Chapter 11 of 13 · 3985 words · ~20 min read

Part 11

„Jij bent nog eens een vriend, waar iemand wat aan heeft, Stubbens, maar mij dunkt, dat je broer ervoor zal bedanken zoo’n jeugdigen levenmaker in huis te nemen. Misschien is hij niet aan kinderen gewend.”

„Hij heeft er zelf vier, dus dat zal wel gaan; het zijn aardige, flinke jongens en er is daar gelegenheid in overvloed voor sport.”

„Zonder sport zou Frans, geloof ik, niet meer kunnen leven,” merkte de dokter op, „als zijn werk er dan maar weer niet onder lijdt.”

„Neen, daar zal mijn broer wel op passen, nu, ik zal er morgen dadelijk werk van maken.”

De dokter vertrok na zijn vriend nog eens bedankt te hebben en reed naar huis.

Frans durfde zijn vader verder niet meer vragen, hoe het met de zaak stond en als hij er zijn moeder naar vroeg, dan antwoordde deze altijd, dat hij het wel van zijn vader hooren zou, wanneer deze het noodig vond, dat Frans het zou weten.

Drie dagen gingen er voorbij, zonder dat zij iets hoorden, maar op den vierden dag, toen de familie Van Meerel juist van tafel was opgestaan, werd de heer Stubbens aangediend.

„Laat mijnheer maar hier binnen,” zeide de dokter en het volgende oogenblik trad zijn vriend de huiskamer in.

„Dag mevrouw, dag Van Meerel, zoo jeugdige losbol, hoe gaat het met jou?” voegde de heer Stubbens er tot Frans bij en gaf ieder beurtelings de hand. „Ik kwam maar even vertellen, dat de zaak in orde is. Als onze jonge vriend, daar, er plezier in heeft, kan hij na de Kerstvacantie op de landbouwschool komen en mijn broer zal tegen dien tijd een kamer voor hem inruimen.”

Met een open mond stond Frans te luisteren.

„Mag ik werkelijk gaan, pa?” vroeg hij eindelijk.

„Je hoort het,” antwoordde zijn vader, „meneer Stubbens is zoo vriendelijk geweest de zaak voor mij in orde te brengen, omdat ik er geen tijd voor heb; je mag er meneer wel voor bedanken.”

Frans gaf den heer Stubbens de hand. „Dank u wel, meneer, dat u dat voor mij gedaan hebt,” zeide hij.

„Niets te danken, jongen.”

„Ik zal direct zelf aan je broer schrijven, Stubbens en hem zeggen, dat ik in de Kerstvacantie met Frans bij hem hoop te komen om kennis te maken,” zeide de dokter, toen zijn vriend opstond om heen te gaan, „en ik dank je nog wel voor de moeite.”

„Kent papa dien broer van meneer Stubbens, ma?” vroeg Frans toen de dokter was uitgegaan, „en is het een klein gezin?”

„Neen, kind, wij kennen die menschen niet, maar er zijn vier jongens dus gezelschap genoeg voor je. O, Frans, als zij je maar geen slechte dingen zullen leeren,” voegde de bezorgde moeder er angstig bij.

„Welneen, ma, het is leuk, hè, met je vijven jongens in huis.”

„Je hadt hier toch vrienden genoeg,” zeide zijn moeder verwijtend, „je kon Tom en de andere jongens zoo dikwijls zien als je maar wilde. En hier heb je ons tenminste nog, terwijl je daar geheel onder vreemden bent.”

„Maak er mij nu niet tegen, ma, nu alles is afgesproken. Wil ik u eens wat zeggen?” voegde de jongen er vertrouwelijk bij. „Al waren die meneer en mevrouw Stubbens de akeligste menschen van de wereld en al had ik daar geen enkelen vriend, dan zou ik toch nog blij zijn, dat ik van dat ellendige gymnasium afkon, dáár!”

Het kwam zoo uit den grond van zijn hart, dat zijn moeder nu eerst een denkbeeld ervan kreeg, welk een afschuw de arme jongen van de studie had, waarvoor hij voelde dat hij niet berekend was.

„Vind je het er zóó erg, jongen?” vroeg zij, hem naar zich toe trekkende. „Dan ben ik ook van harte blij voor je, dat je er van daan gaat.”

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

JUFFROUW ACKFIELD.

„Kijk eens, Annie,” zeide mevrouw Stubbens, toen Annie den dag na het bezoek van haar oom aan den dokter, ’s middags uit school kwam. „Kijk eens wat ik hier heb.”

„Een brief!” riep Annie blij, „van juffrouw Ackfield?”

„Juist, een brief van juffrouw Ackfield,” herhaalde tante Dora, „en zij schrijft, dat zij den twaalfden November bij ons komt. Haar zuster gaat bij onze gemeenschappelijke vrienden logeeren en Mary komt hier, terwijl je vader op Wilgenhorst is.”

„Verrukkelijk, heerlijk!” riep Annie opgetogen, „twaalf November al en vandaag is het al de derde.”

„Een mooie rekensom, Annie,” merkte haar oom op. „Vandaag is het de derde November en de twaalfde komt de logee, hoeveel dagen moeten er dan nog verloopen, voordat zij er is? Ik wed, dat Tine het nog wel weet. Kom eens hier, Tine en zeg eens over hoeveel dagen juffrouw Ackfield komt.”

„Vijf en twintig,” antwoordde de kleine prompt.

„Niet waar,” riep Annie en telde op haar vingers: „vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf. Negen dagen nog!” en zegevierend hield zij negen vingers in de hoogte.

„Netjes uitgerekend,” hervatte haar oom, „maar zonder die vingers zou het nog mooier geweest zijn. Je kunt toch wel uit je hoofd aftrekken, jongejuffrouw?”

„Ja, oom,” antwoordde het meisje lachend, „maar zoo is het gemakkelijker.”

„Je mag ook Flok nog wel beter leeren opzitten, voordat juffrouw Ackfield komt. Ik weet, dat zij veel van honden houdt en dan zal zij dat zeker wel aardig vinden,” merkte mevrouw Stubbens op.

„Hij kan al prachtig, kijk maar, mooi, Flok, mooi!”

„Keurig, hoor,” zeide mijnheer Stubbens, toen Flok statig als een paal overeind ging zitten, „hoeveel kaakjes heb jij wel opgegeven, Annie om het hem te leeren?”

„Hij kreeg er ook altijd een, wanneer ik er een nam, oom,” antwoordde Annie, terwijl de heer Stubbens lachend opstond om de kamer te verlaten.

„Dag, ma, dag, pa, verbeeld u Frans gaat weg, wat lam hè?” Met deze woorden kwam Tom de kamer binnen.

„Wij wisten het al, jongen,” zeide zijn moeder, „je papa is er zelf voor uit de stad geweest om met oom Stubbens te spreken, bij wien Frans in huis gaat.”

„Frans is zeker blij, Thomas?” vroeg zijn vader.

„Nou, of ie, ik heb hem nog nooit zoo dol gezien als vandaag en hij vertelde juist, dat hij bij oom Piet in huis gaat, dat vindt hij ook zoo leuk.”

„Oom en tante zullen wat te stellen krijgen met vijf jongens in huis,” merkte zijn vader op. „Denk je ook niet, Thomas?”

„Dat hangt er van af, pa, als zij allemaal zoo lief zijn als Frans en ik dan zal het wel schikken.”

„Nu, in ieder geval zou ik hem niet feliciteeren,” hernam de heer Stubbens en gaf Tom schertsend een klap op den schouder, waarna hij den kamer uitging.

„Tante, vertel mij nog wat van juffrouw Ackfield,” zeide Annie, „hoe ziet zij eruit, is zij mooi?”

„Zeker, zij is heel mooi,” antwoordde tante Dora nadenkend, alsof zij zich het gelaat van de bedoelde dame voor den geest trachtte te roepen. „Zij is een mooie vrouw met een mooi elegant figuur, donker haar en de liefste oogen, die ik ooit gezien heb. Ik houd heel veel van haar.”

„U maakt, dat ik zoo verlang om haar te ontmoeten, tante, weet u wat ik zal doen? Ik ga negen streepjes op een papier zetten en iederen dag schrap ik er een door, dan is het veel gauwer de twaalfde,” zeide Annie.

„Zou je dat denken?” vroeg haar tante met een glimlach; „ik weet nog een ander middel dat maakt dat de tijd vlug voorbij gaat, je moet die beide middelen eens probeeren en dan wed ik, dat het mijne het beste helpt.”

„Wat is dat dan?”

„Niet leeg zitten, zoodra je je gaat vervelen en moet vragen, tante, wat zal ik nu gaan doen, ik verveel mij zoo? altijd bezig zijn. Ik bedoel natuurlijk niet dat je altijd moet leeren en werken,” voegde mevrouw Stubbens er snel bij, toen zij Annie’s gezichtje zag betrekken, „iedereen heeft behoorlijk uitspanning noodig, maar al neem je slechts een papier en potlood om te teekenen, als je maar niet leeg zit, dan zal je zien, dat de tijd in een oogenblik om gaat.”

„Gaat de dag dan gauwer om, tante?”

„Dat lijkt tenminste zoo; jij denkt toch niet, dat hij een minuut gauwer verloopen zal omdat jij die streepjes afschrapt?”

„Neen, tante, maar Tom zegt, dat het helpt.”

„Nu, zet jij maar je streepjes en schrap ze af, maar volg ook mijn raad dan zal je eens zien, hoe gauw het de twaalfde is.”

In den laatsten tijd had Annie eenige neiging getoond tot tijd verbeuzelen; niet dat zij stil bleef zitten zonder iets uit te voeren, daarvoor was zij veel te woelig, maar de verschillende gebeurtenissen der laatste weken en nu weer de op handen zijnde komst van juffrouw Ackfield, die zulk een groote plaats in haar leven zou innemen, hadden het kind iets rusteloos gegeven, zoodat zij nu eens dit opnam en dan weer dat, zonder eigenlijk tot iets te komen, en zich daardoor verveelde. Mevrouw Stubbens was dan ook zeer blij dat deze gelegenheid zich voordeed om hier een eind aan te maken en deed al haar best om het meisje bezigheid te verschaffen buiten de schooluren. Zoo had zij haar onder andere een keurig schuiertje gegeven en gezegd, dat zij Flok iederen morgen moest schuieren, zoodat hij een mooi glimmend vel zou hebben en er netjes uit zou zien tegen dat Mary kwam. Ook moest zij Tine helpen om Fliks toilet in orde te houden, want die kleine vriend bezat een groote voorliefde voor het kolenhok, zoodat hij soms meer van een zwarten, dan van een witten hond had. Verder bedacht tante Dora nog allerlei andere dingen en haar moeite werd werkelijk beloond; Annie werd rustiger en klaagde niet meer over verveling.

De elfde November was genaderd en toen Annie ’s middags thuiskwam zeide haar tante: „nu, meisje, hebben de beide middelen geholpen?”

„Ja, tante, het uwe wel, maar ik heb heelemaal vergeten de dagen af te schrappen, drie heb ik er nog gedaan, meer niet.”

„Komaan, dat doet me plezier,” antwoordde mevrouw Stubbens opgeruimd, „dat is een bewijs, dat de tijd je niet te lang gevallen is. Nu nog maar één dagje, Annie, en wil ik je eens wat zeggen? je mag morgen mee naar het station om je papa en juffrouw Ackfield te halen. Zij waren eerst van plan geweest ’s morgens te komen, maar dat plan is veranderd, zij komen eerst om drie uur aan. Wat een tref, dat het juist op Woensdag valt, vindt je niet?”

„O, tante, hoe heerlijk, nu kan ik mee naar den trein!” riep Annie uitgelaten van blijdschap. „Gaan wij in de auto?”

„Ik weet het niet, meisje, maar wees nu niet zoo druk, de menschen op straat kunnen je hooren, die kijken naar binnen, ik heb er niets tegen, dat je vroolijk en blij bent, maar je moet niet zoo uitgelaten zijn.”

Wanneer Annie het al te bont maakte, sprak tante Dora nog wel eens streng tegen haar, zooals vroeger op Wilgenhorst, maar toch hield Annie nu veel van haar tante evenals deze van haar.

„Ik zou van avond maar vroeg naar bed gaan, Annie,” zeide haar oom dien middag aan tafel, schertsend, „des te eerder is het morgen, niet waar, Dora?”

„Ik zou bang zijn, dat zij toch in de eerste uren niet in slaap zou vallen,” antwoordde mevrouw Stubbens ernstig; „je hebt er geen idee van hoe uitgelaten dat kind den heelen dag geweest is; wil je wel gelooven, man, dat ik er suf van ben? Ik heb er haar van middag al de les over gelezen, maar niets hielp; zij is precies Thomas, wanneer hij een pretje in het vooruitzicht heeft.”

„Een goed kind, dat naar haar neef aardt, niet waar, Annie,” merkte de heer Stubbens lachend op. „Na morgen worden wij weer verstandig, is het niet zoo? dan laten wij aan tante en juffrouw Ackfield zien, dat wij vroolijk kunnen wezen, zonder uitgelaten te zijn, zoodat wij ons tegenover juffrouw Ackfield niet hoeven te schamen over de opvoeding, die wij je hier gegeven hebben. Heb je veel huiswerk te maken?”

„Alleen maar een Fransche thema.”

„Dan weet ik wat, dan gaan wij dadelijk na het eten met Tine en de hondjes kalm een eindje wandelen, maar die te wild is, wordt dadelijk naar huis gebracht, hoor. Als wij dan terug zijn zal de thema veel makkelijker te maken zijn, dan wanneer je er nu direct aan begint.”

Zoo gebeurde het en het gevolg was dat Annie, zoodra zij in bed lag rustig insliep en eerst wakker werd, toen de zon in de kamer scheen. Zij ontwaakte met het gevoel, dat er iets prettigs ging gebeuren, maar zij besefte nog niet dadelijk wat het was. Toen zij eindelijk helder wakker was en zich alles herinnerde, sprong zij blij uit bed en kleedde zich vlug aan, want voordat zij naar school ging, wilde zij Flok zoo mooi maken, als ze maar kon.

Eindelijk was het oogenblik gekomen en reed de auto vóór om haar met oom en tante naar het station te brengen. Annie keek toen zij, na een minuut of tien gereden te hebben, aankwamen op de stationsklok. Nog zes minuten, dan zou de trein er wezen. Op het perron gekomen staarde zij onafgebroken in de richting, vanwaar haar oom haar gezegd had, dat de trein komen zou, maar het werd langzamerhand zoo druk, en er kwamen zooveel menschen, dat zij bang werd, dat zij juffrouw Ackfield niet zouden vinden.

„Wees maar niet bang,” zeide haar oom troostend, toen zij hem haar vrees te kennen gaf, „je papa weet, dat wij hem komen halen, zij zullen niet weggaan zonder ons.” En hij nam het meisje bij de hand, zoodat zij niet in de drukte van hen af zou raken.

Een dof gerommel deed zich hooren en, werkelijk, daar naderde puffend en hijgend de trein; hij verminderde zijn vaart en stond eindelijk stil. Portieren werden geopend, menschen drongen naar voren om zich een goed plaatsje te veroveren, karren met koffers reden over het perron, het „past er op!” klonk Annie van verschillende zijden in de ooren en te midden van al die drukte en al dat gewoel, kreeg Annie eensklaps haar vader in het oog.

„Papa, daar is papa!” riep zij opgewonden en trok haar oom zoo snel mee, dat zij bijna samen onder een vrachtwagen kwamen. Voor het oogenblik, toen zij in de armen van haar vader lag, was Annie juffrouw Ackfield geheel vergeten, maar de heer Van Walen, die, zoodra hij zich uit de omhelzing van zijn dochter had kunnen bevrijden, ook zijn zuster en zwager begroet had, keerde haar om, zoodat zij voor een dame stond, die volkomen aan tante Dora’s beschrijving beantwoordde.

„Dag mijn lieve, kleine Annie,” zeide een lieve zachte stem en een oogenblik later voelde Annie zich hartelijk omhelsd. „Ik hoop dat je veel van mij zult houden,” vervolgde de dame en keek Annie daarbij zoo teeder aan, dat zij haar hartje stormenderhand veroverde.

De heer Stubbens hielp de dames in den automobiel stappen, en daar zat Annie nu naast haar vader, tegenover haar tante en haar toekomstige mama.

„Ik ga voorop zitten, naast den chauffeur, tot straks,” zeide de heer Stubbens en klapte het portier dicht.

„Dora, ik hoop, dat je niet al te veel last van die wildzang hebt gehad,” zeide mijnheer Van Walen onder het rijden, terwijl hij Annie lachend in den wang kneep.

„Dat schikt nogal,” antwoordde mevrouw Stubbens glimlachend, „wij zullen het nog wel een maandje met elkaar uithouden.”

„Zij is er niet magerder op geworden,” hernam Annie’s vader, blij dat zijn zuster en de kleine het zoo goed met elkaar hadden kunnen vinden, „en wat is zij gegroeid, als het zoo voortgaat, duurt het niet lang, of zij gaat mij boven het hoofd. Zie je er niet tegen op, Mary, zoo’n groot meisje in huis te krijgen?”

„Niet als dat groote meisje haar best wil doen om van mij te houden” antwoordde Mary vriendelijk en Annie, die zich al geweld had moeten aandoen om zoo lang stil te blijven zitten, sprong nu van haar plaats op Mary’s schoot en sloeg een arm om haar hals. „Dat doe ik al mamaatje,” zeide zij hartelijk en gaf Mary een kus. „Ik mag immers wel?” fluisterde zij.

„Natuurlijk,” was het eveneens gefluisterde antwoord en Mary sloeg een arm om het meisje heen en drukte haar tegen zich aan.

Het volgende oogenblik sprong Annie op. „Wij zijn er!” riep zij, „kijk daar staan ze allemaal aan de deur met Flik en Flok erbij. Ik heb Flok ter eere van u heel mooi gemaakt,” vertelde zij vertrouwelijk aan Mary, „hij glimt zoo mooi, ik heb hem een heelen tijd geschuierd en hem een rood lint om gedaan.”

„Dan moeten wij hem straks, als wij binnen zijn, goed bewonderen, want je weet zeker wel, dat ik veel van honden houd?” zeide Mary, haar vriendelijk toelachend, „ik ben erg benieuwd om kennis te maken met dien beroemden Flok, waarover je mij zooveel geschreven hebt. Vergeet vooral niet, dat ik hem moet zien opzitten.”

De automobiel stond stil en de gasten werden vroolijk verwelkomd door Tom en zijn drie zusjes. Kleine Tine stond al op de stoep te springen en riep reeds voordat het portier geopend was, met haar schelle stemmetje: „Dag, juffrouw Mary, dag juffrouw Mary!”

„Wacht eens, ik zal je juffrouw Maryen,” riep toen een vroolijke mannestem en voordat Tine wist, wat er gebeurde, werd zij in de sterke armen van mijnheer Van Walen in de hoogte getild.

„O, het is oompje,” zeide de kleine lachend, terwijl ze met haar beide kleine handen op ooms wangen trommelde en hevig spartelde om weer op den grond gezet te worden. „Dag, oom Karel,” hernam zij toen deze haar had neergezet, „waar is nu juffrouw Mary?”

„Wat een kleine schat,” fluisterde Mary tot tante Dora en op Tine toeloopende, die haar met een paar groote blauwe oogen aankeek, zeide zij, terwijl zij het kind een kus gaf, „ben jij nu Tine, van wie Annie mij zooveel verteld heeft? geef tante Mary maar eens gauw een zoentje.”

De kleine deed het en riep toen luid tegen Annie: „Annie, tante Mary is een heel lieve mama.”

Iedereen lachte en toen Mary de oudere meisjes en Tom ook begroet had, ging men de huiskamer binnen. „Annie,” zeide tante Dora, „wil jij juffrouw Mary haar kamer wijzen en zien of alles daar in orde is?”

Dit laatste was eigenlijk overbodig, want telkens als Suze naar boven was gegaan, was Annie met haar meegeloopen en had zij als een klein huismoedertje gevraagd: „Suze, heb je ook aan dit gedacht, Suze, heb je aan dat gedacht?” zoodat er werkelijk niets vergeten was.

Mary Ackfield trok den arm van het meisje door den haren. „Kom, Annie,” zeide zij, „wil jij me mijn kamer wijzen, dat vind ik aardig, dan gaan wij, als je het goed vindt, nu naar boven, Dora.”

„Zeker, dat is best,” antwoordde mevrouw Stubbens en hierop verlieten Annie en Mary het vertrek.

In de logeerkamer bleef Annie weifelend bij de deur staan, niet wetende, of zij zou mogen blijven, of dat zij moest heengaan.

„Je gaat toch niet weg, Annie?” klonk Mary’s stem vriendelijk. „Kom hier, laten wij eerst eens gezellig praten en elkaar beter leeren kennen, het is nog vroeg, wij hebben allen tijd; je hebt mij in je brieven wel veel verteld, maar ik ben toch verlangend meer over jezelve te hooren.” Al sprekend had Mary in een grooten armstoel plaats genomen en nu trok zij het meisje, dat inmiddels dichterbij gekomen was, naast zich in den stoel.

„Je bent wat te groot voor een schootkindje,” zeide zij lachend, „maar zoo kunnen wij ook gezellig praten. Ziezoo, vertel mij nu eens van je vriendinnetjes, Paula woont nu ook hier, is het niet?”

„O, ja, al een heelen tijd en wij hebben zoo’n pret,” en nu volgde een opgetogen verhaal over al het plezier, dat zij en Paula en de andere meisjes onder elkaar hadden.

Mary luisterde vol belangstelling, want zij vond het noodig Annie door en door te leeren kennen en de verhalen van het meisje vermaakten haar.

„Ik merk wel, dat je hier een prettig leventje hebt” zeide zij eindelijk, toen Annie uitgepraat scheen, „hoe zal je het op Wilgenhorst maken zonder al die vriendinnen?”

„O, daar denk ik nog maar niet aan, het duurt nog zoo lang, voordat ik terugga. Ik blijf nog wel een maand hier en wil ik u eens wat zeggen?” voegde Annie er verheugd bij „ik mag leeren schaatsenrijden, morgen zal oom voor mij een paar schaatsen koopen en als het blijft doorvriezen, zal Tom mij op de baan van de ijsclub leeren rijden. Tom zeide, dat het een schande was, dat ik het nog niet eerder geleerd had, maar papa was altijd bang dat ik verdrinken zou, maar de baan van de ijsclub is ondergeloopen land, daarom mag het nu wel.”

„Dat treft al bijzonder goed,” merkte Mary op, „want kijk maar eens, wat ik voor je heb meegebracht,” en opstaande haalde zij een pak uit haar koffer en reikte dit aan Annie over.

Annie maakte het open en bracht er een paar schaatsen uit te voorschijn.

„O, wat ’n prachtige schaatsen!” riep zij blij en er een tegen haar schoen houdende, voegde zij er bij: „kijk ze passen me precies, dank u wel, juffrouw Mary.”

„Ben je er blij mee, dat doet me plezier,” antwoordde Mary.

„Nu, òf ik er blij mee ben,” hernam het kind en gaf haar een kus.

„Ik heb voor de anderen ook wat mee gebracht, voor ieder een kleinigheidje, Annie, kijk eens, kan je de pakjes naar beneden dragen en uitdeelen terwijl ik mij verkleed?” vroeg Mary.

„Ik zal ze in mijn schort meenemen,” antwoordde Annie, dit kleedingstuk in de hoogte houdende, zoodat Mary er de pakjes in kon leggen.

„Voor tante Dora, voor Oom, voor Coba, voor Laura, voor Tom en voor Tine, heb ik de namen niet goed onthouden?” vroeg Mary lachend, terwijl ze de deur voor het meisje opende.

„Weet u die allemaal nog uit mijn brieven?” vroeg Annie verbaasd.

„Ja, meisje en pas nu maar op, dat je niet de trap afvalt met je volgeladen schort.”

„Doe eens open, ik heb mijn handen vol,” riep Annie voor de deur van de huiskamer gekomen.

Hier was de heele familie bij elkaar en Tom riep verbaasd: „Zou het een grap van Annie zijn?” maar hij stond toch op om de deur voor haar te openen. „Wel, heb ik van mijn leven, wat is dat allemaal, je lijkt wel St. Nicolaas met je schort vol pakjes!”

„Juffrouw Mary heeft voor ons allemaal wat meegebracht,” antwoordde Annie vroolijk. „Voor mij zulke mooie schaatsen, Tom, ik heb ze nog nooit zoo gezien, ze lijken wel heelemaal zilver. Help je mij nu even mijn schort leegmaken? ik kan het niet loslaten.”

Zooals wij boven reeds zagen, had Mary niemand vergeten en elkeen van oud tot jong was even blij met het aardige souvenir, dat zij had meegebracht.

„Dit popje kan ik niet opeten, dit is om mee te spelen, oom,” zeide Tine wijs, terwijl zij aan haar oom Van Walen een mooie pop liet zien.

„Maar, waarom zou je dat popje willen opeten, Tine, doe je dat altijd met je poppen?” vroeg haar oom, terwijl hij haar lachend op zijn knie trok.

„Die andere popjes kon ik opeten, maar deze kan op den rug van Flik rijden. Kom hier, Flik,” riep zij en nadat zij zich van haar ooms knie op den grond had laten glijden, begon zij jacht te maken op den kleinen fox-terriër, die dat een heerlijk spelletje vond, zich telkens achter iemand verstopte en dan om een hoekje gluurde om te kijken of Tine aankwam.

„Wat heb je ons allemaal bedorven, Mary,” zeide de heer Stubbens, toen Mary Ackfield een kwartiertje later beneden kwam.

„Je hadt mij geen prettiger cadeau kunnen geven, dan dat mooie etui met scharen, hartelijk dank ervoor, Mary,” zeide tante Dora en gaf Mary een kus.