Chapter 8 of 11 · 3667 words · ~18 min read

Part 8

KONING RICHARD. Zeg, dat mijn wacht goed wakker blijv’.—Verlaat mij.— Ratcliff, kom tegen middernacht terug En help mij bij mijn waap’ning.—Gaat nu, allen.—

(Koning Richard gaat in zijn tent. Ratcliff af.)

(Stanley komt op en slaat Richmond’s tent open, waarbij Richmond en zijn krijgsoversten zichtbaar worden.)

STANLEY. Bekroon’ geluk en zegepraal uw helm!

RICHMOND. Al ’t goede, dat de donk’re nacht kan schenken, Vall’, eed’le voedstervader, u ten deel! Zeg mij, hoe gaat het onze lieve moeder?

STANLEY. Ik zegen u, bij volmacht, van uw moeder, Die dag en nacht voor Richmond’s welzijn bidt. Doch dit volsta.—Het uur van stilte wijkt; In strepen breekt het duister reeds in ’t oosten. Om kort te zijn, zooals de tijd gebiedt, Schaar morgen vroeg uw legermacht ten strijde; En zij uw lot beslist door ’t bloedig zwaard En fellen krijg, hoe dood’lijk die ook blikke. Zoo veel ik kan,—ik kan niet wat ik wenschte,— Tracht ik den tijd zijn gunsten af te stelen, En u in ’t hach’lijk worst’len bij te staan. Doch al te vurig ijv’ren is me ontzegd; Bij ’t zien toch wierd uw jonge broeder George, En voor zijns vaders oog, ter dood gebracht. Vaarwel. Mijn haast en deze bange tijd Verbieden ons de plechtige betuiging Van onze liefde en ’t zoet gedachtenwiss’len, Dat lang gescheiden vrienden welkom waar’; Schenk’ God dra tijd voor zulk een liefdesuiting! Nog eens, vaarwel! Wees dapper, heb geluk!

RICHMOND. Leidt, waarde lords, hem naar zijn schare op weg. Ik tracht, verhit van hoofd, een wijl te sluim’ren, Opdat geen looden slaap mij morgen drukk’, Als ik op zegewieken stijgen moest. Nog eens, mijn waarde heeren, goede nacht.

(Allen, behalve Richmond, met Stanley af).

O gij, wiens veldheer ik mij acht te zijn, Blik met genadig oog op mijne krijgers! Leg in hun hand de knotsen uwer wraak, Dat ze onzes vijands rechtloos drieste helmen Met zwaren val ter aard, te pletter slaan! Maak ons tot dienaars uwer tuchtiging, Opdat wij U in Uwe zege prijzen! Aan u beveel ik overwaakt mijn ziel, Eer ik de luiken mijner oogen sluit; Hetzij ik slape of waak’, behoed mij steeds!

(Hij slaapt in.)

(De Geest van Prins Edward, zoon van Hendrik den Zesden, verrijst tusschen de beide tenten.)

GEEST (tot koning Richard). Zwaar wil ik morgen op uw ziele drukken! 118 Denk hoe gij mij in ’s levens bloei doorstaakt Te Tewksbury. Gij, wanhoop dies, en sterf! (Tot Richmond.) Houd moed, o Richmond, der geslachte vorsten Gekrenkte zielen strijden aan uw zij; De spruit van koning Hendrik, Richmond, troost u!

(De Geest van koning Hendrik den Zesden verrijst.)

GEEST (tot koning Richard). Toen ik nog sterflijk was, doorpriemdet gij ’t Gezalfde lichaam mij met tal van wonden; Denk aan den Tower en mij; wanhoop en sterf! Hendrik de Zesde roept: wanhoop en sterf! (Tot Richmond.) Gij vroom en deugdrijk held, wees gij verwinnaar! Hendrik, die eenmaal u de kroon voorspelde, Vertroost u in uw sluim’ring: leef en bloei!

(De Geest van Clarence verrijst.)

GEEST (tot koning Richard). Zwaar wil ik morgen op uw ziele drukken! Ik, eenmaal doodgebaad in ’t walglijk wijnvat, Ik, arme Clarence, offer van uw arglist! Denk morgen in ’t gewoel des strijds aan mij; Ontvalle u ’t stompe zwaard! Wanhoop en sterf! (Tot Richmond.) Afstamm’ling, gij, van ’t huis van Lancaster, York’s kroost, dat zwaar gekrenkt werd, bidt voor u; Schutseng’len strijden met u! Leef en bloei!

(De Geesten van Rivers, Grey en Vaughan verrijzen.)

GEEST VAN RIVERS (tot koning Richard). Zwaar wil ik morgen op uw ziele drukken! Ik, Rivers, Pomfret’s buit. Wanhoop en sterf!

GEEST VAN GREY (tot koning Richard). Gij, denk aan Grey, en wanhoop schokk’ uw ziel!

GEEST VAN VAUGHAN (tot koning Richard). Gij, denk aan Vaughan, en door schuldige angst Ontvall’ de speer uw hand! Wanhoop en sterf!

ALLE DRIE (tot Richmond). Ontwaak, en denk: de schuld in Richards borst Verlamt zijn kracht. Ontwaak en zegepraal!

(De Geest van Hastings verrijst.)

GEEST (tot koning Richard). Gij man van bloed en schuld, ontwaak in schuld, En eindig op een dag van bloed uw leven! Denk aan lord Hastings! Wanhoop dus en sterf! (Tot Richmond.) Gij, kalme en effen ziel, ontwaak, ontwaak! Rijs, strijd, en zegepraal, red Eng’lands zaak!

(De Geesten van de twee jonge Prinsen verrijzen.)

GEESTEN (tot Koning Richard). Droom van uw in den Tower ontzielde neven; 151 Laat ons als lood in uwe borst zijn, Richard, U in verderf en schande en dood doen zinken! Hoor uwer neven roep: wanhoop en sterf! (Tot Richmond.) Slaap, Richmond, kalm, en rijs met blijden moed; U schutten eng’len, hoe ook de ever woed’! Leef! uit u spruite een eed’le koningsstam! Edwards rampzaal’ge zonen roepen: heil!

(De geest van koningin Anna verrijst.)

GEEST (tot koning Richard). Richard, uw vrouw, uw vrouw, ellendige Anna, Die nooit bij u een rustige ure sliep, Vervult thans uwen slaap met haar verschrikking; Denk morgen in ’t gewoel des strijds aan mij; Ontzinke u ’t stompe zwaard! wanhoop en sterf!— (Tot Richmond.) Gij, kalme ziel, slaap gij een kalmen slaap; En droomt gij, droom van heil en zege nu; Uws tegenstanders gade bidt voor u.

(De Geest van Buckingham verrijst.)

GEEST (tot koning Richard.) Die ’t eerst ten troon u heeft gevoerd, was ik; Die ’t laatst uw dwinglandij ervoer, was ik. Denk in ’t gewoel des strijds aan Buckingham, En sterf, verschrikt door al uw euveldaden; Droom voort, droom voort, en gruw van wat gij deedt; En zij uw laatste snik een wanhoopskreet! (Tot Richmond.) De hoop van u te helpen was mijn dood; Doch troost u, beter helpers heeft uw nood; God en zijn eng’len strijden aan uw zij, En Richard valt den val der hoovaardij.

(De Geesten verdwijnen. Koning Richard ontwaakt uit zijn droomen.)

KONING RICHARD. Geef mij een ander paard!—verbind mijn wonden!— Erbarmen, Jezus!—Stil, ’t was maar een droom!— Geweten, lafaard, wat beangst gij mij!— Het licht brandt blauw.—’t Is ’t holle van de nacht. Angstdropp’len staan mij, koud, op ’t rillend lijf. Wat! angstig voor mijzelf? Geen ander is hier; Richard mint Richard; ja, want ik ben ik. Is hier een moord’naar? Neen; ja, ik ben hier; Zoo vlucht,—wat, voor mijzelf? Zeer wijs! waarom? Licht name ik wraak.—Wie, wat! ik op mijzelf? Ach, ik bemin mijzelf. Om wat? iets goeds, Dat ik, ikzelf mijzelven heb gedaan? Ach, neen, helaas! ik haat veeleer mijzelf Om haat- en vloekbre daden, die ik deed. Ik ben een schurk. Neen; ’k lieg, ik ben het niet. Dwaas, spreek uzelven voor;—dwaas, vlei toch niet. 192 O, mijn geweten heeft veel duizend tongen, En ied’re tong vertelt een ander stuk, En ieder stuk veroordeelt mij als schurk. Meineed, meineed, in de’ allerhoogsten graad; Moord, zwarte moord, in de’ allerergsten graad; Ja, elke zonde, in elken graad bedreven, Dringt naar de rol, en roept haar: „Schuldig, schuldig!” Ik word wanhopig.—Niets op aard bemint mij; En zoo ik sterf, geen ziel heeft leed er van; En waarom zouden ze ook? Ikzelf, ik vind Geen deernis met mijzelven in mijzelf.

(Ratcliff komt op.)

RATCLIFF. Mijn vorst!

KONING RICHARD. Wie daar?

RATCLIFF. Ratcliff, mijn vorst; ik ben ’t. De vroege dorpshaan Begroette de’ ochtend tweemaal reeds. Uw vrienden Zijn op en gorden hunne rusting aan.

KONING RICHARD. O Ratcliff, ’k had een vreeselijken droom.— Wat denkt gij? kan ik vast op allen bouwen?

RATCLIFF. Wis, heer.

KONING RICHARD. O Ratcliff, ach, ik vrees, ik vrees,— Het was me, als kwamen allen, aller zielen, Die ’k moordde, in mijne tent; een ieg’lijk dreigde Met wraak op morgen tegen Richards hoofd.

RATCLIFF. Mijn beste heer, voed toch geen vrees voor schimmen.

KONING RICHARD. Bij den apostel Paulus, schimmen wekten Van nacht meer angst in Richards ziel, dan ooit Tienduizend tastb’re krijgers zouden wekken In ’t staal, met melkmuil Richmond aan hun hoofd. De daag’raad is nog ver. Kom, ga met mij; ’k Wil luistervink gaan spelen aan de tenten, Of eenig strijder overloopen wil.

(Beiden af.)

(Richmond ontwaakt. Oxford en Anderen treden zijn tent binnen.)

OXFORD. Recht goeden morgen, Richmond.

RICHMOND. O, ’k vraag verschooning, waakzame, eed’le heeren, Dat gij een tragen doeniet hier verrast.

OXFORD. Hebt gij gerust geslapen, heer?

RICHMOND. Den zoetsten slaap; en droomen had ik, vrienden, Sinds uw vertrek, zoo schoon en heilvoorspellend, Als ooit verrezen voor een domm’lig brein. De zielen, scheen ’t, wier lichaam Richard moordde, Verschenen in mijn tent, en riepen: „Zege!” Ik kan u zeggen, ’t harte juicht mij nog Bij ’t denken aan een droom, zoo schoon en zoet.— Hoe ver is ’t in den morgen reeds, mylords?

OXFORD. Op slag van vieren, heer.

RICHMOND. ’t Is tijd dan, ons te waap’nen, ’t heer te scharen.

(Hij treedt naar de troepen.)

De haast en drang van ’t oogenblik verbieden, Geliefde landgenooten, meer te ontvouwen Dan ik reeds zeide; doch herinnert u:— Aan onze zijde strijden God en ’t recht; 240 Der heil’gen, der gekrenkte zielen beden Staan voor ons als een bolwerk, dat ons dekt. Op Richard na, zien zij, met wie wij strijden, Veel liever ons, dan hunnen veldheer winnen. Want, ja, wat is die veldheer? Waarlijk, vrienden, Een bloedig dwing’land en een moordenaar, Door bloed verrezen en in bloed gezeteld, Zich helpers wervend om aan ’t doel te komen, En doodend, wie hij eens als helpers koos; Een steen, niets waard, door de’ achtergrond des troons, Waar arglist hem in zette, kostlijk schijnend; Van den beginne steeds een vijand Gods. Welnu, bestrijdt gij, die Gods vijand is, Dan hoedt u God gewis als zijne krijgers; Bestrijdt ge in ’t zweet uws aanschijns zulk een dwing’land, Dan slaapt ge in vreê, wanneer die dwing’land valt; Bestrijdt gij, die uw land vijandig zijn, Dan zal het vette uws lands uw zwoegen loonen; Strijdt gij om uwe vrouwen te beschermen, Uw vrouwen halen na de zege u in; Behoedt gij uwe kind’ren voor het zwaard, Uw grijsheid loonen ’t uwer kind’ren kind’ren. Nu dan, met God en met dit heilig recht, Steekt op de vanen, trekt uw willig zwaard. Mijn boetegeld, zoo ’t waagstuk al te stout is, Zij mijn koud lijk op ’t koud gelaat der aard. Doch zoo ik slaag, de minste van u allen Heeft deel aan mijne winst. Trompetten, schalt! Klinkt, trommen, wijst aan moed den weg ter glorie; God en Sint George, Richmond en victorie!

(Allen af.)

(Koning Richard en Ratcliff komen terug, met Gevolg en Troepen.)

KONING RICHARD. Wat zeide lord Northumberland van Richmond?

RATCLIFF. Dat hij een nieuw’ling is in de oorlogskunst.

KONING RICHARD. En dit is waar; doch zeide Surrey niets?

RATCLIFF. Hij lachte en sprak: „Voor ons zooveel te beter.”

KONING RICHARD. Hij had gelijk; zoo is het inderdaad.— (De klok slaat.) Stil, tel de klok.—Geef een kalender hier. Wie zag de zon vandaag?

RATCLIFF. Ik niet, mijn vorst.

KONING RICHARD. Dan weigert ze ons haar licht, want, naar het boek, Moest zij een uur reeds in het oosten prijken. Een zwarte dag zal dit voor iemand zijn.— Ratcliff!

RATCLIFF. Mijn vorst?

KONING RICHARD. De zon laat zich vandaag niet zien; 281 Boos ziet de hemel op ons leger neer. Dien dauw van tranen wenschte ik van den grond. Vandaag niet schijnen? Nu, wat doet dit mij, Meer dan dien Richmond? Want dezelfde lucht, Die mij bedreigt, ziet hem ook donker aan.

(Norfolk komt op.)

NORFOLK. Te wapen, vorst! de vijand bralt in ’t veld.

KONING RICHARD. Komt, haastig, haastig! Vlug mijn paard gezadeld!— Roep Stanley op; hij kome met zijn volk. Ik wil mijn krijgers in de vlakte leiden, En deze schikking kies ik voor ’t gevecht: De voortocht strekk’ zich uit in volle lengte, Gelijk uit paard- en voetvolk saamgesteld; De handboogschutters nemen ’t midden in; John hertog Norfolk, Thomas graaf van Surrey Zijn de oversten van ’t voetvolk en de ruiters. Zijn deze aldus op weg, dan volgen wij Met onze hoofdmacht, die aan wederzij De keur der ruiterij tot vleugel heeft. Zoo, en Sint George als hulp!—Wat dunkt u, Norfolk?

NORFOLK. Een goede schikking, oorlogshafte vorst.— Dit vond ik hedenmorgen in mijn tent.

(Hij geeft den Koning een stuk papier.)

KONING RICHARD (leest).

„Hans Norfolk, tijdig heil gezocht! „Uw meester Dick is verraden, verkocht.”

Dit is een loos verzinsel van den vijand.— Gaat, heeren, ieder uwer op zijn post. Geen beuzelpraat van droomen breng’ ons angst; Geweten is een lafaardswoord, een vond, Die sterken, geeft men toe, in banden legt; De vuist zij ons geweten, ’t zwaard ons recht. Vooruit, grijpt aan, vooruit steeds, moedig, fel, Zoo niet ten hemel, dan te zaam ter hel!— (Tot de troepen.) Wat heb ik meer te zeggen, dan ik deed? Bedenkt, met wie gij u te meten hebt: Een troep landloopers, schooiers en schavuiten, Bretagner schuim en lage slaafsche boeren, Door ’t land, dat hunner zat is, uitgebraakt Tot doldriest woeden en een zeek’ren dood. Gij sliept in veiligheid, zij brengen onrust; Gij roemt op landerijen, schoone vrouwen, Die willen ze u betwisten, deze schenden. En dan, wie voert hen aan? een kale jonker, Die in Bretagne ’t brood at onzer moeder! Een melkmuil, die zijn leven lang zich nooit Tot boven de enkels in de sneeuw gewaagd heeft! Komt, dit gespuis weer over zee gezweept, Die drieste Fransche schooiers weggegeeseld, Dit hong’rig, levensmoede bedelvolk, 329 Dat, had het van dit waagspel niet gedroomd, Uit nood, kaal rattenbroed! zich had verhangen. Neen, moeten we overwonnen zijn, dan zij ’t Door mannen, niet door die Bretagner bastaards, Door onze vaad’ren in hun eigen land Geklopt, gestriemd, gedorscht, aan bare schande Ter prooi gelaten! En die zouden ons Ons land ontnemen, onze vrouwen, dochters Onteeren, schenden?—(Trommen in de verte.) Luistert, ’k hoor hun trommen. Strijdt, Eng’lands ridderschap! strijdt, stoute burgers! Spant, schutters, uwen boog tot aan de wang! Spoort uwe fiere rossen, waadt door bloed, Verbaast het luchtruim met uw lansgesplinter!

(Een Bode komt op.)

Wat zegt lord Stanley? komt hij met zijn volk?

BODE. Mijn vorst, hij weigert hier te komen.

KONING RICHARD. Dan George Stanley ’t hoofd af!

NORFOLK. Mijn vorst, de vijand is ’t moeras reeds over; Dat George Stanley sterve na den slag.

KONING RICHARD. Veel duizend harten zwellen in mijn borst. Vooruit de standaards! valt den vijand aan! Onze oude krijgsroep: „Voor Sint George en Eng’land!” Beziel’ ons met den haat van vuur’ge draken! Op onze helmen troont de zege; voort!

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het veld.

Krijgsgedruisch; heen en weer trekken van troepen. Norfolk komt op met troepen, Catesby gaat op hem toe.

CATESBY. Ter hulp, mylord van Norfolk, op! ter hulp! ’t Is bovenmenschelijk, wat de koning doet; Hij trotst op dood en leven ied’ren vijand. Zijn paard is dood; hij vecht te voet steeds voort, En zoekt naar Richmond in den muil des doods. Breng hulp, mylord, of alles is verloren.

(Krijgsgedruisch. Koning Richard komt op.)

KONING RICHARD. Een paard! een paard! gansch Eng’land voor een paard!

CATESBY. Wijk, wijk, mijn vorst; ik help u aan een paard.

KONING RICHARD. Gij slaaf! ik zette op éénen worp mijn leven, En zet het waagspel tot het einde voort. Er zijn zes Richmonds in het veld, geloof ik; ’k Versloeg er heden vijf in plaats van hem.— Een paard! een paard! gansch Eng’land voor een paard!

(Allen af.)

VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het veld.

Krijgsgedruisch. Koning Richard en Richmond komen op en gaan vechtend heen.—Sein tot terugroeping en trompetgeschal. Dan komen op: Richmond, Stanley met de kroon, verscheiden andere Lords, en troepen.

RICHMOND. Gode en uw zwaard zij dank, zeeghafte vrienden, Ons is het slagveld en de bloedhond dood.

STANLEY. Schoon, dapp’re Richmond, hebt gij u gekweten! Zie hier, dit lang geroofde koningskleinood Heb ik aan ’t doode hoofd des snooden moord’naars Ontrukt, om u de slapen mee te sieren; Aanvaard het, draag het lang, hernieuw zijn glans!

RICHMOND. Gij, God hierboven, zeg hier „Amen” toe;— Maar zeg mij, leeft de jonge George nog?

STANLEY. Hij leeft, in veiligheid, in Leicester, heer, Waarheen, zoo ’t u behaagt, wij allen gaan.

RICHMOND. Wie vielen er, van naam, aan beide zijden?

STANLEY. Lord Walter Ferrers, hertog John van Norfolk, Sir Robert Brakenbury, Sir William Brandon.

RICHMOND. Begraaft hen naar hun rang en hun geboorte. Verkondt genade aan elk voortvluchtig krijger, Die onderdanig tot ons wederkeert. Dan willen wij de roode en witte roos, Gelijk ik zwoer bij ’t sacrament, vereenen;— De Hemel lach’ het toe, dit schoon verbond, Die lang met donk’ren blik den krijg aanschouwde;— 21 Wie pleegt verraad en zegt hierop geen amen? Lang sneed dolzinnig Eng’land zich in ’t vleesch; Blind stortte lang de broeder ’s broeders bloed; Woest werd de vader moord’naar van zijn zoon, De zoon, uit noodweer, slachter van zijn vader; ’t Werd al verdeeld door York en Lancaster, Door gruwzame verdeeldheid zelf verdeeld.— O, mogen Richmond en Elizabeth, Van beide huizen de rechtmatige erven, Zich nu vereenen door Gods wijs bestel! En moog’ hun kroost,—zoo gij, o God, dit wilt,— De toekomst met een zoeten vrede zeeg’nen, Met dagen van geluk en rijken bloei! Verstomp, genadig God, het zwaard der boozen, Wier wensch is, zulke dagen te doen keeren, Waarin arm Eng’land weent met stroomen bloeds! Hij sterve en hebb’ geen deel aan Eng’lands zegen, Die aan den vrede zwart verraad wil plegen! De twist is dood, en vreê voegt allen samen; Lang leev’ die hier, en gij, o God, zeg Amen!

(Allen af.)

AANTEEKENINGEN.

Shakespeare ontleende de stof voor zijn „Koning Richard III” aan de kronieken van Hall en Holinshed; deze beide,—en wel voornamelijk de eerste, want Holinshed heeft uit Hall geput,—gronden hun verhaal op Sir Thomas More’s Tragical History of Richard III. More’s bron waren mondelinge mededeelingen van John Morton, bisschop van Ely, die, zooals ook in Sh.’s stuk vermeld wordt, de zijde van den hertog van Richmond gekozen heeft. Dat het beeld, door More van Richard gegeven, zeer donker gekleurd is, kan dus niet bevreemden. Maar het moge in bijzonderheden onjuist, hier en daar verkeerd getint zijn, dat het in grondtrekken niet gelijkend is, kan men daarom geenszins beweren. Aan de gelijkenis van het door Hall geschetste beeld werd in Shakespeare’s tijd ten minste niet getwijfeld, en ook de geschiedvorschers van den lateren tijd erkennen, naar aanleiding van de karige berichten, die uit deze schrikkelijke tijden tot ons gekomen zijn, dat Richard een vorst was van grooten aanleg, doordrongen van eergierigheid en heerschzucht, die zijn plannen met onverzettelijke geestkracht wist uit te voeren, zonder zich door goddelijke of menschelijke wetten te laten weerhouden.

Dat Shakespeare bij de schepping van dit beeld des demonischen dwingelands de aanwijzingen zijner kronieken over het algemeen getrouw gevolgd heeft, zou door uitvoerige uittreksels kunnen blijken; vooreerst zij het voldoende, het door een enkel voorbeeld te staven.

In de kroniek van Hall vindt men de volgende karakterschets van Richard III:

„Richard, hertog van Gloster, was in geest en moed zijn’ broeders Edward en George gelijk, maar stond in lichaamsschoon en trekken ver bij beiden achter; want hij was klein van gestalte, slecht gevormd van ledematen, krom van rug, zijn linkerschouder veel hooger dan de rechter, met harde gelaatstrekken, wat men bij grooten een krijgshaftig gelaat, en bij mindere personen een norsch gezicht noemt. Hij was boosaardig, wraakzuchtig en afgunstig, en men verhaalt, dat zijn moeder hem eerst na zwaren arbeid het leven geschonken had en dat hij met de voeten vooruit ter wereld was gekomen, zooals de mensch uitgedragen wordt, en zooals het gerucht loopt, niet zonder tanden. In hoeverre zijn haters dit tegen de waarheid in hebben uitgestrooid, of wel de natuur haar gang veranderd heeft bij den aanvang van hem, die in zijn leven menige onnatuurlijke daad bedreef, laat ik aan Gods oordeel over. Hij was geen slecht bevelhebber in den oorlog, waar zijn gezindheid meer toe geneigd was dan tot den vrede. Verscheidene overwinningen had hij en ettelijke nederlagen, maar deze nooit door de schuld van hemzelf, wegens het ontbreken hetzij van moed hetzij van beleid. Ruim was hij in zijn uitgaven en zelfs boven zijn vermogen mild; met groote gaven verwierf hij onbestendige vriendschap, waartoe hij elders borgde, plunderde of afperste, welk doen hem bestendigen haat verwierf. Hij was gesloten en achterhoudend, een diep huichelaar, nederig in zijn manieren, hoovaardig van harte, uitwendig vertrouwelijk als hij inwendig haatte, nooit nalatend hem te kussen, dien hij van plan was te dooden; onverzoenlijk en wreed, niet altijd uit boozen wil, maar vaak uit eerzucht en om zijn doel te bereiken; vriend en vijand waren hem onverschillig, wanneer zijn voordeel in het spel kwam; hij ontzag den dood van geen mensch, wiens leven zijn plannen in den weg stond. Hij versloeg in den Tower koning Hendrik VI, zeggende: „Nu is er geen mannelijk erfgenaam van Edward III dan wij van het huis van York”, welke moord begaan werd zonder toestemming van koning Edward die dit slachterswerk eer aan een ander dan aan zijn eigen broeder zou hebben opgedragen. Ettelijke wijze mannen gelooven, dat zijn drijven ook niet ontbrak, om zijn eigen broeder Clarence den dood aan te doen, waar hij zich naar allen schijn tegen verzette, hoewel hij er inwendig naar streefde. En de grond hiervan was, zooals menschen, die zijn daden en handelingen gadesloegen, opmerkten, dat hij reeds lang in koning Edwards tijd er aan dacht, de kroon te erlangen, in geval de koning zijn broeder, wiens leven, naar hij wachtte, door zijn losbandigheid zou verkort worden, mocht komen te sterven, gelijk dan ook gebeurde, terwijl zijn kinderen nog jong waren. En als dan de hertog van Clarence nog leefde, zou zijn voorgenomen plan zeer gehinderd worden; want als de hertog van Clarence trouw was gebleven aan zijn neef den jongen koning, of zelf koning had willen worden, zou zoowel het een als het ander een booze hinderpaal geweest zijn op den weg van den hertog van Gloster; maar als hij zeker was, dat zijn broeder Clarence dood was, wist hij, dat hij zonder zooveel te wagen aan het werk kon gaan. Maar omtrent deze punten bestaat geen zekerheid, en wie raadt of gist, kan evengoed te kort als te ver schieten; maar deze gissing kwam,—wat zelden het geval is,—later uit, zooals gij in het vervolg vernemen zult”.