Chapter 2 of 13 · 3983 words · ~20 min read

Part 2

Annie maakte haar koffer open en haalde daaruit platen te voorschijn, waarmee zij nu met behulp van haar nichtjes de wanden begon te versieren. Ook had zij eenige étagère voorwerpen meegebracht, die zij op den schoorsteenmantel neerzette en toen alles klaar was, moesten zij alle drie bekennen dat de kamer er veel gezelliger uitzag. „Die dingen zijn allemaal uit mijn kamer,” zeide Annie, „en deze kamer lijkt zoo op de mijne, dat het nu net is of ik weer thuis ben, zelfs de gordijnen zijn dezelfde.”

„Ja, dat heeft ma met opzet gedaan. Je hebt deze kamer gekregen, omdat zij net als de jouwe op den tuin uitkijkt en bijna dezelfde meubels heeft, ook mahoniehout met rood,” merkte Coba op, „je mag er ma wel voor bedanken.”

„Natuurlijk,” antwoordde Annie, die boos was, omdat Coba meende, dat het noodig was haar hieraan te herinneren.

„Jij gaat Maandag eerst naar school, hè?” vroeg Laura.

„Ja, maar Zaterdag gaat je ma met mij naar de directrice en moet ik examen doen voor de vijfde.”

„Ik zit ook in de vijfde,” zeide Laura „en Clara van Scheik, Marie Munster en Emmy van Spechten ook. Ik ben benieuwd of je bij ons komt te zitten.”

Toen de meisjes eindelijk weer naar school waren, ging Annie ook naar beneden om haar tante te zoeken.

Deze kwam juist de gang door en nu sloeg Annie in de dankbaarheid van haar hartje beide armen om tantes hals en gaf haar een hartelijke kus. „Dank u, tante,” zeide zij, „ik ben zoo blij met die kamer, ze is net de mijne.”

Mevrouw Stubbens was eerst verwonderd over die onstuimige omhelzing; zij was zooiets van haar eigen meisjes niet gewoon.

„Pas op, meisje, je kreukt mijn japon,” zeide zij. „Het doet mij genoegen, dat de kamer naar je zin is, maar je moet niet zoo wild zijn.”

DERDE HOOFDSTUK.

HET FORT.

Toen Annie den volgenden morgen wakker werd, scheen de zon vroolijk haar kamer binnen. Het eerste oogenblik was het haar wel vreemd, dat zij niet thuis in haar eigen bedje lag, maar toen zij goed wakker was, herinnerde zij zich alles, vooral ook, dat Tom haar beloofd had met haar te gaan fietsen. Zij hoopte nu maar, dat tante het goed zou vinden, want zij verlangde om het fort te zien.

„Ik zal het zelf aan moeder vragen,” had Tom haar gezegd. „Je zult zien, dat het dan wel mag.”

Aan het ontbijt zeide hij dan ook; „Moesje, als ik u iets vraag, zegt u dan ja?”

„Hoe kan je zulke dwaze dingen zeggen, Thomas, ik moet toch eerst weten, wat je te vragen hebt.”

„O, het is heel onschuldig, u kunt er geen neen op zeggen.”

„Thomas, doe nu niet zoo kinderachtig,” bracht zijn vader in het midden, „vraag nu kalm aan mama, wat je te vragen hebt en draai er niet zoo omheen.”

„Nu, dan, ma, mag ik met Annie gaan fietsen?”

„Moet je daar nu zooveel omwegen voor gebruiken, malle jongen?” antwoordde zijn moeder, „daar steekt toch geen kwaad in, als je maar zorgt, dat je op tijd aan de koffietafel bent. Maar, vóór alles moet ik natuurlijk weten waar jelui heengaat.”

„Ik wilde Annie het fort laten zien. Zij mag later ook meespelen, hé, ma?”

„Wat de meisjes mogen, mag Annie ook, maar denk er nu om, om half één thuis, hoor.”

„Je ijzeren paard staat klaar, Annie,” riep Tom een half uur later aan de trap, toen Annie naar boven was gegaan om zich klaar te maken.

Toen zij eindelijk beneden kwam, bekende zij verlegen; „ik moet je nog wat zeggen, Tom, ik kan het nog niet héél goed. Ik kan nog niet alleen opstappen.”

„Dat is niets hoor,” merkte hij goedig op, „ik zal je wel helpen en je door de drukte heenbrengen. Je kunt immers wel los rijden?”

„Ja, dat wel, maar ik slinger nog zoo.”

„Nu, wij zullen wel zien. Je hebt immers een man bij je om je te beschermen.”

Hij hielp haar opstappen en toen zij op gang was, sprong hij op zijn eigen fiets en vroolijk reed het tweetal weg. Annie’s rijkunst viel Tom na haar bekentenis nogal mee en toen zij ongeveer drie kwartier over een open landweg hadden gereden, kwamen zij aan een heerlijke beschaduwde laan.

„Wij zijn er dadelijk,” zeide Tom. „Die boomen daar aan je rechterhand zijn van het buiten van mijnheer Boots, die naast ons woont, de papa van Beppie en dat is Rustoord, ons buiten, waar wij iederen zomer heengaan tot de scholen weer beginnen.”

Zij reden een prachtig hek binnen, waarbij Tom Annie moest vasthouden om te beletten, dat zij tegen de zware steenen pilasters zou aan rijden, en daarna door een breede oprijlaan naar het huis.

„Hier zullen wij afstappen,” riep Tom van zijn fiets springende, om daarna Annie te helpen. „Straks, als wij nog tijd hebben, zal ik je leeren op- en afstappen, maar nu eerst naar het fort. Zullen wij er om het hardst heen loopen, of ben je moe?”

„Wel een beetje,” bekende Annie met tegenzin, want zij was bang, dat Tom het flauw van haar zou vinden, dat zij zoo gauw moe was.

„Dan weet ik wat, wacht hier maar even.” En hij verdween achter het huis.

Een oogenblik later kwam hij terug met een aardig, licht wagentje, voorzien van twee disselboomen, waar hij als paard tusschenin liep.

„Wil mevrouw maar instappen? Ziet u, mevrouw, het is nog een heel eindje loopen en aangezien u moe bent van uw ongewoon langen fietstocht zal ik u hierin naar het fort brengen. Dit was vroeger mijn bokkewagen, maar nu ben ik natuurlijk te groot om mij door een bok te laten trekken.”

„Wat aardig van je, Tom,” zeide Annie instappende, en zij voelde zich wat deftig, toen zij door hem over de goed onderhouden paden van Rustoord werd voortgetrokken.

Eindelijk hield Tom stil en keerde zich om. „Zie je daar tusschen die boomen door die vlag?” vroeg hij. „Dat is de vlag van het fort.”

Annie stapte uit haar wagentje en te ongeduldig om het pad te volgen, baanden de kinderen zich een weg door het kreupelhout tot zij aan een groote open ruimte kwamen, waar middenop het fort stond.

„Nu, waarom zeg je niets?” vroeg Tom teleurgesteld, toen Annie zweeg. „Vind je het niet mooi?”

„Het is prachtig, Tom, ik had nooit gedacht dat het zoo echt zou zijn, met een echte poort! en het is zoo groot! wie heeft het gemaakt?”

„Mijn vrienden en ik en een enkelen keer heeft de tuinman geholpen en toen het klaar was, is papa komen kijken en heeft hij ons die mooie vlag gegeven.”

Het fort, dat de jongens van zand en de steenen van een afgebroken schuur vervaardigd hadden, was werkelijk alleraardigst en zoo groot, dat zij er gemakkelijk met hun zessen in konden, terwijl er dan zelfs nog plaats overbleef voor de meisjes.

„Zie je,” vertelde Tom, „als de meisjes erbij zijn, maken wij voor haar een zonnetent en dan leggen wij kleedjes op den grond, omdat anders hun jurken vuil worden, maar je zult het wel zien, als wij hier met de anderen terugkomen. Het is alleen vervelend, dat Co en Lau zulke stijve nuffen zijn; zij zijn altijd bang om hun handen vuil te maken en je moet niet denken, dat zij ooit eens zullen helpen als er gauw, voordat de vijand komt, een bres in den muur hersteld moet worden. Dat zou jij wel doen, hè?”

„Natuurlijk, maar tante wil niet hebben, dat zij zich vuil maken en dat mag ik natuurlijk ook niet, maar als het noodig was, zou ik je toch wel helpen.”

Annie was verrukt over het fort, dat zij zich lang niet zoo mooi had voorgesteld. Zij vond het dan ook een waar kunststuk.

„Ja,” hervatte Tom, die met trots Annie’s uitingen van bewondering had aangehoord, „het is een heel werk geweest, maar natuurlijk gaat er wel eens iets stuk. Nu zal ik je nog meer vertellen. Zie je daar dien koepel bovenop die hoogte? Papa noemt het de belvédère, maar voor ons is het een oud ridderslot, waar de burchtvrouwen Laura en Coba met het kind Tineke wonen. En dan komen wij, roofridders de burcht overrompelen en voeren de vrouwen weg naar ons fort, maar soms ontvoeren wij alleen het kind en dan bieden wij de bewoonsters van de burcht aan een losprijs te betalen en als zij dat gedaan hebben krijgen zij dadelijk het kind terug.”

„Hè, Tom, je weet niet hoe ik verlang om mee te doen, maar ik zou je dien losprijs niet geven hoor.”

„Zoo, wat zou je dan doen, het kind in onze handen laten?”

„Neen, ik zou mijn getrouwen oproepen en met hen samen het fort overvallen en Tine bevrijden. Zeg, Tom,” voegde zij erbij, „laten wij nu eens die hoogte opklimmen naar den koepel, ik zou het zoo aardig vinden om vandaar naar beneden te kijken.”

Tom keek op zijn horloge, een zilveren, dat hij met zijn laatsten verjaardag had gekregen en knikte toestemmend. „Wij hebben nog wel tijd, vooruit dan maar, wie het eerst boven is. Eén, twee, drie!”

Zij stormden het pad op, dat in een spiraal om de hoogte heen naar boven leidde en hijgend kwamen zij aan. Tom met zijn lange jongensbeenen natuurlijk het eerste.

„Dat scheelde toch weinig, hé?” riep Annie op een bank vóór den koepel neervallende, „bijna had ik je ingehaald.”

„Ja, je kunt goed loopen, maar kom nu eens hier kijken,” antwoordde Tom op het stevige hek leunende, dat boven was aangebracht om naar beneden vallen te verhoeden. „Zie eens wat een mooi uitzicht je van hier hebt.”

„Wat is dat mooi en wat is het fort van hier gezien klein,” riep Annie in verrukking.

„Sst,” zeide Tom eensklaps, zijn vinger op zijn mond leggende, „kijk eens daar rechts tusschen de boomen, zie je daar niemand bewegen?”

Annie keek in de bedoelde richting en zag nu ook tusschen de takken en bladeren door de gedaante van een man, maar zij kon niet zien, wat hij daar deed.

„Wie is dat, Tom?” vroeg zij, „er mag hier toch niemand in, of is het de huisbewaarder?”

„Neen, kijk, daar gaat hij weg. Het was Koos, de zoon van den tuinman, die nu huisbewaarder is. Ik weet best, wat hij gedaan heeft en papa heeft gezegd, dat hij weggejaagd zou worden, als papa het ooit weer van hem merkte en dat zou vreeselijk zijn, heeft zijn moeder mij gezegd, want zij weet niet wat zij dan met hem beginnen moet, want op school wilde hij ook al niet oppassen. Zijn moeder huilde zoo, toen zij het mij vertelde. Kom gauw mee dan kunnen wij ze nog wegnemen, voordat papa ze gezien heeft.”

„Maar wat dan toch. Je hebt mij niet eens gezegd, wat hij eigenlijk gedaan heeft.”

„Wel, hij zet lijmstokken uit om vogels te vangen. Gemeen, hé? Hij verdiende eigenlijk, dat ik hem door papa liet betrappen, maar zijn moeder huilde zoo.” Zij liepen het pad af naar beneden, waar zij Koos gezien hadden en Tom vond dadelijk den lijmstok, dien hij wegnam en in den grooten vijver wierp, die zich daar in de buurt bevond.

„Die arme vogeltjes, gelukkig dat er nog geen een opzat,” zeide Annie. „Weet je zeker, dat dit de eenige stok was, Tom?”

„Hier zie ik er geen meer en wij moeten maar hopen, dat er geen meer zijn, want wij hebben geen tijd om het heele park door te zoeken en dat is ook geen doen. Maar, Annie, je moet er thuis maar niets van zeggen, dat wij dat stokje gevonden hebben, want dan stuurt papa Koos stellig weg.”

Annie beloofde hem te zullen zwijgen, waarna de twee kinderen naar huis terugkeerden.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE LIJMSTOKKEN.

„Verbeeld je, Dora,” zeide de heer Stubbens dien middag aan tafel, „nu heb ik van middag op Rustoord toch weer lijmstokken gevonden. Bij het weggaan viel toevallig mijn oog op den grooten kastanjeboom en daar had die kwajongen er weer een paar in vastgezet. Ik had geen tijd meer om terug te loopen en hem te zeggen, waar het op stond, maar nu is het uit; morgen zal ik aan Barend zeggen, dat ik den jongen niet langer in het park wil zien. Hij moet weg.”

„Pa,” begon Tom verlegen.

„Wat is er, jongen?”

„Pa, Koos heeft die lijmstokken er dezen keer niet ingezet, ik heb het gedaan.”

„Wat zeg je daar!” stoof mijnheer op. „Jij, een welopgevoede jongen voert zulk kattekwaad uit, terwijl je weet, dat ik het aan de bedienden streng verboden heb? Ga onmiddellijk naar je kamer en blijf daar tot ik je permissie geef er weer uit te komen. Over die zaak zullen wij nog wel eens nader spreken; je moest je schamen!”

Tom stond stil op en verliet de kamer, terwijl hij onderweg Annie, die wat zeggen wilde een wenk gaf om te zwijgen.

„Neen, Annie,” vervolgde de heer Stubbens, toen hij dit zag, tegen haar, „het geeft niet of je nu al een goed woord voor Thomas wil doen, hij zal, hoop ik, zelf voelen, dat ik dit niet ongestraft kan laten.”

Een paar dikke tranen rolden langs Annie’s wangen, maar zij zeide niets. Ook tante Dora en de meisjes durfden niets in te brengen, want zij wisten evenals Annie, wanneer de heer Stubbens eenmaal iets gezegd had, dan bleef hij er bij.

Toen deze een half uur later in zijn studeervertrek zat, werd er zacht op de deur getikt en op zijn „binnen” trad Annie beschroomd de kamer in.

„Zoo, kleine meid,” zeide haar oom vriendelijk, „kom je toch nog eens probeeren een goed woordje te doen voor Thomas. Het is heel lief van je, kindje, maar je weet toch, dat als ik eenmaal iets gezegd heb, dan moet het ook gebeuren. Thomas is heel ondeugend geweest en daarvoor moet hij gestraft worden.”

Terwijl zij haar oom zoo hoorde spreken, had Annie langzamerhand haar verlegenheid verloren, zoodat zij nu moedig naar de tafel stapte, waaraan haar oom zat, en zeide:

„Tom is heelemaal niet ondeugend geweest, hij is juist heel goed geweest.”

„Wat zeg je daar?”

„Ach ja, oom, ziet u, ik had Tom, ik bedoel Thomas, beloofd het niet te vertellen, maar nu moet ik het toch doen, is het niet zoo?”

„Ik weet niet wat het is, wat je te vertellen hebt.”

„Thomas heeft het niet gedaan, oom, Koos deed het.”

„Koos! Maar waarom heeft Thomas dan gezegd dat hij het gedaan had?”

„Omdat Koos zijn moeder zoo gehuild had.”

Onder het spreken was Annie dichterbij gekomen, totdat zij nu vlak naast haar oom stond. „Oompje,” vleide zij, „ik zal u alles vertellen, maar dan moet u ook niet boos op hem zijn, hè? en ook niet op Koos, nu Thomas dit gedaan heeft om hem te helpen?” en zij keek zoo smeekend naar den heer Stubbens op, dat deze niet kon nalaten te glimlachen.

„Klein vleistertje,” zeide hij, „vertel mij nu eerst maar eens alles wat er gebeurd is, dan zullen wij wel verder zien.”

Nu vertelde Annie naar waarheid hoe de zaak zich had toegedragen en wat Thomas haar verteld had van de moeder van Koos, die toch al zooveel verdriet had van haar zoon en nu doodsbang was, dat de heer Stubbens hem zou wegsturen.

„Zoo, zoo,” zeide oom, toen Annie had uitgesproken, „is dat de geschiedenis. Ik ben heel blij, dat je mij alles verteld hebt, Annie, want nu weet ik, dat Thomas die lage streek niet heeft uitgevoerd. En dat hij de schuld ervan op zich heeft genomen, om een ander te helpen was wel heel goed van hem, dat zouden niet veel jongens met zoo’n strengen papa hem hebben nagedaan, maar, kleine, om dat te doen, heeft hij mij voorgejokt en dat was niet goed van hem en dat zal ik hem wel degelijk onder het oog brengen. En maak jij je nu maar niet ongerust dat Thomas boos zal zijn, omdat jij zijn heldendaad verklapt hebt, want daar behoeft hij niets van te weten; hij zal mij zelf de waarheid zeggen.”

„Dat zal hij nooit doen, oom, als hij Koos daardoor in gevaar brengt.”

„Hij moet wel, Annie. Het was heel dom van mij, dat ik er niet eerder aan gedacht heb, maar ik kan Thomas bewijzen, dat hij het niet gedaan heeft.”

„En Koos, nu, oom?”

„Koos moet weg. Ik heb hem genoeg gewaarschuwd.”

„Dat is dan mijn schuld; dat heb ik gedaan!” en Annie begon te huilen.

„Neen, neen, Annie, jouw bekentenis heeft er niets mee te maken, hij zou toch gegaan zijn. Maar zijn moeder zal er geen verdriet van hebben, hoor, wees maar niet bang. Ik heb al een goede plaats voor hem gezocht.”

„U bent een best oompje,” zeide Annie en gaf den heer Stubbens een hartelijken kus. „Mag ik nu aan Thomas gaan zeggen, dat hij weer van zijn kamer mag?”

„Neen, wacht maar, ik zal wel naar hem toegaan, ik moet met hem spreken.”

Annie ging heen en een oogenblik later begaf de heer Stubbens zich naar de kamer van zijn zoon.

Tom zat zijn vacantiewerk te maken en keek verwonderd op, toen zijn vader binnenkwam.

„Ik kom eens met je spreken, Thomas,” begon deze, „vertel mij nu eens, wat er eigenlijk vandaag gebeurd is.”

Tom kreeg een kleur als vuur en zweeg. Hij voelde, dat het hem niet gemakkelijk zou vallen een geheel verzonnen verhaal op te disschen.

„Zie je, Thomas,” vervolgde zijn vader, „ik weet, dat jij die stokjes niet in den boom vastgezet kan hebben. Zoo straks dacht ik daar niet aan, maar het is zoo klaar als de dag. Ben je vanmiddag nog op Rustoord geweest?”

„Neen, pa.”

„Nu, hoe kan jij dan in den kastanjeboom lijmstokken gezet hebben, die er nog niet in waren, toen ik om drie uur op Rustoord kwam?”

Tom wist niets te antwoorden.

„Luister eens, Thomas,” zeide de heer Stubbens een hand op den schouder van den jongen leggend, „het was heel goedhartig van je dat je om Koos te helpen zijn schuld op je nam, maar toch had je moeten bedenken, dat het nooit, onder welke omstandigheden ook, goed kon zijn, dat je mij voorjokte. Je hebt daar niets meer mee bereikt en zou daar ook nooit iets meer mee bereiken, dan wanneer je mij vertrouwd hadt. Ik was toch niet van plan om Koos hier te houden, maar ken jij je vader nu zoo weinig, dat je kon denken, dat ik zijn ouders, die goede oppassende menschen zijn, het verdriet zou aandoen om dien jongen zoo maar weg te zenden, zonder meer?”

„Daar was ik bang voor, pa.”

„Nu, stel je dan maar gerust; ik heb voor Koos een goede betrekking gezocht en als hij wil, kan hij daar vooruitkomen. Maar, jij mag niet meer jokken, hoor, jongmensch.”

„Neen, pa, nooit meer,” beloofde Tom merkbaar opgelucht, dat alles zoo goed was afgeloopen en dat hij er zoo goed afkwam.

De heer Stubbens ging weer naar beneden en Tom ging Annie zoeken om haar alles te vertellen.

Toen Annie bij haar oom geweest was, ging zij naar de zitkamer van haar nichtjes. Zoodra zij binnenkwam, zeide Coba:

„Wat laag van Tom, hè, net zoo’n straatjongen, om daar lijmstokken neer te zetten. Wat had hij nu met die vogels willen doen? hij heeft er toch al genoeg. Met zoo’n jongen wil ik niet meer spelen. Wie weet, wat hij nog zou uithalen, als wij er bij waren. Ik ga niet meer mee naar het fort.”

„Nu, ik zou je ook wel danken,” voegde Laura erbij, „ik doe ook niet meer mee. Hij moest zich schamen.”

Annie werd vuurrood van drift en stampvoetend riep zij heftig: „Jullie moest je schamen, Tom niet. Hij heeft het niet eens gedaan. Hij heeft dat maar gezegd om Koos te helpen. Die heeft het gedaan en Tom wist, dat je pa Koos zou wegzenden als hij het nog eens deed.”

„Kind, houd je kalm,” zeide Coba, het oudste van de twee zusjes, „wat hebben de buren ermee noodig. Als Tom toch zelf zegt, dat hij het gedaan heeft, hoe kunnen wij dan ruiken, dat het niet zoo is? Wat zeg jij, Laura?”

Laura antwoordde niet, maar keek verlegen voor zich, terwijl Annie zonder verder iets te zeggen de kamer verliet om aan haar vader en aan Paula te schrijven. Op de trap ontmoette zij echter Tom, die haar juist was gaan zoeken en haar nu alles vertelde, wat zijn vader aan hem gezegd had.

„Leuk, dat ik er zoo af kom, hè,” merkte hij op. „Het zou toch saai geweest zijn als ik bij voorbeeld op de vrije middagen niet meer naar Rustoord had mogen gaan, want zooiets zou het geweest zijn, dat weet ik zeker.”

„Zeg, Tom,” bekende Annie nu, „ik heb het toch aan oom verteld, ben je nu erg boos?”

„Ach het komt er nu immers niet meer op aan. Laten wij er maar niet meer over praten. Ik ga mijn werk afmaken.”

„En ik ga aan papa en aan Paula schrijven,” riep Annie, terwijl zij de trap opging naar haar kamer.

Behalve aan haar vader en haar vriendin schreef zij ook nog een briefje aan Mina, die nog een paar dagen in het huis zou blijven om een en ander op te ruimen en daarna bij haar zuster zou gaan logeeren, die ergens buiten een boerderij had.

In haar brieven vertelde Annie breedvoerig haar wedervaren van de twee laatste dagen en zij moest bekennen, dat zij, hoewel zij natuurlijk wel naar huis terug verlangd had, tot nu toe nog niet veel tijd had gehad om daarover te denken.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE BUITENPARTIJ.

„Kinderen ik heb iets bedacht, dat een goed slot zal zijn voor deze zomervacantie,” zeide de heer Stubbens den volgenden dag. „Morgen zullen wij den geheelen dag op Rustoord gaan doorbrengen. Jullie moet de noodige vrienden en vriendinnetjes meevragen en dan blijven wij daar dineeren zoodat jelui den geheelen dag vóór je hebt.”

„Heerlijk, heerlijk, pa,” riepen de kinderen om het hardst.

„O, Tom, wat leuk, nu kan ik meespelen in het fort!” liet Annie zich hooren en zij waren alle vijf dol blij.

„Mogen wij Bertha en Clara en Emmy en Marie meevragen?” vroegen Coba en Laura.

„En mag Bep mee?” klonk Tine’s stemmetje.

„Hoort eens, daar bemoei ik mij niet mee, dat moeten jullie met mama uitmaken. Jullie vriendinnen ken ik niet. Maar wie wil jij meenemen, Thomas?”

„De jongens, die altijd mee naar Rustoord zijn geweest, pa.”

„De vijf onafscheidelijke vrienden? best, en zorg maar dat er evenveel jongens als meisjes zijn, dan kunnen jelui, wanneer je niet te moe bent, ’s avonds nog een dansje doen in de zaal van Rustoord. Mama of ik zullen wel piano spelen.”

De kinderen waren opgetogen en de drie zusjes vlogen de kamer uit om haar mama te gaan zoeken en aan haar te vragen of zij de genoemde vriendinnetjes mochten meenemen.

Mevrouw Stubbens had er niets tegen. Coba en Laura waren zelf veel te trotsch om met meisjes om te gaan, die niet van gelijken stand waren als zijzelf.

„En wil Tineke Beppie zoo graag meevragen?” vroeg tante Dora aan het kleintje.

„Mag het?”

„Zeker, maar dan moet je haar zelf gaan vragen, als een knap groot meisje.”

Vroolijk danste de kleine rond. „Ik mag ook een vriendinnetje vragen, net als Co en Laura!”

„Ga nu maar gauw,” zeide haar moeder en Tine liep den tuin in, waar zij Annie zag.

„Annie, Annie!” riep zij en deze keerde zich om en ving de kleine in haar armen op. „Annie, ik mag Beppie meevragen; ik ga nu naar haar toe; maatje zeide, dat ik haar zelf moest gaan vragen.” En het kind huppelde vroolijk weg.

Toen Annie het huis in kwam, gaf haar tante, die juist op weg naar boven was, haar een brief.

„O, die is van grootma Hermsen,” zeide Annie, zoodra zij de enveloppe zag. „Wil u hooren wat grootma schrijft, tante?”