Part 7
KONINGIN ELIZABETH. Ja, herder, gij ontnaamt dien lamm’ren alles, Geluk en kroon, verwanten, vrijheid, leven. Wiens hand hun teed’re harten hebb’ gespietst, Uw hoofd gaf in ’t geheim de richting aan. Voorzeker, ’t moordend mes was bot en stomp, Totdat het, op uw kiezelhart gewet, In de ingewanden van mijn lamm’ren woelde. Wierd door gewoonte wilde smart niet mak, Ik zou mijn knaapjes voor uw oor niet noemen, Dan met mijn nagels ank’rend in uw oogen, En zoo, in zulk een baai van wissen dood, Gelijk een boot, beroofd van zeil en want, Mij op de rots verplett’rend van uw borst.
KONING RICHARD. Zoo waarlijk, vrouwe, krone mij ’t geluk 235 Bij ’t bloedig wapenspel van dezen krijgstocht, Als ik aan u en de uwen goed wil doen, Meer dan ik u en de uwen leed deed lijden!
KONINGIN ELIZABETH. Wat goed, door ’s hemels aangezicht bedekt, Is nog te ontdekken, dat mij goed kan doen?
KONING RICHARD. Verhooging van uw kind’ren, eed’le vrouwe.
KONINGIN ELIZABETH. O, op ’t schavot, om ’t hoofd er te verliezen?
KONING RICHARD. Neen, tot den hoogsten trap van rang en eer, Het hooge heerschersmerk van aardsche grootheid.
KONINGIN ELIZABETH. Zoo meld het mij en vlei aldus mijn smart; En zeg, wat rang, wat eer, wat waardigheid Kunt gij aan een van mijne kind’ren schenken?
KONING RICHARD. Al wat het mijne is, ja mijzelven, alles; Dit zij mijn gave aan een van uwe kind’ren, Zoo ge in de Lethe van uw toornend hart De droevige overpeinzing wilt verdrinken Van ’t leed, dat ik naar uwen waan u bracht.
KONINGIN ELIZABETH. Wees kort, opdat de ontvouwing van uw weldaad Niet langer dure dan uw weldoen zelf.
KONING RICHARD. Zoo weet: ik min tot stervens toe uw dochter.
KONINGIN ELIZABETH. Mijn dochters moeder denkt: tot stervens toe.
KONING RICHARD. Wat denkt gij dan?
KONINGIN ELIZABETH. Dat gij tot stervens toe mijn dochter mint; Zoo mindet gij tot stervens toe haar broeders, En hiervoor dank ik u tot stervens toe.
KONING RICHARD. Misduid mijn meening niet door uwe drift; Ik meen: tot stervens toe min ik uw dochter, En wil haar koningin doen zijn van Eng’land.
KONINGIN ELIZABETH. En wie dan, wilt gij, zal haar koning zijn?
KONING RICHARD. Die haar tot koningin verheft, wie anders?
KONINGIN ELIZABETH. Wat, gij?
KONING RICHARD. Ikzelf, en wat denkt gij er van?
KONINGIN ELIZABETH. En hoe wilt gij haar winnen?
KONING RICHARD. Hiertoe vraag ik Van u thans raad: gij kent het best haar aard.
KONINGIN ELIZABETH. En dus, gij wenscht mijn raad?
KONING RICHARD. Van harte gaarne. 270
KONINGIN ELIZABETH. Zend haar door hem, die eens haar broeders doodde, Twee jonge harten, bloedend; grif daarop „Edward” en „York”: moog’lijk weent zij dan; Schenk daarom haar,—zooals eens Margaretha ’t Aan uwen vader deed met Rutland’s bloed,— Een doek, die—meld haar dit,—het purpersap Uit harer lieve broeders wonden zoog, En zeg, dat zij daarmee haar oogen wissche. Zoo die verlokking nog haar hart niet wint, Zend dan een lijst van al uw eed’le daden: Meld, hoe gij van haar ooms, van Clarence, Rivers, U hebt ontslagen, ja, om harentwil, Anna, haar goede moei, van kant geholpen.
KONING RICHARD. Nu spot gij, vrouwe; dit is niet de weg Om haar te winnen.
KONINGIN ELIZABETH. Dit is de een’ge weg; Tenzij ge een ander wezen aan kunt doen, Een ander zijn dan Richard, die dit deed.
KONING RICHARD. En zoo ik alles deed uit min tot haar?
KONINGIN ELIZABETH. Dan is haar eenig antwoord, u te haten, Die liefde koopt met zulk een schat van bloed.
KONING RICHARD. Zie, ’t eens gedane is niet meer te herdoen; De mensch gaat somtijds overijld te werk, Zoodat zijn doen in later uur hem rouwt; Heb ik uw zoons het koningschap ontroofd, Ik wil ten zoen het aan uw dochter geven. Heb ik het kroost van uwen schoot gedood, ’k Wil, ter vermeerd’ring uws geslachts, mij kroost Uit uw bloed bij uw dochter mij verwekken. Grootmoeder heeten is schier even zoet Als de betoov’ring van den moedernaam; De kind’ren zijn slechts ééne trede lager, Maar van uw eigen merg, uw eigen bloed; Gelijk in zorg,—slechts in die weenacht niet, Die zìj doorstaat, voor wie gij ’t zelfde leedt. Uw kind’ren waren uwer jeugd een plaag, De mijne worden uwer grijsheid troost. Verloort gij ook een zoon, die koning was, Thans wordt daarvoor uw dochter koningin. Ik kan u niet hergeven wat ik wilde, Aanvaard dus, wat mijn goedheid bieden kan. Dorset, uw zoon, die met beangst gemoed Misnoegde schreden zet op vreemden grond, Wordt door dit schoon verbond welras naar huis, Tot hoogen rang en groote gunst geroepen; De koning, die uw lieflijk kind zijn „vrouw” noemt, Noemt dan vertrouw’lijk uwen Dorset „broeder”; Gijzelf wordt weder moeder van een koning, En elke schâ der bange tijden wordt Vergoed door dubb’le schatten van geluk. O, wij beleven nog wel goede dagen! 320 De held’re droppen, die gij hebt geschreid, Zij komen weer, vervormd tot blanke parels, Den inzet u vergoedend door de rente Van tienmaal dubbele aanwinst in geluk. Ga dus, mijn moeder, ga tot uwe dochter; Sterk door uw rijp’ren geest haar schucht’re jeugd; Bereid haar ooren voor eens minnaars kout; Stort in haar teeder hart den stouten gloed Naar gulden oppermacht; spreek tot uw kind Van ’t huwlijksheil in zoete, heimlijke uren; En als mijn arm dien kleinen oproerling, Dien dolkop Buckingham, getuchtigd heeft, Dan kom ik, met het zegeloof bekranst, En voer uw kind naar ’t bed eens overwinnaars’. Haar bied ik dan mijn krijgsbuit; zij alleen Zal overwinnares zijn, Cæsar’s Cæsar.
KONINGIN ELIZABETH. Hoe druk ik best mij uit? Haars vaders broeder Wil haar gemaal zijn? Of is ’t beter: oom? Of wel, de moordenaar van haar ooms en broeders? Met welken titel doe ik voor u aanzoek, Dien God, de wet, mijn eer en hare liefde Aanlokk’lijk maken voor haar teed’re jeugd?
KONING RICHARD. Wijs haar op Eng’lands vreê door dezen echt.
KONINGIN ELIZABETH. Een vreê, dien zij met eeuw’gen oorlog koopt.
KONING RICHARD. Zeg haar, de koning, die kon eischen, smeekt.
KONINGIN ELIZABETH. Wat aller vorsten opperkoning wraakt.
KONING RICHARD. Zeg, zij wordt groot en machtig, koningin.
KONINGIN ELIZABETH. En schreit dra om dien titel, als haar moeder.
KONING RICHARD. Zeg, dat ik haar mijn eeuw’ge liefde wijd.
KONINGIN ELIZABETH. Zeg mij, hoe lang die eeuwigheid zal duren.
KONING RICHARD. Zoolang haar lieflijk bloeiend leven duurt.
KONINGIN ELIZABETH. Maar hoe lang zal haar bloei en leven duren?
KONING RICHARD. Zoolang natuur en hemel het geheugt.
KONINGIN ELIZABETH. Zoolang het Richard en de hel behaagt.
KONING RICHARD. Zeg: ik, haar heer, ik word haar onderdaan.
KONINGIN ELIZABETH. Die heerschappij is de onderdane een gruwel.
KONING RICHARD. Bepleit welsprekend mijne zaak bij haar.
KONINGIN ELIZABETH. ’t Eenvoudigst woord wint best een goede zaak.
KONING RICHARD. Spreek dan tot haar eenvoudig van mijn liefde. 359
KONINGIN ELIZABETH. Eenvoudig en niet goed klinkt al te ruw.
KONING RICHARD. Uw reed’nen zijn niet grondig, zonder kalmte.
KONINGIN ELIZABETH. Kalm, grondig zijn mijn reed’nen, dood en diep;— Ja; dood en diep, in ’t graf, mijn arme kind’ren.
KONING RICHARD. Roer die snaar niet meer aan, dat is voorbij.
KONINGIN ELIZABETH. Ik roer die aan, tot hartesnaren springen.
KONING RICHARD. Bij mijn Sint George, kouseband en kroon—
KONINGIN ELIZABETH. Ontwijd, onteerd, de derde vuig geroofd.
KONING RICHARD. Zweer ik,—
KONINGIN ELIZABETH. Bij niets,—ja, want dit is geen eed. Uw George, ontwijd, verloor zijn heilige eer, Uw kouseband, bevlekt, zijn ridderdeugd, Uw kroon, geroofd, haar koninklijken glans. Wilt gij een eed doen, die geloof verwerft, Zoo zweer bij iets, nog niet door u gekrenkt.
KONING RICHARD. Dan, bij mijzelf,—
KONINGIN ELIZABETH. Geschandvlekt door uzelf;
KONING RICHARD. Welnu, bij de aard,—
KONINGIN ELIZABETH. Vervuld van uwe gruw’len;
KONING RICHARD. Mijns vaders dood,—
KONINGIN ELIZABETH. Bezoedeld door uw leven;
KONING RICHARD. Nu dan, bij God,—
KONINGIN ELIZABETH. Gods krenking is de zwaarste. Hadt gij geschuwd een eed bij hem te breken, Die eendracht, die de vorst, uw broeder, stichtte, Ware onverstoord, mijn broeder leefde nog. Hadt gij geschuwd een eed bij hem te breken, Het koningsgoud, dat thans uw hoofd omspant Het sierde nu mijn kind de teed’re slapen; En beide prinsen waren aad’mend hier, Die nu, in ’t stof twee teed’re bedgenooten, Der wormen buit door uwe trouwbreuk zijn. Waar kunt gij nog bij zweren?
KONING RICHARD. Bij de toekomst.
KONINGIN ELIZABETH. Die hebt gij in ’t verleden reeds gekrenkt. In tranen moet ik zelf de toekomst wasschen, Om dat voor u zoo diep gekrenkt verleden. Hoe menig kind, wier ouders gij vermoorddet, Leeft zonder tucht, en zal dit, oud, bejamm’ren! Hoe menig ouder, die zijn kroost zag slachten, Als dorre stam, en zal dit, oud, bejamm’ren! Zweer bij de toekomst niet; zij is ontwijd Door uw verleden, boos besteden tijd. 396
KONING RICHARD. Zoo waar ’t mij rouwt en ik geluk begeer, Zoo waarlijk slage ik in het hach’lijk spel Des feilen krijgs!—Verderve ikzelf mijzelven! Geen blijde stond gunn’ God mij of ’t geluk! Onthoud mij, dag, uw licht, gij, nacht, uw rust! Bestrijdt, gij heilgesternten, al mijn doen, Indien ik niet, met echte trouw des harten, Met vlekk’looze’ eerbied, heilige gedachten, Naar uwe schoone vorstendochter ding! Op haar berust heel mijn en uw geluk,— En zonder haar volgt voor mijzelf en u, Voor haar, dit land en meen’ge christenziel, Dood, ondergang, verderf, vernietiging. Het is niet af te wenden, enkel zoo; Het wordt niet afgewend dan enkel zoo. Dus, lieve moeder,—zoo moet ik u noemen,— Wees zaakverzorgster mijner liefde. Stel Haar voor, wat ik zijn wil, niet wat ik was, Niet wat ik heb verdiend, maar zal verdienen; Leg nadruk op den stand en eisch des tijds, En wees bij groote plannen niet kleingeestig.
KONINGIN ELIZABETH. Hoe! mag de duivel mij aldus verzoeken?
KONING RICHARD. Ja, zoo de duivel u verzoekt ten goede.
KONINGIN ELIZABETH. Mag ik mijzelf en wie ik ben vergeten?
KONING RICHARD. Ja, zoo het denken aan uzelf u schaadt.
KONINGIN ELIZABETH. Maar toch,—gij bracht mijn kind’ren om.
KONING RICHARD. In uwer dochter schoot begraaf ik hen; Daar, in dat feniksnest, verwekken zij Op nieuw zichzelf, tot nieuwen troost voor u.
KONINGIN ELIZABETH. Moet ik mijn dochter voor uw wensch gaan winnen?
KONING RICHARD. En door dat doen weer blijde moeder zijn.
KONINGIN ELIZABETH. Ik ga;—zend spoedig mij een schrijven toe, En ìk meld u, hoe zij er over denkt.
KONING RICHARD. Breng haar mijn kus vol liefde, en nu vaarwel!
(Hij kust haar. Koningin Elizabeth af.)
Toegeeflijk dwaashoofd! wank’le zwakke vrouw!
(Ratcliff komt op, gevolgd door Catesby.)
Wat nu? wat meldt gij?
RATCLIFF. Grootmachtig heer en vorst, een sterke vloot Kruist op de westkust; naar het zeestrand vloeien, Ja, vrienden, maar holhartig, onbetrouwbaar, En wapenloos, tot afslaan niet besloten. Er wordt vermoed, dat Richmond vlootvoogd is; Zij dobb’ren daar en wachten slechts de hulp Van Buckingham om voet aan wal te zetten.
KONING RICHARD. Een wakk’re vriend ijl’ vlug tot hertog Norfolk;— 440 Gij Ratcliff,—ja, of Catesby; waar is Catesby?
CATESBY. Hier, beste Heer.
KONING RICHARD. Vlieg naar den hertog, Catesby.
CATESBY. Terstond, mijn vorst, met allen denkb’ren spoed.
KONING RICHARD. Ratcliff, kom hier; gij jaagt naar Salisbury; Als gij daar aankomt,—(Tot Catesby.) Domme, trage vlegel, Wat toeft gij hier en ijlt niet tot den hertog?
CATESBY. Doorluchtig heer, gelief mij eerst te melden, Wat last ik van uw hoogheid brengen moet.
KONING RICHARD. ’t Is waar, mijn goede Catesby;—daad’lijk breng’ hij De grootste macht te zamen, die hij kan, En koom’ terstond tot mij naar Salisbury.
CATESBY. Ik ga.
(Catesby af.)
RATCLIFF. En wat doe ik in Salisbury, mijn vorst?
KONING RICHARD. Wel, wat zoudt gij er doen, voor ik er ben?
RATCLIFF. Ik moest, mijn vorst, er vóór u heen, met spoed.
(Stanley komt op.)
KONING RICHARD. ’k Heb mij bedacht.—Gij, Stanley, spreek, wat meldt gij?
STANLEY. ’t Is heer, zoo goed niet, dat gij ’t gaarne hoort, Maar ook zoo slecht niet of het is te melden.
KONING RICHARD. Zie eens, een raadsel! ’t is nòch goed nòch slecht? Wat loopt gij zooveel mijlen om en rond, En gaat niet recht naar ’t doel en meldt uw nieuws? Nog eens, wat is er?
STANLEY. Richmond is op zee.
KONING RICHARD. Dat hij er zinke en hem de zee bedekke! Die laffe vagebond, wat doet hij daar?
STANLEY. Ik weet het niet, mijn vorst, en kan slechts gissen.
KONING RICHARD. Wat gist gij dan?
STANLEY. Gestijfd door Dorset, Buckingham en Ely, Komt hij naar Eng’land en verlangt de kroon.
KONING RICHARD. Is dan de troon ontruimd? het zwaard gebroken? 470 De koning dood? het koninkrijk verweesd? Wie anders is York’s erfgenaam, dan ik? Wie anders koning, dan York’s erfgenaam? Spreek, zeg mij nu, waartoe is hij op zee?
STANLEY. Is ’t hierom niet, mijn vorst, dan weet ik ’t niet.
KONING RICHARD. Is ’t hierom niet, dat hij uw koning worde, Dan weet gij niet, waartoe die schooier komt. Uw plan is vlucht tot hem, is afval, vrees ik.
STANLEY. Neen, beste vorst; daarom; mistrouw mij niet.
KONING RICHARD. Waar is uw volk dan, om hem af te slaan? Waar zijn uw onderhoor’gen, uw vazallen? Niet waar, zij zijn in ’t westen, op de kust, En dekken daar de ontscheping der rebellen?
STANLEY. Neen, beste vorst, mijn vrienden staan in ’t noorden.
KONING RICHARD. Uw vrienden, koud voor mij! wat doen ze in ’t noorden, Terwijl hun vorst in ’t westen hen behoeft?
STANLEY. Zij werden niet ontboden, machtig koning. Gelieft uw hoogheid oorlof mij te geven, Dan monster ik mijn volk en kom tot u, Zoodra en waar uw hoogheid het verlangt.
KONING RICHARD. Ja, ja, weg wilt ge, en u bij Richmond voegen; Maar ik vertrouw u niet.
STANLEY. Grootmachtig vorst, Gij hebt geen grond om aan mijn trouw te twijf’len. Nooit was ik valsch, en zal het nimmer zijn.
KONING RICHARD. Ga dan en monster volk; maar laat uw zoon, Uw George, hier; zorg, dat uw hart niet wanke, Want anders staat zijn hoofd niet al te vast.
STANLEY. Behandel hem, zooals mijn trouw u blijkt.
(Stanley af.)
(Een bode komt op.)
BODE. Genadig heer en vorst, in Devonshire Staan, naar ik zeker van mijn vrienden hoor, Sir Edward Courtney en de trotsche kerkvoogd, Bisschop van Exeter, zijn oudste broeder, Met vele bondgenooten, in het veld.
(Een tweede Bode komt op.)
TWEEDE BODE. In Kent, heer, staan de Guildfords in de waap’nen; En dien rebellen stroomen uur op uur Meer medehelpers toe; hun macht wordt sterk.
(Een derde Bode komt op.)
DERDE BODE. Het groote leger, heer, van Buckingham—
KONING RICHARD. Van hier, gij uilen! niets dan doodsgekras?
(Hij geeft den Bode een slag.)
Neem dit, tot gij mij beet’re tijding brengt.
DERDE BODE. De tijding, die ik aan uwe hoogheid meld, Is, dat door watervloed en zware regens Het heer van Buckingham verspreid, verstrooid is, En dat hijzelf, alleen, een wijkplaats zocht, Waarheen, weet niemand.
KONING RICHARD. O, vergeef mijn drift; Daar is mijn beurs tot heeling van uw slag. Heeft niet een kloeke vriend een goede som Voor ’t vangen des verraders uitgeloofd?
DERDE BODE. Die is onmidd’lijk uitgeloofd, mijn vorst.
(Een vierde Bode komt op.)
VIERDE BODE. Sir Thomas Lovel en lord Dorset staan Te velde in Yorkshire, zegt men, edel vorst; Doch dezen goeden troost breng ik uw hoogheid: De storm heeft de Bretagner vloot verstrooid; In Dorsetshire liet Richmond door een boot De lieden, die het strand bezetten, vragen, Of zij hem helpen zouden, ja of neen. Zij kwamen, was ’t bescheid, van Buckingham, En tot zijn bijstand; doch, hen niet vertrouwend, Heesch hij de zeilen, naar Bretagne steev’nend.
KONING RICHARD. Op, voortgerukt! wij zijn geheel gereed; Gelde ook de strijd geen buitenlandschen vijand, Gefnuikt zij iedere opstand binnenslands.
(Catesby komt op.)
CATESBY. Gevangen, heer, is hertog Buckingham; Dit is de beste tijding. Dat graaf Richmond Met groote macht te Milford is geland, Klinkt minder goed, doch ’t melden is mij plicht.
KONING RICHARD. Op dan, naar Salisbury! terwijl wij praten, Waar’ de uitkomst van een koningsslag beslist.— Een uwer zorg’ voor Buckingham’s vervoer Naar Salisbury; gij and’ren trekt met mij.
(Allen af.)
VIJFDE TOONEEL.
Een vertrek in lord Stanley’s huis.
Lord Stanley en broeder Christopher Urswick komen op.
STANLEY. Vriend Christopher, zeg Richmond dit van mij:— In ’t kot van dien bloedgier’gen ever is Mijn zoon, mijn George, in hecht’nis, ingesperd; En val ik af, dan valt ook George’s hoofd. Die vrees alleen vertraagt alsnog mijn bijstand. Maar ga thans, breng uw heer mijn groet, en tevens ’t Besluit der koningin, die gaarne toestemt, Dat hij Elizabeth, haar dochter, huwt. Doch zeg mij, waar is de eed’le Richmond thans?
CHRISTOPHER. Te Pembroke, of te Harford-West, in Wales.
STANLEY. En welke mannen van gewicht zijn bij hem?
CHRISTOPHER. Sir Walter Herbert, groot van naam als krijger, Sir Gilbert Talbot en Sir William Stanley, Oxford, geduchte Pembroke, Sir James Blunt, En Rice ap Thomas, met een kloeke schaar, En velen nog van grooten roep en waarde; Naar Londen richten zij hun legermacht, Zoo ’t niet reeds onderweg tot strijden komt.
STANLEY. Nu, spoed u naar uw heer; ik kus zijn hand; Mijn schrijven geeft hem blijk van mijn gezindheid. Vaarwel.
(Hij geeft hem brieven.—Beiden af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Salisbury. Een plein.
Een Sheriff en een Wacht komen op, met Buckingham, die ter gerechtsplaats geleid wordt.
BUCKINGHAM. Ontzegt mij koning Richard een gesprek?
SHERIFF. Ja, beste heer; dus schik u in uw lot.
BUCKINGHAM. Hastings, en Edwards kind’ren, Rivers, Grey, Gij, heil’ge Hendrik, met uw schoonen Edward, Vaughan, en allen, die als offers vielt Van snoode, heim’lijke ongerechtigheid, Zoo uw verstoorde, onvergenoegde zielen, Hier blikken door de wolken van dit uur, Zoo neemt thans wraak en spot om mijn verderf!— ’t Is heden Allerzielendag, niet waar?
SHERIFF. Ja, heer.
BUCKINGHAM. Alzielendag is dan mijns lijfs gerichtsdag. 12 Dien dag wenschte ik in koning Edwards tijd Mij op mijn hoofd, indien ik voor zijn kind’ren Of zijner gade magen trouwloos bleek; Die dag is ’t, dien ik inriep voor mijn val Door diens mans ontrouw, dien ik ’t meest vertrouwde. Deze Allerzielendag is ’t eind en perk Der euveldaden voor mijn bange ziel. De hooge Alziende, dien ik spelend tartte, Brengt mij op ’t hoofd mijn huichelbede thuis, En geeft in ernst, wat ik in scherts hem smeekte. Zoo keert hij van der boozen zwaard de spits, Dat die des meesters eigen borst doorboor’! Zoo treft nu Margaretha’s vloek mijn hoofd: „Rijt hij,” zoo sprak ze, „uw hart door wee vaneen, „Herdenk dan: Margaretha was profetisch!”— Komt, leidt mij naar het schandblok, mannen; ’t loon Voor onrecht-doen zij onrecht, hoon voor hoon.
(Buckingham en de Overigen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een vlakte bij Tamworth.
Met trommen en vaandels komen op: Richmond, Oxford, Sir James Blunt, Sir Walter Herbert, en Anderen, met troepen, op marsch.
RICHMOND. Gij wapenbroeders en getrouwe vrienden, Gedrukt, gekneusd door ’t juk der tyrannie, Zoo verre zijn we tot in ’t hart des lands Nu doorgedrongen zonder wederstand; En hier zendt onze vader Stanley ons Een troostrijk schrijven, dat den moed verhoogt. De booze, bloedige en roofgierige ever, Die uwe velden omwroet en uw wijngaards, Uw bloed als spoeling slurpt en zich een trog Van uw ontweide rompen uitholt, heeft Zijn leger nu in ’t midden van dit eiland, Niet verre, naar ons werd gemeld, van Leicester; Van Tamworth is het slechts een dagmarsch af. In Gods naam, op, vol moed, manhafte vrienden, Opdat we als oogst een hechten vrede winnen Door ’t bloed, in éénen scherpen strijd gewaagd!
OXFORD. Elk man is duizend man, daar ieder weet, 17 Dat hij dien schurk, die waadde in bloed, bestrijdt.
HERBERT. Geen twijfel, of zijn vrienden loopen over.
BLUNT. Hij heeft geen vrienden, dan die ’t zijn uit vrees En hem in de’ ergsten nood verlaten zullen.
RICHMOND. Ten onzen bate. Komt, vooruit, met God! De hoop is snel; haar vlucht op zwaluwschachten Geeft vorsten goden-, slaven vorstenkrachten.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Het veld bij Bosworth.
Koning Richard komt op, met troepen, de Hertog van Norfolk, de Graaf van Surrey, en Anderen.
KONING RICHARD. Slaat hier mijn tenten op, in ’t veld van Bosworth.— Mylord van Surrey, waarom blikt gij somber?
SURREY. Mijn hart is tienmaal lichter dan mijn blik.
KONING RICHARD. Mylord van Norfolk,—
NORFOLK. Hier, genadig vorst.
KONING RICHARD. Norfolk, hier vallen slagen; ja, niet waar?
NORFOLK. Men geeft en men ontvangt die, beste vorst.
KONING RICHARD. Mijn tent gezet! hier rust ik heden nacht; Doch waar op morgen?—Nu, het is om ’t even.— Wie heeft verkend, hoe sterk de muiters zijn?
NORFOLK. Zes-, zevenduizend is hun gansch getal. 10
KONING RICHARD. Nu, onze monst’ring wijst het drievoud uit; En ’s konings naam is ons een sterke toren, Die hun van de and’re zij geheel ontbreekt.— Vlug, slaat mijn tent op!—Komt nu, eed’le heeren, Zien wij, hoe ’t veld ons voordeel brengen kan.— Roept een’ge welervaren krijgers saam; Een deeg’lijk plan beraamd en ras gehandeld, Want morgen, heeren, wordt een heete dag.
(Allen af.)
(Aan de andere zijde van het veld komen op: Richmond, Sir William Brandon, Oxford en andere Krijgsoversten. Eenige soldaten slaan Richmond’s tent op.)
RICHMOND. De moede zon ging schuil met gouden gloed; En naar het lichte spoor zijns vlammenwagens Voorspelt hij morgen ons een schoonen dag.— Draag gij, Sir William Brandon, mijn banier.— Bezorg mij in mijn tent papier en inkt; Ik wil het plan ontwerpen van den slag, Elke’ overste zijn plaats en taak doen kennen, En onze kleine macht naar eisch verdeelen.— Mylord van Oxford,—gij, Sir William Brandon,— En gij, Sir Walter Herbert, blijft bij mij. De graaf van Pembroke leidt zijn eigen troep; Breng, goede hopman Blunt, mijn groet hem over En vraag den graaf, dat hij mij in mijn tent Omstreeks het tweede morgenuur bezoek’.— En, waarde hopman, doe nog dit voor mij: Gij weet toch, waar lord Stanley is gelegerd?
BLUNT. Heb ik mij in zijn vanen niet vergist,— En zeker weet ik, dat ik dit niet deed,— Dan ligt zijn troep ten minste een halve mijl Ten zuiden van de hoofdmacht van den koning.
RICHMOND. Is ’t niet te veel gewaagd, mijn goede Blunt, 39 Spoor dan een middel op om hem te spreken; En breng hem dezen brief van hoog belang.
BLUNT. Mijn woord en leven, heer, ik onderneem het.— En nu, verleene u God een goede nacht!
RICHMOND. Goed’ nacht, mijn goede Blunt. En, heeren, komt; Thans eischt de zaak van morgen onze zorg; Gaat in mijn tent; de dauw is kil en koud.
(Zij treden de tent binnen.)
(Koning Richard komt op, met Norfolk, Ratcliff en Catesby, naar zijn tent gaande.)
KONING RICHARD. Hoe laat is ’t?
CATESBY. ’t Is negen, heer, de tijd van ’t avondmaal.
KONING RICHARD. Ik zal niets eten.—Geef papier en inkt.— Spreek, past mijn stormhoed beter dan hij deed, En is mijn rusting in mijn tent gebracht?
CATESBY. Ja, heer en vorst; en alles ligt gereed.
KONING RICHARD. Mijn goede Norfolk, spoed u naar uw post; Houd strenge wacht, en kies vertrouwde schildwachts.
NORFOLK. Ik ga, mijn vorst.
KONING RICHARD. Wees met den leeuwrik wakker, beste Norfolk.
NORFOLK. Ik sta u borg, mijn vorst.
(Norfolk af.)
KONING RICHARD. Catesby!
CATESBY. Mijn vorst!
KONING RICHARD. Zend een heraut naar Stanley’s troep; Hij zorge voor zonsopgang met zijn macht Naar hier te komen, of zijn zoon, zijn George, Zinkt in de diepe krocht der eeuw’ge nacht.—
(Catesby af.)
Lang mij een roemer wijns.—Geef mij een tijdkaars.— En zadel schimmel Surrey morgen vroeg. Zorg, dat mijn lansen sterk en niet te zwaar zijn.— Ratcliff!
RATCLIFF. Mijn vorst?
KONING RICHARD. Hebt gij deze’ avond Den wreev’len graaf Northumberland gezien?
RATCLIFF. Hij is met Thomas, graaf van Surrey, straks, Omstreeks de scheem’ring ’t leger rondgegaan Van troep tot troep, en sprak den krijgers moed in.
KONING RICHARD. Zoo; dat is goed.—Geef mij een roemer wijns.— Ik heb ditmaal den opgewekten geest, Den blijden moed niet, dien ik placht te hebben.— Goed, zet dat neer.—Er is papier en inkt?
RATCLIFF. Ja, beste vorst. 76