Chapter 1 of 13 · 3963 words · ~20 min read

Part 1

IN DE VACANTIE BIBLIOTHEEK VOOR JONGENS EN MEISJES. SERIE B—MEISJESBOEKEN—DEEL 11

ANNIE VAN WALEN

DOOR Jkvr. HENRIËTTE RAPPARD GEÏLLUSTREERD DOOR O. GEERLING

TWEEDE DRUK ALKMAAR—GEBR. KLUITMAN :: 1918 ::

EERSTE HOOFDSTUK.

DE KOMST VAN TANTE DORA.

„Kan ik al niet mooi los rijden, Paula?” riep Annie van Walen, terwijl zij over de breede oprijlaan kwam aan fietsen.

„Kranig, hoor,” antwoordde Paula lachend, want Annie slingerde nog als een dronkenman over den weg.

Paula Tillens en Annie waren vriendinnen en buurmeisjes; Annie was tien jaar en Paula, die dertien jaren telde, had Annie leeren fietsen, toen deze op haar laatsten verjaardag een mooie fiets gekregen had.

De heer Van Walen was zeer rijk en woonde met zijn dochtertje op een groot buiten, dat grensde aan den tuin van de villa, die door Paula en haar moeder bewoond werd.

„Zeg, Pau,” zeide Annie vertrouwelijk, „misschien was het toch beter geweest als ik op je gewacht had in plaats van het alleen te probeeren want ik ben al driemaal gevallen en.... kijk eens!”

Zij tilde haar schort op en nu zag Paula een groote scheur in Annie’s jurk.

„Is het heel erg?” vroeg Paula. „Je papa let toch niet op zulke dingen?”

„Papa niet, maar juffrouw Mina wel. Zij zal zoo brommen, want gisteren heeft zij er ook al een moeten naaien, hier, kijk maar” en Annie wees op een keurig gestopte scheur.

Mina Holst of juffrouw Mina, zooals Annie haar noemde, was het kindermeisje geweest van Annie’s moeder en toen deze opgroeide en later met den heer Van Walen trouwde, was Mina bij haar gebleven. Een paar jaar na Annie’s geboorte was mevrouw Van Walen gestorven en van dat oogenblik af had Mina voor het kind gezorgd en het huishouden waargenomen. Zij hield dan ook veel van Annie en deze was op haar beurt zeer aan juffrouw Mina gehecht.

„Weet je wat?” zei Paula goedig, „kom maar even mee naar huis, dan zal ik het wel voor je naaien.”

„Pau, je bent een schat!” riep Annie blij. „Je weet niet hoe vervelend het is altijd standjes te krijgen dat je te wild bent. Wat moet het toch heerlijk zijn, hè, om een jongen te wezen, een jongenspak te mogen dragen en te mogen bokspringen, leuningglijden, fluiten en al die prettige dingen meer, zonder altijd te moeten hooren: „Annie, wees toch niet zoo wild, vergeet toch niet, dat je een meisje bent!””

Annie had Mina’s stem zoo precies nagebootst, dat Paula hartelijk begon te lachen.

„Ik dacht dat je zooveel van juffrouw Mina hield,” merkte zij op.

„Natuurlijk, zij is een schat en ik ben dol op haar, maar die eeuwige standjes zijn zoo onuitstaanbaar.”

Intusschen waren de meisjes voor Paula’s woning aangekomen. Zij leunden de fiets tegen het huis en gingen binnen door een achterdeur, die overdag meestal open stond.

„Ga maar gauw mee naar mijn kamer,” zeide Paula, „moeder kan je straks wel goedendag zeggen, als ik de jurk genaaid heb.”

Zij nam Annie mee naar een allerliefste kamer, die wel niet groot en rijk gemeubeld, maar met veel smaak ingericht was, een echte jongemeisjes kamer met licht behang met rose rozen, met kanten gordijnen, die met rose linten werden opgenomen, voor het venster, en, wat vooral steeds Annie’s bewondering had opgewekt, dat was de keurige toilettafel met de strook van wit neteldoek over rose satinet, terwijl de neteldoekschen gordijnen, die den spiegel omlijstten, van boven door een groote rose strik werden vastgehouden.

„Heeft je ma dit nu heelemaal voor je gemaakt?” vroeg zij met haar hand over het neteldoek strijkende.

„Ja, en het kleedje op tafel ook, wat verwent moes mij, he? maar wij zijn ook maar met ons beidjes, dus heeft moeder wel tijd om nu en dan wat voor mij te maken en dat doet ze zoo graag, die beste moes.”

Al pratend had Paula een naaidoosje voor den dag gehaald en nu begon zij handig Annie’s jurk te naaien.

„Er valt gelukkig juist een plooi over,” zeide Paula; „je zult er niets van zien.”

„Dank je duizend maal, hoor!” riep Annie dankbaar, „je hebt mij een heele preek bespaard.” Op de klok kijkende, voegde zij er verschrikt bij: „maar ik moet weg; ik had al thuis moeten zijn, tante Dora komt om elf uur.”

„Je tante Dora! de mama van die twee trotsche kinderen, die verleden jaar hier waren en zich niet met mij wilden bemoeien, omdat ik niet in een groot huis woon, zooals jij?”

„O, het zijn zulke nesten, ik kan ze niet uitstaan!” antwoordde Annie.

In de gang ontmoetten zij mevrouw Tillens.

„Zoo, is daar onze kleine Annie?” riep zij en toen het meisje naar haar toevloog, kuste zij Annie hartelijk. „Ik hoorde je zeggen dat je haast hadt, kindje,” merkte mevrouw Tillens op, „maak dus maar vlug dat je weg komt, anders laat je papa wachten en dat mag niet.”

„Mag ik dan gauw terugkomen?” vleide Annie, „het is hier bij u zoo gezellig.”

„Natuurlijk, kindje, je weet immers, dat je altijd welkom bent,” antwoordde Paula’s mama, die steeds medelijden had met het moederlooze meisje, dat ondanks haar rijkdom zooveel miste.

Paula hielp Annie op de fiets en liep naast haar voort, het rijwiel bij het stuur vasthoudende.

„Zie je wel, ik ben al te laat,” zeide Annie, toen zij midden in de oprijlaan waren en het huis reeds konden zien. „Daar komt juffrouw Mina naar buiten om te zien waar ik blijf.”

„Nu, dan keer ik maar om, dan kan je vlug door rijden,” antwoordde Paula, „tot ziens dan.”

„Dag, Pau, dank je nog wel!” riep Annie terug en nu begon zij zoo hard te trappen als zij maar kon.

Zooals meer gebeurt met menschen die pas hebben leeren fietsen, reed ook Annie meestal tegen iedereen en alles op, waarvoor zij juist wilde uitwijken. Op het oogenblik wilde zij uit den weg gaan voor juffrouw Mina, maar zonder het te willen stuurde zij regelrecht op de goede ziel aan.

„Kind, wat doe je? ga toch op zij!” riep Mina en sprong verschrikt achter een boom.

„Ik kan niet!” antwoordde Annie hijgend en het volgende oogenblik kwam zij in onzachte aanraking met den boom, waarachter Mina een schuilplaats had gezocht. Natuurlijk viel Annie met fiets en al om, doch gelukkig liep het zonder ongelukken af.

„Foei, wat doe je mij toch altijd schrikken,” stamelde Mina, terwijl zij het meisje ophielp. „En deed je dat nu heusch niet met opzet?”

„He, hoe kan u dat nu denken!” riep Annie verontwaardigd. „Weet u wat het is,” merkte zij een oogenblik later op, terwijl Mina bezig was het zand van haar jurk te kloppen. „Als ik voor iets uit den weg wil gaan, dan kijk ik er zoo strak naar, dat ik er juist naar toe rijd. Maar het zal wel overgaan, denkt u ook niet?”

„Het is te hopen, anders is het een gevaarlijk spelletje. Wat zal je doen, als je een automobiel of een rijtuig tegenkomt?”

„O, Paula wil niet, dat ik zonder haar op den straatweg rijd, voordat ik het heel goed kan en als ik met haar rijd en er komt zooiets aan, dan houdt zij mij vast en trekt mij uit den weg.”

„Een lief, verstandig meisje, die jongejuffrouw Tillens en zoo netjes, was jij maar zoo,” zeide Mina met een zucht, „dan had ik niet half zooveel moeite met je. Kom nu maar gauw mee, dat ik je wat help opknappen, want je tante is al wel een kwartier binnen en mijnheer zeide, dat je, zoodra je thuis was, in het salon moest komen.”

Annie vloog naar boven naar haar kamer en terwijl zij zich met behulp van Mina wat meer toonbaar maakte, vroeg zij: „juffrouw Mina, wat komt tante Dora hier doen, terwijl er toch niemand jarig is?”

Tante Dora, de zuster van den heer Van Walen, kwam gewoonlijk slechts ééns in het jaar, namelijk met den verjaardag van haar broer. Dan werd het beste tafelzilver voor den dag gehaald, Annie moest haar mooie jurk aantrekken en klokslag elf uur hield tante’s rijtuig, of soms automobiel voor het huis stil. Meestal was zij alleen, doch een enkel maal kwamen haar dochtertjes mee om haar oom geluk te wenschen. Annie was bang voor de deftige, trotsche dame, die nooit recht hartelijk was.

„Hoe wil ik dat nu weten, Annie,” antwoordde Mina op Annies vraag: „je tante zal het mij niet vertellen. Ik denk dat mevrouw komt kijken, hoeveel scheuren je deze week in je nieuwe jurk hebt gemaakt en of je altijd nog even wild bent als vroeger, ziezoo, nu zit je haar netjes, ga nu maar gauw naar beneden, je hebt mijnheer al lang genoeg laten wachten.”

Annie liep veel langzamer naar beneden dan zoo straks naar boven en toen zij den knop van de salondeur omdraaide, bonsde haar hartje als een hamer.

„Ah, daar is onze kleine wildzang eindelijk,” zeide haar vader, toen zij binnenkwam en naar haar tante toeging om deze te begroeten. „Kom eens hier, kleine meid en hoor eens, wat wij je te vertellen hebben. Het is groot nieuws en ik vond het beter je er nog niets van te zeggen, vóórdat ik alles met tante Dora had afgesproken.”

„Maar wat dan toch, papa? Wat is het nieuws, is het prettig?” vroeg Annie, terwijl zij op de leuning van mijnheer Van Walens stoel ging zitten.

„Annie,” merkte haar tante op, „is het bepaald noodig, dat je op de leuning van een stoel zit? Hier naast mij staat anders nog een stoel en geheel leeg, zou je daar niet liever op plaats nemen?”

„Ja, kleine, ga naast tante zitten, dan zullen wij je alles vertellen.”

„Zoo dikwijls ik hier ben geweest,” liet tante er nog op volgen, „heb ik Annie nog nooit vijf minuten achtereen als een gewoon mensch op een stoel zien zitten. Altijd klom zij op de leuning of op de tafel, iets, dat ik mijn meisjes streng verboden heb.”

Annie kreeg een kleur, zette zich op het puntje van den door tante aangewezen stoel, en keek haar vader vragend aan.

„Het nieuws is, Annie, dat je een poos bij tante gaat logeeren, omdat ik voor zaken naar Engeland moet. Je begrijpt dat ik je niet kan meenemen, want jij mag de school niet verzuimen.”

„U weg en ik naar tante, voor hoelang?” riep Annie zoo verschrikt, dat tante niet kon nalaten te zeggen:

„Hm, je bent wel beleefd. Ik heb mijn meisjes altijd geleerd de beleefdheid in acht te nemen.”

„O, ja, tante, ik vind het heel aardig om bij u te gaan logeeren,” zeide het arme kind. Eensklaps scheen zij echter op een inval te komen. „Zou het niet beter zijn, pa, als ik zoolang bij mevrouw Tillens ging, dan hoefde ik niet van school te veranderen. Het is immers niet voor lang, pa?”

Voordat de heer Van Walen kon antwoorden, liet tante Dora zich hooren:

„Neen, Annie, dat gaat niet; het is beter, dat je bij mij komt. Ik heb altijd aan je papa gezegd, dat die jongejuffrouw Tillens geen goed gezelschap voor je is; wij weten niets van die menschen af en dat meisje wordt belachelijk door haar moeder verwend, bovendien is zij veel te oud voor je, terwijl Coba en Laura zoowat van je eigen leeftijd zijn. Het is ook heel goed voor je dat je eens voor een poosje van die dorpsschool afkomt.”

Annie durfde niets meer te zeggen, maar zij keek zoo ongelukkig, dat haar vader troostend zeide: „In ieder geval blijf ik nog tot September thuis, hoor kleine, dus zijn wij nog een heele maand samen. Ga nu maar spelen, want ik heb nog veel met tante te bespreken en aan de koffie zal ik je alles vertellen, wat je nog weten wilt.”

„Een goed meisje, maar nog erg ongemanierd,” merkte mevrouw Stubbens (zoo heette tante Dora) op, toen Annie de kamer uit was. „Zij zal nog veel moeten leeren.”

„Je moet niet vergeten, dat zij vanaf haar derden jaar de moederlijke leiding gemist heeft,” antwoordde haar broer. „Mina Holst is een best meisje,” voegde hij erbij, „maar niet de geschikte opvoedster voor een meisje van Annie’s leeftijd. Daarom ben ik zoo blij, Dora, dat jij zoolang de zorg voor het kind op je wilt nemen en ik hoop, dat je een tweede moeder voor haar zult zijn.”

„Zij zal in alles gelijk opgaan met mijn meisjes,” zeide mevrouw Stubbens, „ik zal geen onderscheid maken, dat beloof ik je.”

Intusschen was Annie het huis uitgesneld om nog gauw vóór koffietijd alles aan haar vriendin te gaan vertellen. Paula zag haar reeds uit de verte aankomen en benieuwd om te weten wat zij te vertellen zou hebben, liep zij Annie te gemoet.

„Hè, Annie, je hebt gehuild. Waarom? wat scheelt eraan?” riep zij toen haar vriendinnetje bij haar was.

„O Pau,” antwoordde Annie, die werkelijk geschreid had, maar nu moedig haar tranen terugdrong; „ik moet van hier weg, ik moet bij tante Dora gaan logeeren. Papa gaat naar Engeland en het schijnt voor langen tijd te zijn, want ik ga met Coba en Laura naar school.”

Paula wist niet goed, wat zij zeggen moest om haar vriendinnetje te troosten. Zij vond het zelf heel akelig haar te moeten missen en ook vooral voor Annie, omdat zij wist, dat deze niet van haar nichtjes hield.

„Kom mee naar mama,” zeide zij, haar arm om Annie’s hals slaande, „mama zal je wel weten te troosten.”

„Het spijt mij heel erg, dat je weggaat, Annie,” zeide mevrouw Tillens toen haar alles verteld was, „en Paula zal je vreeselijk missen, maar voor jou is het toch niet zoo héél erg, kindje. Het is wel akelig voor je van je papa af te moeten, maar je gaat naar een mooie groote stad waar alles nieuw voor je is en dan is er nog iets, dat je vergeet, ik bedoel je jongste nichtje, waarvan je mij verteld hebt en waarvan je zooveel houdt. Zal het nu niet zoo prettig voor je zijn, langen tijd bij haar te kunnen logeeren? Ik wed dat het je nog wel meevalt en dan, je papa zal toch niet zoo heel lang wegblijven, zoodat wij je met Kerstmis wel weer thuis zullen hebben en dan kan je ons alles vertellen.”

Annie voelde zich werkelijk getroost, vooral door de gedachte, dat zij waarschijnlijk met Kerstmis wel weer thuis zou zijn en ook hield zij werkelijk van kleine Tine, haar jongste nichtje, een zwak kindje van vijf jaar, zoodat zij niet meer met zooveel schrik aan haar verblijf bij oom en tante Stubbens dacht en ten slotte met een vroolijk gezichtje aan de koffietafel verscheen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

ANNIE’S AANKOMST.

„O, tante, wat een prachtige winkels en wat is het hier druk, o, die fietser komt stellig onder ons rijtuig.... o, o, o! tante kijk toch eens, neen, gelukkig, hij wijkt nog, juist bijtijds uit! Hé, tante, wat ’n heerlijke speelgoedwinkel.”

Annie’s mondje stond niet stil, zij verkeerde in één opwinding over al het moois dat zij zag en over al de drukte en beweging eener groote stad, waar zij slechts zeer zelden geweest was.

Tante Dora was haar met open rijtuig komen halen en hoewel er bij het afscheidnemen van haar vader en juffrouw Mina in het begin van den rit heel wat tranen gevloeid waren, had het vooruitzicht van al het nieuwe haar langzamerhand getroost, zoodat zij, toen zij een uur later de stad binnenreden, in staat was volop van al het fraaie te genieten.

„Stil toch, kind, praat niet zoo hard, ik heb altijd aan mijn meisjes geleerd, dat zij zich niet moeten laten hooren. Het doet mij plezier, dat je alles zoo mooi vindt, maar je moet niet zoo’n leven maken.”

Zij lieten de vroolijke winkelstraten achter zich liggen en reden nu door een stille deftige buurt met groote heerenhuizen. Voor één van deze hield het rijtuig stil. De palfrenier schelde aan en bijna onmiddellijk werd door een keurig dienstmeisje de deur geopend en een oogenblik later stond Annie in de ruime vestibule van haar nieuwe tehuis.

Nauwelijks was zij binnen of Annie hoorde een vroolijke jongensstem roepen:

„Zeg, moes, bent u daar en hebt u Annie meegebracht?” en voordat het meisje recht wist wat er gebeurde, kwam er langs de statige trapleuning iets naar beneden glijden. Het ging zoo vlug, dat zij niet kon zien wat het was, totdat zij haar tante op berispenden toon hoorde zeggen: „Maar, Thomas, hoe dikwijls moet ik je dat nu toch verbieden? Het is zoo vreeselijk gevaarlijk!”

Toen bemerkte Annie, dat het niet, zooals zij eerst gedacht had, een groot pak was geweest, dat men langs de leuning naar beneden had geworpen, maar een jongen van een jaar of twaalf, die nu tante Dora hartelijk omhelsde.

„Die moes is altijd zoo bezorgd voor haar Thomasje, niet waar, moedekie? Maar wees maar niet bang, hoor, onkruid vergaat niet!” En tante Dora ... glimlachte.

In stomme verbazing zag Annie dit tooneel aan. Hoe durfde hij zoo met die deftige, stijve tante Dora omspringen en zij werd er niet eens boos om! daar begreep Annie niets van.

Nu liet Thomas zijn moeder los en kwam naar Annie toe.

„Ben jij nu ons nieuwe nichtje? Hoe toevallig, hè, dat ik de keeren dat jij hier kwam, juist niet thuis was. Welkom hier, hoor, ik ben blij, dat je gekomen bent. Ga je nu mee, dan zal ik je mijn konijnen en vogels laten zien.”

„Misschien wil Annie liever eerst naar haar kamer, Thomas, dan kan je haar straks je moois wel laten kijken.”

„Neen, dank u, tante, maar kan ik Tineke niet eerst goedendag zeggen?”

„Tine is naar Fröbelles, daar gaat zij tegenwoordig iederen morgen heen, om haar alvast aan het schoolgaan te wennen.”

„Mag ik dan met Thomas mee naar den tuin?” vroeg Annie.

„Zeker, maar denk eraan, half één precies aan de koffie, hoor,” en tante Dora ging naar boven, terwijl Thomas zijn nichtje bij de hand nam en meetrok naar den tuin.

„Zeg, Annie,” zeide hij, „je moet geen Thomas tegen me zeggen, maar Tom, dat is veel gemakkelijker en alleen mama en papa noemen mij Thomas, en zeg, weet je, waarom ik zoo blij ben, dat je gekomen bent,” voegde hij erbij, toen zij aan het konijnenhok gekomen waren en hij Annie zijn mooiste konijn in de armen had gelegd, „omdat ik hoop op je heb.”

„Wat bedoel je?”

„Wel ik heb hoop, dat je niet zoo’n nuf bent als Coba en Laura; jij bent immers zoo wild.”

„Ik wild,” riep Annie verontwaardigd en zij nam haar deftigste houding aan, „hoe kom je erbij? Ik ben al bijna elf en dan is men niet meer wild.”

„Nu, wij zullen zien. Als je papa bij ons was, sprak hij altijd van „mijn kleine wildzang,” dat was jij dan, zie je.”

„Ach, dat zei papa maar zoo, dat meende hij niet.”

En nu wandelde Annie, nadat zij de konijnen genoeg bewonderd en weer in het hok teruggezet hadden, als een zeer net meisje naast Tom den tuin door naar de volière, waar hij allerlei mooie en vreemde vogels had.

„Wat ’n prachtige fazanten, Tom, en wat zijn die duiven snoezig! laat je die nu vrij uitvliegen?”

„Ja en dan komen ze vanzelf weer in hun hok terug, vind je dat niet leuk? ik heb er tien en er is tot nu toe nog geen een weggeraakt.”

Nog een poos bleven zij naar de vogels kijken en toen kwam Tom op een inval.

„Zeg, Annie, wij zijn hier toch alleen, willen wij samen bokspringen? Zoo om beurten, je weet wel, eerst mag jij springen en dan ben jij bok en spring ik en zoo dit pad af, heerlijk!”

Annie’s oogen begonnen te schitteren en Annie, die al bijna elf en dus niet meer wild was, nam met graagte het voorstel aan.

„Jammer toch, dat jij geen jongen bent,” merkte Tom eindelijk op, toen zij naar hartelust gesprongen hadden en nu samen op het gras zaten uit te rusten. „Je weet niet hoe saai het is met niets dan meisjes thuis!”

„Waarom ben je nog niet naar school?”

„Het gym begint eerst Dinsdag, maar de meisjesschool is al begonnen, jij zult er morgen wel heen moeten.”

„Neen, ik ga Maandag voor het eerst. Het is al Donderdag, dus deze week niet meer de moeite waard, zeide tante.”

„Dat treft prachtig! kan je fietsen? ja? nu, als moes het dan goed vindt, zullen wij morgen naar buiten fietsen, dan zal ik je laten zien, waar wij van den zomer geweest zijn en na de vacantie op vrije middagen nog wel eens heengaan. Het is niet zoo heel ver; je zult zien hoe leuk het is. De andere lui en ik hebben daar een fort gebouwd en dan verdeelen wij ons in twee partijen, belegerden en belegeraars en als Coba en Laura mij een heele week niet geplaagd hebben, dan mogen zij en Tineke ook mee. Dan zijn zij drie vrouwen, die in het kamp in veiligheid gebracht en door de mannen beschermd worden. En nu kan jij ook meedoen.”

„Maar ik heb geen bescherming noodig. Mag ik niet met de mannen meevechten?”

„Zie je wel dat je wild bent. Zooeven heb je wat lekker bok gesprongen en nu wil je met de mannen meevechten in plaats van je op een veilige plaats door ons te laten beschermen; daar zijn jullie, vrouwen, toch voor. Maar ik weet wat,” voegde hij er na eenig nadenken bij, „je kunt marketentster zijn. Wil je dàt dan?”

„Dat is ten minste beter, dan daar zoo vervelend niets te doen zooals die drie anderen.”

„Maar zij hebben wel degelijk wat te doen. Zij moeten gillen van angst als er op het fort geschoten wordt en zij moeten flauw vallen. Den laatsten keer hebben wij Tine, om haar weer bij te brengen zoo nat gegooid, dat zij wel een half uur in de zon heeft moeten zitten om te drogen, want zij mocht natuurlijk niet met die natte jurk naar huis, dan hadden wij een standje gehad.”

Toen zij genoegzaam waren uitgerust, wandelden de kinderen naar huis terug en aan de koffietafel ontmoette Annie haar oom, die bij haar aankomst niet thuis was geweest, en haar nichtjes.

„Welkom hier, kleine meid,” had de heer Stubbens tot haar gezegd, toen hij haar begroette; „ik hoop, dat jij je hier thuis zult voelen en dat jullie, kinders, goed met elkaar zult kunnen opschieten.”

Op haar dringend verzoek mocht de kleine Tine naast Annie zitten, die zij telkens met een blij lachje aankeek.

„Ik mag vanaf Maandag alleen naar de les,” vertelde zij trotsch, „dan wordt ik niet meer gehaald en gebracht.”

„Is dat waar, ma, mag dat kleine spook al alleen gaan?”

„Ja, Thomas, ik vind het goed dat zij al vroeg zelfstandigheid leert; zij is veel te bang en dat moet eruit.”

„Dat komt omdat zij zoo klein is,” merkte Torn wijsgeerig op, „Beppie van hiernaast is vier en een half en veel grooter dan zij.”

Annie dacht aan een van haar boeken, waarin een klein meisje dat tegen het verbod van haar moeder alleen de straat op was geloopen, door een automobiel was overreden, en angstig keek zij naar haar kleine buurmeisje.

„Is het ver loopen, Tine?”

„Ach, wel neen!” antwoordde tante Dora voor het kleintje, „geen tien minuten. Kijk dus maar niet zoo angstig, Annie.”

„Meisjes,” zeide mevrouw Stubbens na de koffie tot Coba en Laura, „jullie hebt, voordat je weg moet, nog tijd om Annie te helpen haar kamer wat gezellig te maken, ga dus met haar naar boven.”

Annie vond het alles behalve prettig; veel liever was zij met Tom en Tine in den tuin gaan spelen, maar zij durfde natuurlijk niets te zeggen.

Zij had een mooie frissche kamer gekregen, die op den tuin uitzag, zoodat zij niet in de vroegte door de drukte van de groote stad gewekt zou worden.