Chapter 5 of 13 · 3880 words · ~19 min read

Part 5

„Maar ik moet u nog iets zeggen, mevrouw, nu ik die Annie gezien heb, ben ik voor mij overtuigd, dat het lang niet zoo gemakkelijk zal gaan haar mee te krijgen. Zij is niet zoo’n lammetje als die kleine en zij lijkt wel een jaar of twaalf. Als ik dat geweten had, zou ik het u dadelijk gezegd hebben, dat ik het niet voor vijf honderd gulden doen kon. Ik waag er te veel mee, vooral omdat het meisje bij mijnheer Stubbens in huis is, wiens voorspraak ik eenmaal hoop te vragen voor die nieuwe betrekking. Zou u er geen zevenhonderd vijftig van willen maken?”

„Je bent een inhalig wezen. Ik zal erover denken.”

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN VERRASSING VOOR ANNIE.

„Als het u blieft, juffrouw, van tante.”

Met deze woorden reikte Annie van Walen de directrice, die zij in de gang van de school tegenkwam, het briefje van mevrouw Stubbens over.

Het was de dag na het voorgevallene met Tine, die dien morgen door Suze naar school was gebracht, terwijl haar moeder haar ten strengste verboden had, om twaalf uur met iemand anders dan Suze mee te gaan. Zij moest op Suze wachten. Toms verhaal over het koorddansen had haar trouwens zoo bang gemaakt, dat er niet de minste kans bestond, dat zij ongehoorzaam zou zijn.

„Tommie,” had zij ’s avonds aan haar broer gevraagd, „zou oom Tine heusch naar de kermis gebracht hebben?”

„Noem dien kerel toch geen oom, Tine; hij was een gewone kinderroover. Natuurlijk zou hij je aan een kermistroep verkocht hebben, en dan was de baas van het spel met een groote zweep gekomen, en dan had hij je op een koord laten klimmen en als je niet gewild had, zou hij je met die zweep geslagen hebben. Wanneer ga je weer met dien lieven oom mee, Tine?”

„O, neen, nooit, Tommie, heusch niet! hij zal toch niet weer terugkomen?”

„Ik hoop het niet, maar je weet nu, waar het op staat als je met zoo’n oom meegaat.”

„Ik zal heusch op Suze wachten, Tommie.”

„Het is je geraden,” had hij geantwoord en was daarop naar boven gegaan om zijn huiswerk te maken, terwijl tante Dora Tine meenam om haar naar bed te brengen.

Toen de juffrouw ’s morgens in haar klasse kwam, zeide zij: „Annie van Walen, jij krijgt een andere plaats. Ga maar naast Clara van Scheik zitten op de plaats van Laura Stubbens en jij, Laura, naast Louise Bronsma.”

Laura vond het alles behalve plezierig om haar plaats naast Clara te moeten verlaten, maar Annie was blij; nu was zij tenminste van die ellende van het voorzeggen af.

Zoodra Laura naast Louise zat, fluisterde zij tot deze: „je hoeft het mij niet te vragen, hoor, ik doe het toch niet. Ik ben niet zoo mal als Annie.”

„Is Annie boos op mij?”

„Ik weet het niet,” was het antwoord, „maar het zal wel; je bent ook een akelig spook om haar zoo te laten wegsturen zonder iets te zeggen.”

Louise kreeg een vreeselijke kleur en wist niets te antwoorden.

Om twaalf uur, toen Annie op Bertha van Scheik stond te wachten, kwam eensklaps Louise Bronsma naar haar toe.

„Zeg, ben je boos op me?”

„Ach ik weet het niet, zanik nu niet. Ik vond het wel flauw, dat je niets aan de juffrouw zeide, maar je durfde natuurlijk weer niet en nu kan ik morgen een uur blijven in plaats van naar buiten te gaan.”

„Zal ik het dan nog zeggen?”

„Neen, laat maar, zeur er nu maar niet meer over. Daar komt Bertha eindelijk; wat is ze laat, iedereen is al weg.”

Annie liep haar vriendinnetje te gemoet en liet Louise staan.

Toen deze zich omkeerde om ook naar huis te gaan, bonsde zij bijna tegen de directrice aan, die juist naar buiten kwam.

„Wacht je op een van de meisjes, Louise?” vroeg de juffrouw.

„Neen, juffrouw.”

„Waarom ben je dan nog hier?”

„Ik sprak even met Annie van Walen, juffrouw.”

„Ga dan nog even mee naar binnen naar mijn kamer.” En toen zij daar waren, vroeg de juffrouw:

„Jij en Annie moeten morgen schooi blijven, is het niet?”

„Ja, juffrouw.”

„Ik begrijp mij dat plezier van Annie niet om jou altijd voor te zeggen. Waarom zeg je niet tegen haar: Houd er nu eindelijk eens mee op, ik vind het vervelend?”

Nu vatte Louise al haar moed samen. Met een hoogroode kleur stamelde zij: „Ik had Annie juist gevraagd om het te doen, juffrouw.”

Het hooge woord was er uit en het arme kind voelde zich werkelijk opgelucht.

„Zoo,” antwoordde de juffrouw kalm, „hadt jij haar erom gevraagd? Het was nu de vierde maal; hadt jij haar de vorige keeren ook verzocht het te doen?”

„Ja, juffrouw.”

„Dan moet ik zeggen, dat ik het heel aardig vind van Annie, dat zij daar niets van gezegd heeft, maar waarom heb je de juffrouw niet de waarheid verteld?”

Louise liet het hoofd hangen.

„Nu, kind, ga maar naar huis,” hervatte de juffrouw, „maar probeer toch eens of je niet flinker kunt worden; je voelt toch zelf wel dat het heel onaardig is om een ander meisje straf te laten krijgen voor iets, dat eigenlijk jouw schuld is.”

„Ja juffrouw,” antwoordde Louise verlegen.

„Ga dan nu maar naar huis, doch laat zoo iets niet weer gebeuren?”

Intusschen waren Annie en Bertha samen voortgeloopen.

„Heeft je tante er al iets van gezegd, wanneer Paula zou mogen komen?” vroeg Bertha.

„Neen, nog niet.”

„Vraag het eens.”

„Neen, hoor, dat durf ik niet!”

„Ik ben zoo benieuwd om haar te zien. Ik hoop maar dat zij gauw komt?”

Toen Annie thuis kwam, riep mevrouw Stubbens haar in de huiskamer. „Ik heb een aardige verrassing voor je, Annie; Paula mag van Zaterdag tot Zondagavond hier komen.”

„O, wat dol!” riep het meisje, „meent u het werkelijk, tante?”

„Zeker, oom gaat haar Zaterdag halen; hij moet toch voor zaken daar in de buurt zijn en brengt Paula dan mee.”

„Weet oom al dat ik blijven moet?” vroeg Annie verlegen.

„Ja, ik vond het beter het maar zelf aan oom te vertellen.”

„En was oom erg boos?”

„Eerst wel, maar toen ik alles precies verteld had, zeide oom, dat hij het dezen keer door de vingers zou zien, omdat het gedeeltelijk niet jouw schuld was.”

Toen Annie het aan haar nichtjes vertelde, zeide Coba: „je wordt hier echt het verwende kindje.”

„Ja,” voegde Laura erbij, „en nu kan ik voor jouw plezier naast dat vervelende kind van Bronsma zitten.”

„Heb je haar al voorgezegd?” vroeg Coba plagend.

„Daar kan ze lang op wachten, dat vervelende wicht.”

„Gaan jullie nooit naar school? het is al bijna tien minuten voor twee!” klonk eensklaps een vroolijke jongensstem en Tom stak zijn hoofd naar binnen. „Zeg, Annie,” vervolgde hij, toen zij gezamenlijk op weg gingen, „heeft Frans je nog verteld, waarom hij weggestuurd is?”

„Ja,” antwoordde Annie nog lachend bij de herinnering.

„Nu, lach maar niet, de dokter was zoo boos, dat hij gezegd heeft, dat Frans in den eersten tijd op zijn vrije middagen niet meer uit mag. Het is een leelijk geval, want hij moet uitkomen in den grooten voetbalwedstrijd en nu heeft hij geen gelegenheid om zich te oefenen.”

„Doe jij ook mee, Tom?” vroeg Annie.

„Nou, of ik en jullie moeten komen kijken, het zal een prachtig gezicht zijn. Zondag is er een kleine onderlinge wedstrijd, komen jullie dan ook?”

„Graag, als ik mag,” antwoordde Annie, „gaan jullie ook mee, Co en Lau?”

„Zondag, neen dank je wel, dan spelen alleen de kleine jongens,” antwoordde Coba uit de hoogte.

„Dank je,” riep Tom geraakt en verdween in een zijstraat.

Coba en Laura lachten, maar Annie vond het niets aardig, dat zij Tom zoo plaagden en was vast besloten naar den wedstrijd te gaan kijken.

„Annie, je moet even bij de directrice komen,” zeide de juffrouw, toen zij het lokaal binnenkwam, waar al haar leerlingen reeds bijeen waren.

Verbaasd stond Annie op en klopte een oogenblik later bij de directrice aan.

„Zoo, ben je daar Annie?” zeide deze vriendelijk, toen het meisje haar begroet had. „Ik wilde je alleen maar zeggen, dat Louise mij alles verteld heeft en dat je morgen middag niet behoeft school te blijven.”

Annie’s oogen schitterden.

„Daar ben je blij om, hè?” hernam de juffrouw glimlachend. „Nu, ga maar gauw naar binnen, laat de juffrouw niet wachten.”

Om vier uur stond Annie met het grootste ongeduld Bertha op te wachten, om haar al het nieuws te vertellen, maar voordat zij het lokaal verliet, was zij naar Louise toegegaan en had zij dankbaar tot haar gezegd: „Dank je wel, Lou, dat je het verteld hebt, ik hoef nu niet te blijven.”

De arme Louise had werkelijk vroolijk gekeken, zij was oprecht blij.

„Bertha,” zeide Annie, toen deze aankwam, en zij stak haar arm door dien van het oudere meisje, „vind je het niet dol, ik hoef morgen niet te blijven en Zaterdag komt Paula.”

Bertha was bijna even blij als Annie, want zij dacht geen oogenblik aan de mogelijkheid, dat haar moeder haar misschien zou verbieden om naar Paula toe te gaan.

De Zaterdag kwam en toen de heer Stubbens zijn zaken had afgedaan, reed hij naar mevrouw Tillens om Paula af te halen.

Paula was zich nog aan het klaar maken en mevrouw ontving hem in het salon.

„Ik ben blij, dat ik u alleen tref, mevrouw,” zeide hij, nadat zij elkaar begroet hadden, „want ik wilde u vragen, of u verlangt dat Paula in gezelschap van de meisjes Van Scheik gebracht zal worden of niet.”

Mevrouw Tillens verbleekte, „U weet dus, wie mevrouw Van Scheik is?” vroeg zij.

„Uw zuster, ja mevrouw, en ik moet u zeggen, dat Annie al aan Bertha verteld heeft, dat Paula komt en dat Bertha brandt van verlangen om kennis te maken met haar nichtje.”

„Ik heb Paula nooit over haar tante gesproken, omdat ik wel begreep, dat er dan aan het vragen geen eind zou komen en ik vind haar nog te jong om haar hoofdje met familietwisten en zoo al meer te vullen.”

„Mevrouw van Scheik schijnt er anders over te denken, want Bertha wist aan Annie te vertellen, dat u haar tante is. Haar moeder maakt er voor haar dus blijkbaar geen geheim van, maar, daar ik niet wist hoe u erover dacht, heb ik Annie verboden er Paula over te schrijven.”

„Dat is heel vriendelijk van u, maar wij zullen de zaak nu maar aan haar beloop laten, ik had de mogelijkheid van een ontmoeting moeten voorzien. Bovendien blijft Paula zoo kort bij u, dat het mijn zuster geen moeite zal kosten de meisjes van elkaar verwijderd te houden, wanneer zij dat wil. In ieder geval moet de eerste stap tot verzoening van hun kant komen; wij hadden geen schuld.”

Op dat oogenblik kwam Paula beneden en na vroolijk afscheid te hebben genomen van haar moeder reed zij met den heer Stubbens weg.

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE HEER STUBBENS DOET EEN GOED WOORD VOOR FRANS.

Toen de auto eindelijk voor het huis stilhield, stond Tom het gezelschap aan de deur op te wachten.

„Thomas wat zie je er uit!” riep zijn vader, toen hij hem zag. Hij mocht dit wel zeggen.

Tom had een paar bemodderde voetbalschoenen aan; de kleur van zijn korte, roode broek was onherkenbaar en dit kleedingstuk had een groote scheur boven een der knieën, terwijl tot overmaat van ramp Toms eigen knieën bebloed waren, en hij verder nog een blauw oog had.

„Heeft mama je al zoo gezien, jongmensch?”

„Neen, pa, ik kwam juist aan.”

„Hoe kom je aan dat blauwe oog?”

„Een van de lui heeft er mij bij ongeluk een stomp tegen gegeven, toen wij om de bal vochten. Mijn partij heeft van middag prachtig gewonnen, pa.”

„Dat kan ik zien,” antwoordde zijn vader droogjes, „en dit is nog niet eens de wedstrijd. Hoe moet je er wel uitzien, als je daar vandaan komt? Zal ik maar vast een brancard voor je bestellen?”

„Nou, het ging toch wat mooi. Ik hoop, dat het morgen net zoo gaat,” mompelde Tom verontwaardigd.

„Ik niet, want dan hebben wij kans je niet levend terug te zien,” zeide zijn vader. „Enfin, je moet het zelf weten, als jij plezier hebt je half dood te laten ranselen. Maar je moeder zal wel boos zijn, wanneer zij die kleeren ziet.”

„O, die breng ik wel gauw bij Suze, die maakt ze wel voor mij schoon,” antwoordde de jeugdige kampvechter, die teleurgesteld was, omdat zijn vader niet méér verblijd was over zijn overwinning.

„Vindt je pa het niet goed, dat je meespeelt?” vroeg Paula, nadat zij elkaar begroet hadden, bij het naar binnen gaan aan Tom.

„Ach, jawel, maar pa zegt altijd: „die voetbalnonsens kan mij niet schelen, als je maar voor een goed rapport op het gymnasium zorgt.””

Annie nam Paula mee naar binnen naar mevrouw Stubbens, die het meisje op de koele manier, die zij altijd tegenover vreemden aan den dag legde, begroette. Toch voegde zij erbij: „ik hoop, dat wij je nog dikwijls hier zullen zien, Paula, en dat je, als Annie weer naar huis is, de meisjes nog wel eens zult willen komen opzoeken.”

„Heel graag, mevrouw,” antwoordde Paula.

„Geloof jij, Annie,” zeide zij een oogenblik later tot haar vriendin, toen zij en Annie samen naar boven gingen, „dat Coba en Laura mij ooit zullen vragen? Weet je nog, hoe trotsch zij dien keer op Wilgenhorst tegen mij waren, toen zij met je tante waren meegekomen?”

„Ja, dat herinner ik mij nog wel. Ik weet niet, of ze je zullen vragen, misschien wel.”

Annie brandde van verlangen, om Paula alles te vertellen van mevrouw Van Scheik en de meisjes, maar haar oom had het haar toch nog verboden. „Niet doen hoor,” had hij gezegd, „mevrouw Van Scheik wil het niet hebben en tante en ik ook niet.”

Annie moest dus nog zwijgen. Zij vond het heel vervelend, eerst had oom gezegd, wacht tot je thuis bent en nu toen zij thuis was, had hij haar in de gang toegefluisterd het niet te doen en zij begreep maar niet, waarom.

Op Annie’s dringend verzoek had mevrouw Stubbens toegelaten, dat Paula dien nacht bij haar vriendinnetje op de kamer mocht slapen en toen de meisjes daar nu bezig waren, zich wat op te knappen, voordat zij aan tafel gingen, kwam Tom, na luid op de deur gebonsd te hebben de kamer in.

„Mag ik binnen komen?”

„Je vraagt het wel bijtijds,” antwoordde de meisjes, „maar je mag wel.”

„Zeg, jullie komen morgen toch kijken? Die twee flauwe nuffen willen niet.”

„Wie bedoel je?”

„Die twee stijve preten, Coba en Laura, maar ik zal ze wel hebben.”

„Dat moest je ma eens hooren,” zeide Annie. „Hoor je dat Paula?”

„Hij is boos, hè, Tom,” antwoordde Paula goedig. „Maar, als je ma het goed vindt, zullen wij komen, hoor, dat beloof ik je. Maar, wat heb je een buil op je oog.”

„Ja, zou hij morgen weg zijn?”

„Weg? morgen is hij blauw, geel, groen en paars,” plaagde Annie.

„Denk je dat heusch?” klonk het blij, „dat zou leuk zijn.”

„Leuk?”

„Natuurlijk, dat is iets, waarop je trotsch moet zijn, zegt Frits, het is een teeken, dat je echt gevochten hebt voor de overwinning. Dus jullie komen, hè? dat is patent,” en fluitend verliet hij de kamer.

Toen de meisjes beneden kwamen, vonden zij Tom’s drie zusjes, die bij Paula’s aankomst nog niet thuis waren geweest van de wandeling. Zij begroetten Paula wel wat verlegen, want beiden dachten zij aan de vorige ontmoeting op Wilgenhorst, toen zij zoo onaardig waren geweest. Zij begrepen wel, dat Paula dit nog niet vergeten was en lieten haar dus geheel aan Annie over.

Dien avond tegen zeven uur, toen hij wist, dat de dokter thuis zou zijn, ging de heer Stubbens den heer Van Meerel opzoeken.

„Goeden avond, Stubbens, daar doe je goed aan,” zeide de dokter, toen zijn vriend Stubbens de kamer van den dokter binnentrad, waar deze juist de krant zat te lezen. „Wil je eens opsteken?”

De heer Stubbens nam een sigaar uit den welvoorzienen koker, dien de dokter hem aanbood en nam plaats op den armstoel, welke deze voor hem bijschoof.

„Je raadt nooit, waarover ik je kom spreken,” begon de heer Stubbens.

„Als ik het toch niet kan raden, zeg het dan maar, dat spaart tijd,” merkte de dokter op.

„Over je zoon.”

„Wat heeft hij nu weer uitgehaald? Die jongen is een nagel aan mijn doodkist.”

„Zeg dat nu niet te gauw. Wil ik je eens wat zeggen, Van Meerel? jij kent je eigen zoon niet.”

„Neen, dat lijkt maar zoo! Maanden achter elkaar niets dan slechte cijfers op school; eindelijk komt hij met kunst en vliegwerk op het gymnasium, natuurlijk veel te laat, en dan haalt hij weer kattekwaad uit.”

„Het staat natuurlijk niet aan mij, het te beoordeelen,” merkte de heer Stubbens op, „maar je weet, wij hebben het er vroeger al eens over gehad en toen heb je gezegd: de jongen deugt niet voor de studie; overigens is hij flink en slim genoeg. Maar dat doet niets ter zake; waar ik nu eigenlijk voor kom, dat is om je te verzoeken, den jongen zijn vrije middagen terug te geven, om mij plezier te doen.”

„Om jou plezier te doen! maar hoe heb ik het met je? wat kan het jou nu schelen, of de jongen vrij heeft of niet?”

„Alleen maar dit: dat ik het aan hem te danken heb, dat ik mijn kleine Tine nog bezit.”

„Wat bedoel je in vredesnaam; ik weet van die heele historie niets af.”

„Dat wil ik wel gelooven. Hij vertelt je alleen zijn ondeugende streken, het goede en flinke, wat hij doet, houdt hij voor zich.” En nu vertelde mijnheer Stubbens wat er met Tine was voorgevallen en hoe Frans haar gered had.

„Hoe is het mogelijk,” antwoordde de dokter, „dat had ik nooit achter hem gezocht. Ja, zie je Stubbens, het is eigenlijk zoo ongelukkig. Als dokter heb ik zoo bitter weinig tijd om mij met den jongen te bemoeien, eigenlijk moet ik hem heelemaal aan mijn vrouw overlaten en die verwent hem, terwijl ik hem daarentegen misschien te streng aanpak, telkens als ik klachten over hem krijg. Ik ben blij, dat je het mij verteld hebt. Stelde de jongen toch maar meer vertrouwen in mij, zoodat ik wist, wat hij eigenlijk graag zou worden. Ik heb het altijd als de natuurlijkste zaak van de wereld beschouwd, dat er uit hem een dokter zou groeien als zijn vader en grootvader. Hij heeft er nooit tegen geprutteld. Maar, ik geloof toch ook niet dat hij ooit zoover komt.”

„Nu, daar spreken wij later nog wel eens over, ik zal er mijn gedachten eens over laten gaan, of ik je niet wat aan de hand kan doen, als ik nu maar eerst weet, dat je hem niet langer op zijn vrije middagen opgesloten houdt, dan zal ik je niet langer ophouden.”

„Neen, ik zal hem zijn vrijheid niet langer onthouden,” antwoordde de dokter. „Ik geloof zelf niet, dat het goed voor hem is; hij klaagt dan niet, maar wordt dan alleen zoo akelig stil, dat ik er zelf zenuwachtig van word.”

„Zoo; nu, dan ben ik blij, dat ik niet vergeefs bij je heb aangeklopt, dat zou mij werkelijk gespeten hebben, ik mag den jongen zoo graag.”

„Ik dank je nog wel dat je mij dat alles verteld hebt,” merkte de dokter op.

„Niets te danken, saluut, mijn groeten aan je vrouw,” antwoordde de heer Stubbens en begaf zich opgewekt naar huis.

TIENDE HOOFDSTUK.

EEN TELEURSTELLING VOOR BERTHA.

Den volgenden morgen stond Tom reeds vroeg op. Zijn eerste gang was naar den spiegel. Eigenlijk was dit overbodig, want zonder zich daarin te bekijken, kon hij aan zijn half dicht oog en aan de pijn, die hij daaraan had, wel voelen, dat de buil nog niet verdwenen was.

„Het doet leelijk pijn, maar dat moet je er voor over hebben, want het staat kranig,” mompelde hij bij zichzelf.

Zijn moeder was den vorigen middag inderdaad geschrikt, toen zij haar lieveling, want dat was Tom, zoo gehavend zag. Zij had zich eerst ongerust gemaakt over zijn oog, maar toen haar man haar verzekerd had, dat het niets was dan een gewone buil, was die angst geweken. Zij had er van alles aan willen doen, koude compressen en zooal meer, maar Tom had zich hier heftig tegen verzet, vreezende dat zijn fraaie buil dan misschien den volgenden dag verdwenen zou zijn.

„Niet doen, ma, anders is hij morgen misschien weg,” had hij gezegd.

„Maar, jongen, je ziet er zoo vreeselijk uit. Ik ben bang, dat je oog morgen heelemaal dicht is,” bracht zijn moeder wanhopig in het midden.

„Dan kijk ik door het andere, moes.”

En nu was het de volgende dag en stond Tom als een ijdel meisje voor den spiegel. Hij was tevreden over zijn uiterlijk, dat zijn moeder toen hij beneden kwam „verschrikkelijk” noemde en dat de lachlust opwekte van zijn twee oudste zusjes, die er hem duchtig om plaagden.

„Gaan jullie van middag ook kijken, meisjes?” vroeg mevrouw Stubbens aan Coba en Laura.

„Neen, ma, mevrouw Van Scheik heeft ons meegevraagd om vanmiddag met Coba en Bertha en mijnheer en mevrouw natuurlijk, een groote wandeling te gaan maken, als u het goed vindt.”

„Daar heb ik niets tegen, dan willen Annie en Paula Tine zeker wel meenemen, want papa en ik hebben geen tijd, wij moeten noodzakelijk eenige bezoeken afleggen. Maar zullen jullie goed op haar passen, meisjes?”

„Wij zullen haar niet uit het oog verliezen, tante,” antwoordde Annie.

„Dat is goed en pas vooral op, dat je niet op een gevaarlijke plaats gaat staan, waar je een bal tegen je aan kunt krijgen,” voegde mijnheer Stubbens erbij. „Thomas vindt dat zoo’n buil goed staat, maar ik zie jullie toch liever zonder.”

De kinderen beloofden het en een uur later begaven zij zich vroolijk op weg.

Vol geestdrift volgden zij het spel, dat met vuur gespeeld werd, en toen eindelijk na een heftigen strijd Tom’s elftal een schitterende overwinning behaalde, juichten zij hem uitbundig toe.

Intusschen was Bertha van Scheik diep ongelukkig. Reeds zoolang had zij zich op Paula’s komst verheugd en nu deze er eindelijk was, mocht zij niet naar haar toe.

„Hè, ma, ik heb er zoo naar verlangd, dat Paula komen zou,” zeide zij verdrietig tot haar moeder, „waarom mag ik nu niet met Annie en Paula mee naar den wedstrijd?”

„Neen, Bertha, ik vind het niet goed. Je weet, dat tante Tillens en wij niet wel met elkaar zijn, het kan dus niet. Tante zou er misschien niet op gesteld zijn.”

„Waarom wordt u dan niet weer goed op tante?”

„Luister nu eens, Bertha, je bent nog veel te jong om dat alles te begrijpen, maar je bent te oud om als een klein kind te dwingen. Laat het dus genoeg zijn, dat ik het liever niet heb. Vroeger was Coba zoo’n vriendin van je, is dat nu ineens uit na de komst van Annie?”

„Neen, ma, dat is het niet, maar u weet hoe onaardig Coba tegen Annie kan zijn; als u dat wist, zou u haar in mijn plaats ook niet meer tot vriendin willen hebben. Weet u, wat zij verleden week gedaan heeft? Annie heeft het thuis niet willen vertellen.”