Chapter 4 of 11 · 3965 words · ~20 min read

Part 4

De aartsbisschop van York, de jonge hertog van York, koningin Elizabeth en de hertogin van York komen op.

AARTSBISSCHOP. Zij bleven gist’ren nacht te Stony-Stratford, En in Northampton rusten zij van nacht, Zij zijn dus morgen hier of overmorgen.

HERTOGIN. ’k Verlang van ganscher hart den prins te zien, Ik hoop hem sterk gegroeid, sinds ik hem zag.

KONINGIN ELIZABETH. Men zegt van neen; ’k hoor, dat mijn zoon van York Hem in zijn groei bijkans heeft ingehaald.

YORK. Ja, moeder; maar ik had dit liever niet.

HERTOGIN. Waarom, mijn jongen? ’t Is toch goed te groeien.

YORK. Grootmoeder, bij het avondmaal vertelde Oom Rivers eens, dat ik veel sneller groeide, Dan Edward doet. „Ja,” zeide oom Gloster toen, „Een klein gewas is eêl, onkruid groeit veel.” En sedert wenschte ik minder sterken groei; Eêl kruid komt laat, en onkruid snel in bloei.

HERTOGIN. Voorwaar, voorwaar, dit zeggen ging bij hem, Die u dit voor de voeten wierp, niet door; Hij was als kind een nietig onderblijfsel, Zoo laat en traag in ’t groeien, dat hij, was Zijn regel waar, een edel kruid zou zijn.

AARTSBISSCHOP. En zonder twijfel is hij ’t, eed’le vrouwe.

HERTOGIN. Ik hoop het, maar een moeder moge twijf’len.

YORK. Doch hoor eens, ware ’t mij toen ingevallen, Ik had mijn eed’len oom een zet gegeven, Wat groeien aangaat, erger dan hij mij.

HERTOGIN. Hoe dan, mijn kleine York? vertel het eens.

YORK. Wel dit: men zegt, oom Gloster groeide zoo, Dat hij, twee uur pas oud, aan korstjes knaagde; Twee jaar was ik, aleer ik tanden kreeg. Grootmoeder, zou die zet niet raak geweest zijn?

HERTOGIN. Maar, beste York, wie heeft u dit verteld?

YORK. Zijn min, grootmoeder.

HERTOGIN. Zijn min! die was lang dood bij uw geboorte. 33

YORK. Als zij ’t niet deed, dan weet ik niet meer wie.

KONINGIN ELIZABETH. Een sluwe knaap! Loop heen, gij praat te vrij.

AARTSBISSCHOP. Doorluchte vrouw, wees op het kind niet boos.

KONINGIN ELIZABETH. Ook kleine kruikjes hebben ooren.

(Een Bode komt op.)

AARTSBISSCHOP. Daar komt een bode.—Wat voor nieuws?

BODE. Nieuws, heer, waarvan het brengen mij bedroeft.

KONINGIN ELIZABETH. Hoe vaart de prins?

BODE. Gezond en wel, uw hoogheid.

HERTOGIN. Wat brengt gij dan voor nieuws?

BODE. Lord Rivers en lord Grey, zij zijn naar Pomfret, En ook sir Thomas Vaughan, als gevang’nen.

HERTOGIN. En wie nam hen gevangen?

BODE. Hertog Gloster, Met hertog Buckingham.

AARTSBISSCHOP. Om welk vergrijp?

BODE. Ik heb gemeld al wat ik melden kan. Waarom, waarvoor die eed’len zijn gevat, Is mij volkomen onbekend, mylord.

KONINGIN ELIZABETH. Wee mij, ik zie den ondergang mijns huizes. Nu heeft de tijger ’t slanke ree gepakt, En dra vergrijpt verwaten tyrannie Zich aan de’ onnooz’len, eerbiedloozen troon. Welkom, verdelging, bloedvergieten, slachting! Ik zie, als op een kaart, het eindmerk reeds!

HERTOGIN. Gevloekte en onrustvolle tweedrachtsdagen, Hoe velen uwer heeft mijn oog aanschouwd! Mijn gade viel bij ’t streven naar de kroon; En op en neder ging het met mijn zoons, Zoodat ik juichte en weende om zege en neêrlaag; En nu zij veilig zeet’len, nu de storm Van twist voorbij is, voeren zij, die wonnen, Krijg met elkander, broeder tegen broeder. Bloed tegen bloed, zelf met zichzelf.—O waanzin, O dolheid, laat van ’t helsche wrokken af; Of doe mij sterven, niets op aard meer zien!

KONINGIN ELIZABETH. Kom, kom, mijn knaap, ras naar de heil’ge vrijplaats!— Vaar, eed’le vrouwe, wel.

HERTOGIN. Wacht, ik wil mede.

KONINGIN ELIZABETH. ’t Is u niet noodig.

AARTSBISSCHOP (tot de Koningin.) Eed’le vrouwe, ga; En berg er ook uw schatten en uw goed’ren. Voor mij, ik geef het mij vertrouwde zegel Uw hoogheid af; en moge ’t zoo mij gaan, Als ik voor u en voor al de uwen zorg! Ga, ik geleid u zelf naar ’t heiligdom.

(Allen af.)

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een straat.

Trompetgeschal. De Prins van Wales, Gloster, Buckingham, Bourchier en Anderen komen op.

BUCKINGHAM. Wees welkom, Prins, in Londen, in uw kamer!

GLOSTER. Welkom, mijn lieve neef, mijns harten koning! De lange weg heeft droevig u gestemd.

PRINS. Neen, oom; maar wat mij op mijn weg weervoer, Heeft dien mij lang, bedroevend, zwaar gemaakt; Ik wenschte meerdere ooms hier tot ontvangst.

GLOSTER. De schuld’looze eenvoud uwer jaren, prins, Dook in der wereld arglist nog niet neer En niets kunt gij nog aan een man erkennen Dan wat hij toont en schijnt; en dit, God weet het, Strookt nooit of zelden met des menschen hart. Die ooms, die gij u hier wenscht, zijn gevaarlijk; Gij gaaft slechts op hun suikerwoorden acht, Doch hadt geen oog voor hunner harten gif. Voor zulke valsche vrienden hoede u God!

PRINS. Voor valsche vrienden, ja; maar zij zijn ’t niet. 16

GLOSTER. Daar komt de mayor van Londen u begroeten.

(De Lord-Mayor komt op, met Gevolg.)

LORD-MAYOR. God schenke uw Hoogheid heil en blijde dagen!

PRINS. Ik dank u, waarde lord, ik dank u allen.

(De Lord-Mayor en Gevolg treden terug.)

’k Had van mijn moeder en mijn broeder York Reeds eerder op mijn weg een groet verwacht; Foei, welk een slak is Hastings, dat hij ons Niet meldt, of zij in aantocht zijn of niet!

(Hastings komt op.)

BUCKINGHAM. Daar komt de lord juist aan, in ’t zweet zijns aanschijns.

PRINS. Welkom, mylord! Spreek! zal mijn moeder komen?

HASTINGS. Om welke reed’nen, dit weet God, niet ik, maar met uw broeder York week uwe moeder Ter heil’ge vrijplaats heen; recht gaarne had De jonge prins met mij u hier begroet, Doch met geweld hield hem zijn moeder ginds.

BUCKINGHAM. Foei, hoe verkeerd en valsch van haar gedaan!— 31 Lord kardinaal, kan uw genade niet De koningin bewegen, hertog York Terstond te zenden naar den prins, zijn broeder? En weigert zij, ga mee, lord Hastings, scheur Hem uit haar achterdochtige armen weg.

KARDINAAL. Mylord, indien mijn zwakke redekunst Den hertog van zijn moeder kan verwerven, Zoo wacht hem daad’lijk hier. Maar blijft zij doof Voor zachte beden, dan verhoede God, Dat wij het godd’lijk recht der heil’ge vrijplaats Geweld aandoen! Voor heel dit rijk wilde ik Niet aan zoo groote zonde schuldig zijn.

BUCKINGHAM. Gij klemt, Mylord, u te kleingeestig vast Aan vormen, aan wat de oudheid heilig noemde; En ’t is geen heiligschennis hem te grijpen. De weldaad van een vrijplaats wordt verleend Aan wie er door zijn hand’len recht op heeft, En wijs genoeg is, haar voor zich te vord’ren. De prins begeert haar niet en heeft geen aanspraak, En moet daarom, dunkt mij, haar niet erlangen; En dus, wie hem, die daar niet is, er weghaalt, Die schendt geen enkel recht of voorrecht daar. Ja, ’k hoorde vaak van mannen in een vrijplaats, Van kind’ren in een vrijplaats, nooit voor nu!

KARDINAAL. Mylord, voor ditmaal geef ik mij gewonnen.— Kom dus, lord Hastings, wilt gij met mij gaan?

HASTINGS. ’k Ben tot uw dienst, mylord.

PRINS. Mijn beste lords, maakt haast, zooveel gij kunt.

(De Kardinaal en Hastings af.)

Zeg nu, oom Gloster, als mijn broeder komt, Waar zullen wij dan huizen tot de kroning?

GLOSTER. Waar uwe koninklijke hoogheid zelf verkiest. Maar mag ik u eens raden, neem dan eerst Een dag of twee uw rust hier in den Tower, En kies daarna ’t verblijf, dat u het best Tot uw gezondheid en vermaken dient.

PRINS. Geen plaats staat meer mij tegen dan de Tower.— (Tot Buckingham.) Heeft Julius Cæsar hem gebouwd, mylord? 69

BUCKINGHAM. Hij heeft, genadig heer, het slot gesticht, Maar later tijden hebben ’t sinds herbouwd.

PRINS. Is ’t overleev’ring slechts, van mond tot mond, Of staat het opgeteekend, dat hij ’t bouwde?

BUCKINGHAM. ’t Is opgeteekend, wis, genadig heer.

PRINS. Maar neem eens aan, het ware niet geboekt, De waarheid, dunkt mij, moest onsterflijk leven, Als ’t ware naverteld aan ’t verste nakroost, Zelfs tot den dag, die heel de wereld endt.

GLOSTER (ter zijde). Zoo jong in ’t denken stout, wordt nimmer oud.

PRINS. Wat zegt gij, oom?

GLOSTER. ’k Zeg, roem wordt, ongeboekt, toch immer oud. (Ter zijde). Ik spreek, als Boosheid in mysterie-spelen, Één woord gebruikend, tweederlei moraal.

PRINS. Die Julius Cæsar was een eenig man, Want wat zijn moed voor zijnen geest verwierf, Dat schreef zijn geest, zoodat zijn moed bleef leven. Dood kan op dien veroov’raar niets veroov’ren; Steeds voort leeft hij in roem, na ’s levens eind.— Neef Buckingham, wil ik u eens iets zeggen?

BUCKINGHAM. Wat dan, genadig heer?

PRINS. Wanneer ik leven blijf, tot ik een man ben, Dan win ik ons oud recht in Frankrijk weer, Of sterf als held, gelijk ik leefde als vorst.

GLOSTER (ter zijde). Vroeg wordt na vroege lent de groei geschorst.

(Hastings en de Kardinaal komen weder op, met York.)

BUCKINGHAM. Daar komt te goeder uur de Hertog York.

PRINS. Richard van York? hoe vaart onze eed’le broeder?

YORK. Goed, mijn gebieder! zoo toch heet gij thans.

PRINS. Ja, broeder, mij, gelijk ook u, tot smart; Te vroeg stierf hij, die recht had op dien titel, Waaraan zijn dood veel majesteit ontnam.

GLOSTER. Hoe gaat het onzen eed’len neef van York?

YORK. Ik dank u, vriend’lijke oom. O! zie, mylord, Gij hebt gezegd, dat onkruid welig wast; De prins, mijn broeder, wies mij boven ’t hoofd.

GLOSTER. ’t Is zoo, mylord.

YORK. Telt gij hem nu voor onkruid?

GLOSTER. O, beste neef, zoo iets mag ik niet zeggen. 106

YORK. Dan is hij meer in tel bij u dan ik.

GLOSTER. Hij heeft mij te gebieden als mijn vorst, Maar gij hebt recht en macht op mij als neef.

YORK. Ik bid u, oom, geef mij dien dolk.

GLOSTER. Dien dolk, mijn kleine neef? van ganscher harte.

PRINS. Gij beed’laar, broeder?

YORK. Ja, bij mijn lieven oom, die gaarne geeft, En om een speeltuig, waar men licht van scheidt.

GLOSTER. Ik zoude u gaarne een grooter gave schenken.

YORK. Een grooter gaaf? dat zoude uw zwaard dan zijn.

GLOSTER. Ja, neeflief, maar dat ware veel te zwaar.

YORK. O, dus is ’t lichte waar slechts, die gij schenkt? Bij iets gewichtigs zegt gij: „beedlaar, neen!”

GLOSTER. ’t Is u te zwaar, gij kunt het nog niet dragen.

YORK. Al ware ’t zwaarder, wichtig vond ik ’t niet.

GLOSTER. Dus gij verlangt mijn zwaard, mijn kleine prins?

YORK. Ja, en mijn dank zij zoo, als gij mij noemt.

GLOSTER. Hoe dan?

YORK. Slechts klein.

PRINS. Mijn broeder York is altijd boud in ’t praten.— Gij weet het met geduld te dragen, oom.

YORK. Niet het te dragen, mij te dragen, meent gij;— Mijn broeder, oom, bespot èn u èn mij; Hij denkt, omdat ik klein ben als een aapje, Dat gij mij op uw schouders dragen moest.

BUCKINGHAM. Hoe rijk aan scherp vernuft is wat hij zegt! Om ’t spotten met zijn oom wat te verzachten, Steekt hij behendig met zichzelf den draak. Zoo slim en nog zoo jong, is wonderbaar!

GLOSTER. Mylord, behaagt het u, thans voort te gaan? Ik en mijn goede neef van Buckingham Gaan naar uw moeder om haar te overreden, Dat ze in den Tower u opzoeke en begroet’.

YORK. Wat! naar den Tower? verkiest gij dit, mylord?

PRINS. Mylord Protector dringt er zeer op aan.

YORK. Ik zal niet rustig slapen in den Tower.

GLOSTER. Waarom, wat zoudt gij duchten?

YORK. Nu, den verstoorden geest mijns ooms, van Clarence; Grootmoeder zegt, dat hij er werd vermoord.

PRINS. Ik heb geen vrees voor ooms, die dood zijn.

GLOSTER. En ook voor geen, die leven, hoop ik.

PRINS. ’k Heb, zoo zij leven, niets te vreezen, hoop ik. Maar kom, mylord, en met bezwaard gemoed, Aan hen steeds denkend, ga ik naar den Tower.

(Trompetgeschal. De prins, York, Hastings, de Kardinaal, en Gevolg verwijderen zich, daarna de Lord-Mayor met Gevolg.)

BUCKINGHAM. Denkt gij, mylord, niet, dat die York, die snapper, Werd opgestookt door zijn geslepen moeder, Om u zoo stout te tarten en te hoonen?

GLOSTER. Ja wis, gewis. O, ’t is een slimme gast, Vroegwijs, gevat, vernuftig, vlug en stout, Geheel zijn moeder, ja, van top tot teen.

BUCKINGHAM. Nu, laat hen.—Catesby, kom gij hier; gij zwoert Een duren eed: te doen wat wij ontwerpen En streng te zwijgen, wat we u toevertrouwen. We ontvouwden onderweg u onze gronden;— Wat dunkt u, zou het een’ge moeite baren, William lord Hastings voor ons plan te winnen, Dat dezen eed’len hertog op den troon Van ons roemruchtig eiland plaatsen wil?

CATESBY. Hij heeft den prins om ’s vaders wil zoo lief, Dat hij tot niets de hand leent tegen hem.

BUCKINGHAM. Wat denkt gij dan van Stanley? zou hij willen?

CATESBY. Hij zal in alles zooals Hastings doen.

BUCKINGHAM. Nu dan, genoeg hiervan. Ga, beste Catesby, En pols, als ware ’t in ’t verschiet, lord Hastings, Hoe hij omtrent ons plan gezind zou zijn; En noodig hem op morgen naar den Tower Ter raadsvergaad’ring voor de zaak der kroning. Bespeurt gij, dat hij naar ons luist’ren wil, Zoo wek hem op en zeg hem onze gronden, Maar is hij koud, als ijs, en traag, als lood, Wees gij ’t dan ook en houd uw woorden in, En deel ons mede, hoe zijn stemming is. Want morgen houden we een gesplitsten staatsraad, Waarbij uw dienst van hoog belang zal zijn.

GLOSTER. Groet ook van mij lord William; zeg hem, Catesby, Dat morgen ’t rot van zijn gezworen haters Een aderlating wacht in ’t slot van Pomfret; En zeg mijn vriend, dat hij om deze tijding Uit vreugd vrouw Shore een kusjen extra geev’.

BUCKINGHAM. Ga, Catesby, ga; volbreng dit met beleid.

CATESBY. Ja, zoo behoedzaam, waarde lords, als moog’lijk. 187

GLOSTER. Wij hooren nog voor slapenstijd van u?

CATESBY. Gewis, mylord.

GLOSTER. In Crosbyhof zult gij ons beiden vinden.

(Catesby af.)

BUCKINGHAM. En wat, mylord, wat doen wij, als we ontwaren, Dat Hastings niet in onze plannen treedt?

GLOSTER. Den kop hem af,—wij zullen overleggen;— En hoor, ben ik eens koning, vorder dan Het graafschap Hereford met de tilb’re have, Eens ’t eigendom des konings, mijnen broeder.

BUCKINGHAM. Ik zal me op uwer hoogheid woord beroepen.

GLOSTER. Dat ik, geloof mij, vriend’lijk houden zal. Kom, tijdig nu aan ’t avondmaal, om dan Aan onze ontwerpen een’gen vorm te geven.

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Voor lord Hastings’ huis.

Een Bode komt op en klopt aan de deur.

BODE. Mylord! mylord!

HASTINGS (binnen). Wie daar?

BODE. Een bode van lord Stanley.

HASTINGS (binnen). Hoe laat is ’t al?

BODE. Op slag van vieren heer.

(Hastings komt op.)

HASTINGS. Uw meester slaapt deez’ trage nachten niet?

BODE. Dit schijnt wel zoo, naar wat ik heb te zeggen. Vooreerst zendt hij uw edelheid zijn groet.

HASTINGS. En verder?

BODE. Dan meldt hij u, dat hij vannacht een droom had, Dat de ever hem den helm had afgestooten; Ook, zegt hij, wordt een dubb’le raad gehouden; En licht wordt in den eenen iets beslist, Wat u en hem in de’ and’ren grieven kan. Dies vraagt hij, wat uw edelheid besluit,— Of gij terstond met hem te paard wilt stijgen, En naar het noorden jagen zonder rust, Om zoo ’t gevaar, dat hij bevroedt te ontgaan.

HASTINGS. Ga, knaap, en keer tot uwen heer terug; Zeg hem, dat hij dien dubb’len raad niet duchte; Zijn edelheid en ik zijn bij den eenen, En bij den and’ren Catesby, mijn vertrouw’ling, Waar niets geschieden kan wat ons betreft, Of ik ontvang terstond bericht er van. Ja, zeg, zijn vrees is ijdel, zonder grond; En droomt hij,—wel, ik dacht hem te verstandig, Om ’t guichelspel van slechten slaap te tellen; Voor de’ ever vluchten, eer ons de ever aanvalt, Dit waar’, den ever tot vervolging prikk’len, Tot jagen, als hijzelf er niet aan denkt. Ga, vraag uw heer na ’t opstaan hier te komen; Dan gaan wij samen rustig naar den Tower, Waar hij zal zien, hoe vriend’lijk de ever is.

BODE. Ik zal mylord, hem melden wat gij zegt.

(Bode af.)

(Catesby komt op.)

CATESBY. Veel morgengroeten aan mijn eed’len lord! 35

HASTINGS. Goên morgen, Catesby; gij zijt vroeg er bij. Wat nieuws, wat nieuws in onze’ onzeek’ren staat?

CATESBY. ’t Is waar, mylord, het is een dwarrelwereld; Zij komt, geloof ik, niet tot vasten stand, Eer Richard met den krans van ’t rijk gesierd is.

HASTINGS. Gesierd is met den krans! meent gij de kroon?

CATESBY. Ja, beste lord.

HASTINGS (op zijn hoofd wijzend). Men moog’ die kroon mij van de schouders slaan, Eer ik de kroon arglistig zie ontvreemd. Kunt gij vermoeden, dat hij er naar streeft!

CATESBY. Zoo waar ik leef, hij doet het; en hij hoopt, Dat gij met kracht hem die zult helpen winnen; En daarom zendt hij u het heuch’lijk nieuws, Dat die uw haters waren, de verwanten Der koningin, vandaag in Pomfret sterven.

HASTINGS. Voorwaar, dit nieuws perst mij geen tranen af; Zij waren altijddoor mijn tegenstanders; Maar dat ik ooit mijn stem aan Richard geef, En de echte spruiten van mijn meester uitsluit, God weet, dit doe ik niet, al waar’ ’t mijn dood.

CATESBY. God sterke uw lordschap in dit vroom besluit!

HASTINGS. Maar wis, een jaar en langer zal ik lachen, Nu ik ’t beleef, van ’t rot, dat bij mijn meester In haat mij bracht, het treurspel aan te zien. Nu, Catesby, eer ik veertien dagen meer tel, Ruim ik nog enk’len op, die ’t nu niet denken.

CATESBY. ’t Is iets verschriklijks, edel heer, te sterven, Geheel onvoorbereid en onverwacht.

HASTINGS. O gruw’lijk, gruw’lijk! en zoo is nu ’t lot Van Rivers, Vaughan, Grey;—en zoo zal ’t gaan Met meerd’ren, die zich even veilig reek’nen Als gij en ik, die den doorluchten Richard En Buckingham, gij weet het, dierbaar zijn.

CATESBY. Gij zijt bij beide vorsten hoog gezien; (Ter zijde.) Zij zien zijn hoofd, als ’t waar’, reeds op de slotpoort.

HASTINGS. Ik weet het, en ik heb ’t aan hen verdiend.

(Stanley komt op.)

Wel zoo, wel zoo, waar is uw zwijnsspriet, man? Gij, die den ever ducht, gij wapenloos? 75

STANLEY. Mylord, goên morgen,—goeden morgen, Catesby.— Nu, spot maar toe, maar, bij het heilig kruis, Ik houd van dien gesplitsten raad niet, ik.

HASTINGS. Mylord, mijn hoofd is mij zoo lief als u, En nooit, in heel mijn leven, dit verklaar ik, Heb ik het zoo op prijs gesteld als nu. Denkt gij, dat, als ik mij niet veilig achtte, Ik zoo zou triumfeeren als ik doe?

STANLEY. De lords in Pomfret reden opgeruimd Uit Londen weg en waanden zich recht veilig, En hadden inderdaad geen grond tot argwaan; En toch, hoe snel was niet de dag bewolkt! De snelle dolkstoot van dien wrok verschrikt mij; Geev’ God, dat ik mij nood’loos lafaard toon’!— Nu, wilt gij naar den Tower? Het wordt hoog tijd.

HASTINGS. Kom, kom, gerust!—Weet gij ’t, mylord? De lords, Waarvan gij spreekt, verliezen heden ’t hoofd.

STANLEY. Als trouw besliste, stond het hoofd hun vaster, Dan menigeen, die hen verklaagt, de hoed. Maar kom nu, laat ons gaan.

(Een Herautsdienaar komt op.)

HASTINGS. Ga voor; ’k heb dezen vriend nog iets te zeggen.

(Stanley en Catesby af.)

Wel man, hoe gaat het u?

HERAUTSDIENAAR. Zoo veel te beter, Nu ’t uwe lordschap zoo genadig vraagt.

HASTINGS. Ik zeg u, man, mij vrij wat beter dan Toen gij de laatste maal mij hier ontmoet hebt; Toen ging ik als gevang’ne naar den Tower, Wijl de aanhang van de koningin dit dreef; Maar nu, zeg ik u, gaan,—doch houdt dit voor u!— Vandaag, die mij vervolgden, zelf ter dood, En ik heb meer gezag dan ooit voordezen.

HERAUTSDIENAAR. Dat God dit, naar uw wensch, bij u bestendig!

HASTINGS. Dank, knaap.—Daar, neem, en drink dit op mijn heil.

(Hij werpt hem zijn beurs toe.)

HERAUTSDIENAAR. Ik dank uw edelheid.

(Herautsdienaar af.)

(Een Priester komt op.)

PRIESTER. Gij daar, mylord? ’t Verheugt mij u te zien.

HASTINGS. Heer John, ik dank u en van ganscher harte. ’k Ben voor den laatsten kerkdienst in uw schuld; Kom de’ eersten sabbat, en ik maak het goed.

(Buckingham komt op.)

BUCKINGHAM. Lord kamerheer, wat, in gesprek met priesters! 114 De priester koom’ uw vrienden ginds in Pomfret Te stade; uw lordschap heeft nog niet te biechten.

HASTINGS. Voorwaar, toen ik dien heil’gen man hier zag, Toen stonden zij, van wie gij spreekt, mij voor. Zeg, gaat gij naar den Tower?

BUCKINGHAM. Ja zeker, maar ik kan niet lang er blijven, En ga er vóór uw edelheid vandaan.

HASTINGS. Licht moog’lijk, want ik blijf er middagmalen.

BUCKINGHAM (ter zijde). En avondeten ook, al denkt gij ’t niet.— Kom gaat gij mee?

HASTINGS. Ten dienste van uw lordschap.

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Pomfret. Voor het slot.

Ratcliff komt op met een Wacht, die Rivers, Grey en Vaughan ter terechtstelling geleidt.

RIVERS. Sir Richard Ratcliff, laat mij dit u zeggen;— Op heden zult ge een onderdaan zien sterven Voor eer en trouw en kreukloos plichtbetoon.

GREY. Bescherme God den prins voor uw gebroedsel! Gij zijt een vloekgespuis, dat dorst naar bloed.

VAUGHAN. Gij leeft, doch zult hier eenmaal wee om roepen!

RATCLIFF. Voort, voort! de tijd uws levens is voorbij.

RIVERS. O Pomfret, Pomfret! bloedig kerkerkot, Voor eed’le pairs noodlottig, onheilspellend! In ’t zondvol perk van uwe wallen werd Richard de tweede hier ter dood gehouwen; En thans, uw gruwelplek tot nieuwen smaad, Ontvangt gij ons onschuldig bloed te drinken.

GREY. Nu valt Marg’retha’s vloek ons op het hoofd, Die kreet, voor Hastings, u en mij geslaakt, Bijstanders bij den moord haars zoons door Richard!

RIVERS. Toen trof haar vloek ook Buckingham, ook Richard, Trof Hastings ook.—O God, wees dit indachtig, Hoor haar gebed voor hen, als nu voor ons! Doch voor mijn zuster en haar koningstelgen Zij U, mijn God, ons eerlijk bloed genoeg, Gij weet het, onrechtvaardig hier geplengd!

RATCLIFF. Maakt spoed, uw sterfuur is alreeds voleind.

RIVERS. Kom Grey, kom, Vaughan, hier elkaar omarmd,— Vaartwel, hierboven zien we elkander weer!

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Londen. Een zaal in den Tower.

Buckingham, Stanley, Hastings, de Bisschop van Ely, Ratcliff, Lovel en Anderen, aan een tafel gezeten; Dienaren van den raad op den achtergrond.

HASTINGS. Nu, eed’le pairs, wat ons hier samenriep, Is ’t reeg’len van de kroning; in Gods naam, Spreek, wanneer is die koninklijke dag?

BUCKINGHAM. Is alles voor het hooge feest gereed?

STANLEY. Alleen ’t bepalen van den dag blijft over.

ELY. Dan acht ik morgen wel een goede dag.

BUCKINGHAM. Wie meldt ons, wat de Lord Protector wenscht? Wie is van de’ eedlen hertog de vertrouwde?

ELY. Dit zal waarschijnlijk uw genade zijn.

BUCKINGHAM. Wij kennen van gelaat elkaar; —maar ’t hart,— Hij kent het mijn’ niet beter dan ik ’t uwe, En ik zoo min het zijne als gij het mijne. Lord Hastings, gij en hij zijt zeer bevriend.

HASTINGS. Ja, dank den vorst, ik ben zijn vriend, dit weet ik; Doch wat zijn plan betreft omtrent de kroning, Heb ik hem niet gepolst, noch heeft hijzelf Mij meegedeeld, wat zijn believen is. Maar wilt gij, eed’le lords, den dag bepalen, Dan zal ik stemmen in des hertogs naam, Wat hij mij, denk ik, wel ten goede houdt.

(Gloster komt op.)

ELY. Daar komt, te rechter tijd, de hertog zelf.

GLOSTER. Mijn waarde lords en neven, goeden morgen! Ik heb recht lang geslapen; doch ik hoop, Niets van belang bleef door mijn afzijn rusten, Wat door mijn hierzijn voortgang hadd’ gehad.

BUCKINGHAM. Waart ge op uw wachtwoord niet gekomen, prins, Dan had lord Hastings uwe rol gesproken, Uw stem doen hooren, wat de kroning aangaat.

GLOSTER. Wie stout moog’ zijn, lord Hastings meer dan allen; Zijn lordschap kent mij goed en heeft mij lief. Mylord van Ely, ik heb laatst in Holbron Aardbeien, prachtige, in uw tuin gezien, Ik bid u, laat mij eens een proefje komen.

ELY. Volgaarne, heer; ’t is mij een waar genoegen.

(De Bisschop af.)

GLOSTER. Mijn neef van Buckingham, een woord met u. 37

(Hij neemt Buckingham ter zijde.)