Part 10
„Paula, kom hier bij mij aan tafel zitten, dan zal ik je iets vertellen. Mevrouw Van Scheik,” vervolgde zij, toen haar dochtertje gezeten was, „die je den weg gewezen heeft en je dien brief aan mij meegaf, is je eigen tante, mijn eenige zuster.”
„Hè, ma, waarom heeft zij me dat niet gezegd en u heeft er ook nooit iets van verteld, hoe vreemd!”
„Ja kind, je bent nu oud genoeg om te begrijpen, wat ik je zeggen zal, daarom wil ik het je nu vertellen. Heel lang geleden, zelfs nog vóór je geboorte, hebben je papa en je oom Van Scheik onaangenaamheden gehad en ik heb toen natuurlijk partij getrokken voor je papa en mijn zuster voor haar man. Begrijp je dat?”
„Jawel, moes. Waarom waren ze boos?”
Mevrouw Tillens dacht een oogenblik na alvorens te antwoorden. Neen, het was beter de reden maar niet aan het kind te vertellen. Hoe zou zij van haar oom en tante kunnen houden wanneer zij wist, dat deze haar vader van zoo iets verkeerds verdacht hadden?
„Dat is een lange geschiedenis, Paula,” zeide zij dus maar, „waar je toch niets van zoudt begrijpen, aangezien je geen verstand hebt van zulke zaken en ik het je toch niet zou kunnen uitleggen. Toen je tante je nu ontmoette en zooals zij mij schreef, in jou gezicht hoe langer hoe meer het mijne meende terug te zien, kon zij het verlangen om zich met mij te verzoenen niet langer weerstaan en schreef ze mij dezen brief om mij te vragen of ik het verleden vergeten en vergeven wil.”
„Heerlijk!” riep Paula in de handen klappende, „dan zijn Bertha en Clara dus mijn nichtjes, komen zij hier, moes?”
„Dat weet ik nog niet, ik zal straks aan mijn zuster schrijven.”
Toen Paula en haar moeder een paar dagen later—het was Woensdagmiddag—op zolder bezig waren, waar Paula als een groot meisje haar mama met de wasch hielp, kwam het dienstmeisje met een kaartje in de hand boven.
„Deze heer vraagt of u hem kan ontvangen, mevrouw.”
„Laat meneer maar even in de zijkamer, Lena, en zeg, dat ik dadelijk bij meneer zal komen.”
Toen Lena weg was, zeide mevrouw Tillens tot Paula: „het is oom Van Scheik, laat alles maar zoo staan, Pautje, dan zal ik het morgen wel met Lena afmaken. Het is toch heerlijk voor me zoo’n groote dochter te hebben, die me helpen kan,” voegde zij er glimlachend bij.
Een oogenblik later traden mevrouw Tillens en Paula het salon binnen, waar zij den heer Van Scheik en Bertha vonden.
„Dag, Johan,” zeide mevrouw Tillens dadelijk, terwijl ze hem met uitgestoken hand te gemoet trad, „hoe gaat het je en is dat een van je meisjes?”
„Mijn oudste dochter,” antwoordde de heer Van Scheik, blij dat ze hem zoo vriendelijk ontving, „maar niet de eenige hoor, ik heb er nog een en twee zoons.”
Intusschen hadden de nichtjes ook kennis gemaakt en waren zij samen den tuin ingeloopen.
„Zij passen aardig bij elkaar, hè, zij zijn geloof ik even oud?” vroeg de heer Van Scheik. Toen zweeg hij en keek mevrouw Tillens aan. „Het is een ellendige geschiedenis geweest, Paula,” vervolgde hij een oogenblik later, „ik had al veel eerder willen komen, maar ik was bang, dat je niets van ons zoudt willen weten. Je weet niet hoe blij ik ben, dat je bereid bent alles te vergeven.”
„En te vergeten, Johan; laten wij er nu maar niet verder over spreken.”
„Neen, neen, Paula, dat gaat zoo maar niet, daar kwam ik juist voor hier. Ik wilde je vertellen, dat ik besloten ben alles nog eens grondig te laten onderzoeken.”
„Heb je dat dan niet vroeger gedaan, bij het leven van mijn armen man?”
„Zeker wel, maar toen leefde de oude heer Stokman nog en ik ben langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat hij de schuld van alles was. Hij schijnt een gladde vogel geweest te zijn, die wel degelijk belang had bij het wegraken van de bedoelde papieren. Ik word woedend als ik eraan denk, dat wij, zooals ik nu zeker weet, dien armen Tillens onschuldig verdacht hebben en het nu niet meer aan hem kunnen goed maken. Kan jij je voorstellen, wat dat voor een gevoel moet zijn, Paula? Wil je me toestaan, zooveel ik kan het geleden onrecht aan jou en je kind te vergoeden?”
„Als je dat verlangt, Johan.”
„Niets liever dan dat,” antwoordde de heer Van Scheik blijkbaar opgelucht, omdat zij geen wrok koesterde. „Je moet weten,” zeide hij een oogenblik later, „dat Mina en Clara vandaag mee hadden willen komen, maar ik wilde je liever eerst alleen spreken om met je te overleggen. Welke plannen hadt je eigenlijk met Paula?”
„Om je de waarheid te zeggen, had ik nog geen vast plan betreffende haar. Zij moet natuurlijk haar eigen brood verdienen, ik denk wel, dat zij bij het onderwijs zal gaan. Zij heeft een goed hoofd om te studeeren.”
„Wat een toekomst voor het arme kind, naar de kweekschool, examens doen, en dan de eerste jaren van ’s morgens tot ’s middags aan een armenschool les geven en tegelijk voor haar hoofdakte werken. En als zij dan nog maar een goed salaris kreeg, maar dat is ook maar net genoeg om niet van honger om te komen. Neen, Paula, zoo’n leven wil ik je dochter zoo mogelijk besparen. Ik heb er in de laatste dagen eens over nagedacht en ben tot de slotsom gekomen, dat het voor Bertha en Paula zeker heel aardig zou zijn, samen te werken. Bertha’s groote illusie is het gymnasium af te loopen en te gaan studeeren; zou Paula daar ook zin in hebben? zij zou dan een betere toekomst te gemoet gaan, dan als eenvoudig onderwijzeres.”
„Of zij het prettig zou vinden? dat zou ik meenen!” antwoordde mevrouw Tillens.
„Wij zijn van plan Bertha het volgend jaar op het gymnasium te doen. Misschien kan zij dan met bijwerken van Grieksch en Latijn in de tweede klasse komen en nu had ik het volgende bedacht: Jij komt met Paula bij ons in de stad wonen, de meisjes nemen samen privaatles en volgend jaar gaan zij naar het gymnasium. Wat zeg je daarvan? Je zoudt Paula natuurlijk bij ons in huis kunnen doen, terwijl jij hier bleef wonen, maar ik begrijp, dat het je te zwaar zou vallen van haar te scheiden en het kind zou jou te veel missen. Ik heb al een aardig huis voor je op het oog, niet duurder dan dit en met een flinken tuin, en de opvoeding van Paula is natuurlijk voor mijn rekening, dat mag je mij niet weigeren, Paula, anders denk ik, dat je nog boos bent. De cursus is nog geen twee maanden aan den gang, dus kan zij gemakkelijk invallen en de school hier is goed zoodat ik niet bang ben, dat zij niet in de zevende zal komen.”
„Het komt zoo plotseling, Johan, mag ik er een paar dagen over denken?”
„Natuurlijk, maar niet te lang, want het zou het beste wezen, dat Paula over een week op school kwam.”
„Maar, ik heb hier nog een jaar huur.”
„Dat breng ik wel voor je met den huisheer in orde, laat dat maar aan mij over, wanneer zoo iemand met een man te doen heeft, zal hij veel welwillender zijn, dan wanneer jij dat zaakje met hem afhandelt. Nu, Zondag verwacht ik je antwoord. Wil je ons het genoegen doen, dien dag bij ons te komen doorbrengen? dan kom ik je om tien uur per rijtuig halen, je doet er ons allen een groot genoegen mee, dat begrijp je.”
„Zeg aan Mina, dat ik graag zal komen, want dat ik erg verlang haar terug te zien,” antwoordde mevrouw Tillens.
De meisjes kwamen arm in arm de kamer in en waren dol blij, toen zij hoorden, dat zij elkaar den volgenden Zondag weer terug zouden zien.
„Ik mag meerijden om tante en Paula te halen, hé pa?” vroeg Bertha.
„Wij zullen het aan mama vragen, als die het goed vindt, heb ik er ook niets tegen,” antwoordde haar vader. „Maar nu wordt het onze tijd, jonge dame, neem dus afscheid van tante en Paula.”
Dezen deden hen nog uitgeleide tot aan het hek en een oogenblik later reden vader en dochter weg.
„Ik heb heel groot nieuws voor je, Pautje,” zeide mevrouw Tillens, zoodra zij en haar dochter weer alleen waren. „Oom heeft mij een voorstel gedaan, maar ik heb gezegd, dat ik er nog een paar dagen over moest denken, want als jij het al te akelig vindt, dan wil ik het niet aannemen.”
„Wat is het dan toch, moesje?”
„Als het doorgaat zou je van hier weg moeten, zou je dat héél naar vinden?”
„Ik weet het niet, ma, nu Annie weg is, heb ik het hier zoo stil.”
„Nu, oom kwam vragen of jij er zin in zou hebben met Bertha samen privaatlessen te nemen, om daarna met haar naar het gymnasium te gaan en later te studeeren.”
Paula’s oogen glinsterden van blijdschap. „Meent u het? O, moes, het is bijna te heerlijk!”
„Maar je moet niet vergeten, dat je dan nooit meer hier komt, want wij moeten dan in de stad gaan wonen en je bent zoo aan het buitenleven gewend.”
„Ja, moesje, dat is wel zoo, maar u weet niet hoe heerlijk het daar is met al die andere meisjes. Hier ben ik altijd alleen.”
„Wij waren toch samen, Pautje, maar je hebt misschien gelijk,” merkte mevrouw Tillens met een zucht op, „jong hoort bij jong en een oude moeder is geen vroolijk gezelschap voor een meisje van dertien jaar.”
„Neen, ma, dat moet u niet zeggen,” riep Paula verdrietig, terwijl zij een arm om den hals van haar moeder sloeg, „maar u weet niet hoe prettig het daar bij mevrouw Stubbens was.”
„Zeker, kindje, ik begrijp het best; dus zal ik dan Zondag maar aan oom zeggen, dat ik zijn voorstel aanneem?”
„Verrukkelijk, moesje, met Bertha en nu eerst ook nog met Annie op dezelfde school!” en de anders zoo kalme Paula danste in haar blijdschap de kamer rond.
Mevrouw Tillens verlangde bijna even sterk naar den Zondag als haar dochtertje en toen Paula, die den Zondagmorgen al een half uur met den neus tegen de ruiten gedrukt had gezeten, haar eindelijk opgetogen van blijdschap toeriep, dat het rijtuig aankwam, stond zij al geheel gereed te wachten.
Bertha had van haar moeder toestemming gekregen om mee te gaan om haar tante en nichtje te halen, en het duurde niet lang of mevrouw Tillens en Paula zaten bij hen in het rijtuig.
„Oom,” zeide Paula, onder het rijden, „als ik dien vorigen Zondag niet verdwaald was, dan had ik tante niet ontmoet en dan zou u niet bij ons gekomen zijn.”
„Dat denk je maar,” antwoordde de heer Van Scheik, „ik was het al lang van plan, maar ik was bang, dat je moeder niets van mij wilde weten en daarom heb ik niet eerder durven komen.”
„Foei, Johan, hoe kan je zoo spreken, dat weet je wel beter!” riep mevrouw Tillens verontwaardigd.
„Daar staat mama aan het raam naar ons uit te kijken,” zeide Bertha en het volgende oogenblik hield het rijtuig voor het huis der familie Van Scheik stil.
Onmiddellijk werd van binnen de deur geopend en nu had er een innige begroeting tusschen de beide zusters plaats.
„Ach, Paula, ik heb zoo naar je verlangd,” zeide mevrouw Van Scheik met tranen in de oogen.
„En ik dan, Mina,” was het antwoord van haar zuster. „Weet je wel dat het al vijftien jaar geleden is, dat wij elkaar voor het laatst zagen?”
„Spreek er me niet van, het lijkt me een eeuw,” riep mevrouw Tillens, „maar nu zal het anders worden, want wij komen hier wonen.”
„Ik had wel hoop dat je het voorstel zou aannemen, Paula,” merkte de heer Van Scheik op, „daarom heb ik alvast den sleutel gevraagd van het huis, waarvan ik je sprak, dan kan je het van middag gaan zien. Het is hier schuin tegenover, je kunt het van hier zien, dat huis met het bordje „te huur.””
„Wat, dat groote huis! zijn de huizen hier allemaal zoo goedkoop?” vroeg mevrouw Tillens.
„O, je zoudt er versteld van staan als je die prijzen hoorde,” antwoordde mijnheer Van Scheik met een knipoogje tegen zijn vrouw.
Na de koffie gingen zij gezamenlijk naar den overkant, want de meisjes wilden natuurlijk ook graag mee en daarna zouden deze Annie gaan opzoeken en haar voor dien middag ten eten vragen.
De bedoelde woning was wel niet zoo groot als mevrouw Tillens eerst dacht, maar ze was ruim en gezellig en het heerlijkst van alles was de groote tuin, die zich achter het huis uitstrekte.
„Als je liever buiten de stad woont om het gevoel te hebben van toch nog buiten te zijn,” zeide de heer van Scheik, „dan kan je even buiten de stad ook nog een huis krijgen; je hebt maar te kiezen.”
„Neen, dank je,” antwoordde mevrouw Tillens, „dat buitenleven kan ons niet schelen, wij zijn veel liever in de buurt van tante, nietwaar, Pautje?”
„Ja, ma, dat is veel prettiger.”
„Dat is dan in orde,” hernam mijnheer Van Scheik, „dan zal ik dit huis morgen dadelijk voor je huren en Dinsdag stuur ik je Mina voor een paar dagen om je met de verhuizing te helpen.”
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
FRANS VAN MEEREL BEZOEKT DEN HEER STUBBENS.
Ongeveer een maand was er verloopen. Mevrouw Tillens woonde reeds sedert een paar weken in de Markusstraat tegenover haar zuster en Paula was bij Bertha in de klas gekomen. Annie die eerst zoo verdrietig was geweest, omdat zij bij tante Dora moest gaan logeeren, bedacht nu met schrik, dat er reeds twee maanden van haar verblijf bij de familie Stubbens om waren. Zij had in dien tijd nog een paar brieven van Mary Ackfield gekregen en in den laatsten had deze haar verteld, dat zij over veertien dagen met haar zuster en den heer Van Walen naar Wilgenhorst kwam, omdat daar het een en ander veranderd moest worden.
Haar brieven aan Annie waren altijd zoo lief en hartelijk, dat het kind bepaald begon te verlangen om kennis met haar te maken, zoodat zij in de wolken was, toen Mary schreef dat zij naar Nederland kwam.
„Tante,” zeide zij toen zij na het lezen van dit schrijven in de huiskamer kwam, waar haar tante zat te werken, „hier is een brief van juffrouw Ackfield, zij komt met haar zuster en papa over veertien dagen naar Wilgenhorst.”
„Dat is aardig Annie, dan zal ik dadelijk schrijven of juffrouw Ackfield hier wil komen logeeren, wat zeg je daarvan?”
„U bent een best tantetje ik vind het heerlijk! schrijft u gauw?”
„Ik beloof het je.”
Annie was met haar nichtjes en Tom naar school gegaan en zoodra mevrouw Stubbens met haar huishoudelijke bezigheden klaar was, schreef zij aan Mary Ackfield om haar te logeeren te vragen. De brief was reeds klaar en verzonden, toen de kinderen om twaalf uur uit school kwamen.
„Frans is tegenwoordig zoo saai,” zeide Tom, „je hebt niets meer aan hem. Hij is knorrig en vervelend.”
„Heeft hij misschien thuis een standje gehad, omdat hij een slecht rapport heeft?” vroeg de heer Stubbens.
„Dat weet ik niet, misschien wel, want hij had vier onvoldoenden en zijn papa is erg streng.”
„Dat is maar goed ook,” bracht Coba wijsneuzig in het midden, „hij doet veel meer aan sport dan dat hij werkt.”
„Stil, Coba hoe weet jij nu of Frans werkt of niet?” vroeg haar moeder streng.
„Anders kon hij toch geen vier onvoldoenden hebben,” pruttelde Coba binnensmonds en verliet de kamer.
Toen de heer Stubbens dien avond, in zijn studeerkamer zat, kwam Suze hem zeggen, dat de jongeheer Van Meerel hem wenschte te spreken.
„Laat den jongeheer maar binnen,” antwoordde de heer Stubbens, een stoel voor Frans bijschuivende. Het volgende oogenblik trad de jongen de kamer in.
„Dag, meneer.”
„Dag, Frans, kom binnen, wat heb jij op je hart? Kan ik iets voor je doen?”
Het gezicht van Frans klaarde op, omdat mijnheer Stubbens hem het begin zoo gemakkelijk maakte. „Ja, meneer dat is het juist, waar ik om kom. U heeft mij vroeger wel eens gezegd, dat u mij zou willen helpen als het noodig was.”
„Als het iets is, dat ik doen kan, dan kan je op mij rekenen.”
„Ziet u, ik wou vragen, of u niet voor mij met papa zou willen spreken. Ik wou zoo graag van het gymnasium af, maar ik durf het niet aan papa te zeggen. Papa houdt zelf zooveel van studeeren, dat hij zich niet kan voorstellen, dat een ander er een hekel aan heeft.”
„Maar, heb je dan al bedacht, wat je zoudt willen worden?”
„Ik zou graag naar de landbouwschool gaan, meneer.”
„Maar, zeg dat dan aan je vader.”
„Dat durf ik niet, meneer, daarvoor kwam ik nu juist bij u. Zou u het niet voor mij willen doen?”
„Hoor eens, jongen, ik zou het graag voor je doen, als het noodig was maar, ik zal je eens wat zeggen. Eenigen tijd geleden ben ik bij je vader geweest en toen heb ik hem over jou gesproken, juist ook, omdat ik wel inzag, dat jij geen jongen bent voor de studie. Je papa had er geen flauw vermoeden van dat je liever iets anders zou worden; hij zeide, dat je er nooit met hem over gesproken hadt en daarom vind ik het beter, dat je het eerst zelf aan je vader vertelt.”
„Maar dat durf ik niet, meneer.”
„Kom, niet zoo laf, hoor! je vader zal je niet opeten, hij zou je nooit tegen je zin willen dwingen.”
„Papa zou toch zelf ten slotte inzien, dat het niets geeft, ik kan al dat gedoe niet in mijn hoofd werken. Maar het is altijd papa’s illusie geweest dat ik ook dokter zou worden, evenals hij.”
„Neen, Frans, ik weet dat je papa er best over te spreken is en mocht je het niet met hem over de zaak eens kunnen worden, kom dan gerust bij me, dan zal ik eens zien, wat ik voor je doen kan. Als je papa er ooren naar heeft, zeg hem dan, dat hij later op mij kan rekenen, wanneer je de school hebt afgeloopen en een plaatsing zoekt, want dan kan ik je daarbij van dienst zijn.”
„Dank u wel voor uw raad, meneer, ik zal morgen dadelijk met papa spreken, als papa tenminste een oogenblik voor mij over heeft.”
„Dat is flink, jongen en ik hoop, dat je mij in ieder geval den uitslag zal komen vertellen,” antwoordde de heer Stubbens opstaande, „nu, Frans, het beste.”
„Dag, meneer, dank u nog wel,” zeide de jongen, de hand aannemende, die de heer Stubbens hem toestak.
Zijn vader was al uit, toen Frans thuiskwam, dus moest hij tot den volgenden dag wachten.
„Pa, hebt u het vandaag erg druk?” vroeg hij den volgenden morgen aan het ontbijt, „ik wou u zoo graag spreken.”
„Ja, jongen, ik heb nu geen tijd,” antwoordde de dokter zijn zakboekje te voorschijn halende, „laat eens zien, ik ben tot het eten toe bezet, maar dan behoef ik niet eer uit voor acht uur. Na tafel ben ik dus tot je dienst, kom dan maar bij mij in mijn kamer.”
Na het eten volgde Frans zijn vader naar diens studeervertrek.
De dokter wees op een stoel. „Ga zitten, Frans, dan kunnen wij beter praten, wat heb je mij te vertellen?”
„Pa, ik wou zoo graag van het gymnasium af, ik zal toch nooit kunnen studeeren.”
Zwijgend keek de dokter zijn zoon aan.
„Het is jammer, verbazend jammer,” zeide hij eindelijk op teleurgestelden toon. „Je overgrootvader, je grootvader en ik, wij waren allemaal dokter van geslacht tot geslacht, dus was het eigenlijk de aangewezen weg geweest, dat jij er ook een zoudt worden. Maar toch vrees ik dat je gelijk hebt. Maar wat wil je dan? op een kantoor?”
„Neen, als ’t u blieft niet, ik zou graag naar de landbouwschool gaan.”
„Hoe kom je daar zoo toe?”
„Ik heb er lang zin in gehad, pa en ik zal het u maar zeggen, ik ben gisteravond bij mijnheer Stubbens geweest om te vragen of die er ook met u over wou spreken, want hij had mij gezegd, dat ik maar bij hem moest komen als ik hulp noodig had,” zeide Frans terwijl hij een kleur kreeg.
Het hinderde den heer Van Meerel, dat Frans eerst naar een vreemde was gegaan, in plaats van met zijn eigen vader te spreken, maar hij voelde dat hij dit aan zichzelf te wijten had, daar hij zijn zoon nooit de gelegenheid had gegeven rustig met hem te praten. „Wilde mijnheer Stubbens het niet voor je doen?” vroeg de dokter.
„Meneer zeide, dat ik het eerst zelf aan u moest zeggen, en als u het toestond, dan zou hij wel met u willen spreken.”
„Zeer verstandig van mijnheer, dat hij je eerst zelf met mij liet spreken, dat is toch ook zooals het behoort. Maar, stel nu, dat je op de landbouwschool komt en die hebt afgeloopen, wat dan verder?”
„Meneer Stubbens zeide ook nog, dat ik aan u moest zeggen, dat hij me dan wel een plaatsing zou kunnen bezorgen.”
„Nu, jongen, ik zal erover denken, want zoo gaat het toch ook niet, dat zie ik zelf wel in,” zeide de dokter met een zucht, „doe nu goed je best, zoolang je nog op het gymnasium bent, dan zal ik erover denken. Het is jammer, verbazend jammer,” hoorde Frans hem nog mompelen, toen hij de studeerkamer van zijn vader verliet, om boven zijn werk te gaan maken.
Voordat de dokter dien avond naar huis reed, ging hij nog even bij den heer Stubbens aan.
„Mijnheer thuis?” vroeg hij aan Suze, die hem opendeed.
„Jawel, dokter, komt u maar even binnen.”
Suze liet den heer Van Meerel in de kamer van den heer Stubbens en ging toen binnen zeggen, dat de dokter meneer wenschte te spreken.
„Zeg aan den dokter dat ik dadelijk kom, Suze,” en toen het meisje weg was, voegde de heer Stubbens er tot zijn vrouw bij: „als Van Meerel den jongen toch wil dwingen om op het gymnasium te blijven, dan zeg ik hem de vriendschap op, die Frans is evenmin geschikt om dokter te worden, als mijn oude schoen.” Daarop legde meneer zijn boek neer en begaf zich naar zijn kamer.
„Stubbens, ik kom je bedanken,” zeide de dokter, nadat de heeren elkaar de hand hadden gegeven.
„Zoo, waarmee? Maar ga eerst zitten.”
„Wel, omdat je mijn jongen naar mij verwezen hebt,” antwoordde de dokter plaats nemende.
„Nu, dat was toch de aangewezen weg, ik, als vreemde, kon mij toch niet tusschen jou en je zoon plaatsen? ja, als jij heelemaal niet naar den jongen hadt willen luisteren, dan was het een ander geval geweest, dan zou ik mij er wel mee bemoeid hebben, omdat hij het mij verzocht had. En, als ik vragen mag, wat is het eind van het lied?”
„Dat ik beloofd heb erover te denken. Het lijkt mij nog zoo’n kwaad idee niet, die landbouwschool en als hij er plezier in heeft, zal hij ook met meer hart werken en beter vooruitkomen, maar ik heb zoo weinig tijd om die zaak in orde te brengen, dat is zoo ellendig.”
„O, maak je daar niet bezorgd over, als je het goed vindt, wil ik het heelemaal voor je bedisselen, want ik heb tijd in overvloed.”
„Zou je dat willen?” vroeg de dokter dankbaar, „je begrijpt, dat ik het graag zelf zou doen, maar ik weet zoowaar niet, waar ik den tijd vandaan moet halen, want het is misschien het beste om met den directeur zelf te spreken?”
„Laat alles maar aan mij over, Van Meerel. Als de zaak voor elkaar is, behoef je alleen maar aan Frans ie zeggen, je gaat dan en dan naar de landbouwschool en je gaat in huis bij den broer van meneer Stubbens. Zou je dat lijken?”