Part 9
Men ziet, dat Shakespeare de persoonlijkheid van Richard inderdaad gevormd heeft naar de aanwijzingen der kroniek en ook verdere bijzonderheden aan deze ontleend heeft. Om een geheel te scheppen heeft de dichter natuurlijk de gebeurtenissen, die door eenige jaren afstands gescheiden zijn, moeten samendringen. Het was in 1471, dat Hendrik VI in den Tower vermoord werd gevonden,—men vergelijke de aanteekeningen op „Koning Hendrik VI” en ook de geslachtslijst—en eerst omtrent twee jaren later huwde Richard met Anna Nevil, vroeger bruid van prins Edward, den bij Tewksbury verslagen zoon van Hendrik VI. De bestorming van Anna door Richard aan Hendriks lijkbaar is een dichterlijke vond.—Zij en Isabella Nevil, de gemalin van Clarence, waren de eenige kinderen van den machtigen graaf van Warwick, die groote bezittingen had nagelaten. Clarence zag, schoon zijn vrouw hem haar aandeel aan haars vaders nalatenschap had aangebracht, het huwelijk van Richard met de rijke Anna met leede oogen aan, en oneenigheid tusschen de beide broeders was er het gevolg van. Dat Richard daarom naar den dood van Clarence zou gestreefd hebben, is echter volstrekt onbewezen. Clarence gaf zelf, na den dood zijner gemalin in 1476, aan koning Edward aanleiding, dat deze hem in 1477 van hoogverraad beschuldigde; hij werd gerechtelijk ter dood veroordeeld en stierf in Febr. 1478 in den Tower, op welke wijze is onbekend; onder het volk werd weldra verteld, dat hij in een vat malvezijwijn verdronken was, en later werd zijn dood aan Richard van Gloster ten laste gelegd. Koning Edward overleefde hem ruim vijf jaren en stierf in April 1483, na in zijn laatste ziekte getracht te hebben een verzoening tot stand te brengen tusschen beide partijen, die aan zijn hof elkander vijandig tegenover stonden, de verwanten der koningin en den ouden adel. Na den dood van Edward IV volgden de in dit stuk ten tooneele gevoerde gebeurtenissen snel op elkander. Nog in Mei werden Rivers en zijn medestanders gevangen genomen, Richard tot Protector en Defensor des rijks en voogd van den jongen koning benoemd; lord Hastings werd 13 Juni gevangen genomen en terechtgesteld, Richard 26 Juni gekroond. In hetzelfde jaar stond Buckingham op; hij werd 2 Nov. 1483 onthoofd. In 1484 verloor Richard zijn eenigen wettigen erfgenaam, zijn zoon Edward, prins van Wales, van wien door Shakespeare geen gewag wordt gemaakt. In Maart 1485 stierf zijn vrouw Anna; op 1 Aug. van dit jaar landde Hendrik Richmond in Milfordhaven bij Pembroke en op 22 Aug. sneuvelde Richard na manmoedigen strijd op het slagveld bij Bosworth. Wat de door Sh. gebezigde kronieken van al deze gebeurtenissen verhalen, behoeft hier niet te worden medegedeeld; op enkele bijzonderheden zal in het vervolg dezer aanteekeningen gewezen worden; over het geheel week hij weinig van de kronieken af.
Koning Richard III is zoozeer het onmiddellijk vervolg van de drie deelen van Koning Hendrik VI, dat het stuk ongetwijfeld kort na deze geschreven is; men mag vermoeden in 1593, misschien in 1594 of 1595. Het stuk werd op 20 October 1597 in het register der boekhandelaars ingeschreven en in dit jaar ook uitgegeven, onder den titel: The Tragedy of King Richard the third. Containing, His treacherous Plots against his brother Clarence: the pittiefull murther of his innocent nephewes: his tyrannical usurpation: with the whole course of his detested life, and most deserued death. As it hath beene lately Acted by the Richt honourable the Lord Chamberlaine his Seruants. At London Printed by Valentine Sims, for Andrew Wise, dwelling in Paulus Churchyard, at the signe of the Angell. 1597.—Op deze eerste uitgave in quarto volgde in 1598 een tweede, die op den titel den schrijver noemt: By William Shake-speare, in 1602 een derde, die, evenals de volgende quarto-uitgaven, van 1605, 1615 enz. op den titel de woorden Newly augmented draagt; zij onderscheiden zich echter vooral door meer drukfouten en onbeteekenende afwijkingen van de eerste; slechts op enkele plaatsen zijn verbeteringen aangebracht. In de folio-uitgave van Shakespeare’s dramatische werken, van 1623, draagt het stuk den titel: The Tragedy of Richard the Third: with the Landing of Earle Richmond, and the Battell at Bosworth Field; terwijl het in de bovenschriften der bladzijden The Life and Death of Richard the Third genoemd wordt.
De eerste quarto-uitgave van „K. Richard III” onderscheidt zich gunstig van de quarto-uitgaven der meeste andere stukken; de tekst is zeer leesbaar, een groot verschil b.v. met dien der quarto-uitgave van „Koning Lear,” waarover men de aanteekeningen op dit stuk nazie. Geen wonder, dat de beide uitgaven, de eerste quarto en de folio, met alle zorg vergeleken zijn, met name door Delius en Alexander Schmidt, zooals men in het Shakespeare-Jahrbuch van 1872 en van 1880 kan vinden. Het resultaat der onderzoekingen is het volgende: de echte tekst van „Koning Richard III” wordt gegeven door de folio-uitgave. Aan dezen lag een handschrift ten grondslag, dat wel niet het oorspronkelijke van Shakespeare zal geweest zijn, maar toch zeker door afschrijven er van gekregen was. Bij het afschrijven zijn ongetwijfeld fouten begaan, bij het drukken eveneens, zoo zelfs, dat er enkele regels zijn weggevallen maar het geheel is toch de eenig ware bron voor den tekst. De eerste quarto-uitgave daarentegen is, gelijk bepaald door Alex Schmidt werd aangetoond, ontstaan door het opschrijven van het stuk, als het gespeeld werd; de nauwkeurige vergelijking der beide teksten maakt dit hoogstwaarschijnlijk. Bij het verkort opschrijven bleven enkele woorden achterwege en werden later ingevuld, of een woord werd met een of een paar letters aangeduid en bij het overschrijven werd het door een ander, dat even goed of bijna even goed in den zin paste, vervangen, in plaats van een woord werd een ander verstaan, versregels werden door het invoegen of weglaten van een minder wezenlijk woord bedorven, de eene acteur werd voor den anderen aangezien, of er werd, als één acteur in twee rollen optrad, niet behoorlijk onderscheiden, wie door hem voorgesteld werd, een acteur sprak zijn rol niet geheel juist of voegde er iets in, kortom, de tekst der quarto’s vertoont vele afwijkingen, die alleen uit het haastig opteekenen van het gehoorde woord te verklaren zijn. De uitgever heeft zich inderdaad moeite gegeven om een draaglijken tekst te leveren en het in orde brengen van het handschrift aan iemand opgedragen, die vrijwel voor zijn taak berekend was en blijkbaar ook begrip van versbouw had, want men vindt verscheidene verzen beter ingedeeld dan in de folio-uitgave; maar als de snelschrijver woorden had uitgelaten of door andere vervangen, die de maat van het vers storen, bleven de regels natuurlijk gebrekkig, en zulke regels zijn er niet weinige; te meer op te merken, daar Shakespeare in den tijd, waarin hij den Richard III schreef, zich geenszins de vrijheden en onregelmatigheden in den versbouw veroorloofde, die men in zijn latere werken opmerkt.—Bij den derden druk wordt het stuk „opnieuw vermeerderd” genoemd; dit is eenvoudig niet waar; maar er zijn toch hier en daar veranderingen aangebracht; het blijkt, dat men, door nogmaals het spelen van het stuk bij te wonen, getracht heeft verbeteringen aan te brengen; van tijd tot tijd vindt men, voor de vroegere lezing der quarto’s, de echte der folio-uitgave terug.
Is het als bewezen, ten minste als zeer waarschijnlijk te beschouwen, dat de tekst der quarto-uitgaven door opschrijven van het gesproken woord in den schouwburg ter sluiks verkregen is, dan kan zij ook niet als de echte beschouwd worden en mag zij niet voor een uitgave van den tekst ten grondslag worden gelegd, zooals dit geschied is door de bezorgers der groote Cambridge-uitgave en der Globe-editie van Sh.’s werken, Aldis en Wright, die aangaande het ontstaan van den tekst der quarto-uitgave andere denkbeelden koesterden, waarvan de onjuistheid uit de onderzoekingen van Delius en Alex. Schmidt voldingend gebleken is. Bij de vertaling is daarom niet de tekst der Globe-editie ten grondslag gelegd, maar een andere, welke zich aan die der folio-uitgave houdt, zooals die van Delius of Knight.
Al is de tekst der quarto-editie op slinksche wijs verkregen en niet als gezaghebbend te beschouwen, toch is zij van groot nut voor het verkrijgen van een zuiveren tekst. De folio-uitgave munt niet door een zorgvuldige correctie uit en het gebeurt meermalen, dat de tooneelspelers blijken juist gesproken, de snelschrijvers juist geschreven te hebben, waar de zetter der folio-uitgave verkeerd las of spelde. In die gevallen doet de quarto-editie de ware lezing kennen. Bij den druk der folio-uitgave zijn zelfs enkele regels door de slordigheid van den zetter weggevallen, die uit de quarto’s weder ingevoegd moeten worden.—Maar wij hebben meer aan de quarto’s te danken: het begin van het derde bedrijf, namelijk reg. 1—166 van het eerste tooneel, en een aanzienlijk deel van het vijfde bedrijf, namelijk het geheele slot van het stuk van reg. 177, misschien reeds van reg. 69 van het derde tooneel af, is zeker niet naar het handschrift, maar,—een nauwkeurige vergelijking leert het,—naar de derde quarto-uitgave, die van 1602, afgedrukt, waarbij de zetter nog slordig genoeg was om twee en een halven regel, V. 3. 212—214 weg te laten. Waarschijnlijk was het handschrift, dat zeker bij de vertooningen veelvuldig dienst had gedaan, hier verminkt geraakt of onleesbaar geworden. Dit is te meer te bejammeren, omdat zoowel van de toespraak van Richmond tot zijn leger, V. 3 237, als van die van Richard, V. 3. 314, het begin schijnt te ontbreken; misschien werden zij bij het spelen door de acteurs ter bekorting,—niet altijd worden kappingen met beleid gedaan,—in dien verminkten vorm voorgedragen. Want de quarto-uitgave levert het stuk niet, zooals het geschreven, maar zooals het in 1597 gespeeld werd en blijkbaar werd het toen reeds bekort. De folio-uitgave bevat omtrent honderdentwintig regels meer; eens, in het lange onderhoud tusschen Richard en Koningin Elizabeth, in het vierde tooneel van het vierde bedrijf, ontbreken in de quarto-uitgave zelfs vijfentwintig achtereenvolgende regels. Opmerking verdient hierbij, dat verscheidene der ontbrekende regels, die ons alleen in de folio-uitgave bewaard gebleven zijn, dit stuk als een vervolg van „Koning Hendrik VI” kenschetsen en er mede verbinden. Men mag hieruit afleiden, dat het toen reeds meer gegeven werd dan de deelen van „K. Hendrik VI,” en daarom losgemaakt uit dit verband en als zelfstandig stuk gespeeld, waarbij de bedoelde regels konden vervallen. Maar dan was het zeker reeds eenigen tijd gespeeld; en dit bevestigt, wat boven gezegd is, dat het in 1593, uiterlijk in 1594 of 1595 zal geschreven zijn. Dat het langen tijd gaarne gezien werd, blijkt reeds uit de herhaalde quarto-drukken; bovendien vindt men aangeteekend, dat Henslowe, directeur van een tooneelgezelschap, in 1602 aan Ben Jonson de som van tien pond betaalde voor een door hem te schrijven stuk „Richard Bochelrug,”—Richard Croockback,—waardoor Henslowe zeker hoopte met Sh.’s troep te kunnen mededingen.—Reeds vóór Sh. viel het onderwerp in den smaak; in 1579 werd te Cambridge in St. Johns College een Latijnsch stuk van Dr. Legge, Richardus Tertius, gespeeld en vond veel bijval, en in 1594 verscheen: The True Tragedie of Richard the third: Wherein is showne the death of Edward the fourth, with the smothering of the two yoong Princes in the Tower: With a lamentable ende of Shores wife, an example for all wicked women. And lastly, the coniunctoin and ioyning of the two noble Houses, Lancaster and Yorke. As it was playd by the Queens Maiesties Players. London Printed by Thomas Creede, and are to be sold by William Barley etc 1594. Het zou kunnen zijn, dat dit oudere stuk werd uitgegeven, toen Sh.’s stuk reeds gespeeld en toegejuicht werd, in de hoop, dat velen deze ware tragedie voor het nieuwe stuk zouden aanzien en des te eerder het boek koopen.
I. 1. 1. Nu werd de winter enz. De woorden: „zon van York” zinspelen op het wapen der familie York, een door de wolken brekende zon; zie „3 Koning Hendrik VI” II. 2. 39.
I. 1. 14. Doch ik, geenszins gevormd enz. Men vergelijke „3 Koning Hendrik VI”, V. 6. 78.
I. 1. 17. Dart’le, luchte nimfen. In ’t Engelsch: a wanton ambling nymph. Ambling is het woord voor den telgang en beteekent hier eenvoudig een vluggen, luchten gang, going smoothly. Het wordt ook wel gebruikt voor een geaffecteerden gang, aangenomen om de aandacht te trekken, doch hier behoeft men er die beteekenis niet aan te hechten.
I. 1. 56. Hem spelde een wich’laar, zegt hij, dat een G enz. Volgens Holinshed was aan koning Edward voorspeld, dat een man, wiens naam met G begon, voor zijn huis gevaarlijk zou worden, en meende hij, dat zijn broeder George van Clarence er mee bedoeld werd; Gloster behoorde ten tijde, dat Clarence gedood werd, tot de trouwste aanhangers des konings. Dat Gloster de hand heeft gehad in George’s dood, was een volksoverlevering, die door de geschiedenis niet gestaafd wordt.
I. 1. 73. Mejuffer Shore. De vrouw van een Londensch burger, met name Shore, was langen tijd de bevoorrechte geliefde van koning Edward. Zij was zeer schoon, vroolijk, bevallig en goedhartig; zij had grooten invloed op den koning, maar bezigde dien enkel, om anderen te helpen, niet tot eigen voordeel of tot verheffing der haren. In dit opzicht verschilde zij zeer van de koningin, die dadelijk na haar huwelijk haar broeders, zusters en haar zonen uit haar eerste huwelijk in rang liet verhoogen en voordeelige huwelijken deed sluiten, wat den ouden adel zeer in de oogen stak en groot ongenoegen wekte. Van Shore’s vrouw spreken daarom de kronieken zonder bitterheid en beklagen haar zelfs, omdat zij, die na ’s konings dood de geliefde van Hastings geworden was, weldra, toen deze terechtgesteld was, openlijk boete moest doen en in armoede verviel. Als Gloster een oogenblik later zegt, dat de koning de versleten weeuw (zie „3 Koning Hendrik VI”, III. 2), zijn vrouw,—vandaar in reg. 109 ook koning Edwards weeuw genoemd,—tot edelvrouw sloeg, overdrijft hij, want koningin Elizabeth was van adellijke geboorte en weduwe van een ridder. Wat Shore’s vrouw betreft, deze werd nooit geadeld.
I. 1. 115. Ik maak u vrij of raak voor u in hecht’nis. In ’t Engelsch: I will deliver you or else lie for you; of anders lig ikzelf voor u (in den kerker). Het Engelsche to lie beteekent zoowel liggen als liegen; meermalen maakt Sh. hiervan voor een woordspeling gebruik.
I. 1. 158. Een ander diep verholen doel. Inderdaad huwde Gloster Anna ongetwijfeld om haar groote schatten; men vergelijke boven blz. 267, waar ook reeds vermeld is, dat Gloster eerst lang na Hendriks dood Anna huwde. Het volgend tooneel, het aanzoek aan Hendriks lijkbaar, is geheel verdicht; historisch is alleen, dat het lijk van Hendrik VI, nadat het in de Paulskerk ten toon had gelegen, eerst naar White Friars, een deel van Londen, ten zuiden van Fleetstreet en ten oosten van den Temple, gebracht werd en vervolgens naar het klooster Chertsey, op drie mijlen afstands van de hoofdstad, om begraven te worden. Dit tentoonleggen van gestorven vorsten in de kerken geschiedde in die woeste tijden niet zoozeer om den doode eer te bewijzen, als wel om iedereen van den dood zekerheid te geven en het optreden van pretendenten te voorkomen.
I. 2. 5. Heil’gen koning. Hendrik VI was wegens zijn vroomheid bekend. Hendrik VII heeft zelfs bij den paus moeite gedaan om hem heilig te doen verklaren, maar de paus was van meening, dat zijn vroomheid nog overtroffen werd door de beperktheid zijner geestvermogens.
I. 2. 28. Het door mijn jonge gade werd en u. Rampzalig door mijn jongen gade, die stierf.—door u, die hem dooddet.
I. 2. 55. Des dooden Hendriks wonden....bloeden. Naar een overoud volksgeloof begonnen de wonden van een verslagene te bloeden, als de moordenaar het lijk naderde. Holinshed verhaalt, dat de wonden van koning Hendrik weder begonnen te bloeden, toen men hem in de Paulskerk tentoonlegde.
I. 2. 96. Doch uwe broeders sloegen ’t ras terzijde. Vergelijk „3 Koning Hendrik VI”, V 5 42.
I. 2. 151. O waren ’t basilisken. Naar ’t oude volksgeloof doodde de blik van den basilisk.
I. 2. 156. Dien oogen, die nooit rouwetranen kenden. Deze en de volgende elf regels, die op „Koning Hendrik VI” terugwijzen, worden in de quarto-uitgaven gemist, ongetwijfeld wijl zij, toen „K. Richard III” meer als zelfstandig stuk gespeeld werd, bij de vertooning werden weggelaten; zie boven blz. 269.
I. 2. 203. Die aanneemt, geeft nog niet. In ’t Engelsch: To take is not to give. In de folio-uitgave staat deze regel niet, die dus uit de quarto-editie in den tekst is opgenomen. Het kan zeer wel zijn, dat hij alleen door de slordigheid van den zetter ontbreekt, die juist hier nog een andere fout beging en voor de woorden Vouchsafe to wear this ring,—Draag deze ring van mij,—zeer ten onrechte de persoons-aanwijzing Rich. wegliet, alsof zij evenals de vorige door Anna gesproken werden. Het antwoord, dat zij, al nam zij Richards ring aan, hem er geen gaf en er zich dus niet met hem verloofde, was zeker in haar omstandigheden passend. Maar zij kon ook wel in haar verwarring geen woorden vinden en zich stilzwijgend den ring aan den vinger laten steken, waarop Gloster, haar hand nog vasthoudende, voortgaat: „Zie, hoe mijn ring om uwen vinger sluit.” Het stomme spel van Anna kon ruimschoots de woorden, die een laatste zwakke poging tot weerstand uitdrukken, vervangen. Het vermoeden, dat de woorden onecht zijn, wordt nog eenigszins versterkt door de bijzonderheid, dat in het voorafgaande al de gezegden, van Anna en van Gloster, halve alexandrijnen zijn en dat dan op vijf volledige regels een halve volgen zou. Deze bijzonderheid weegt ondertusschen niet zwaar, omdat men ook zeer wel na de woorden: „Steek op uw zwaard,” een pauze kan aannemen van een halven regel, zoodat met de woorden: „Zeg dan, wij zijn verzoend,” een nieuwe regel zou beginnen en de woordenwisseling met een volledigen alexandrijn sluiten. Het oordeel over de echtheid of onechtheid van den regel zal dus verschillen, naarmate men het zwijgen of spreken van Anna bij het aannemen van den ring beter en poëtischer vindt. Zijn de woorden onecht, dan zijn zij waarschijnlijk afkomstig van den tooneelspeler, die Anna voorstelde.—Voor de spel-aanwijzing: Zij laat zich den ring aan den vinger steken, vindt men in de Engelsche uitgaven: She puts on the ring. Dat zij den ring niet zelf aan den vinger moet steken, maar alleen kan dulden, dat Gloster het doet, zal ieder duidelijk zijn. De spel-aanwijzing heeft niet het minste gezag en is eerst door Johnson (1765) in den tekst gevoegd; zij moge dus voor de betere plaats maken, die door Oechelhäuser in zijn Essay over Richard III (1868), opgenomen in den derden band van het Shakespeare-Jahrbuch, aan de hand is gedaan.
I. 2. 213. Naar Crosbyhof. In de folio-uitgave staat Crosby-house, in de quarto’s Crosby-place. Een prachtige woning in Londen, thans nog in wezen, gebouwd door Sir John Crosby, een aanzienlijk burger, die in 1470 sheriff was. Dat Richard, die in de city veel aanhangers had, er tijdelijk gewoond heeft, wordt door de geschiedenis vermeld.
I. 3. 17. Daar zijn de lords van Buckingham en Stanley. Hendrik Stafford, hertog van Buckingham, was van koninklijken bloede, zoowel van vaders- als van moederszijde, zie de geslachtslijst.—De edelman Stanley wordt in de eerste bedrijven van dit stuk Derby, in het vierde en vijfde bedrijf Stanley genoemd. In de meeste Engelsche uitgaven is, naar Theobalds voorgang, „Derby” in Stanley veranderd. Dat dit voor de duidelijkheid wenschelijk is, behoeft geen betoog, en in de vertaling moest daarom de naam Stanley alleen gebezigd worden, die bovendien juister is, want Stanley werd eerst bij de troonsbeklimming van Hendrik VII tot graaf van Derby verheven. Shakespeare koos den naam Derby waarschijnlijk, als in Engeland meer bekend.—Stanley was gehuwd met Margaretha, vroeger weduwe van Edmond Tudor, graaf van Richmond, die als zoon van Catharina van Frankrijk uit haar tweede huwelijk, halfbroeder was van koning Hendrik VI. Zijzelve was de dochter van Somerset, een kleinzoon van Jan van Gendt, en reeds daardoor jegens het huis van York minder welwillend gezind. Haar zoon uit het eerste huwelijk, Hendrik Richmond, had aanspraak op den troon, dien hij later onder den naam van Hendrik VII Tudor beklom. Zie de geslachtslijst.—Het bovenstaande verklaart het volgend zeggen van de koningin Elizabeth: „Gravinne Richmond, enz.”
I. 3. 68. Deed u ontbieden. In het oorspronkelijke staat hier, in de folio-uitgave, slechts één regel: Makes him to send, that he may learn the ground: doet hem nu zenden om den grond te weten; in de quarto-uitgave vindt men:
Makes him to send, that thereby he may gather The ground of your ill-will, and so remove it.
In beide is de zinbouw onnauwkeurig hetzij door toevallige onachtzaamheid van Sh., hetzij om de ontroering der koningin uit te drukken, die vergeet, dat zij den zin met de woorden „De koning” begonnen is.
I. 3. 81. Met gravenkronen enz. In ’t Engelsch vindt men hier een woordspeling met ennoble, adelen, en noble, een rozenobel, een gouden munt.
I. 3. 111. Dat kleine word’ nog minder. Deze verschijning van koningin Margaretha,—zij komt op en verdwijnt als een spook,—is een dichtersvond; na den slag bij Tewksbury werd zij een poos gevangen gehouden en door haar vader Reignier vrijgekocht; na dien tijd betrad zij Engelands grond niet weer. Zie blz. 208.
I. 3. 128. Voor het huis van Lancaster. In het derde deel van „K. Hendrik VI”, III. 2. 8, beging Sh. de vergissing, den eersten man van koningin Elizabeth, Sir John (niet Richard, ook dit is er onjuist) Grey voor te stellen als aanhanger van het huis van York; hij streed voor het huis Lancaster. Ook Elizabeth behoorde van geboorte tot die partij; haar moeder was in eersten echt verbonden geweest met niemand minder dan den hertog van Bedford, den broeder van koning Hendrik V. Dat de verheffing harer familie tot hoogen rang de broeders van koning Edward en de hooge aanhangers van het huis van York zeer verbitterde, laat zich dus wel begrijpen, en Richard wist van die verbittering inderdaad voor zijn plannen behendig gebruik te maken.
I. 3. 135. Zijn vader Warwick. Clarence’s afval van zijn schoonvader Warwick komt voor in het derde deel van „K. Hendrik VI”, V. 1. 81.
I. 3. 228. Wroetend zwijn. Koningin Margaretha zinspeelt hier op den ever, dien Richard in zijn wapen en op zijn standaard voerde. Aan Sh. stond zeker het spotvers voor den geest: „De klacht van Collingbourne”, dat onder koning Richard aan Collingbourne, die het gemaakt had, het leven kostte, waarin de gewilligste aanhangers, of handlangers, van Richard, namelijk Catesby, Ratcliff en Lovel met dieren werden vergeleken. Het vers luidde:
The cat, the rat, and Lovell our dog Do rule all England under a hog; The crookback’d boar the way hath found To root our roses from the ground.
Men kan dit aldus vertalen:
De kat, de rat, en Lovel de hond, Besturen ’t rijk, met een zwijn in verbond, Daar de boch’lige ever ’t middel vond De rozen te wroeten uit Englands grond.
I. 4. 1. Hoe ziet uw hoogheid enz. In de folio-uitgave treedt, zooals hier in acht is genomen, een gevangenbewaarder op, met wien Clarence over zijn angsten spreekt; eerst later als Clarence slaapt komt de commandant van den Tower, Sir Robert Brakenbury, op.—De quarto’s vervangen den gevangenbewaarder dadelijk door Brakenbury. Men mag vermoeden, dat de folio bewaard heeft wat Shakespeare geschreven heeft, maar dat bij de opvoering meermalen de gevangenbewaarder door Brakenbury vervangen werd. Dan werd reg. 66, waar de folio Ah keeper, keeper heeft, gezegd O Brakenbury, zooals de quarto’s hebben; in reg. 73 hebben ondertusschen de quarto’s het woord keeper behouden.—Doch hoe dit zij, de beschouwingen van Brakenbury, reg. 75—83, en dus ook de „ongevoelde hersenschimmen,” unfelt imaginations, van reg. 80, duidelijkheidshalve door „ongenoten hersenschimmen” teruggegeven, hebben zeker geen betrekking op den droom van Clarence, maar op het genot of bezit der vorsten, dat slechts in de verbeelding bestaat, dat zij niet zinnelijk kunnen waarnemen, op het denkbeeldig genot van hun vorstelijken rang.
I. 4. 266. Spreekt, wie van u. Dit vers en een drietal volgende worden alleen in de folio-uitgave gevonden, maar staan er waarschijnlijk een paar regels te vroeg; zij worden gewoonlijk verschikt, zooals Tyrwhitt het eerst gedaan heeft en in de vertaling gevolgd is. Andere uitgevers houden zich aan de quarto’s en laten ze weg.