Hé, wie is daar?
BRAKENBURY. Wat wilt gij kerel? en hoe komt gij hier?
EERSTE MOORDENAAR. ’k Moet Clarence spreken, en ik kwam te voet hierheen.
BRAKENBURY. Wat! zoo kortaf?
TWEEDE MOORDENAAR. ’t Is beter dan langwijlig, heer.— Laat hem de volmacht zien, en praat niet verder.
(De eerste Moordenaar overhandigt aan Brakenbury een papier.)
BRAKENBURY (na lezing). ’t Is een bevelschrift om in uwe handen Den eed’len hertog Clarence uit te leev’ren; Ik wil niet vragen, wat hiermee bedoeld is, Want aan dit doel wil ik onschuldig zijn. Daar slaapt de hertog en hier zijn de sleutels. Ik ga terstond den koning kennis geven, Dat ik aldus mijn ambt u overdroeg. 99
EERSTE MOORDENAAR. Zoo kunt ge doen, heer; ’t is een wijze keus. Vaarwel.
(Brakenbury af, met den Stokbewaarder).
TWEEDE MOORDENAAR. Hoe is het, zullen wij hem in den slaap doorsteken?
EERSTE MOORDENAAR. Neen, hij zou bij het wakker worden zeggen, dat het een laffe daad was.
TWEEDE MOORDENAAR. Wel, hij zal niet wakker worden voor den grooten oordeelsdag.
EERSTE MOORDENAAR. Nu, dàn zal hij zeggen, dat wij hem in den slaap doorstoken hebben.
TWEEDE MOORDENAAR. Het noemen van dat woord „oordeelsdag” heeft een soort van gewetensangst bij mij gaande gemaakt.
EERSTE MOORDENAAR. Wat! zijt gij bang?
TWEEDE MOORDENAAR. Niet om hem te dooden, want daartoe heb ik een volmacht, maar voor de verdoemenis, als ik hem dood; want waartegen kan geen volmacht mij iets helpen.
EERSTE MOORDENAAR. Ik dacht, dat gij vastbesloten waart geweest.
TWEEDE MOORDENAAR. Dat ben ik, om hem te laten leven.
EERSTE MOORDENAAR. Ik ga naar den hertog van Gloster terug en vertel het hem.
TWEEDE MOORDENAAR. Neen, ik bid u, wacht nog een oogenblik; ik hoop, dat die vlaag van gevoeligheid wel zal overwaaien; zij hield meestal slechts een twintig tellens aan.
EERSTE MOORDENAAR. Hoe voelt gij u nu?
TWEEDE MOORDENAAR. Er zit nog een klein bezinksel van geweten bij mij.
EERSTE MOORDENAAR. Denk aan onze belooning, als de daad gedaan is.
TWEEDE MOORDENAAR. Alle duivels, hij sterft; ik was de belooning vergeten.
EERSTE MOORDENAAR. Waar is uw geweten nu?
TWEEDE MOORDENAAR. O, in de beurs van den hertog van Gloster.
EERSTE MOORDENAAR. Als hij zijn beurs opent om ons te beloonen, vliegt uw geweten er uit.
TWEEDE MOORDENAAR. Het doet er niet toe, laat het zijn gang gaan; er zijn er weinig of geen, die er huisvesting aan zullen verleenen.
EERSTE MOORDENAAR. Maar, als het eens bij uzelven terugkomt? 136
TWEEDE MOORDENAAR. Dan laat ik mij er niet mee in, het maakt een man tot een lafaard; men kan niet stelen, of het klaagt aan; men kan niet vloeken, of het valt in de rede; men kan niet bij zijns buurmans vrouw liggen, of het speelt voor verrader; het is een bloode, schaamrood wordende geest, die in het hart oproer stookt; het stopt een man geheel vol zwarigheden; het heeft mij eens een beurs met goud terug doen geven, die ik bij toeval gevonden had: het maakt ieder, die het er op nahoudt, tot een bedelaar; het wordt als een gevaarlijk ding alle steden en vlekken uitgejaagd; en ieder, die een goed leven wil hebben, verlaat zich liefst op zichzelf en tracht zonder dat ding te leven.
EERSTE MOORDENAAR. Waarachtig, het trekt mij daar juist bij de mouw en vermaant mij, den hertog niet om te brengen.
TWEEDE MOORDENAAR. Neem u voor den duivel in acht en geloof hem niet; hij wil zich alleen bij u indringen, om u aan het zuchten te brengen.
EERSTE MOORDENAAR. Ik ben sterk van natuur; hij krijgt mij niet onder.
TWEEDE MOORDENAAR. Dat is gesproken als een flinke kerel, die zijn naam in eere houdt. Kom, willen wij aan ’t werk gaan?
EERSTE MOORDENAAR. Sla hem met het gevest van uw degen den kop in, en smijt hem dan in ’t malvezijvat in de kamer hiernaast.
TWEEDE MOORDENAAR. O, heerlijk uitgedacht! wij maken een sopje van hem.
EERSTE MOORDENAAR. Stil, hij wordt wakker.
TWEEDE MOORDENAAR. Sla toe!