Chapter 9 of 13 · 3986 words · ~20 min read

Part 9

„Hij was er al te gelijk met zijn vader. Ik kom daar dikwijls in het dorp, ik heb er familie wonen, ziet u. Willem Stokman is eigenlijk ook nog een verre neef van me, door zijn moeder, maar dat is bijna niet meer uit te rekenen en zijn vader wou het nooit weten. Maar, wat ik zeggen wilde, hij, de jonge Willem, was al op het kantoor, toen mijnheer Tillens er nog was. U heeft er misschien wel van gehoord, dat er toen zoo’n herrie is geweest over weggeraakte papieren? Zij hielden het wel stil, maar zooiets lekt toch uit.”

„Ja zeker, ik heb er ook van gehoord,” antwoordde mijnheer Stubbens, die er meer van wilde weten. „Mijnheer Tillens is toen weggegaan, niet waar?”

„Juist, mijnheer, omdat men hem er de schuld van gaf, maar ik geloof er niets van, de man was veel te eerlijk en had er niets geen belang bij, de stukken zoek te maken. Wil ik u eens wat zeggen, mijnheer,” voegde Van Wolderen er geheimzinnig fluisterend bij, „ik laat mij hangen, als mijn waarde neef het niet gedaan heeft.”

„De jonge?”

„Neen, die was nog bijna een kind, die wist van niets, neen, de oude. Je durft zooiets niet hardop zeggen, maar je moogt het daarom toch wel denken.”

„Kon hij er voordeel mee hebben?”

„Dat weet ik niet, ik weet niet wat het voor papieren waren, maar ik durf er mijn hoofd onder verwedden, dat mijnheer Tillens er werkelijk niet van wist. Ik heb altijd zoo’n vermoeden gehad, dat die stukken iets te maken hadden met het huis, waarin de oude Stokman woonde, ik weet toevallig dat dit aan mijnheer Van Scheik behoort. Maar het is zoo’n oude geschiedenis, dat er nu wel niets meer van zal uitkomen.”

„Oom,” zeide Annie, die ongeduldig werd, „laten wij nog eens gaan kijken.”

„Goed, kom dan maar mee, kleine meid,” antwoordde haar oom, die medelijden met haar had.

Zoodra zij het hek uit waren, liet Annie een vreugdekreet hooren.

„Daar komen zij!” gilde zij bijna en snelde Stokman te gemoet, die werkelijk in de verte aankwam, terwijl Vik vóór hem uit naar huis holde.

„Hebt u hem?” riep Annie en nu hield Stokman een klein wit balletje in de hoogte.

Uitgelaten van blijdschap klapte het meisje in de handen. „Ben je daar, mijn Flokje, mijn zoete Flokje?” riep zij, zoodra Stokman naderbij gekomen was, en het hondje van hem overnemende, zeide zij: „dank u wel, mijnheer, dat u hem voor mij hebt opgezocht.”

Zij koesterde haar lieveling in haar armen en Stokman moest haar precies vertellen, hoe het gegaan was.

„Wel,” antwoordde deze, „Vik trok mij dadelijk mee het bosch in en liep zoo hard, dat ik hem bijna niet kon bijhouden. Eens rende hij dwars door het kreupelhout, zoodat ik op een gegeven oogenblik vlak op mijn neus viel. Hij doet er nog pijn van,” voegde hij er lachend bij.

Annie keek hem aan. „U hebt toch geen buil, dat spijt mij voor u.”

„Wat! spijt het je? jij bent ook een mooie!”

„Ja, vindt u het dan niet kranig om er een te hebben? Tom was zoo blij, dat hij er een had, hij zeide dat het zoo kranig stond, want dat iedereen nu kon zien, dat hij zoo flink gevochten had.”

„Wie is Tom?”

„Mijn neef.”

„En heeft die zoo gevochten, tegen wien?”

„Met voetballen. Een van de jongens heeft hem bij ongeluk een stomp boven zijn oog gegeven en toen had hij een groote buil. Maar hij was er blij mee.”

„Nu, ieder zijn smaak, ik heb er liever geen,” antwoordde Stokman.

Al pratend waren zij bij den heer Stubbens en Van Wolderen gekomen en Stokman nam afscheid, nadat Annie’s oom hem nog eens vriendelijk voor zijn hulp bedankt had. „Ik beloof u, ik zal mijn best doen voor u,” riep de heer Stubbens hem nog toe.

Annie riep Vik bij zich, die zich door haar liet streelen en aanhalen, terwijl zij Flok nog in haar arm geklemd hield.

„Knappe Vik, brave Vik,” zeide het meisje en Vik keek vereerd en drukte zijn kop tegen het meisje aan.

Toen de heer Stubbens Van Wolderen een vergoeding wilde geven voor het leenen van zijn hond, wilde deze er niets van hooren.

„Zeker niet, mijnheer,” zeide de kastelein, „ik ben altijd blij als Vik een gelegenheid heeft om zich te oefenen, daar heb ik later nut van als hij eens iets voor mij moet opsporen.”

„Nu dan mogen wij er Vik toch zeker wel iets voor geven?” vroeg de heer Stubbens. „Annie, wij zullen Vik een mooien halsband geven.”

„Wil u wel gelooven, meneer,” merkte Van Wolderen op, „dat hij het prettig vind als hij iets moois heeft? Laatst bond de kleine meid hem een rood lint om den hals en toen riep zij: „wat is Vik mooi, wat ’n mooie Vik,” en werkelijk, jongejuffrouw, je kon zien, dat hij blij was.”

Annie genoot van die verhalen; zij hield dol veel van honden en lachte vroolijk over Viks ijdelheid.

Flok werd nu weer aan den ketting genomen en de heer Stubbens en Annie begaven zich op weg naar huis, waar zij zonder verdere ongelukken aankwamen.

Thuis gekomen, stormde Annie met Flok de huiskamer binnen, waar Tom en zijn moeder zaten. „O, tante, verbeeld u, Flok is weggeloopen en mijnheer Stokman heeft hem met Vik teruggehaald. Gelukkig dat hij er weer is, hè, ik was zoo bang, dat hij voor goed weg was!” en nu volgde het geheele verhaal van Floks redding en lachend voegde Annie erbij: „en meneer Stokman is zoo op zijn neus gevallen!”

Tom lachte luidkeels mede, maar zijn moeder werd boos.

„Hoe is het nu mogelijk, kinderen, dat je daarom lachen kunt; je begrijpt toch wel, dat mijnheer Stokman zich daarbij bezeerd heeft, en daar lach je nu om, terwijl mijnheer nog wel je hondje voor je heeft opgezocht, Annie, hoe onaardig!”

Hun lachen verstomde dadelijk.

„Hij lachte er zelf om, tante, en daarom dacht ik, dat ik het ook wel doen mocht,” merkte Annie verlegen op.

„Hij zeide toch dat hij zich pijn had gedaan, daar mag je dan toch niet om lachen.”

Annie zweeg.

„Nu, kinderen,” zeide mevrouw Stubbens, „het is voor Annie tijd om naar bed te gaan, vlug dus een boterham eten en naar boven, kleine meid, Tine ligt al wel een uur in de veeren.”

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

ANNIE’S VERJAARDAG.

„Staan jullie nooit op?” klonk Toms stem aan de deur van de kamer der beide meisjes. Paula was den vorigen dag aangekomen en had weer bij Annie op de kamer mogen slapen en toen Tom hen kwam roepen waren zij reeds geheel gekleed en was Annie juist bezig een pakje open te maken, dat Paula haar zooeven gegeven had.

„Kom maar binnen, Tom, dan kan je zien, wat ik van Paula gekregen heb,” riep Annie.

„Goeden morgen, dames,” zeide de jongen, terwijl hij de kamer binnen stapte. „Annie, ik feliciteer je wel met je verjaardag en hier heb je wat van mij.”

Hij zocht in al zijn zakken en bracht eindelijk een pakje te voorschijn dat hij van zakgeld voor Annie had gekocht.

„Dank je hartelijk, Tom,” zeide Annie blij, „maar vinden jullie het eigenlijk niet aardiger als ik de pakjes beneden openmaak? dan zien de anderen het ook.”

„Zooals je wilt,” antwoordde haar neef, „maar het mijne is niet veel bijzonders, hoor.”

De kinderen gingen naar beneden, waar zij in de huiskamer de geheele familie reeds bijeen vonden. Men had van Annie’s verjaardag een waar feest gemaakt. Haar stoel was met groen versierd, op de ontbijttafel prijkten bloemen en op een tafeltje in een hoek van de kamer lagen de verjaargeschenken, terwijl een groot pak, dat zij den vorigen dag had zien binnen brengen en dat te groot was, om op de tafel te staan, er naast op den grond was neergezet.

„Wat een boel cadeaux!” riep het meisje opgewonden, „mag ik ze nu openmaken, tante?”

„Ik zou het maar doen,” antwoordde haar tante, „het is Zondag, dus hebben wij geen haast.”

„Maar, waarmee zal ik beginnen? er is zooveel!”

„Je was immers al bezig dat van Paula open te maken, dan zou ik daar maar eerst mee voort gaan,” ried tante Dora haar aan.

Annie liet het zich geen tweemaal zeggen, het had haar al moeite genoeg gekost om haar nieuwsgierigheid te bedwingen totdat zij beneden was, en het volgende oogenblik bracht zij een allerliefst pluche werkdoosje te voorschijn, juist als dat van Paula, dat zij altijd zoo bewonderd had.

„O, Pau, hoe snoezig!” riep zij in verrukking, „dank je wel, hoor,” en zij gaf haar vriendinnetje een hartelijken kus.

„Zeg, Annie, je zult heel wat te zoenen hebben, als ik die tafel zoo zie, één, twee, drie, vier, vijf, zes en dan dat groote pak nog, daar moet je er natuurlijk nog veel meer voor geven.”

Annie begon te lachen. „Flauwe jongen, jij krijgt er alvast geen!” zeide zij.

„Ga nu door, Annie, ik wil zien,” klonk de stem van Tine, die ongeduldig werd over die stoornis. „Dit heb je van mij,” voegde het kleintje erbij.

„En wat van oom en tante?” vroeg Annie.

Haar oom wees op het groote pak en Annie wilde er aan beginnen, maar haar tante zeide: „dat zou ik maar voor het laatst bewaren, Annie, daar is zooveel aan te zien.”

„Van grootma Hermsen,” las Annie nu op een van de pakjes en dit nam zij op.

„Het is zwaar,” zeide zij onder het openmaken, „o, kijk eens hoe mooi!” en nu hield zij een fraaien zilveren servetring in de hoogte.

„Wat zou daarin zitten?” vroeg Tom op een langwerpig pak wijzende. „Dit komt heelemaal uit Engeland.”

„Natuurlijk van papa, dit heeft papa geschreven,” antwoordde Annie op het adres wijzende.

Tine hielp Annie trouw bij het uitpakken en juichte even hard als deze bij ieder mooi geschenk dat uit het papier te voorschijn kwam.

„Kijk eens wat een prachtig briefkaarten-album!” riep Annie blij, „dat treft heerlijk, de mijne is juist vol. Er kunnen er vijf honderd in, daar staat het en er ligt een heel dikke brief van papa bij.”

„De doos is nog niet leeg,” liet Tine zich nu hooren, „er is nog een pak in, Annie.”

„Dat dacht ik wel,” zeide Tom, „de doos is veel te groot voor het album alleen.”

Annie haalde er het tweede pak ook uit. Voor Annie van Mary Ackfield, stond erop geschreven.

„Voel eens, Tom,” riep het meisje met een stralend gezichtje, „ik wed, dat je kunt voelen wat het is.”

„Een raket, dat ’s leuk voor je.”

„Nou òf het, de mijne is juist stuk; dat is heel toevallig vindt u niet, tante?”

Tante Dora glimlachte. Zij wist wel dat het geen toeval was, want Mary Ackfield had aan haar geschreven, of zij ook wist wat Annie graag zou willen hebben.

Annie legde al de brieven bij elkaar en maakte nu achtereenvolgens de andere pakjes open. Met alles was zij even blij. Van Tom kreeg zij een zilveren potlood, van Coba een beeldje, zooals dat, wat deze gebroken had, van Laura een mooien armband en van Tine een inktkoker met een porceleinen fox-hondje erop, dat sprekend op Flok geleek, en van Suze en de andere bedienden, die allen veel van Annie hielden, een grooten bouquet bloemen.

„Nu nog het groote pak, help je me weer, Tine?” vroeg Annie goedig, want zij wist dat de kleine het heerlijk vond.

„Wat een boel papier,” zeide Tine met een zucht. Maar aan alles komt een eind, dus ook aan de verpakking van het geschenk van oom en tante dat bleek te bestaan uit een zeer mooi notenhouten boekenkastje met glazen deuren, waarachter Annie drie rijen keurig gebonden boeken zag.

„O!” riep zij en toen was zij er stil van. Zoo iets had zij niet durven verwachten. Zij omhelsde oom en tante dankbaar en keek toen weer vol bewondering naar het fraaie geschenk.

„Mama begint Annie al net zoo te verwennen als Tom,” fluisterde Coba tot Laura, die met haar van uit den anderen hoek van de kamer dit tooneel hadden aangezien. „Wat ’n ruwe manieren heeft dat kind toch, zag je wel hoe woest ze mama omhelsde en ma werd niet eens boos, dat hadden wij eens moeten doen!”

„Wat kan het ma ook schelen, zij gaat immers toch weg, dan kan zij manieren leeren van die Engelsche dame, die haar mama wordt, die zal wel strenger tegen haar zijn!” meende Laura.

„Nu eerst ontbijten, kinderen,” zeide mevrouw Stubbens, „dan kan Annie daarna haar brieven lezen en haar boeken bekijken.”

„Als er bij zijn, die je al kent, dan mag je ze ruilen, Annie,” voegde haar oom erbij, „er is een lijstje bij en daarvan moet je maar uitzoeken welke boeken je ervoor in de plaats wilt hebben.”

Om half twee begaven de kinderen zich met den heer en mevrouw Stubbens naar het voetbalveld om den grooten wedstrijd te zien.

Tom’s vrees voor een natten grond was, zooals wij weten, niet bewaarheid geworden, want na dien enkelen bui van den vorigen dag had het niet meer geregend en nu was het zelfs prachtig weer met een vroolijken zonneschijn.

„Wat boffen wij met het weer, hè,” zeide Tom blij, toen zij op het veld waren aangekomen, „kijk, het veld is kurkdroog,” en daarna liet hij hen alleen om zijn voetbalschoenen te gaan aantrekken.

Er was reeds een groot aantal toeschouwers bijeen, zoodat het Tom’s familie moeite kostte zich een goed plaatsje te veroveren, maar eindelijk gelukte het hun toch.

De jongens speelden vol vuur en beide partijen waren goed tegen elkaar opgewassen, terwijl het een oogenblik scheen, alsof de Engelschen zouden winnen; maar na de rust haalde Tom’s elftal het zoo mooi op, dat zij tenslotte een glansrijke overwinning behaalden. Aan het gejuich scheen geen einde te komen en Frans, de aanvoerder, werd op de schouders der anderen over het veld gedragen.

„Dat zal een gedrang geven bij den uitgang,” zeide de heer Stubbens, „het zal trouwens overal hier in de buurt druk zijn door de volksfeesten, die hier van middag gegeven worden. Je moet weten, Paula, dat wij hier een soort najaarskermis hebben, waarvan het vandaag de laatste dag is, daarom is het zoo druk.”

„Kermis op Zondag, hoe grappig,” merkte Paula op, „bij ons op het dorp mag het niet.”

„Hier was het eerst ook verboden maar om de een of andere reden hebben zij permissie gekregen om vanmiddag na kerktijd nog voor het laatst feest te vieren,” antwoordde de heer Stubbens. „Als wij van elkaar afraken moeten wij maar niet op elkander wachten, want iedereen kent toch den weg naar huis, nietwaar Paula jij weet hem immers ook?” vroeg hij aan het meisje. „In ieder geval zullen de jongens en Annie wel op jou passen en Tine mag hier bij papa komen loopen.”

„O, meneer, ik weet den weg nog wel, ik ben al meer hier geweest,” antwoordde Paula, die zich toch te oud vond dan dat de jongens op haar zouden moeten passen.

In het eerst ging het goed, maar nu moest men door het nauwe hek aan den uitgang en daar was een vreeselijke opstopping. Paula heeft nooit geweten, hoe zij er eigenlijk door was gekomen. Juist toen zij heel erg in de klem raakte, en geen enkel bekend gezicht meer zag, had zij op haar schouder een stevigen arm gevoeld, die haar langzaam maar zeker door de drukte heenschoof. Zij dacht dat het mijnheer Stubbens was, maar toen zij weer kon ademhalen zag zij in plaats van haar gastheer, iemand dien zij in het geheel niet kende.

„Ziezoo, jonge dame, nu ben je veilig uit het gedrang, ik dacht op een gegeven oogenblik heusch, dat je dood gedrukt zou worden,” zeide de vreemde heer vriendelijk en zonder een bedankje af te wachten, verdween hij onder de menschen. Paula keek om zich heen, niets dan onbekende gezichten, maar een eind voor zich uit meende zij tusschen die zee van hoofden den hoed van mevrouw Stubbens te onderscheiden. Zij baande zich een weg daarheen, maar toen zij vlak bij de bedoelde dame was gekomen, zag zij dat zij deze nooit te voren gezien had.

Welnu, daarom niet getreurd, dacht zij, zij zou alleen den weg wel vinden, zij meende zich nog wel te herinneren, hoe zij op den Keizersgracht moest komen. Toen zij echter een kwartier geloopen had, kwam zij aan een plantsoen, dat zij nog nooit gezien had. Zij bleef besluiteloos staan, maar daar zag zij een dame aankomen, aan haar zou zij den weg naar den Keizersgracht vragen.

„Mevrouw,” zeide zij beleefd, „zou u mij ook kunnen zeggen hoe ik van hier naar den Keizersgracht kan komen?”

„De Keizersgracht?” herhaalde de dame, die niemand anders was, dan mevrouw Van Scheik, peinzend, want het meisje had iets in haar gezicht, dat haar bekend voorkwam, „die is nogal ver van hier, maar als je even wilt wachten tot ik hier aan het dienstmeisje een boodschap heb gegeven, dan kan ik je een heel eind brengen, want ik woon er vlak bij.”

„Als het u blieft, mevrouw,” antwoordde Paula en bleef wachten, terwijl mevrouw Van Scheik bij haar kennissen aanschelde en daar een boodschap afgaf. Een oogenblik later wandelde zij naast haar tante voort, zonder te weten, dat die vriendelijke dame de eigen zuster van haar moeder was.

„Moet je ver op de Keizersgracht zijn?” vroeg mevrouw Van Scheik.

„Bij mevrouw Stubbens, daar heb ik vannacht gelogeerd, van avond ga ik weer weg,” vertelde Paula, die nooit verlegen was.

„Mevrouw Stubbens ken ik heel goed,” hernam mevrouw Van Scheik, onmiddellijk begrijpende, wie het meisje was, „maar hoe kom je hier dan zoo alleen?”

„Wij zijn naar den voetbalwedstrijd geweest en bij het uitgaan was het zoo’n gedrang, dat ik van de anderen afgeraakt ben.”

„Jij bent zeker Paula Tillens, de vriendin van Annie van Walen?”

„Ja mevrouw,” antwoordde Paula verbaasd, „kent u Annie ook?”

„Ja, en ik vind haar een heel aardig meisje; ken jij Annie’s vriendinnetjes, de meisjes van Scheik ook?”

„Neen mevrouw.”

Mevrouw Van Scheik keek het meisje aan.

„Je lijkt op je moeder, maar nog meer op je vader, Paula.”

„Maar u kent iedereen,” riep het meisje verwonderd, „mama en papa ook al!”

„Ja, kind, ik ken je moeder, maar wij hebben elkaar in geen jaren gezien.”

Zij durfde niet meer te zeggen. Nu zij haar nichtje ontmoet had, in wier gezicht zij hoe langer hoe duidelijker dat van haar zuster terugzag, kwam een vurig verlangen in haar op om zich met die eenige zuster te verzoenen, maar zij wilde niets doen zonder voorkennis van haar man en wanneer deze onverbiddelijk bleef, was het maar beter, dat het meisje niet wist, wie zij was.

Aan den hoek van den Keizersgracht gekomen, zeide mevrouw Van Scheik:

„Hier zijn wij aan den Keizersgracht, Paula, nu kan je den weg zeker wel alleen vinden?”

„O, ja, mevrouw, hier de brug over en dan maar rechtuit, is het niet zoo?”

„Juist, dus kan ik je hier veilig alleen laten? dan ga ik hier de straat in.”

„Dag mevrouw, ik dank u wel, dat u mij den weg gewezen hebt,” zeide Paula.

„Dag Paula, ik hoop, dat je verder goed thuis zult komen,” antwoordde mevrouw Van Scheik, toen lachte zij het meisje nog eens toe en ging haars weegs.

Vijf minuten later stapte Paula de stoep op bij de familie Stubbens, waar Tom voordat zij nog had aangescheld, de deur reeds voor haar opende.

„Wij dachten al dat je verdwaald was,” riep hij, „wij zijn al wel een kwartier thuis, kom maar gauw binnen, Annie maakte zich al ongerust over je.”

„Daar is het verloren schaap eindelijk,” liet Coba zich onvriendelijk hooren, toen Tom en Paula binnenkwamen, „waar ben jij heen gedwaald, je hadt toch wel bij ons kunnen blijven?”

„Ben je verdwaald geraakt, Paula?” vroeg mevrouw Stubbens vriendelijk.

„Ja, mevrouw,” antwoordde Paula, „eerst werd ik door een heer door het gedrang heen geholpen, ik dacht dat u het was, mijnheer, maar toen ik uit de drukte kwam, zag ik dat het een vreemde was.”

Nu vertelde Paula alles wat er gebeurd was, hoe zij eerst gemeend had den hoed van mevrouw Stubbens te zien, hoe zij later op een plantsoen gekomen was, waar zij nog nooit geweest was en hoe zij daar toen die vriendelijke dame ontmoet had, die heelemaal met haar was meegeloopen tot aan den Keizersgracht.

„Zeker mevrouw Van Meerel, die woont vlak op den hoek van den gracht” merkte mevrouw Stubbens op. „Maar het doet er niet toe, meisje, wij zijn blij dat je weer veilig en wel terug bent. Wij hadden juist Thomas uit willen sturen om te zien waar je bleef, want wij zijn al een minuut of tien thuis.”

„O, tien minuten maar? hij zeide een kwartier.”

„Ik denk, dat hij zoo naar je verlangde, dat die tien minuten hem meer dan een kwartier schenen,” zeide mijnheer Stubbens.

Paula begon te lachen en op hetzelfde oogenblik ging de deur open en bracht Suze een briefje binnen voor Paula.

„Jongejuffrouw Paula Tillens,” stond op het adres.

„Van wie kan dat zijn?” riep Paula verwonderd, „het is een dikke brief.”

„Lees hem maar even, Paula,” zeide mevrouw Stubbens, „wordt er op antwoord gewacht, Suze?”

„Neen, mevrouw.”

Paula scheurde de enveloppe open en nu kwam daar nog een kleinere uit te voorschijn, geadresseerd aan mevrouw Tillens en een kort briefje aan Paula zelve:

„Lieve Paula,

Om verschillende reden kon ik je van middag, toen ik je ontmoette, niet zeggen wie ik was. Wil je nu voor mij aan je moeder inliggend briefje geven? Daarmee zal je ten zeerste verplichten

je M. van Scheik.”

„Hoe grappig, dat mevrouw Van Scheik mij dat van middag niet heeft gezegd,” zeide Paula, terwijl zij het briefje aan mevrouw Stubbens overhandigde.

„Mag ik het lezen, Paula?”

„Ja, mevrouw, vindt u het ook niet grappig?”

„Je hoort het, het staat hier; mevrouw had er haar redenen voor. Die zal zij wel in dat andere briefje aan je mama schrijven. Pas maar goed op, dat je het niet verliest.”

Daar het dien avond later was geworden dan den vorigen keer, kon Annie niet meegaan om Paula weg te brengen; de vriendinnetjes namen dus, toen de auto voorreed, afscheid van elkaar en de heer Stubbens bracht Paula naar huis.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

EEN VERZOENING.

„Wel, Paula, heb je evenveel plezier gehad als den vorigen keer?” vroeg mevrouw Tillens, toen haar dochtertje weer thuis was.

„O, ja, ma, dol veel en kijk eens wat een mooi broche ik gekregen heb, de meisjes kregen ieder een broche en de jongens een zakmes en, o ja, dat is voor u van mevrouw Van Scheik.”

Mevrouw Tillens verbleekte, maar Paula zag het niet. Zij gaf het briefje aan haar moeder en bekeek toen opnieuw haar broche.

„Nu, Paultje, dien brief zal ik straks wel lezen, laat mij nu eerst je broche zien en dan vlug naar bed, hoor; het is al tien uur, dus eigenlijk veel te laat voor je.”

Zoodra mevrouw Tillens alleen was, scheurde zij de enveloppe open en vond daarin een langen brief van haar zuster. Daarin vertelde deze hoe zij aldoor verlangd had zich met haar te verzoenen, maar dat zij wist, dat haar man er tegen was, omdat deze vreesde, dat mevrouw Tillens er niet op gesteld zou zijn.

Ook zij was altijd bang geweest dat haar zuster geen verzoening zou wenschen, maar nu zij Paula gezien had, was haar verlangen haar te machtig geworden en had zij aan haar man gezegd dat zij aan haar zuster wilde schrijven op gevaar af dat deze van geen verzoening zou willen hooren. De heer Van Scheik had hierin toegestemd, want ook hij wilde niets liever dan dat zij het verleden zou vergeven en vergeten en het zou hem zeer aangenaam zijn, zoo mevrouw Tillens hen wilde ontvangen.

Mevrouw Tillens was overgelukkig. Niemand wist hoe zij al die jaren verlangd had haar eenige zuster weer te zien. Toen Paula den volgenden morgen beneden kwam, zeide haar moeder: