Part 4
Al pratend kwamen de kinderen langs het huis van de familie, waar Tine fröbelles had. Juist kwamen een paar van de kleintjes naar buiten met de dienstmeisjes, die hen waren komen halen.
„De kinderen gaan geen van allen nog alleen; Tine is de eenige,” zeide Annie en vroeg toen aan een van de kleintjes: „Is Tine Stubbens nog binnen?”
„Neen, Tine is net door haar oom gehaald,” antwoordde het kind. „Tineke was zoo blij, haar oom ging met haar naar den dierentuin. Zij is net weg.”
Annie begreep er niets van.
„Wie is die oom van Tine, Annie?” vroeg Frans.
„Ik weet het niet. Zij heeft, geloof ik, geen anderen oom dan papa en die is in Engeland.”
„Ga mee kijken,” riep Frans; „wij halen ze nog wel in. Zij zijn net weg.”
Nog onder het spreken had hij Annie reeds weggetrokken en nu holden de kinderen samen voort.
„Ga je naar den dierentuin?” vroeg Annie.
„Welneen; ik geloof er niets van, dat zij daarheen zijn. Wij zullen juist den anderen kant opgaan. Den weg, dien wij gekomen zijn, heeft hij niet genomen, anders hadden wij hen natuurlijk gezien. O, daar staat de tram nog, gauw!”
„Wat wil je doen?”
„Op de tram stappen, dan halen wij hen stellig in. Hij vertrekt dadelijk.”
De kinderen stapten in en het was of de tram daarop gewacht had; hij vertrok bijna onmiddellijk. Frans liet Annie binnen zitten, want hij was veel te bang, dat zij onder het rijden uit de tram zou springen, wanneer zij Tine zag, en ging zelf buitenop staan.
„Kijk jij rechts,” had hij aan haar gezegd, „dan zal ik aan den linkerkant uitkijken.”
„En u, jongeheer?” vroeg de conducteur.
Frans betaalde voor twee en bleef nu naar buiten turen. Zijn voorspelling kwam uit, want nog geen minuut hadden zij gereden, toen hij een kleine gedaante aan de hand van een keurig gekleed heer zag loopen. Er viel niet aan te twijfelen, het was Tine met den nieuwen oom. Niets kwaads vermoedend liep het tweetal voort.
„Stop je bij de volgende halte?” vroeg Frans aan den conducteur. Hij wilde hen eerst voorbij laten gaan en hen dan te gemoet loopen, dan kon Annie zien, of zij dien heer kende.
Met opzet ging hij naar binnen, zoodat Tine hem niet herkennen zou en toen hij naast Annie zat, die nog strak naar buiten keek uit angst dat Tine haar ongemerkt voorbij zou loopen, zeide hij: „Laat dat maar, wij zijn er al. Wij stappen dadelijk uit.”
„O, ga mee, gauw,” riep Annie hem meetrekkende, „anders zijn zij weg!”
„Welneen, zij loopen ook dezen kant op, dáár, nu gaan wij hen juist voorbij. Kijk nu niet zoo, anders ziet Tine je en dan gaat hij die zijstraat in.”
Hoewel het in werkelijkheid geen minuut duurde, leek het Annie wel een uur, voordat de tram stilhield. Zij had bijna geen geduld om te wachten tot hij stilstond en de conducteur moest haar bij den arm vasthouden, anders was zij er nog onder het rijden uitgesprongen.
„Nu mag je eruit,” zeide Frans eindelijk en nadat hij zelf was uitgestapt, hielp hij Annie uit de tram.
„Kijk nu eens goed,” fluisterde hij, „ken je dien mijnheer?”
„Neen,” antwoordde Annie, „wie is dat? Ik heb hem nooit gezien.”
Daar kreeg Tine hen in het oog. „Annie, Annie!” riep zij vroolijk. „Ga je mee? oom gaat met mij naar den dierentuin!”
Oom keek woedend, toen hij ontdekte, dat Tine kennissen gezien had. Als het kind hem bijtijds gezegd had, dat er iemand aankwam, die zij kende, dan had hij die zijstraat in kunnen slaan, die zij juist voorbij waren gekomen. En als het nu nog maar alleen dat kleine meisje was geweest, dan had hij er nog wel wat op gevonden, maar met dien grooten jongen erbij werd het toch te gevaarlijk. Hij leek een jaar of vijftien en zou zich niet om den tuin laten leiden. Hij zou toch nog zijn best doen.
„Is dat Annie,” zeide oom. „Dag Annie, ga je ook mee? dat is aardig. En wie is dat jongmensch, is dat een vriendje? hij zal er zeker wel geen zin in hebben om met twee kleine meisjes mee te gaan, dat zeide ik zoo juist aan je zusje, toen ik jullie zag aankomen.”
„Ik ben geen klein meisje,” antwoordde Annie beleedigd, „en Tine is mijn zusje niet! Maar wie bent u?”
„Oom is van morgen pas gekomen,” vertelde Tine nu. „Laat ons nu gaan, Annie, anders wordt het zoo laat. Wij gaan in den dierentuin koffiedrinken; papa is er ook.”
„O!” riep Annie, want nu begreep zij, dat er niets van waar was, „dat kan niet, want je pa moet om half één naar Amsterdam.”
„Daar komt je pa aan, Tine,” zeide Frans eensklaps en voordat hij nog had uitgesproken, had de zoogenaamde oom Tine’s hand losgelaten, hen den rug toegekeerd en was hij in de zijstraat verdwenen.
Tine begon te huilen. „Nu is oom weg; nu kan ik niet naar den dierentuin!”
„Stil, Tine, een ander keertje ga je er heen, hoor,” troostte Annie. „Waar zag je oom, Frans?”
„Wel, nergens, maar ik wilde dien anderen oom weg hebben; ik begreep wel dat hij daarvoor op den loop zou gaan, en nu ga ik hem achterna om te zien waar hij blijft. Annie, ga gauw met Tine naar huis.”
„Huil toch niet zoo, Tine,” zeide Annie, toen Frans weg was, „die mijnheer was heelemaal geen oom van je. Hij had Tineke mee willen nemen en dan was Tine nooit meer thuis gekomen. Maar nu gaan wij naar maatje, hoor, hard loopen! kan je mij krijgen?”
En om het kleintje vlugger mee te krijgen, deed Annie, alsof zij voor haar wegliep. De list gelukte. Tine rende haar achterna, zoo vlug als haar kleine beenen haar dragen konden en juist als zij Annie bijna had, liep deze weer weg, totdat zij zich eindelijk liet pakken. „Nu zal ik jou pakken, loop, loop, gauw, maar niet vallen.” Op hetzelfde oogenblik dat Annie Tine gepakt had—zij waren reeds niet ver meer van huis—kwam Frans hen buiten adem achterop.
„Hij is weg,” zeide hij. „Juist toen ik in de Zandstraat (de reeds meer genoemde zijstraat) kwam, stapte hij in een rijtuig en reed in volle vaart weg. Nog een oogenblik heb ik geprobeerd het te volgen, maar hij reed zoo hard, er was geen denken aan. Hoe vinden wij dien kerel nu terug? je moet maar gauw alles aan je oom vertellen.”
„Ja,” antwoordde Annie verstrooid. Naarmate zij het huis naderden, drong het gebeurde van dien morgen op school zich weer bij haar op den voorgrond, want zij begreep, dat Coba nu al wel thuis alles verteld zou hebben, dat zij weggestuurd was en zij wist, wat er opstond. Zijzelf zou het in Coba’s plaats natuurlijk nooit doen, zij vond klikken laag, maar Coba was al zoo afgunstig op haar, om Bertha, dat zij stellig niet zwijgen zou. Het zou haar trouwens toch niets helpen; oom moest het toch weten, want hij zou haar natuurlijk vragen, waarom zij op een vrijen middag naar school moest.
Op de stoep nam Frans afscheid en met kloppend hart schelde Annie aan.
„Gut, waar benne jullie geweest? mevrouw heb al een angst uitgestaan van belang, weet je wel, dat het al over half één is, Annie?” met deze woorden werden zij ontvangen door het oude keukenmeisje, dat reeds jarenlang bij de familie was en dat nu de deur voor hen opende.
„Je bent anders toch vroeg genoeg van school gegaan,” plaagde Coba, die met haar moeder de gang in kwam om te zien of het de kinderen waren.
„Stil nu, Coba,” riep mevrouw Stubbens, „ik moet eerst weten, waar Tine zoo laat vandaan komt.”
„Oom wou met mij naar den dierentuin en toen kwamen Annie en Frans en oom vroeg of Annie ook mee ging,” vertelde Tine, „en toen zei Frans: „daar komt je pa aan,” en toen ging oom weg en het was niet eens waar, paatje kwam niet aan en nu heb ik niet naar den dierentuin kunnen gaan en oom had beloofd, dat ik de apen apennootjes mocht geven en dat ik een cent in de snuit van den olifant mocht doen en nu is oom weg en kan ik niet naar den dierentuin gaan!” en bij de herinnering aan al de heerlijkheden, die nu voor haar waren verloren gegaan, begon de kleine opnieuw te huilen.
Tante Dora was doodsbleek geworden.
„Ik begrijp niets van dat verhaal, Annie,” zeide zij. „Vertel mij eens duidelijk, wie is die oom, waar zij het over heeft? zij heeft geen anderen oom, dan mijn broer, jouw vader, en die kan het natuurlijk niet geweest zijn, jij zoudt je eigen vader wel gekend hebben.”
„Oom, die van morgen pas gekomen is,” antwoordde Tine voor Annie, „en nu is oom weg!”
„Kind, kind, ben je zoo maar met dien vreemden man meegeloopen? het is verschrikkelijk! Ik begrijp niet, dat mevrouw je heeft laten gaan.”
„Mevrouw weet er geloof ik niets van,” zeide Annie. „Die mijnheer heeft buiten gewacht, tot Tine het huis uit kwam. Een van de meisjes werd juist gehaald, toen Tine wegging en zij is weer naar binnen gegaan om het aan de andere kinderen te vertellen, en die zeiden het aan ons, toen wij kwamen.”
„Het is vreeselijk,” zeide mevrouw Stubbens. „Was papa nu maar thuis, maar die komt eerst om vijf uur terug. Wees nu stil, Tine, dan kan Annie mij precies vertellen, wat er gebeurd is.”
Mevrouw was blijkbaar zoozeer vervuld van het voorgevallene met Tine, dat zij er in het geheel niet meer aan dacht dat Annie weggestuurd was.
„Ik ging om kwart voor twaalf uit school,” begon Annie haperend en met een erge kleur, „en... toen... wou ik... nog niet dadelijk naar huis... en toen... liep ik een eindje om... en toen kwam ik Frans tegen... en toen kwamen wij langs Tinekes les...” en nu vervolgde Annie achter elkaar met vuur haar verhaal, want het moeilijke ervan was nu voor haar voorbij.
„En hoe zag die man eruit?” vroeg haar tante.
„Een groote man met een langen baard, en met een bril op en met een hoogen hoed.”
„Annie, kind, zeide eensklaps mevrouw Stubbens, terwijl zij, voor het eerst zoolang Annie haar kende, het meisje naar zich toetrok en hartelijk kuste. „God weet waar mijn kleine Tine nu zou zijn, als jij en Frans niet toevallig op dat oogenblik langs dat huis gekomen waren, waar zij leert.”
„Bent u niet meer boos, tante, omdat ik weggestuurd ben?”
„Ik weet niet, waar het voor was Annie; straks als wij alleen zijn, moet je er mij alles maar eens van vertellen. Nu ga ik eerst met de politie telefoneeren. Het was dus een langen man met een baard, met een bril en met een hoogen hoed?”
„Zoo’n mooie oom!” riep Tine nog verdrietig. „Ik was niets bang voor hem.”
„Het was toch beter dat je bang was voor hem in plaats van voor de jongens en voor mij,” merkte Tom wijsgeerig op. „Als Annie en Frans niet gekomen waren, moest je nu misschien al bij een kermistroep leeren koorddansen. Ik heb juist gisteren eenige woonwagens langs den weg zien staan. Zeg, moes, wat zegt u nu wel van Frans?” voegde hij er tot zijn moeder bij, die juist terugkwam van het telefoneeren.
„Frans heeft zich hierin zeer flink gedragen, dat moet ik zeggen,” antwoordde mevrouw Stubbens. „Maar kinderen,” vervolgde zij, „laat ons nu gauw gaan koffiedrinken, want om half twee komt de commissaris van politie hier om nadere inlichtingen te vragen en ik zou graag zien, Thomas, dat jij dadelijk na de koffie even bij Frans aanliep en vroeg of hij zoo lief zou willen zijn om ook om half twee hier te willen komen. Hij is zooveel ouder dan de meisjes, dat hij misschien meer zal kunnen vertellen.”
Klokslag half twee werd er gescheld.
„Gaat mee naar de voorkamer, Tine en Annie,” zeide mevrouw Stubbens, „dat is zeker de commissaris of Frans.”
Het was Frans, die door Tines moeder allerhartelijkst ontvangen werd. Zij kon haast geen woorden vinden om haar dankbaarheid uit te spreken, maar Frans hield er ook niets van om bedankt te worden; hij werd er verlegen onder en zeide maar aldoor: „het is niets mevrouw; het had niets te beteekenen, de andere jongens zouden het ook gedaan hebben.”
Een oogenblik later verscheen ook de commissaris van politie en Tine, die bang voor hem was, wilde eerst niets vertellen, maar toen haar moeder haar beloofde nog dienzelfden middag met haar naar den dierentuin te zullen gaan, toen kwam haar tongetje los en antwoordde zij op alle vragen.
Het was ook gelukkig dat Frans erbij was, want deze wist tot in de kleinste bijzonderheden het uiterlijk van den zoogenaamden oom te beschrijven. Hij had alles nauwkeurig opgemerkt.
„Nu, mevrouw Stubbens,” zeide de commissaris eindelijk, toen hij alles gehoord had, wat er te vertellen was. „Er is, zoodra u telefoneerde, natuurlijk werk van de zaak gemaakt, maar nu kunnen wij nauwkeuriger maatregelen treffen. Wij zullen de zaak onmiddellijk in de beste handen geven. Ik zou u echter wel in beraad willen geven, mevrouw,” voegde hij erbij, toen de kinderen de kamer hadden verlaten, „om de kleine niet meer alleen op straat te laten komen. Zij is nog zoo’n klein, teer kind en hij zou een tweede poging kunnen wagen, die beter lukte. U heeft zeker geen vermoeden, wie hij zijn kan?”
„Niet in het minst; ik begrijp er niets van,” antwoordde mevrouw Stubbens.
Toen Annie om vier uur uit school kwam, riep tante Dora het meisje bij zich in haar kamer.
„Vertel mij nu eens, Annie, wat er van morgen op school gebeurd is,” zeide zij.
„Ik kon het heusch niet helpen, tante, werkelijk niet; ik had haar niet willen voorzeggen,” antwoordde Annie, „maar als zij toch zoo vraagt om het te doen en in zoo’n angst zit, dan kan ik het toch niet laten?”
„Je verhaal is niet erg duidelijk, maar ik moet eruit opmaken, dat een van de meisjes aan je vroeg om haar voor te zeggen en dat je dat deedt, omdat zij zoo bang was geen antwoord te kunnen geven?”
„Ja, tante, het is Louise Bronsma, die naast mij zit. Zij kent nooit haar les en telkens vraagt zij mij om haar voor te zeggen. Maar u weet, dat ik er al een paar maal strafthema’s voor heb opgekregen en vandaag zeide ik, dat ik het niet meer doen wou. En toen zeide zij dat ik het dan maar niet meer moest doen, maar zij was zoo ongelukkig en zat zoo te beven, toen zij een beurt kreeg, dat ik het toch maar gedaan heb. Het is zoo vervelend, zij hoort zoo slecht, dat de juffrouw het altijd nog eerder verstaat, dan zij.”
„Maar er is toch gemakkelijk genoeg een eind aan te maken; ik begrijp niet, dat de juffrouw je niet dadelijk een andere plaats heeft gegeven. Ik zal je morgen ochtend een briefje voor de juffrouw meegeven.”
„En bent u niet meer boos?”
„Nu ik er alles van weet niet meer,” antwoordde mevrouw Stubbens en gaf het meisje een kus.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
GROOTMAMA HERMSEN.
Mevrouw Hermsen, een vriendelijke oude dame van zeven en zestig jaar zat met een haakwerkje voor het venster van haar huiskamer, terwijl Mina Holst het koffiegoed wegruimde.
Zij woonde op een groot buiten, dat gelegen was nabij het dorp, waar zich het advocatenkantoor van de firma Hermsen bevond, vroeger had dit kantoor aan den heer Hermsen, den echtgenoot der oude dame behoord. Na diens dood was het in andere handen overgegaan, doch had men het den ouden firma naam laten houden.
De oude mevrouw had een zeer vriendelijk voorkomen en droeg een koket kanten mutsje op het grijze haar. Zij verafgoodde haar kleindochter en verwende het meisje op een hoogst onverstandige manier, wanneer het zomers bij haar logeerde.
„Mina,” merkte zij op, terwijl zij nadenkend met een wollen lapje de glazen van haar bril schoonveegde; „wie denk je dat straks hier komt?”
„Gunst, mevrouw, hoe zou ik dat weten?”
„Nu, dan zal ik het je maar zeggen, Annie. Mijnheer Stokman is haar voor mij gaan halen.”
„Heeft zij vacantie, mevrouw?”
„Neen, maar zij mag wel een paar daagjes verzuimen, voor haar gezondheid moet zij wat rust hebben, begrijp je?”
„Heere mijn tijd, mevrouw, als u toch wist, hoe ik al dien tijd verlangd heb om het lieve kind terug te zien. Het is ook wel te begrijpen, hè, hoeveel jaren heb ik al niet voor haar gezorgd? Zal ik maar gauw haar kamer in orde gaan brengen? zij krijgt zeker de logeerkamer naast de uwe?”
„Ja, Mina, dat is goed, doe jij dat maar zelf; jij kent haar goed en je weet hoe zij alles graag heeft. Maar ik moet je nog wat zeggen, Mina, ik denk erover met Annie een klein reisje te gaan maken. Wij gaan morgen weg, maar dat moet een verrassing voor haar zijn; zeg het dus aan niemand, anders hoort zij het misschien van een van de bedienden en dat zou ik jammer vinden. Pak jij dus zelf, als je zoo goed wilt zijn, voor mij den grooten handkoffer met het hoog noodige.”
„Best, mevrouw,” antwoordde Mina en voegde er eensklaps bij:
„Mevrouw, mevrouw, daar komt mijnheer Stokman alleen aan!”
Willem Stokman was reeds bij het leven van den ouden heer Hermsen klerk geweest op diens kantoor, waarover wij zoo straks al spraken, en na den dood van Annie’s grootvader was hij bij diens opvolger in betrekking gebleven. Hij was een nog vrij jonge man en niemand zou in hem den deftigen heer met den langen baard en den gouden bril herkend hebben, want zoowel bril als baard waren verdwenen, toen hij bij mevrouw Hermsen aanschelde, en den hoogen hoed had hij verwisseld tegen een slap vilten. Men zou hem niet herkennen en toch was hij dezelfde als Tine’s nieuwe oom.
„Zoo, Willem, waar is het kind?” was het eerste wat mevrouw Hermsen zeide, zoodra de jonge man de kamer inkwam.
„Ja, het is jammer,” hij keek even om zich heen om te zien of zij alleen in de kamer waren, „het is mislukt, maar ik zal u alles liever geregeld vertellen. Men zal ons toch niet kunnen hooren en wij zullen toch niet gestoord worden?”
„Neen, wij zijn alleen.”
„Nu, zooals wij hadden afgesproken, profiteerde ik van de gelegenheid, dat ik voor mijn patroon naar de stad moest. Ik deed eerst mijn zaken af, bracht toen een kleine, onschuldige verandering in mijn uiterlijk—een bril, een baard en een hoogen zijden deden wonderen—en drentelde zoo naar de Hoogstraat, waar de kleine school gaat. Dat had ik bij een vorige gelegenheid al uitgevonden. Het kwam zoo: toen ik de laatste maal, nu een veertien dagen geleden, langs het huis van de familie Stubbens liep, ging juist de deur open en kwam de kleine naar buiten. Ik volgde haar en zag toen, waar zij heen ging. Dat trof bijzonder goed, want in de Hoogstraat, tegenover haar school staat een café en daar heb ik gewacht om te zien hoe laat de kinderen weer naar huis gingen. Nu, om even vóór twaalf ging het schooltje uit.”
„Op de Hoogstraat, maar daar is toch geen meisjesschool.”
„Een meisjesschool, dat weet ik niet, maar ik zag er haar zelf ingaan en om twaalf uur weer naar buiten komen. Er waren ook nog drie kleine jongens bij.”
„Jongens! maar Annie gaat niet met jongens naar school.”
Nu was het Stokmans beurt om verbaasd te zijn. „Annie!” riep hij, „zij heet toch geen Annie? ik hoorde de kinderen duidelijk Tine tegen haar zeggen en zoo heb ik haar ook genoemd en zij luisterde naar dien naam,” voegde hij erbij, alsof hij van een jong hondje sprak.
„Man, wat heb je gedaan? weet je wie die Tine is? dat is het jongste dochtertje van mijnheer Stubbens. Mijn kleindochter heet Annie, dat heb ik je toch duidelijk gezegd, Annie heet zij.”
„Hemel beware mij, hoe kon ik zoo dom wezen. Ik zal het u maar zeggen, ik was den naam, dien u mij genoemd had, vergeten en toen ik haar nu door die andere kinderen Tine hoorde noemen, dacht ik bij mezelf; „juist, dat was de naam, nu herinner ik het mij duidelijk.” Wel, mevrouw, Annie is het juist geweest, die haar van mij heeft afgetroggeld, zij en een jongen van een jaar of veertien, met wien zij liep. Had ik toch maar geweten, dat zij het meisje was, dat ik hebben moest, dan had ik haar nog wel met een zoet lijntje meegekregen. Annie dus en niet Tine,” besloot hij nadenkend.
„Ja, Annie en het is een zegen, dat Annie je belet heeft Tine mee te nemen. Wat had ik met dat kind moeten doen en wat had ik aan mijnheer en mevrouw Stubbens moeten zeggen?”
„Ja, wat u eigenlijk met dat kind wil doen is mij een raadsel.”
„Kan je je dan niet voorstellen, dat ik mijn kleinkind, het kind van mijn arme, vroeg gestorven dochter, bij mij wil hebben nu haar vader naar Engeland is om met zoo’n Engelsche te trouwen? Annie weet daar niets van; dat heb ik uit haar brieven wel gemerkt, zij denkt dat haar vader voor zaken op reis is en ik wil niet hebben dat het lieve kind door zoo’n vreemde en dan nog wel een Engelsche—een volk waar ik zoo’n hekel aan heb—opgevoed zal worden, dat wil ik liever zelf dan doen!”
„Ik dacht ook dat mijnheer Van Walen voor zaken op reis was.”
„Nu ja, gedeeltelijk is dat ook zoo, maar hij trouwt daar te gelijkertijd. Toen Annie verleden jaar en het jaar te voren hier logeerde, was haar vader ook in Engeland en toen heeft hij juffrouw Ackfield leeren kennen. Het is wel toevallig Willem,” voegde de oude dame erbij, „dat jij juist nooit thuis was, als Annie hier bij mij kwam, als dat niet het geval was geweest, zou die domme vergissing nooit hebben plaats gehad.”
„Ja, ze kwam ook altijd in den slappen tijd en dan ging ik zelf met vacantie uit.”
„Maar hoe heeft Annie het ongeluk verhoed, dat je mij Tine Stubbens hier gebracht zoudt hebben!”
„Zij heeft het eigenlijk niet zoozeer gedaan als wel die jongen, van wien ik u vertelde. Frans noemde ze hem, welnu, toen ik goed en wel met Tine op weg was naar het station, kwamen er een paar kinderen aan en daar begon de kleine ineens „Annie, Annie!” te roepen en daar hadt je de poppen aan het dansen. Zij holden naar haar toe, ik noemde Tine bij ongeluk Annie’s zusje—ik wist toen natuurlijk ook niet wie die Annie was—en daar hadt je het gezanik! Toen begreep dat kleine nest, dat er iets niet in den haak was. Ik had haar ook nog beleedigd door haar „klein meisje” te noemen, maar dat „zusje” deed de deur dicht. En wat doet nu die jongen? Hij kijkt ineens vol oplettendheid de straat af en roept: „o, daar komt je pa aan!” Nu, u begrijpt, dat ik niet bleef wachten om te zien of het waar was of dat hij mij bij den neus nam, en ik weet nu nog niet of hij mij gefopt heeft of niet. Wel weet ik, dat ik het hazenpad koos en in het eerste beste rijtuig sprong, dat voorbij kwam.”
„Ik kan niet anders zeggen dan „goddank” dat die domheid van je mislukt is, Willem, en ik heb grooten lust je geen cent te betalen.”
„Maar mevrouw, ik heb toch mijn reiskosten gehad. De groote som hoeft u mij natuurlijk nog niet te geven, die betaalt u mij, als ik u het kind veilig en wel gebracht heb. U begrijpt dat ik het nog niet opgeef, maar wij zullen eerst wat moeten wachten, tot dat zaakje een beetje in het vergeetboek is geraakt.”
„Wij zullen nu in vredesnaam tot den winter moeten wachten, vóór dien tijd zou het te gevaarlijk zijn.”