Part 8
Suze vermoedde niets van wat er blijkbaar in dat kleine hondenkopje omging, zoodat zij zelfs niet opkeek, toen zij achter zich een zacht geritsel en gefriemel hoorde. Wat speelt het diertje toch zoet! dacht zij onder het afhechten van haar draad. Nu moest zij een nieuwe nemen, maar waar was haar mandje; zij had het toch naast zich op tafel gezet! Zij keek om.
„Heere mijn tijd hond, ben je bezeten?” klonk Suze’s stem diep verontwaardigd, „wat heb je nou uitgevoerd en dat juist nu ik zoo’n haast heb!” Suze huilde half en had daar ook wel reden toe.—Heel zacht had Flok het mandje, dat maar zeer licht was, met zijn poot telkens een eindje verder weggetrokken; het was alsof de kleine deugniet wist dat Suze niet mocht zien wat hij deed.
Toen had hij er eerst een van die heerlijke kluwen uitgehaald en deze met alle vier zijn pootjes en zijn bekje uit elkaar zitten plukken. Spoedig was hier de aardigheid af geweest en had hij een tweede en daarna een derde kluwen onder handen genomen, waaronder ook die, welke Suze noodig had, zoodat het meisje in haar keurig maasmandje niets meer zag dan den naaldenkoker, waar Flok gelukkig nog niet aan toe gekomen was—de kluwen waren zoo heerlijk zacht, daarom had hij die het eerst onder handen genomen—en naast het mandje op tafel een hoop verwarde massa wol en katoen van verschillende kleur.
Toen Flok zag dat zijn wandaad ontdekt was, sprong hij onmiddellijk van de tafel op den stoel en zoo op den grond.
„Ik zal in vredesnaam alles maar eerst zoo terug leggen in het mandje,” sprak Suze wanhopend bij zichzelve, „ik heb nu geen tijd om het op te ruimen.” Haar ellende was echter nog niet ten einde, want daar viel haar maasbal uit de kous, waaraan zij bezig was.
Heerlijk, dacht Flok, zij schijnt toch niet boos te zijn, want zij begint met mij te spelen; zij gooit mij zelfs die mooie bal toe. Ik vind die wel wat hard voor mijn jonge tanden, maar ze is toch mooi, en na deze overpeinzingen nam Flok de bal in de bek, waarna een wilde jacht om de tafel heen begon. Flok verkeerde nog altijd in de meening dat Suze met hem speelde, hij wachtte telkens tot zij vlak bij hem was en rende dan weer met de bal weg. Soms viel deze daarbij uit zijn bek, maar juist als het meisje haar dan wilde oprapen, had Flok haar dan weer in de bek genomen en was hij er mee weggehold.
„Al half vier!” riep Suze wanhopend, „mevrouw zal denken, dat ik mijn tijd aan het venster verbeuzeld heb. O, Flok, ik zal die kous in ’s hemelsnaam maar zonder maasbal afmaken.”
Dat deed zij, maar zij vatte tevens het vaste besluit zoodra de kous klaar was, Flok voor dien middag verder uit de kamer te verwijderen. Maar waar zou zij hem brengen? Daar kreeg zij een goeden inval. In de zitkamer van de oudste meisjes stond in de muurkast nog een oude hondenmand van mevrouws vroeger hondje, Vikje, dat indertijd zoo zielig door een automobiel overreden was; in die mand zou zij Flokje leggen met zijn wollen bal tot speelgoed.
Flok was moe van al dat hollen, zoodat Suze hem nu gemakkelijk kon krijgen. Zij nam hem op—de ongelukkige maasbal lag naast hem, hij had daar ook alweer genoeg van gekregen—en droeg hem naar boven. Juist, het mandje lag nog in de kast. Suze nam het eruit, legde het op een zonnig plekje, zette Flok erin, met zijn bal naast hem en verliet de kamer. Ziezoo, nu kan een mensch weer opschieten, merkte Suze bij zichzelve op en deed in een half uur nog zooveel af, dat haar boosheid op Flok geheel verdwenen was en zij de verwarde wol reeds weer had opgekluwd, toen om kwart over vier de deur van het kamertje driftig geopend werd en Coba rood van kwaadheid kwam binnenstormen. „Suze,” riep zij, „ben jij zoo verregaand brutaal geweest, om die hond in mijn kamer te brengen?”
„Ja, ziet u, jongejuffrouw—Coba had haar gezegd, dat zij te oud was om door de dienstboden bij den naam genoemd te worden—hij was hier zoo lastig; maar is hij dan ondeugend geweest?”
„Ondeugend! dat moest je maar eens zien, het is een schandaal! je hadt moeten begrijpen, dat ik dien hond niet in mijn kamer wou hebben, je bent maar een dienstmeid, dus kan je doen wat men je zegt!”
Suze was ook niet op haar mondje gevallen. „En al ben ik maar een dienstmeid, jongejuffrouw Coba,” gaf zij ten antwoord, „dan laat ik mij toch niet onrechtvaardig behandelen. U heeft mij nooit gezegd, dat de hond niet in uw kamer mocht, dus kon ik dat ook niet weten, al ben ik maar een dienstmeid!”
„Natuurlijk ben je maar een meid, verbeeld je maar niet, dat je iets meer bent, hoor!” riep Coba zoo luid, dat haar moeder het in de huiskamer hoorde.
Met een zucht stond mevrouw Stubbens op en ging eens kijken, wat er aan de hand was.
„Mevrouw,” begon Suze, zoodra mevrouw Stubbens binnenkwam, „ik laat mij niet zoomaar beleedigen! Is het niet genoeg, dat een mensch nooit een fatsoenlijk woord van jongejuffrouw Coba krijgt, moet ze mij nu nog uitmaken voor „een dienstmeid!”
„Coba was wat driftig, Suze,” zeide mevrouw Stubbens vergoelijkend; „kom eens mee, Coba, ik moet je spreken!”
Schoorvoetend volgde Coba haar moeder naar het salon, waar op dat oogenblik niemand was.
„Coba,” begon haar moeder, zoodra zij binnen waren, „ook uit naam van papa moet ik je verzoeken een anderen toon tegen de bedienden aan te slaan.”
„Bah, de bedienden! maar mama, u hebt mij toch zelf altijd gezegd, dat ik niet te familiaar met de dienstboden moest zijn, omdat zij zoo ver beneden ons staan.”
„Ik heb je nooit geleerd om onbeleefd te zijn en vandaag ben je eerst schandelijk onhebbelijk geweest tegen Mina Holst en zoo straks weer tegen Suze. Papa was van middag zoo boos, dat hij er sterk over denkt je naar de kostschool van juffrouw Mons te zenden. Nu weet je dus, waar het op staat.”
„De school van juffrouw Mons!” riep Coba vol minachting, „weet u wel, wie daarop gaan? het kind van den slager en Johanna van uw vroegeren kruidenier! Ik zou u lekker danken, om met die kinderen op één school te gaan.”
„Papa zal je niet vragen of je ervoor bedankt of niet, je kent papa, je weet als hij eenmaal iets besloten heeft, dan gebeurt het ook; je bent dus gewaarschuwd.”
Intusschen was Annie, zoodra zij uit school kwam naar haar kamer gesneld om haar hoed weg te hangen, hetgeen zij altijd dadelijk moest doen en daarna ging zij naar Suze om Flok te halen.
„Is Flok zoet geweest, Suze?” vroeg zij al aan de deur van de spreekkamer. „Wij hebben zulke mooie halsbanden voor de hondjes gekocht, kijk eens deze is voor Flokje.”
„O, Annie,” riep Suze, die nog verontwaardigd was over het gebeurde met Coba, „je hadt mijn maasmandje eens moeten zien en kijk mijn nieuwe maasbal eens. Neen, hoor, Flok verdient eigenlijk niet dat u hem dien mooien halsband geeft. En jongejuffrouw Coba heeft hier zoo’n leven gemaakt, omdat ik Flok in haar kamer gebracht heb,” en nu liet Suze een omstandig verhaal volgen van haar avonturen met Flok.
„O, wat is hij stout geweest, Suze, daar moet hij klappen voor hebben.”
„Neen, Annie, je moet hem niet slaan, het stomme dier begrijpt immers niet, dat hij kwaad gedaan heeft, alle jonge honden doen zoo, hij dacht zeker, dat ik met hem spelen wou. Maar, ik weet nog niet, wat hij boven uitgevoerd heeft, ik heb nog niet naar boven durven gaan om te kijken.”
„Wat zal Coba boos zijn als hij iets van haar vernield heeft,” riep Annie, „ga gauw mee kijken, Suze.”
Zij gingen naar boven, maar Flok was nergens te zien, alleen lag er een oud kleedje op den grond, dat Coba reeds lang had afgedankt en dat Flok nu blijkbaar van de tafel had getrokken om er mee te spelen, want het vertoonde kenteekenen, dat het hem tot speelgoed had gediend. Maar al zagen zij hem niet, zoo liet Flok zich toch hooren, uit de muurkast, waarin de mand gestaan had, drong een zacht gekef tot hen door, terwijl er van binnen aan de kastdeur werd gekrabd.
„Goeie grutten nog toe, ze heeft hem in de kast opgesloten, als het beest er nu maar niets in gedaan heeft!” riep Suze geërgerd, en zij wilde de kast open maken, maar er stak geen sleutel in het slot.
„O, wat gemeen!” barstte Annie verontwaardigd los, „dat doet zij alleen maar om mij te plagen!” en het meisje holde de kamer uit.
„Laura, heb jij soms den sleutel van de kast in jullie kamer?” vroeg zij aan haar nichtje, dat zij op de trap tegenkwam.
„De sleutel? die steekt in het slot.”
„Neen, hij is weggenomen en Flok zit in de kast opgesloten!” riep Annie half huilend. „Coba,” riep zij nu, toen haar oudste nichtje in de gang verscheen, „Coba, wat valsch van je om Flok op te sluiten, geef mij gauw den sleutel van de kast!”
Coba, die juist van het onderhoud met haar moeder af kwam en bang was, dat deze zou hooren wat zij met den hond gedaan had, liep vlug naar Annie toe en gaf haar den sleutel. „Roep toch niet het heele huis bij elkaar,” zeide zij, „hier heb je den sleutel, maar ik wil dien akeligen hond niet meer in mijn kamer hebben, hoor!”
„Akelig spook!” riep Annie haar nog toe en snelde toen naar boven om het arme diertje uit de kast te bevrijden, waarvan de bodem niet meer zoo droog was, als toen Flok erin ging.
„O,” riep kleine Tine, die met Flik in haar armen achter Annie stond, toen deze de kast opende, „Flok heeft een plasje gedaan.”
„Het is zonde!” zoo liet Suze zich verontwaardigd hooren, „zoo zouden zij zoo’n dier nu toch onzindelijk maken, door hem in een kast op te sluiten!”
Annie zeide niets meer, maar zij en Tine liepen met hun hondjes naar beneden om hun de mooie nieuwe halsbanden aan te passen, die mijnheer Stubbens met hen was gaan koopen.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
BRIEVEN UIT ENGELAND.
Toen Annie den volgenden morgen beneden kwam, lag er op de ontbijttafel naast haar bord een brief en zij zag dadelijk dat deze uit Engeland kwam van haar vader.
„Een brief van papa,” riep zij blij, „voel eens, tante, wat een dikke, hier staat nu het nieuws in, waarvan juffrouw Mina sprak.”
„Ik zou hem maar gauw lezen,” zeide mevrouw Stubbens, die wel begreep, wat het nieuws was, dat Annie in dat schrijven van haar vader lezen zou.
Annie scheurde de enveloppe open en daar kwamen twee brieven uitvallen, de een was van haar vader, maar de ander, die zeer kort was en geschreven op fraai fantasie papier, versierd met een rand van rozenknopjes, kwam van iemand, die zij niet kende. „Mary Ackfield” stond eronder, maar Annie kon dien naam niet ontcijferen.
„Kijkt u eens, tante, wat staat daar?” vroeg zij, haar tante het briefje overhandigende.
„Mary Ackfield,” las haar tante voor haar. „Wat een beeldig papier, Annie.”
„Ja, tante, maar wie is dat, Mary Ackfield, die ken ik niet.”
„Neen, Annie, maar je zult haar leeren kennen en heel veel van haar gaan houden, dat weet ik zeker, lees maar eerst den brief van je vader en dan dien van juffrouw Ackfield, ik geloof, dat het beter is.”
De brief van mijnheer Van Walen begon als gewoonlijk met allerlei grappige verhalen over al wat hij daar zag en beleefde, maar toen kwam het bewuste nieuws:
„... en nu, Annie, heb ik groot nieuws voor je. In November kom ik voor een weekje naar huis, maar niet alleen, dan breng ik iemand mee, die voor mijn kleine Annie een moedertje zal worden, een lief, zacht moedertje, Annie, die voor jou geheel de plaats zal innemen, van je eigen vroeg gestorven moeder, die zeker niet anders zou wenschen, dan dat ik haar kind een teedere, lieve verzorgster zou geven, die haar zal liefhebben en een goed, braaf meisje van haar zal maken. In het begin van December trouwen wij, je aanstaande mama is een Engelsche dame, maar zij is langen tijd in Nederland geweest, zoodat zij goed Hollandsch kan praten, en zij is zóó lief, Annie, dat je wel van haar móét houden, als je haar ziet. Zij wilde zelfs niet op onze aankomst in Nederland wachten, om kennis met je te maken, maar wilde dit nu alvast schriftelijk doen en daarom sluit zij hierbij een briefje aan jou in. Ik hoop dat je van je nieuwe maatje zult houden, Annie; tracht het te doen, al was het alleen om mijnentwil.
Je je liefhebbende vader.”
„O!” had Annie onder het lezen telkens geroepen en toen zij den brief uit had, riep zij: „O, tante, ik krijg een nieuwe mama!”
Het klonk, zooals mevrouw Stubbens wel verwacht had, nogal verschrikt.
„Ik begrijp best, Annie,” zeide haar tante, „dat het een vreemd idee voor je is, maar ik ken Mary Ackfield, zij heeft dikwijls bij een van mijn vriendinnen gelogeerd, die ook een vriendin van haar is. Zij is werkelijk allerliefst, ik weet zeker, dat je dol veel van haar zult gaan houden.”
„Het was zoo prettig alleen met papa en juffrouw Mina,” antwoordde Annie op klagenden toon en nam toen het briefje van juffrouw Ackfield ter hand.
„Mijn lieve, kleine Annie,” las zij.
„Het zal nog zoo lang duren, eer ik persoonlijk met je kan kennismaken, dat ik dit alvast op het papier wil doen. Je vindt het misschien hard, Annie, dat ik, zooals je wellicht denkt, een deel van je vaders hart aan je ontstolen heb, maar dat heb ik niet gedaan, het behoort je nog heelemaal toe en er is plaats genoeg in voor ons beiden, zooals hij mij wel eens lachend verzekert en dat is ook het geval met het mijne, kindlief, ik hoop dat je de groote plaats, die ik je daarin heb toegedacht, zult willen innemen. Wil je beproeven van mij te houden, Annie? Wat mij betreft, ik zal je alle liefde schenken, die een eigen moeder aan haar dochter geven kan. Tot ziens dus, lieveling, wees in gedachten hartelijk omhelsd door
MARY ACKFIELD.”
„Nu, kind,” vroeg haar tante, toen Annie den brief had uitgelezen, „heb ik te veel gezegd, is het niet een heel lief briefje van Mary?”
„Ja, tante,” antwoordde Annie, maar zij vond de gedachte een nieuwe moeder te zullen krijgen maar half prettig. Bovendien had zij aan brieven schrijven een hekel, behalve natuurlijk aan die welke zij aan haar vader schreef, want daarin kon zij alles vertellen, wat zij op school en bij oom en tante Stubbens beleefde. Om nu aan juffrouw Ackfield te moeten schrijven, die zij in het geheel niet kende, vond zij echter vreeselijk, zij was er zelfs, o wonder, aan tafel stil van.
Haar oom had medelijden met haar en stelde haar daarom voor om na het eten met hem en Flok een wandeling te gaan maken. „Tine kan van avond niet mee, omdat het dan te laat voor haar zou worden,” voegde de heer Stubbens erbij, toen hij zag dat het gezicht van de kleine betrok, „maar zij gaat morgen heel alleen met papa uit. Vind je dat niet deftig, Tine, met papa en Flik te gaan wandelen? Dan mag je Flik aan den ketting vasthouden.”
Tine klapte van blijdschap in haar handjes. „Dan kan hij niet wegloopen, paatje.”
„Als je hem maar goed vasthoudt, kan hij niet weg.”
Annie vond het ook heerlijk met oom Stubbens uit te mogen gaan en snelde na tafel dadelijk naar boven om zich klaar te maken en Flok zijn halsband om te doen.
„Waar zullen wij heengaan?” vroeg haar oom, toen zij op straat waren. „Heb jij al bedacht, waar je graag heen zou gaan, Annie?”
„Neen, oom.”
„Nu, wat zou je dan zeggen van een bezoek aan „het Koetje?”” („Het Koetje” was een uitspanning even buiten de stad gelegen.)
„Heerlijk, oom, mag Flok daar komen?”
„Natuurlijk, anders zou ik het toch niet voorstellen. Wij zouden het kleine mormel immers niet buiten kunnen laten. Hij zou onmiddellijk verdwalen.”
Annie stapte deftig naast haar oom voort, terwijl Flok aan zijn ketting voor hen uit trippelde en van tijd tot tijd, als het te druk werd, tusschen hen in kwam loopen, alsof hij bij hen bescherming zocht.
Alles ging goed. Een minuut of tien, nadat zij de laatste huizen van de stad achter zich hadden gelaten, bereikten zij „het Koetje” en Annie zat daar heel deftig met haar oom in den tuin iets te gebruiken.
„O, daar is meneer Stokman!” riep Annie eensklaps en in de aangeduide richting kijkende, zag de heer Stubbens een lange jongeman het hek binnenkomen.
„Dag, meneer!” riep Annie, zoodra het jongmensch dicht genoeg genaderd was om haar te kunnen hooren. „Dag, meneer, kijk eens, heeft Flok geen mooien halsband aan?”
Stokman keek verwonderd op en kreeg een kleur, toen hij het meisje zag.
Zij moest eens weten, dacht hij, welke plannen de oude mevrouw en ik tegenover haar gekoesterd hebben, maar als mijnheer Stubbens mij aan die mooie betrekking helpt, dan kan mevrouw Hermsen dat zaakje zelf opknappen; zij zegt wel dat er geen kwaad in steekt, maar recht pluis is het toch niet en hier heb ik een prachtige gelegenheid om kennis te maken met mijnheer Stubbens.
„Oom,” zeide Annie, toen Stokman met een diepe buiging zijn hoed voor den heer Stubbens afnam, „dit is nu meneer Stokman, die bij grootma met ons gespeeld heeft. Komt u bij ons zitten, mijnheer?”
„Als mijnheer Stubbens het mij veroorlooft, zeer graag,” antwoordde Stokman.
„Het zal mij zeer aangenaam zijn, nader kennis met u te maken, mijnheer Stokman,” zeide de heer Stubbens. „Ik heb door de kinderen al veel over u gehoord. U is, meen ik, werkzaam bij de firma Hermsen?”
„Om u te dienen, mijnheer,” antwoordde Stokman plaats nemende.
„Het heeft mij altijd verwonderd,” hervatte de heer Stubbens, „hoe in dat kleine dorp, dat ook nog betrekkelijk dicht bij de stad ligt, die zaak zulk een omvang heeft kunnen aannemen.”
„De oude heer Hermsen had veel relaties en daar profiteert de tegenwoordige eigenaar van de zaak nu van, maar ik voor mij zou toch veel liever in de stad werkzaam zijn; ik geloof, dat een jongmensch daar meer vooruitzichten heeft, daarom wil ik ook moeite doen voor die vacature hier in de stad bij Mr. Van Dungen.”
„Daar wordt een chef-boekhouder gezocht, is het niet?”
„Jawel, mijnheer.”
„Zoo, en zou u daar graag geplaatst willen worden? u heeft zeker goede getuigschriften?”
„Zeker, mijnheer, de firma Hermsen kan niet anders dan goed van mij zeggen. Ik ben er al van af mijn twaalfde jaar en heb altijd mijn plicht gedaan.”
„Kan mevrouw Hermsen u daar nu niet in helpen? Ik denk dat er wel veel sollicitanten zullen zijn en dan doet voorspraak veel goed.”
„Dat is het juist, mijnheer, daarom heb ik zoo weinig hoop. Mevrouw zou mij graag helpen, maar zij kent die heeren niet. Nu sprak mevrouw er wel van, dat zij er eens met u over zou praten, omdat u Mr. Van Dungen wel zal kennen, maar hoe zou u mij nu kunnen aanbevelen, die niets van mij afweet.”
„Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer Stokman, ik help graag een jongmensch voort, wanneer hij het verdient. Ik zal naar u informeeren en als de informaties goed zijn, zal ik met Mr. Van Dungen over u spreken. Ik ken hem heel goed en zal er zoo spoedig mogelijk werk van maken.”
„Mijnheer is al te goed,” riep Stokman dankbaar.
„Bedank mij nu nog maar niet, mijnheer, u heeft de betrekking nog niet.”
Intusschen was Annie, die veel te woelig was, om ergens lang te blijven zitten en wie het ernstige gesprek van de heeren verveelde, van haar stoel opgestaan en met Flok door den tuin gaan wandelen.
Nu kwam zij naar het tafeltje terugrennen. „Oom,” riep zij, „Flok trekt zoo, zou ik hem durven loslaten?”
„Ik geloof, dat het hier wel veilig kan, maar pas op, dat je hem niet uit het oog verliest.”
Annie maakte den ketting van den halsband los en Flok sprong dartel rond, terwijl Annie achter hem aan holde.
Eensklaps hoorden de heeren een gil. „Oom, oom, hij is weg!” klonk Annie’s stem doodelijk verschrikt.
De heer Stubbens en Stokman sprongen op en liepen naar het meisje toe en nu wees Annie hun huilend, dat Flok onder het struikgewas en het hek was door gekropen.
„Het is niets,” zeide Stokman, „ik zal hem wel terughalen,” en hij liep om het hek heen en den weg op, gevolgd door Annie en haar oom.
Annie huilde nog steeds als een wanhopende.
„Stil, kindje,” troostte de heer Stubbens haar, „wij zullen hem wel vinden,” maar aan den overkant van den weg lag een bosch, zoodat het groote moeite zou kosten om het hondje terug te vinden. De heeren riepen en floten, maar geen Flok.
„Had ik Hector maar hier,” zeide Stokman, „maar die is thuis, hij zou Flok wel dadelijk opsporen. Maar, wacht eens, ik heb een idee, de kastelein hier heeft ook een grooten hond, misschien kan die het ook.”
Hij liep terug naar de uitspanning en vroeg aan den kastelein: „Van Wolderen, is Vik thuis?”
„Jawel, mijnheer.”
„Zou Vik in staat zijn een ander hondje op te sporen, zooals mijn Hector dat doet?”
„Hij vindt hem onmiddellijk, mijnheer, als u hem iets van het hondje laat ruiken.”
„Wij hebben niets dan een ketting.”
„Het is niet veel, mijnheer, maar wij kunnen het probeeren.”
Van Wolderen ging Vik halen, een grooten, mooien hond met spitsen kop en staande ooren, en bracht hem naar buiten, waar Annie en haar oom wanhopige pogingen deden om Flok te zoeken, en vroegen Annie om den ketting.
„Het is niet veel. Heeft u niets anders van hem?” vroeg Van Wolderen.
„Neen,” antwoordde Annie bedrukt, maar eensklaps klaarde haar gezicht op, en haalde zij haar zakdoek uit haar zak. „Hier heb ik hem vóór wij uitgingen mee gewreven, dan wordt hij zoo mooi glad,” zeide het kind.
„Dat is beter, geef dien zakdoek ook maar hier, jongejuffrouw,” merkte Van Wolderen op en liet nu den hond eerst den ketting ruiken. Vik snoof en snuffelde, maar scheen onbevredigd. Toen hem echter den zakdoek werd voorgehouden en hij dien geroken had en zijn baas zeide: „zoeken, Vik!” toen begon hij te kwispelen en te trekken om los te komen. Stokman nam hem mee aan een langen ketting en nadat hij den kastelein had toegeroepen: „ik breng hem je zoo dadelijk terug, Van Wolderen,” verdween hij in het bosch, waarheen de hond hem meetrok.
„Kom,” zeide de heer Stubbens, Annie bij de hand nemende, „wij zullen maar binnen gaan wachten tot hij terugkomt. Annie, je kunt nu gerust zijn, ik ben overtuigd dat Vik den kleinen Flok heel gauw vinden zal. U schijnt mijnheer Stokman goed te kennen,” voegde hij er tot den kastelein bij, „mijnheer komt zeker nog al eens hier?”
„Ja, mijnheer, en ik ken hem al jarenlang. Een net jongmensch, vindt u niet?”
„Ik ken hem eigenlijk niet,” antwoordde de heer Stubbens; „zoo, zoo, er is dus niets op hem te zeggen?”
„Voor zoover ik weet, niet. Hij is heel anders dan zijn vader; dien heb ik ook nog wel gekend, die was ook bij Hermsen op kantoor, maar dien vertrouwde ik niet erg, die had vond ik, zoo’n valsch gezicht en dat heeft de jonge mijnheer nu heelemaal niet, die lijkt meer op zijn moeder. Een gunstig uiterlijk, dunkt u ook niet?”
„Ja zeker. Hij is zeker ook al lang bij de firma Hermsen werkzaam?”