Part 7
„Zoo, zoo, dat is flink, dat jij je adres erbij weet. Als je ooit wegraakt, dan weet iedereen waar je teruggebracht moet worden,” merkte de oude dame op, terwijl zij het kind op haar schoot trok.
„Ja, stel u voor,” begon mevrouw Stubbens en nu deed zij zeer breedvoerig het geheele verhaal van de mislukte ontvoering van kleine Tine.
Mevrouw Hermsen luisterde met aandacht. Verbeeld je toch, dacht zij, dat ik dit kleine popje had thuis gekregen.
„Oom is weggegaan, maar ik ben toch naar den dierentuin geweest met maatje,” voegde Tine aan het verhaal van haar moeder toe.
„Was het een lieve oom, Tine?” vroeg mevrouw Hermsen.
„Neen, Tom zegt, dat hij mij verkocht zou hebben aan den man met de zweep.”
„De man met de zweep, wie is dat?”
„De man, die mij zou laten koorddansen en als ik het niet kon, zou hij een groote zweep nemen, zegt Tommie en dan zou hij mij daarmee slaan.”
„Foei, dat zou toch heel slecht van hem zijn, je moet maar nooit meer met hem meegaan,” antwoordde mevrouw Hermsen. „Maar de regen is opgehouden en de zon komt door, zou je nu misschien wat in den tuin willen spelen, kleine? Wat ik zeggen wilde, mevrouw Stubbens,” voegde zij erbij, „u schreef mij, dat u vóór het eten weer thuis moest zijn, maar zou u er iets tegen hebben, dat ik Annie tot vanavond hier houd?”
„Ik wil ook blijven,” liet Tine zich hooren, voordat haar moeder iets had kunnen zeggen.
„Hè, ja, tante,” voegde Annie er aan toe, „mogen Tine en ik bij grootmama blijven eten?”
„Zoo, Tine,” antwoordde mevrouw Stubbens, „laat je maatje nu heel alleen naar huis gaan, wil je wel blijven zonder maatje?”
„Ja, maatje, met Annie,” riep Tine niet in het minst verlegen.
Mevrouw Hermsen was wanhopend. Wat moest zij nu beginnen? zij kon toch niet met de beide kinderen op reis gaan! zij had er geen oogenblik over gedacht, dat mevrouw Stubbens het kleintje alleen met haar nichtje zou laten achterblijven. Zij antwoordde dus maar:
„De meisjes mogen dus blijven, mevrouw, dan zal ik haar van avond laten thuis brengen.”
Toen dit was afgesproken, gingen de kinderen den tuin in. Tine hield er veel van kransjes te vlechten van bloemen, iets dat Annie haar geleerd had, en wat zij al heel aardig kon. Annie plukte dus voor haar allerlei grasbloempjes en een tijd lang zaten de kinderen zich daarmee te vermaken, terwijl Mina telkens even van haar werk wegwipte, om naar hen te komen kijken. Eindelijk zei Tine, „Annie, ik begin mij een klein beetje te vervelen. Ga je mee wat anders doen?”
„Wat dan?”
„Krijgertje.”
„Goed, jij bent hem, pak mij maar als je kunt. Eén, twee, drie!” en Annie liep een eindje weg. Tine holde zoo hard zij kon, haar nichtje achterna, totdat Annie zich eindelijk onder vroolijk gelach van Tine liet vangen.
„Nu moet jij mij pakken,” riep het kleintje en snelde voor Annie uit een zijpad in, waar zij eensklaps tegen een heer aanbonsde, die haar juist bijtijds vastgreep, anders zou zij gevallen zijn. Toen hij zag, dat zij geschrikt was, tilde hij het teere, kleine ding hoog in de lucht en riep: „Hoe groot ben je nu?” waarna hij haar lachend weer op den grond liet zakken.
„Wie bent u?” vroeg Annie, toen zij zag dat hij haar aankeek.
„Wou je dat graag weten? Luister dan, ik heet: Willem, Karel, Frederik, Alfred, Jeremias Stokman.”
„O, wat een boel namen!” riep Tine.
„Maar, nu moet ik toch ook weten, wie jullie zijn? wil ik het eens raden?” vroeg Stokman.
„Ja, dat is leuk,” antwoordde Annie.
„Ik wed dat jij Annie heet.”
„Hè, hoe weet u dat?”
„Dat kan ik zoo maar raden.”
„En ik?” vroeg Tine.
„Jij? nu moet ik eens even denken. Jij bent... Tine Stubbens. Is het zoo niet?”
De kinderen stonden hem met open mond aan te kijken.
„Ja, ik ben Tine,” zeide eindelijk de kleine. „Wat komt u hier doen?”
„Met jullie meespelen, als ik mag.”
„Ik blijf hier eten met Annie,” liet Tine zich weer hooren.
„Blijven jullie allebei hier eten?” vroeg Stokman verbaasd. Dat is een mooie geschiedenis, dacht hij bij zichzelf, nu ligt het mooie plan in duigen. Maar, misschien is het ook wel beter, het is toch te erg het kind zoo weg te nemen, zonder dat de familie er iets van weet.
„Zullen wij nu gaan spelen?” vroeg hij. „Wil ik jullie krijgen?”
„Ja, pak mij maar!” riep Annie en holde alvast weg.
Zoo speelden zij een heelen tijd met hem, en de kinderen hadden dolle pret. Hij liet goedig met zich sollen en vond het zelfs goed dat Tine hem de krans opzette, die zij gevlochten had. Juist toen zij hem hiermede getooid had, kwamen de dames naar buiten om te zeggen dat de automobiel voor stond en dat mevrouw Stubbens naar huis ging.
Met een kleur van verlegenheid, omdat de dames hem met die versiering gezien hadden, schudde hij het kransje af en trad op mevrouw Stubbens toe.
„Mijn naam is Stokman,” zeide hij.
„Het is mij aangenaam kennis met u te maken, mijnheer Stokman, ik zie, dat u zoo vriendelijk is geweest de kinderen wat bezig te houden,” antwoordde tante Dora en vervolgde toen tegen de meisjes: „nu, kinderen, ik ga naar huis, veel plezier verder en niet te wild zijn, hoor, zorg dat je het mevrouw Hermsen niet lastig maakt.”
„Neen, dat zullen zij niet en voor alle zekerheid zal ik mijnheer Stokman erbij vragen, misschien wil hij mij wel helpen om te maken dat de meisjes zich niet vervelen?” merkte mevrouw Hermsen op.
„Heel graag, mevrouw Hermsen, het zal mij een waar feest zijn te mogen blijven,” antwoordde Stokman. Toen de auto wegreed, nam hij de kinderen ieder bij een hand en nam hen mee naar den tuin, waar hij beloofd had haar te zullen schommelen, terwijl de oude mevrouw vóór het eten nog even ging rusten. Het duurde echter niet lang of de oude dame kwam in den tuin bij hen.
„Kom, Annie, mijn schat,” zeide zij, „ik heb nog zoo weinig aan je gehad, ga je met grootma mee naar binnen? ik heb een mooi boek voor je gekocht, dat wil ik je laten zien. Het is een prachtuitgave van de sprookjes van Moeder de Gans. Wil je het zien?”
„Ja, graag,” antwoordde het kind en huppelde aan den arm van haar grootmoeder naar binnen.
„Vind je het niet akelig, dat je straks weer van grootma weg moet, Annie?” vroeg de oude dame verdrietig.
„Ja, grootma, maar ik kom weer terug.”
„Ach, kind, wie weet wanneer dat zijn zal! niemand houdt zooveel van je als ik, na je papa, natuurlijk; wil je dat wel gelooven?”
„O, maar grootma,” riep Annie verbaasd, en telde toen op haar vingers op: „oom en tante en Tom en Paula en Tine en Bertha, die houden allemaal van mij.”
„Maar jij hieldt toch niet van tante Dora, is het wel?”
„Nu wel, bij ons thuis was tante altijd stijf, maar nu niet meer; ik krijg wel eens standjes als ik te wild ben, maar tante is toch aardig tegen mij.”
„Zoo, je voelt je daar dus thuis?” hervatte de oude dame, en haar stem klonk treurig, alsof haar dit werkelijk speet.
Het kind merkte dat echter natuurlijk niet op en antwoordde vroolijk: „O, ja, ik vind het erg prettig bij oom en tante.”
„Maar zou je niet liever bij mij willen zijn? ik ben zoo alleen.”
„Arme grootma,” zeide Annie en streek met haar handje over grootmama’s rimpelige wang, maar zij dacht aan haar vriendinnetjes en aan al die vroolijke jongens, Toms vrienden, en aangezien zij een oprecht kind was, antwoordde zij bedeesd: „ik ben liever bij tante Dora, grootma, maar ik kom wel meer bij u terug.”
Mevrouw Hermsen zweeg. Daar had zij niet op gerekend na al die verhalen, die het kind haar vroeger van haar tante had gedaan.
Intusschen was het schommelen Tine gaan vervelen en was zij met Stokman den tuin door geloopen naar de tuinmanswoning, waar hij haar bij een nest met allerliefste jonge hondjes bracht. Zij waren echter niet zoo heel jong meer, zij telden al tien weken.
„Wat zeg je daar nu van?” vroeg Stokman.
„O, wat een lieve hondjes!” riep de kleine en klapte in haar handen, „mag ik ze vasthouden?”
Stokman legde er een in haar armen. „Voorzichtig, hoor,” zeide hij, „niet laten vallen, dan huilt zijn moedertje.”
„Zou de jongejuffrouw er misschien een willen hebben?” vroeg de vrouw van den tuinman.
„Nu, Tine, zou je willen?” vroeg Stokman op zijn beurt, „en zou je ma het goed vinden?”
„Ja, Tine mag er wel een hebben en Tine wil graag,” antwoordde het kind blij.
„Wij zullen voor alle zekerheid eerst aan mama vragen of het mag,” zeide Stokman.
„Ja, ga mee, aan maatje vragen,” riep Tine ongeduldig.
„Kijk,” dacht Stokman, „nu zou mevrouw toch gelegenheid hebben haar plan ten uitvoer te brengen, wanneer het kleintje nu met mij naar huis gaat, kan zij Annie houden,” en binnen komende in de kamer, waar Annie met haar grootmoeder zat, zeide hij tot de oude dame: „Tine wil naar huis, zij wil aan haar mama gaan vragen of zij een van die aardige hondjes van den tuinman mag hebben. Wil ik haar even thuis brengen, dan kan ik wel ergens in de stad eten.”
Na haar gesprek met Annie, was de oude dame echter tot andere gedachten gekomen. Het kind was liever bij haar oom en tante, dan wilde zij haar nu ook niet tegen haar zin houden. Later, misschien, als er geen andere uitweg was, maar eerst wilde zij zien of Annie niet van zelf bij haar zou willen blijven, wanneer men haar verteld had dat zij een nieuwe mama kreeg, een vreemde dame, die zij heelemaal niet kende. Daarom zeide zij: „Neen, wij gaan eerst eten en dan rijden de meisjes naar huis en kan Tine aan haar mama vragen of zij het hondje hebben mag, dan zal ik het dadelijk laten brengen, als haar mama het toestaat.”
„Vandaag dus niet,” fluisterde Stokman de oude dame in het oor.
„Neen, vandaag niet, Willem, maar ik dank je intusschen wel dat je Tine zoo lang hebt bezig gehouden, ik heb daardoor nog een rustig oogenblikje met Annie kunnen hebben,” antwoordde mevrouw Hermsen.
Onmiddellijk na het eten nam Stokman afscheid en om half acht reed de auto vóór, waarin Mina de kinderen naar huis bracht.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
FLIK EN FLOK.
Toen Tine, die reeds half sliep, door haar moeder werd uitgekleed, zeide het kleintje met een slaperig stemmetje: „Maatje, mag ik het hondje hebben?”
„Eerst lief slapen, dan zullen wij het morgen aan papa vragen,” antwoordde haar moeder en kuste haar, toen zij eindelijk in bed lag, goeden nacht.
Den volgenden morgen, zeide mevrouw Stubbens: „Tine mag dit briefje voor mama in de bus doen. Zal je het heel netjes doen?”
„Wat voor briefje?” vroeg de kleine, nieuwsgierig naar de enveloppe kijkend. Eenige drukletters kon zij al lezen, maar geschreven schrift was haar nog te moeilijk.
„Kleine meisjes mogen niet vragen, dat heb ik Tine van morgen al meer gezegd,” antwoordde haar moeder, want de kleine had haar van het oogenblik dat zij was opgestaan, tot dat zij naar haar fröbelles zou gaan voortdurend achtervolgd met de vraag of zij het hondje mocht hebben.
In het briefje, dat zij weg moest brengen, gaf mevrouw Stubbens juist daartoe haar toestemming. Ze vroeg daarin, of Mina Holst den volgenden dag het hondje zou mogen komen brengen.
Zoodra zij om twaalf uur thuis kwam, snelde Tine naar haar moeder toe. „Heeft maatje al aan papa gevraagd of ik het hondje mag hebben?” vroeg zij dadelijk.
„Tine, luister nu goed,” zeide mevrouw Stubbens streng, „als je er nu nog ééns om vraagt, komt het hondje niet.”
Het kind begon te huilen.
„En als je huilt ook niet. Ga nu spelen.”
Pruilend verliet Tine de kamer en ging haar troost zoeken bij Tom en Annie, die juist waren thuis gekomen.
„Wat scheelt eraan, Tine, waarom huil je?” vroeg Tom.
„Ik wou zoo graag het hondje hebben, maar maatje zegt, als ik er nog ééns om vraag, dan krijg ik het hondje niet.”
„Heeft moes dat gezegd? nou wees dan maar stil, want dan geloof ik stellig, dat je het krijgt.”
„Zou je denken, Tom?” vroeg Annie, „nu, dat zou dol zijn, een kleine hond! Ik wou dat ik er een had.”
„Hebben jullie dan geen hond op Wilgenhorst?” vroeg Tom.
„Niets dan een heel ouden waakhond, maar papa zegt altijd: „als er ooit een dief komt, zal Bruno kwispelstaartend naar hem toe loopen en hem een poot geven.””
Tom begon luidkeels te lachen. „Nou, zeg, dat is ook een mooie waakhond,” zeide hij.
„Zeg, Tine,” voegde hij er een oogenblik later bij, „als jij dat hondje krijgt, zullen wij hem leeren om door een hoepel te springen en op te zitten en pootje te geven en allerlei kunstjes meer en...”
„Je weet niet eens of zij hem hebben mag, Tom,” viel Coba, die intusschen was binnengekomen, haar broer in de rede, „praat er nu niet zoo over anders geeft het weer een zondvloed van tranen, als Tine dien hond niet krijgt.”
„Als Tine hem niet hebben mag,” antwoordde Tom, „dan moet zij maar wachten, tot ik groot ben en mijn eigen geld verdien, dan kan zij bij mij komen wonen en dan nemen wij net zooveel honden als Tine maar hebben wil.”
„Een mooie rommel zal dat bij jullie worden,” merkte Coba op, „ik heb een hekel aan honden, zij bijten alles stuk.”
Toen de kinderen den volgenden dag om twaalf uur uit school kwamen, vonden zij in de huiskamer Mina, die een groote sluitmand op de schoot had. Annie snelde verheugd op het oude menschje toe en toen Mina zich eindelijk uit haar onstuimige omhelzing had losgemaakt, zeide zij: „Wat denken jullie nu wel, dat ik hier in deze mand heb? Mag ik het hun laten zien, mevrouw?”
„Zeker, Mina.”
De meisjes gingen ieder aan een kant van Mina staan om goed te kunnen zien en toen tilde de oude juffrouw voorzichtig het deksel op.
„O!” riepen de kinderen beiden in verrukking, want in de mand bevonden zich twee allerliefste kleine fox-terriërs met ronde kopjes, lompe pootjes en schitterende oogjes.
Dadelijk vroeg Tine: „mag ik er een van hebben?”
„Ja,” antwoordde haar moeder, „en het andere is voor Annie.”
„Haal jij ze er nu eens netjes uit, Annie, zonder ze te laten vallen,” zeide Mina. „Zij zijn al tien weken oud en kamer-zindelijk, mevrouw,” voegde zij er tot mevrouw Stubbens bij, terwijl zij Annie hielp om de witte molletjes op den grond te zetten.
„O, Tine, zijn ze niet schattig?” riep Annie in verrukking.
„Kijk,” hervatte Mina, „zoodra ik ze zag, dacht ik dat is nu een aardig hondje voor Annie en ik had het haar met haar verjaardag willen geven maar nu ik er toch een voor Tine moest brengen, heb ik Flokje ook maar meegebracht.”
„Mag ik hem houden, tante?” vroeg Annie, het hondje opnemende.
„Wel zeker, Annie, het huis is groot genoeg.”
„Heerlijk, heerlijk, heerlijk!” riep Annie om de tafel heendansend, nadat zij Flok weer op den grond had gezet, en door haar vroolijkheid aangestoken, holden de twee witte hondjes haar achterna en rolden daarbij over elkaar heen.
Flokje was geheel wit met een bruin snoetje en bruine wenkbrauwen, terwijl Tines hondje een zwarten neus en een zwarte vlek op den rug had.
„Wel, heb ik ooit, twee, dat is leuk!” klonk eensklaps een vroolijke stem en Tom, die altijd als een bom een kamer in kwam vallen, trad binnen.
„Dag, Thomas,” zeide zijn moeder op terechtwijzenden toon.
„O, ja, dag moes,” en op Mina toestappende, gaf hij haar een hand en zeide; „dag, juffrouw.” Toen streelde hij de hondjes en vroeg: „heb jij er ook een gekregen, Ans? hoe heeten zij?”
„Ja, deze is van mij,” antwoordde Annie op haar hondje wijzende, „en hij heet Flok.”
„Dan heet de andere natuurlijk Flik,” zeide Tom. „Vind je dat goed, Tine, het is geen moeilijke naam om te zeggen, is het niet?”
„Waarom Flik?” vroeg Tine.
„Flik en Flok is de naam van een boek,” legde haar moeder uit. „Ken jij het, Thomas, heb jij het gelezen?” vroeg zij aan Tom.
„Ja, moes, Frans heeft het; het is zoo leuk, er staan zulke aardige platen in, de mooiste vind ik die, waar Flik en Flok onder water op den telegraafkabel zitten. Ik zal het nog eens aan Frans te leen vragen, dan kunnen Annie en Tine de platen ook eens zien.”
„Hè, ja,” zeide Annie, die Flok had opgenomen om hem aan Coba en Laura te laten zien, die op dat oogenblik binnenkwamen.
„Coba en Laura, dit is juffrouw Holst, over wie Annie je zoo dikwijls gesproken heeft,” zeide mevrouw Stubbens, toen de meisjes haar begroet hadden. „Je weet wel, juffrouw Mina, die het huishouden doet bij oom Van Walen en nu bij Annie’s grootmama is.”
Mevrouw Stubbens was wel trotsch, maar zij zou toch nooit willen, dat de meisjes, tegen wie ook, onbeleefd waren.
De beide jonge juffrouwen waren echter nog een graadje trotscher dan haar moeder. Vanwaar zij stonden, knikten zij Mina dus uit de hoogte toe en deden verder, alsof zij er niet was.
„Annie,” vroeg juffrouw Mina, die van Coba en Laura geen andere behandeling verwacht had, want zij kende hen wel, zij had ze het vorige jaar nog op Wilgenhorst gezien, „heb je onlangs ook een brief van mijnheer gehad?”
„Van papa? neen, juffrouw Mina, waarom vraagt u dat zoo?”
„Dan zal je er wel gauw een krijgen met groot nieuws er in. Je grootma heeft er een ontvangen, dus zal je papa jou ook wel gauw schrijven.”
„Wat voor nieuws?” vroeg Annie natuurlijk nieuwsgierig, „komt papa terug?”
„Ik zeg niets, hoor, je pa zal je wel heel gauw schrijven.”
„U maakt mij zoo nieuwsgierig. Heeft papa dan aan grootma dat groote nieuws geschreven?”
„Ik geloof het wel, maar je pa zeide in dien brief, dat hij meteen aan jou zou schrijven, dus zal je niet te lang behoeven te wachten.”
„De koffietafel is klaar,” kwam mevrouw nu zeggen. „Juffrouw Holst wil u tusschen Annie en Tine gaan zitten? dat zullen zij, denk ik, wel prettig vinden.”
Coba en Laura keken knorrig.
Wat had dat nu te beteekenen, meenden zij, Mina Holst was toch maar een gewoon kindermeisje geweest, moest die mee aan tafel zitten? Zij ergerden zich zoozeer, dat zij geen woord spraken. Dit viel echter niet op door het drukke gebabbel van Annie en Tine en hoewel tante Dora altijd aan Annie had gezegd, dat kinderen aan tafel niet het hoogste woord mochten hebben, liet zij hen vandaag maar begaan. Verbieden zou trouwens toch niet veel geholpen hebben, daarvoor waren de kinderen veel te opgewonden.
„Wij zullen onze kamerdeur maar goed dicht houden, Laura,” zeide Coba, toen zij na de koffie samen naar boven gingen om niet langer genoodzaakt te zijn het gezelschap te genieten van „die dienstmeid,” zooals Coba haar met minachting noemde.
„Waarom, Co?” vroeg Laura verbaasd.
„Wel, omdat ik geen zin heb al mijn mooie dingen door die jonge honden te laten vernielen. Zij bijten natuurlijk alles stuk. Zoo vervelend ook, dat ma heeft toegestaan, dat die dieren hier zouden komen, ik begrijp het niet van ma en nu nog die Mina aan de koffie, ik zou je danken om juffrouw Mina of juffrouw Holst te zeggen tegen dat mensch!”
Laura was uit zichzelve eigenlijk niet zoo bespottelijk trotsch en onaardig als Coba, maar zij voelde groote bewondering voor haar oudere zuster en volgde haar in alles na tot niet geringe ergernis van haar vader.
„Je weet, Dora,” zeide deze toen de kinderen naar school waren en Mina weer vertrokken was, „dat ik je geheel vrij laat in de opvoeding van de meisjes, maar het was toch wel wat bar, zooals Coba en Laura zich vandaag tegenover die arme Mina aanstelden. Coba wordt bij den dag trotscher en onverdragelijker en als dat niet verandert, zal ik ingrijpende maatregelen moeten nemen en haar naar een strenge kostschool sturen, waar die malle kuren haar wel afgeleerd zullen worden. Het is niet alleen voor haarzelve, maar zij heeft ook een zeer verkeerden invloed op Laura, die haar in alles nadoet. De manier, waarop die twee de dienstboden behandelen, is eenvoudig ongehoord, maar nu moet het uit zijn.”
Mevrouw Stubbens zuchtte. Zij wist wel, dat zijzelf veel schuld had aan Coba’s onaardig optreden; het kind volgde slechts in het overdrevene de lessen die haar moeder haar had ingeprent.
„Ik zal eens ernstig met Coba spreken,” antwoordde zij eindelijk, „maar Coba heeft een eigen wil, die moeilijk te buigen is.”
„Zeg haar dan maar gerust, dat ik ook een wil heb. Ik weet dat zij een heilzamen afschrik van kostscholen heeft, ook al weer door de angst om daar in aanraking te komen met meisjes, die minder zijn dan zij. Het zou veel beter geweest zijn, als wij de meisjes, op de gewone openbare school gedaan hadden in plaats van op deze bijzondere, dan hadden zij vandaar naar de jongens hoogereburgerschool of het gymnasium kunnen gaan en later kunnen studeeren.”
„Ik ben er beslist tegen, meisjes met jongens samen te laten leeren; ik vind het heel goed, dat zij met Thomas en zijn vrienden spelen, maar ik zou het niet goed vinden, dat zij den geheelen dag met jongens samen waren en daar zou jij toch ook niet voor zijn.”
„Ach, ik weet het niet, zooals zij nu opgroeien is het toch ook niet goed. Met welk recht zien onze kinderen uit de hoogte neer op andere meisjes, die even beschaafd en misschien nog wel knapper zijn dan zij?”
„Ik heb je al gezegd, dat ik er met Coba over spreken zou,” antwoordde mevrouw Stubbens een weinig ongeduldig, „en ik beloof je, dat ik het doen zal.”
„Om eens op iets anders te komen,” zeide de heer Stubbens nu, „ik heb aan Annie beloofd, dat ik haar om vier uur met Tine zou komen halen om voor Flik en Flok ieder een halsband en ketting te koopen. Dat zal later een vroolijke wandeling geven met twee kinderen en twee jonge honden!” En lachend verliet de heer Stubbens de kamer.
Toen zij naar school moest, had Annie Flok aan de zorg van Suze toevertrouwd, die de taak vol vreugde aanvaardde—want zij hield veel van honden—en Flokje meenam naar de kleine spreekkamer, waar zij ging zitten verstellen, terwijl mevrouw Stubbens Flik bij zich zou houden in de huiskamer.
In het eerst ging in de spreekkamer alles naar wensch. Flok had een wollen bal gekregen om mee te spelen en holde daarmee het vertrek rond, nu en dan in een hoek van de kamer of onder de tafel stil liggende om op zijn speelgoed te knabbelen. Alles ging zelfs nog best, toen mevrouw een half uur later binnenkwam om te vragen of Suze zich vooral met de beste kousen van jongeheer Thomas wilde haasten, daar hij dien avond uit moest en ze dan aan moest hebben. „Is Flok zoet, Suze?” vroeg mevrouw ten slotte, „Flikje speelt allerliefst met een leege klos.”
„O, Flok is een schat, mevrouw,” was Suze’s antwoord, terwijl zij het hondje opnam om het eens te knuffelen.
Het was alsof Flok op die loftuitingen gewacht had. Toen mevrouw Stubbens de kamer had verlaten, zat hij vanaf een stoel Suze met zijn donkere oogjes slim aan te kijken. Nog vermoedde zij geen kwaad; zij zette het maasmandje met de verschillende kluwen wol en katoen op tafel en verdiepte zich in Toms kous.
Flokjes oogen dwaalden van Suze naar het mandje en van zijn stoel naar de tafel; het was alsof hij den afstand berekende. Van den grond op de tafel was voor een jong hondenkind als hij een ondoenbare sprong, maar die stoel dáár stond nogal dicht bij de tafel en in dat mandje bevonden zich allerlei verleidelijke dingen.