Part 10
II. 1. 7. Rivers en Hastings, reikt elkaar de hand. Holinshed verhaalt, naar den voorgang van More, uitvoerig, hoe koning Edward, die zich anders om de oneenigheden aan zijn hof weinig bekreund had, in zijn laatste ziekte eendracht zocht te stichten, de vijandige edelen tot zich riep en met name Dorset en Hastings overreedde elkander de hand te reiken. Uit deze aanwijzingen heeft de dichter het groote twist- en dit verzoeningstooneel (I. 3. en II. 1.) geschapen. Evenals het optreden van koningin Margaretha, die in 1482 stierf, is het verband, waarin Clarence’s dood hier voorkomt, een vinding des dichters.
II. 1. 67. En u, lord Woodville, en, lord Scales, ook u. Deze regel komt in de quarto’s niet voor, wel in de folio; vele uitgevers, ook de Globe-edition, laten hem weg. Is de regel echt, dan heeft Shakespeare zich vergist, want Lord Rivers, Lord Woodville en Lord Scales zijn een en dezelfde broeder der koningin, die door koning Edward IV aan de rijke erfdochter van Lord Scales werd uitgehuwd en zoo den titel van Lord Scales verkreeg.
II. 1. 95. Mijn vorst, een gunst enz. Schoon Clarence’s dood vijf jaren vroeger voorviel, 1578, putte Sh. hier toch weder uit de kronieken. Holinshed verhaalt, dat koning Edward later bitter berouw had over het dooden van Clarence en vaak, als iemand om genade voor een misdadiger smeekte, uitriep: „O ongelukkige broeder voor wiens leven niemand wilde smeeken!”
II. 1. 133. Kom, Hastings, leid mij naar mijn slaapvertrek. Lord Hastings was opperkamerheer en wordt daarom tot dezen dienst geroepen.
II. 2. 89. Kalm, lieve moeder enz. Deze regel en de elf volgende ontbreken in de quarto’s.
II. 2. 121. Den jongen prins van Ludlow halen ga. Edward, de jonge prins van Wales, bij den dood zijns vaders dertien jaar oud, werd op het kasteel Ludlow in Wales opgevoed; men hoopte, dat zijn aanwezigheid aldaar gunstig zou werken en de woeste Wallisers in toom houden.—Toen Edward gestorven was, droeg de koningin-weduwe aan haar broeder op, den prins naar Londen te brengen. Gloster zette Hastings en Buckingham, beiden der koningin vijandig, aan, niet te dulden, dat de jonge koning onder de voogdij kwam zijner bloedverwanten van moederszijde en wist de koningin te overtuigen, dat het afhalen van den prins met een groote krijgsmacht wantrouwen zou verraden jegens de edellieden, die zich pas met de vrienden der koningin verzoend hadden, en hen verbitteren zou. Toen hieraan gehoor gegeven was, reden Gloster en Buckingham, met gewapenden, den prins te gemoet, namen Rivers, Grey en Vaughan gevangen en zonden hen naar Pontrefact (Pomfret) onder voorwendsel, dat zij de broeders van koning Edward naar het leven hadden gestaan; zij werden weldra ter dood gebracht. Zoo berichten de kronieken, die Sh. raadpleegde.—De regels 124—140 van dit tooneel, waarin een groot gevolg ontraden wordt, ontbreken in de quarto’s.
II. 3. 42. Door hoog’ren aandrang enz. De gedachte van dezen zin en de vermelding van het zwellen der wateren voor een storm vond Sh. in de kroniek van Holinshed.—Daarin wordt de ongerustheid van edelen en burgers, die op de straten samenstroomden, geschilderd; lord Hastings, dien zij als vriend des vorigen konings kenden, wist hen gerust te stellen met de verzekering, dat de gevangen edelen verraad hadden beraamd en dat zij in hechtenis waren genomen, opdat hun zaak naar behooren zou kunnen onderzocht worden. Nog meer werden zij gerustgesteld, toen Edward V in Londen aankwam en zij zagen, hoe Gloster hem met allen eerbied behandelde. Iedereen prees Gloster en hij werd door den Staatsraad tot Lord Protector benoemd.
II. 4. 1.
Zij bleven gist’ren nacht te Stony-Stratford, En in Northampton rusten zij van nacht.
Zoo staat in de folio-uitgave; de quarto’s hebben:
’k Hoor, ze overnachtten gist’ren te Northampton, En zullen nu te Stony-Stratford rusten.
Van Northampton reist men over Stony-Stratford naar Londen, daar Stony-Stratford tusschen beide in ligt. De volgorde der quarto’s is dus de juiste. Toch geeft waarschijnlijk de lezing der folio terug, wat Shakespeare schreef; hij had het bericht der kroniek voor den geest, en volgde dit. Gloster en Buckingham ontmoetten namelijk den prins te Stony-Stratford en voerden hem terug naar Northampton, vanwaar zij Rivers en de andere gevangenen noordwaarts zonden; daarna werd de tocht naar Londen weder aanvaard. De aartsbisschop, die van de gebeurtenissen nog geen tijding had, moest dus eigenlijk Northampton als eerste rustplaats noemen. Dat Sh., hierop niet lettende, zelf de onjuistheid beging, wordt bevestigd door de maat der verzen, die in de folio goed is, in de quarto’s niet.
II. 4. 49. Wee mij, ik zie den ondergang mijns huizes. Ook in de kroniek wordt de wanhoop der koningin bij het vernemen van het gebeurde zeer schoon geteekend; zij nam terstond met haar jongsten zoon en haar vijf dochters de wijk in de vrijplaats van Westminster, waar zij ook reeds vroeger een schuilplaats gevonden en haar oudsten zoon ter wereld gebracht had; de aartsbisschop van York trachtte tevergeefs haar te troosten.—Hij was rijkskanselier en hem was als zoodanig het rijkszegel toevertrouwd; hij gaf het aan haar te bewaren,—zie reg. 70,—doch vroeg het eenige dagen later terug, om het aan Gloster, die Protector was geworden, te overhandigen.
III. 1. 1. Wees welkom, prins, in Londen, in uw kamer. Londen, namelijk de city, had den eeretitel van Camera Regia.
III. 1. 48. De weldaad van een vrijplaats wordt verleend enz. De hier door Buckingham aangevoerde gronden werden in den raad inderdaad door hem aangevoerd, toen de Protector beide prinsen onder zijn hoede wilde nemen. De koningin, die aan de vertoogen van den kardinaal niet wilde toegeven, deed het eindelijk, toen de kardinaal vertrok en de overige edelen bleven; zij vreesde toen, dat er geweld zou gepleegd worden. De ontmoeting der broeders had in het bisschoppelijk paleis van St. Paul plaats; daarna werden zij in alle statie naar den Tower gebracht en er gehuisvest, om dezen niet weder te verlaten.
III. 1. 131. Dat gij mij op uw schouders dragen moet. Hij zinspeelt op den kameel met een aap op den rug.
III. 1. 179. Want morgen houden we een gesplitsten staatsraad. Terwijl de aan den jongen koning gehechte lords in Baynard’s slot zetelden en er, op verzoek van den Protector, over de regeling van de aanstaande kroning raadpleegden, werden er in Crosbyhof samenkomsten gehouden van hen, die den Protector aanhingen en zijn wensch, om zelf koning te worden, wilden bevorderen. Wat hierbij verhandeld werd, bleef natuurlijk diep geheim.—Het zoo even vermelde slot van Baynard, naar den stichter zoo geheeten, lag aan den oever van den Theems en is sinds lang verdwenen; het was eens eigendom van Humphrey van Gloster en werd later door Hendrik VI aan Richards vader, den Hertog van York, toegekend.
III. 1. 193. Den kop hem af. Gloster komt wat al te haastig met zijn eigen meening voor den dag en trekt zijn woorden eenigszins in, door er bij te voegen, dat hij met Buckingham de zaak wil overleggen.
III. 2. 10. Dan meldt hij u, dat hij vannacht een droom had. De inhoud van dit tooneel: de boodschap van Stanley betreffende zijn droom, de gerustheid van Hastings, zijn bescheid aan Catesby, zijn spreken met een heraut en zijn vreugde over het lot der gevangenen in Pomfret, zijn gesprek met een geestelijke, het zeggen van Gloster’s bode, dat hij geen priester noodig heeft, het is alles overeenkomstig de kronieken.
III. 2. 113. En ik maak het goed. Het antwoord van den priester in de folio-uitgave te vinden: „Ten dienste van uw lordschap,” is gelijkluidend met wat een oogenblik later Hastings tot Buckingham zegt, en is waarschijnlijk bij vergissing ook hier geplaatst. Het is daarom weggelaten, zooals ook door Delius is gedaan.
III. 4. 24. Ik heb recht lang geslapen. Ook hier blijft Sh. zijn kronieken getrouw. Gloster verontschuldigde zich over zijn late komst, keuvelde een oogenblik met de leden van den raad, wenschte een schotel met aardbeziën van den bisschop van Ely, verwijderde zich voor een korte poos, kwam zeer verstoord terug, vroeg wat zij verdienden, die hem naar ’t leven stonden, waarop Hastings zijn advies gaf, toonde zijn ingeschrompelden arm, en liet Hastings, toen deze zijn antwoord met „Als” begon, als verrader grijpen en onmiddellijk terechtstellen. Alleen ging het volgens de kronieken nog ruwer toe: een der gewapenden had Stanley bijna den schedel gespleten, als deze niet onder een tafel gevallen was: toch liep hem het bloed nog om de ooren. De aartsbisschop van York, de bisschop van Ely, Stanley en eenige anderen werden in afzonderlijke vertrekken gebracht en bewaakt.
III. 4. 80. Lovel en Ratcliff, zorg, dat dit geschiede. Vele uitgevers hebben opgemerkt, dat Ratcliff nog niet van Pomfret in Yorkshire terug kon zijn, en hem hier door Catesby vervangen. Uit het volgend tooneel blijkt ondertusschen duidelijk, dat niet Catesby, maar Lovel en Ratcliff voor Hastings’ terechtstelling zorgden. Men moet het dus maar voor lief nemen, dat Sh. het niet noodig achtte zich met zulke nauwlettende berekeningen bezig te houden, als de aan elk bekende Lovel en Ratcliff juist de meest geschikte handlangers van Richard waren bij dit bloedig doen.
III. 4. 86. Driemalen is vandaag mijn paard gestruikeld. Ook dit trekje is weder aan de kronieken ontleend.—Eveneens zijn deze voor het volgende trouw geraadpleegd; zij berichten, dat de Protector dadelijk na zijn middagmaal eenige burgers naar den Tower ontbood; bij hun aankomst troffen zij hem en Buckingham in oude wapenrustingen aan, alsof de nood tot groote haast gedwongen had; hun werd verhaald, hoe een moordaanslag van lord Hastings plotseling aan het licht was gekomen; de vrees, dat zijn mede-saamgezworenen hem zouden bevrijden, had zijn onmiddellijke terechtstelling noodig gemaakt. Dit werd ook medegedeeld in een proclamatie, die reeds twee uren na Hastings’ dood aan de St.-Paulskerk werd aangeslagen; zij was zoo keurig op perkament geschreven, dat een kind wel merken kon, dat zij vooruit gereed was gemaakt; hierop is het zesde tooneel van het derde bedrijf gegrond.
III. 4. 52. Doch ’t was ons plan niet. Op het voorbeeld der Irving-editie zijn alleen de twee voorgaande regels aan Buckingham, de volgende niet zooals gewoonlijk aan dezen, maar aan Gloster toegekend. Dit is ontegenzeglijk beter.
III. 5. 74. Toon daar..... de onechtheid aan van Edwards kroost. De Lord-Mayor van Londen, Edmund Shaw, benevens zijn broeder, Doctor John Shaw en de Augustijner Provinciaal Penker waren voor Richard gewonnen. Door hun hulp moest bij het volk de overtuiging gevestigd worden, dat Edwards huwelijk onwettig was geweest, zoowel omdat hij vroeger trouwbelofte had gegeven of verloofd was aan Lady Elisabeth Lucy [1], als omdat hij een weduwe gehuwd had. Het huwelijk met een weduwe werd Bigamie genoemd en was door een statuut van koning Edward I, in overeenstemming met een besluit van het Concilie te Lyon, voor zondig en onwettig verklaard. Zoo zegt ook de kroniek, dat men koning Edward IV, wegens zijn huwelijk met Lady Grey, loathed bigamy te laste heeft gelegd. Vergelijk het zevende tooneel van dit bedrijf, reg. 189, waar deze zelfde woorden gebezigd worden.
Shaw en Penker waren bij het volk zeer beminde predikers; Shaw ondernam over de zaak in de kerk te prediken, maar slaagde niet en overlaadde zich met schande. Twee dagen later sprak Buckingham tot de burgerij in haar gildenhuis; geheel overeenkomstig de kronieken wordt zijn toespraak en de gansche loop der zaak in het stuk verhaald (III. 7.)—Den volgenden dag begaven zich de Lord-Mayor, de Aldermans en de voornaamste burgers naar Baynard’s slot, om Richard de kroon aan te bieden; volgens de kronieken werd daar geheel hetzelfde spel gespeeld als in het stuk (III. 7).
III. 5. 76. Hoe Edward eens een burger hangen liet. De kroniek vertelt, dat een zekere Burdet, een koopman in Cheapside, die gezegd had, dat hij zijn zoon erfgenaam der kroon (zijn huis droeg dien naam) zou maken, op last van Edward gevat en binnen vier uur terechtgesteld (onthoofd) werd. Shakespeare spreekt hier niet van „hangen” maar van „ter dood brengen.”
III. 7. 43. ’k Verzeker u, geen woord, mylord. Dit antwoord van Buckingham wordt in de folio gemist en is aan de quarto’s ontleend.
III. 7. 49. Want op dien grond vertrouw ik hen te stichten. In het Engelsch bevat de tekst een muzikale woordspeling: For on that ground I’ll make a holy descant. Ground beteekent zoowel „grond”, als grondtoon, bas; descant zoowel een „toelichting, breedvoerige uiteenzetting” als „hooge stem, discant”, of, zooals hier „harmonie”.
III. 7. 220. O vloek toch niet. Ook deze regel is aan de quarto’s ontleend en wordt in de folio niet aangetroffen. Waarschijnlijk ten gevolge van een besluit van koning Jacobus I, waarbij het ijdel bezigen van Gods naam en het vloeken op het tooneel verboden was.
IV. 1. 61. Roodgloeiend ijzer ware enz. Het opzetten van een gloeiende ijzeren kroon werd in die tijden wel eens als martelstraf gekozen, en b.v. in 1514 toegepast op het gevangen genomen opperhoofd van een troep oproerige Hongaarsche broederen; ook in de kroniek van Wyntown wordt zulk een bestraffing vermeld.
IV. 2. 27. De vorst is boos; hij bijt zich op de lip. Dit was, zooals Hall zegt, Richards gewoonte, als hij toornig was. Ook had hij, volgens Polydore Virgil, de gewoonte, onder het gesprek met zijn dolk te spelen, die half uit de scheede te trekken en er weer in te stooten; op een der twee portretten, die van hem bekend zijn, heeft hij zijn dolk in de hand; zijn rustelooze geest openbaarde zich misschien in de onrust zijner vingers, want op het andere portret speelt hij met een ring aan den middelvinger der linkerhand.
IV. 2. 40. Zijn naam, mylord, is Tyrrell. Nadat Richard, zegt de kroniek, zich en zijn gemalin Anna had laten kronen, deed hij een rondreis door Engeland. Uit Gloucester zond hij door een vertrouwde bode aan Brakenbury het bevel, de zoons van Edward uit den weg te ruimen. In Warwick ontving hij het weigerend antwoord van Brakenbury. Dienzelfden avond zeide hij tot zijn page: „Wien kan ik vertrouwen? zij, die ik verhoogd heb, laten mij in den steek.” De page antwoordde: „Daar buiten ligt er een op uwe matras, die alles ondernemen zou om u te dienen.” Het was Sir James Tyrrell, die reeds lang naar Richards gunst gestreefd had, maar door Catesby en Ratcliff, die ’s mans eerzucht vreesden, steeds ter zijde was geschoven. Tyrrell, aan ’s konings bed toegelaten, verklaarde zich bereid; met een brief aan Brakenbury begaf hij zich naar Londen. De brief bevatte het bevel, dat aan den brenger, voor één nacht, de sleutels van den Tower moesten ter hand gesteld worden, opdat hij ’s konings bevelen zou kunnen uitvoeren. Tyrrell had zekeren Miles Forest, die vroeger ook reeds moordwerk gedaan had, en een zijner stalbedienden, John Dighton, tot handlangers gekozen. De moord wordt door de kronieken evenals in dit stuk verhaald; hoe en wanneer de prinsen zijn omgebracht, is nooit duidelijk gebleken, maar er is eigenlijk geen reden om de waarheid van het oude verhaal te betwijfelen.—Tyrrell werd onder Hendrik VII van verraad beschuldigd en onthoofd.
Na deze zwarte daad,—zoo heeft Richards kamerheer later verhaald,—had de koning geen rust meer: „en dit”, merkt de kroniek op, „is een groote marteling; want de getuigenis van een boos geweten is een vreeselijker straf, dan de hel met al haar duivelen in zich bevat.” Hij rekende zich nooit meer veilig; waar hij stond en ging, rolden zijn oogen onrustig rond, zijn lichaam heimelijk gepantserd, de hand steeds aan den dolk. ’s Nachts lag hij wakker door bekommering en leed onder schrikkelijke droomen; vaak sprong hij van zijn bed op en liep in het vertrek rond. Zie V. 3. 160.
IV. 2. 54. En spoor me een kalen jonker op, wien ik Clarence’s dochter ras tot vrouw kan geven; de knaap beteekent niets, hem ducht ik niet. Den zoon van Clarence, reeds door Richard nauw bewaakt, werden door Hendrik VII wel de goederen en de titel zijns grootvaders, den graaf van Warwick, toegekend, maar hij werd toch in den Tower gehuisvest. Hij was zeer onwetend en stompzinnig, waaraan zijn lange gevangenschap zeker geen goed had gedaan. Hij knoopte in 1499 met Perkin Warbeck, die wegens hoogverraad in den Tower gevangen zat, betrekkingen aan en werd terechtgesteld.—Zijn zuster Margaretha werd door Richard aan een ridder, Sir Richard Pole, uitgehuwd, door Hendrik VIII tot gravin van Salisbury verheven, maar in 1541, op zeventigjarigen leeftijd, van deelneming aan een samenzwering beschuldigd en onthoofd. Zij was de laatste Plantagenet.—Aangaande koningin Anna meldt de kroniek, dat Richard, toen zij ziek was, het gerucht reeds liet verspreiden, dat zij gestorven was. Kort daarna stierf zij werkelijk, hetzij van verdriet, hetzij, wat waarschijnlijker is,—zoo zegt de kroniek,—door vergif. Overigens stierf Anna veel later: de dood der beide zoons van Edward, en Buckingham’s opstand vallen in 1483, Anna’s overlijden in Maart 1485.
IV. 2. 103. Vanwaar, dat die profeet niet zeggen kon, dat ik, die bij hem stond, hem dooden zou? Wanneer deze regels werkelijk van Shakespeare zijn en bovendien de woorden I being by niet bedorven zijn, blijkt hier weder,—er zijn meer voorbeelden van,—dat Shakespeare zich niet van de juistheid eener aanhaling uit een vroeger stuk overtuigde, want bij het bedoelde tooneel, 3 Koning Hendrik VI, IV. 6. 65 vgg. was Gloster niet tegenwoordig.—Dat aan Richard een spoedige dood voorspeld was, als hij Rougemont zag,—Rougemont en Richmond verschillen niet veel in uitspraak,—staat in de kroniek van Holinshed.—Het „klokkeventje,” waarvan in reg. 117 gewaagd wordt, a Jack, d.i. Jack o’ the clock, is een automatische figuur, die bij het eind van een uur of half uur, den arm opheft en slaat, zie „K. Richard II,” V. 5. 60.
Boven werd twijfel geopperd, of al deze regels van Shakespeare zijn. Inderdaad worden niet minder dan 18 regels, 102—119, van: Mijn vorst! Van waar, dat die profeet enz. tot: Ik ben in geen goedgeefsche luim vandaag, wel in de quarto’s, maar niet in de folio-uitgave, aangetroffen. Dat zij noodig zijn, zal men zeker niet beweren, als men dit tooneel in de folio leest en de uitbreiding niet kent; driemaal spreekt Buckingham den koning toe en driemaal luistert deze niet naar hem; dit is volmaakt genoeg; volgens de quarto’s gebeurt het tot zevenmaal toe. Alexander Schmidt acht zich dan ook gerechtigd (Shakespeare-Jahrbuch XV, p. 315) deze regels voor ingeschoven te verklaren. Zij zouden dan niet van Shakespeare zijn, maar door den tooneelspeler zijn ingelast, die dit tooneel zeer dankbaar vond en er de toejuiching van zijn gehoor mee inoogstte. Dat de inlassching met kennis van zaken geschiedde en in overeenstemming is met berichten in Holinshed’s kroniek, behoeft niet als bewijs voor de echtheid aangenomen te worden; want van de tooneelspelers waren eenige zeker wel in staat, zelf uit Holinshed te putten en hadden bovendien wellicht bij gesprekken met den dichter er veel van vernomen.—Terwijl er overigens slechts vier of vijf regels in de folio toevallig bij den druk uitgevallen zijn en uit de quarto’s moeten ingevoegd worden, zou het zeer vreemd zijn, dat een zoo groot stuk zou zijn overgeslagen en te minder is dit laatste waarschijnlijk, daar de eerste op de inlassching volgende regel, 120, in de quarto’s luidt: Why, then resolve me whether you will, or no; en in de folio, met minder teekenen van ongeduld, nederiger: May it please you to resolve me in my suit, ’t Behage u, mij uw antwoord te doen kennen. Men zal dus moeten aannemen, dat er een inlassching heeft plaats gevonden, die wel in de rol des spelers stond, maar niet in het oorspronkelijke manuscript is ingevoegd, of dat de dichter zelf het snoeimes heeft gebruikt om het aanvankelijk wat al te veel op het effect berekende gesprek te bekorten, zoodat in allen gevalle de folio ons de oorspronkelijke of beste lezing geeft. Men zou dus de aangewezen regels tusschen vierkante haakjes kunnen zetten en reg. 120 wijzigen, zooals hier eenige regels hooger is aangegeven.—Opmerking verdient ook nog, dat het antwoord van Richard in reg. 121 volgens de quarto’s met Tut, tut, begint, wat de uitgevers, om het vers Thou troublest me enz. niet te bederven, in een afzonderlijken regel zetten. De invoeging van zulke uitroepen komt in dit stuk meermalen voor, meer dan een dozijn keeren; dat deze uitroepen van de spelers, niet van den dichter afkomstig zijn, is buiten kijf; zij bevestigen, wat boven gezegd is, dat de quarto’s door opschrijving van het stuk bij de vertooning verkregen zijn.
IV. 2. 126. Naar Brecknock. Een slot van Buckingham in Wales, waar het grootste deel zijner bezittingen gelegen was.
IV. 3. 36. Den zoon van Clarence heb ik opgekooid. Te Sheriff Hutton Castle in Yorkshire, van waar hem Hendrik VII, onmiddellijk na den slag van Bosworth naar den Tower liet voeren, waar hij in 1499 ter dood werd gebracht, zie de aanteekening op IV. 2. 54.—Hendrik Richmond wordt reg. 40 een Bretagner genoemd, omdat hij na den slag bij Tewksbury naar het hof van Frans II, hertog van Bretagne, gevlucht was. De nicht Elizabeth, waarvan gesproken wordt, is de dochter van Edward IV en koningin Elizabeth.
IV. 3. 46. Ely is gevlucht. Dr. Morton, bisschop van Ely; de folio noemt hem hier Morton, duidelijkheidshalve is hier de naam Ely verkozen, in overeenstemming met de lezing der quarto’s. Hij was aan de bewaking van den hertog van Buckingham toevertrouwd. Deze was, toen de koning hem het graafschap Hereford geweigerd had, naar zijn goederen op Wales gegaan. Daar trad hij met de aanhangers van den graaf van Richmond in onderhandeling, waartoe de bisschop van Ely hem niet weinig aanzette; deze won hem voor het plan om Richmond, die met Elizabeth van York dan zou huwen, tot koning te verheffen. De bisschop maakte van de nieuw verworven vriendschap gebruik en vluchtte naar het vasteland, vanwaar hij eerst onder Hendrik VII terugkeerde, die hem aartsbisschop van Canterbury en rijkskanselier maakte. Buckingham, door Richards argwaan in het nauw gedreven, kwam te vroeg in opstand en moest zich weldra verbergen bij een dienaar, die hem aan den sheriff Shropshire verried. Hij bekende terstond en trachtte een mondgesprek met Richard te hebben, zoo het heette om vergiffenis te erlangen, volgens sommigen om hem dan met een dolk neer te stooten. Het gesprek werd geweigerd en Buckingham werd, zonder vorm van rechtspleging, te Shrewsbury onthoofd.
IV. 4. 128. Lucht-erven zijn ’t van arm gestorven vreugd. Airy succeeders of intestate joys. Als de vreugden gestorven zijn en geen testament hebben nagelaten, dan komen de ijdele onmachtige woorden van den rouw en spreken over de nalatenschap, die niets is.
IV. 4. 146. Ned Plantagenet. Ned is verkorting voor Edward.
IV. 4. 175. Geen, dan misschien dat morgenuur. Er staat eigenlijk: „het uur van hertog Humphrey”. In de folio-uitgave staan de vraag der hertogin en Richards antwoord aldus gedrukt:
„What comfortable houre canst thou name, That ever graced me with thy company?” „Faith none, but Humfrey Hower, That called your Grace To Breakefast once, forth of my company?”
Opmerkelijk zijn de spelling Hower, terwijl twee regels vroeger houre staat, en de cursief-druk der woorden Humfrey Hower. Malone zegt, dat schertsenderwijze Humphrey Hour eenvoudig voor hour staat, evenals Tom Troth wel voor truth gezegd wordt. De cursief-druk, alsof Hour of Hower een persoonsnaam was, strookt inderdaad wel met deze verklaring.—Anderen denken bij Richards zeggen aan de spreekwijs to dine with duke Humphrey, die voor „vasten,” „geen middagmaal hebben” gebezigd wordt, en vatten Humphrey-hour op als „etensuur”. Nares zegt hiervan: „The phrase of dining with duke Humphrey, which in still current, originated in the following manner. Humphrey duke of Gloucester, though really buried at St. Alban’s, was supposed to have a monument in old St. Paul’s, from which one part of the church was termed Duke Humphrey’s walk. In this, as the church was then a place of the most public resort, they who had no means of procuring a diner, frequently loitered about, probably in hopes of meeting with an invitation, but under pretence of looking at the monuments.”