Part 6
„Annie had een mooi porceleinen beeldje en dat liet zij ons laatst zien. Zij was er erg zuinig op, want haar papa had het haar uit Engeland gezonden en zij bewaarde het ingepakt in haar koffer, uit angst dat het breken zou. Nu dan, Coba vroeg aan mij of ik dien middag met haar ging fietsen, maar ik had aan Annie beloofd om met haar te zullen gaan wandelen en toen ik haar dat zeide werd Coba zoo driftig, dat zij Annie’s beeldje nam en het met een smak op den grond wierp, waar het natuurlijk in stukken viel. „Ziezoo, naar kind,” riep zij, „dat is omdat je altijd afspraakjes met Bertha maakt, zoodat zij nooit meer met mij uitgaat.” Annie begon natuurlijk vreeselijk te huilen, en het was ook niet de eerste keer; zij doet wel meer van die dingen.”
„Foei, hoe leelijk van Coba, dat had ik nooit van haar gedacht. Is mevrouw Stubbens het nog te weten gekomen?”
„Neen, ma, Laura wou het dadelijk aan haar mama gaan vertellen, maar Annie wilde het niet hebben. Zij zag ook wel, dat Coba er eigenlijk zelf van geschrikt was, maar ondertusschen is Annie haar mooie beeldje kwijt. Coba is zoo jaloersch van Annie.”
„Het is heel onaardig van haar en het is eigenlijk zeer verkeerd dat haar moeder niet weet, dat zij zulke dingen doet, maar wij zullen ons daar maar niet mee bemoeien; jij moet vooral niets van haar aanbrengen, Bertha, dat staat zoo leelijk. Maar zeg mij eens, wat is die Paula voor een meisje, vertelt Annie je wel eens van haar?”
„O, ma, u moet haar over Paula hooren, dat is zoo’n snoes! Annie houdt dol veel van haar, zij is zoo zacht, en haar ma was altijd zoo aardig voor Annie.”
„Zij was altijd zoo lief,” mompelde mevrouw Van Scheik.
„Zeg, moesje, mag ik haar nu niet hier brengen?”
„Neen, Bep, vraag er nu niet meer om; ik kan het je niet toestaan. Het spijt mij heel erg, dat mevrouw Stubbens Paula hier gevraagd heeft, het geeft niets dan moeilijkheden.”
Bertha had er verder natuurlijk niet meer om durven vragen en was met haar vader en moeder en Clara en de meisjes Stubbens gaan wandelen, terwijl haar broers naar den wedstrijd gingen.
„Gaan jullie allemaal mee naar huis?” vroeg Tom, toen deze was afgeloopen, aan zijn vrienden, „dan kunnen wij in den tuin wat uitblazen.”
De jongens namen het graag aan en kort daarop zaten zij met de drie meisjes op het groote grasperk achter het huis van de familie Stubbens.
„Zoo, zijn jullie daar en hebben jullie gewonnen?” hoorden zij eensklaps de stem van Tom’s vader.
„O, prachtig, mijnheer, 3–1!” riepen de vrienden door elkaar. „Tom heeft zich zoo flink gehouden!”
„Nou, maar Frans was buitengewoon,” bracht Tom in het midden.
„Als jullie dan zoo dapper gestreden hebt,” merkte mevrouw Stubbens op, die er intusschen bijgekomen was, „dan zal een glas limonade zeker wel smaken?”
„Als het u blieft, mevrouw!” klonk het in koor.
Toen mevrouw Stubbens een oogenblik later met den verfrisschenden drank terugkwam, vroeg zij: „Jongelui, zouden jullie zin hebben ter eere van de overwinning hier te blijven eten? Gaat het straks maar even vragen, jelui hebt je van middag zoo flink gehouden, dat ik vind dat je wel een pretje verdient.”
De jongens vonden het natuurlijk heerlijk en nadat zij hun limonade gedronken hadden en wat waren uitgerust, spoedden zij zich naar huis om de verlangde toestemming te vragen en zich te verkleeden.
„Wel, Paula, heb je plezier gehad?” vroeg mevrouw Stubbens, toen de meisjes na het heengaan van de jongens het huis in kwamen.
„O, mevrouw, het was heerlijk, ik heb nog nooit zoo’n pret gehad.”
„Toon dan maar, dat je het hier prettig vond, door over veertien dagen terug te komen,” zeide mijnheer Stubbens, „dan is die jongejuffrouw jarig,” voegde hij op Annie wijzende erbij, „en zij vindt natuurlijk dat haar zielsvriendin daarbij hoort.”
„Dol graag, mijnheer!” antwoordde Paula met een stralend gezichtje. Zij had den geheelen dag genoten en vond het een verrukkelijk vooruitzicht, zoo spoedig te mogen terugkomen. Als haar moeder het nu maar goed vond!
„Je hadt er toch niets tegen, dat ik het meisje vroeg, Dora?” zeide de heer Stubbens, toen hij met zijn vrouw alleen was. „Zij is je toch zeker meegevallen?”
„Er was geen sprake van meevallen. Vroeger was ik bang, dat het kind geen gezelschap voor de meisjes zou zijn, maar zoodra ik wist, dat het een dochter was van Paula Helmers, was ik daar natuurlijk niet meer bang voor. Zij is een zeer net meisje, zelfs wel een beetje ouwelijk voor haar jaren, maar dat komt natuurlijk, omdat zij alleen woont met haar moeder.”
„Weet jij ook waarom mevrouw Van Scheik en haar zuster gebrouilleerd zijn?”
„Ach, dat is een heel oude geschiedenis,” antwoordde mevrouw Stubbens, terwijl ze in ieder servet een verrassing vouwde, „het ware weet ik er ook niet van. Mijnheer Tillens schijnt vroeger op het advocatenkantoor van den ouden heer Hermsen gewerkt te hebben en daar moet toen iets gebeurd zijn. Hij schijnt stukken weggemaakt te hebben, die betrekking hadden op de familie Van Scheik. Hoe het precies was, weet ik niet, maar Van Scheik was woedend op hem, vertelde Mina mij, vooral ook omdat hij bleef volhouden, dat hij er niets van wist; dat hij die papieren zelfs nooit in handen had gehad.”
„Hij werkte daar toch niet alleen?”
„Met Stokman, den vader van den jongen Stokman, die nu nog op dat kantoor is, maar die ontkende eveneens en werkelijk scheen de schijn erg tegen mijnheer Tillens te zijn. Hij is toen weggegaan en heeft buiten zijn intrek genomen in dezelfde villa, waar nu nog zijn vrouw en dochter wonen. Zij hadden juist genoeg om stilletjes van te leven, maar, zooals je weet, is de twist tusschen de beide families nooit bijgelegd. Mevrouw Van Scheik heeft mij verleden week, toen ik bij haar was om over Paula te spreken, dit alles verteld, omdat ik de geschiedenis toch al half wist. Het komt mij voor, dat zij wel graag weer met haar zuster zou willen verzoenen, maar haar man wil niet, hij is bang voor een weigering van den kant van mevrouw Tillens.”
„Ik begrijp niet, dat de menschen er plezier in hebben, zoolang in vijandschap te leven,” merkte de heer Stubbens op. „Ik houd niet van familietwisten en zou er nooit aan meedoen. Maar, van den ouden heer Hermsen gesproken, Dora, zou je niet eens met Annie een bezoek aan haar grootmoeder gaan brengen? Annie schijnt er van den zomer niet gelogeerd te hebben, dus zal de oude dame wel verlangend zijn om haar te zien.”
„Ik had er al met Annie over gesproken en als er niets tusschenbeide komt, zal ik Woensdagmiddag met haar gaan. Ik zal mevrouw vooruit schrijven, dat wij komen.”
„Dat is best. Kijk, daar komen de jongens terug, dat zal me een drukte geven aan tafel! wat heb je in die servetten gestopt?”
„Och, een kleine verrassing. Thomas houdt zooveel van zooiets, je moet eens op zijn gezicht letten, als hij het openmaakt. Het is maar een grapje.”
„Had je er zoo vast op gerekend, dat hij winnen zou?”
„Neen, maar als zij verloren hadden, zou ik hen toch uitgenoodigd hebben, omdat zij dan troost noodig hadden.”
Mijnheer Stubbens lachte en op datzelfde oogenblik kwam het heele vroolijke troepje de kamer in.
„Allemaal present? dat is flink,” zeide de heer Stubbens. „Thomas, ga jij de meisjes dan roepen, ik bedoel Annie en Paula en Tine, die zich aan het mooi maken zijn; Coba en Laura blijven bij mevrouw Van Scheik eten. Wij hebben geruild, wij hebben de jongeheeren Van Scheik en zij de meisjes Stubbens.”
Frits en Karel lachten en beweerden, dat zij die ruil wel eens leuk vonden.
„Heb je de meisjes geroepen, Thomas?” vroeg zijn moeder, toen de jonge dames zich lieten wachten.
„Ja, ma, ik hoor ze al.”
Kort daarop ging de deur open en traden Annie en Paula de kamer in, voorafgegaan door Tine. Het kind hield een pak in de hand, waarmee zij regelrecht naar Tom liep.
„Daar, Tommie, van Annie,” zeide zij, „maar ik mag het geven.”
Toen Tom het van haar wilde aannemen, voegde de kleine er echter bij, „ik zal het ook openmaken.”
Zij liep met het pak naar een stoel, legde het daarop en begon nu aan de touwtjes te trekken om ze los te krijgen. Zij trok en friemelde net zoolang tot zij het touw van het pak af had, terwijl Tom goedig zijn ongeduld bedwong en haar liet begaan.
„Nu mag Thomas het papier er af doen, Tine, geef het nu aan hem,” zeide haar moeder, „jij het touw en hij de papieren, ieder wat.”
Gehoorzaam gaf de kleine nu het pak aan Tom, die het haastig van het papier ontdeed.
„O, een nieuwe voetbal. Jongens, kijk eens wat een mooi ding! dank je wel Annie! vooruit zeg,” riep hij tot zijn vrienden, „een rondedans.”
In een oogenblik hadden de jongens met Paula en Tine een kring om Annie heen gevormd en zongen zij luidkeels: „Lang zal ze leven! lang zal ze leven, lang zal ze leven in de gloria!”
„Maar Annie, hoe kom je er toe hun zoo’n mooie bal te geven?” vroeg mevrouw Stubbens, zoodra zij zich over het rumoer heen weer verstaanbaar kon maken. „Geen wonder dat zij blij zijn. Heb je haar zelf gekocht?”
„Oom is meegegaan, tante.”
„Ja, ik was in het geheim,” zeide de heer Stubbens. „Annie en ik zijn haar samen gaan koopen. Zij had medelijden met Tom en zijn vrienden, omdat zij zoo klaagden over hun bal en bang waren dat zij, omdat deze zoo slecht was, den grooten wedstrijd zouden verliezen. Hebben wij geen goede keus gedaan, jongens?”
„Nou, en of,” antwoordden de jongens, die allen om beurten het prachtexemplaar van nabij moesten bekijken.
„Ziezoo, nu aan tafel, dan kunnen jullie op Annie’s gezondheid drinken,” zeide de heer Stubbens. „Vooruit, maar, jongelui, naar de eetkamer.”
Toen allen gezeten waren, zag mevrouw, dat de kinderen nieuwsgierig naar hun hoog opbuilende servetten keken, maar ze niet durfden openvouwen. Alleen de kleine Tine gaf het voorbeeld, vouwde dapper haar kinderservetje open en kraaide van pret, toen zij er een aardig popje van chocolade uit te voorschijn bracht.
„De knecht van Sinterklaas,” zeide zij en wilde dat heerschap fluks naar haar mond brengen.
„Dat kan je begrijpen,” riep haar vader, die naast haar zat en de hand met den zwarten knecht nog juist kon grijpen, voordat deze haar mond had bereikt. „Eerst zoet eten en dan zullen wij eens zien of we niet een arm of een been van hem kunnen afbreken. Maar vindt je het niet jammer hem zoo gauw op te eten, Tine, als hij op is, dan is hij weg, dan heb je hem niet meer.”
„Dan geeft paatje mij wel een andere, is het niet?”
Iedereen lachte, maar de heer Stubbens verzekerde zijn jongste dochter, dat hij dat volstrekt niet van plan was. „Eens opgegeten, blijft opgegeten,” zeide hij, „dan komt er maar niet zoo dadelijk iets nieuws.”
Intusschen hadden de jongens en de andere meisjes Tine’s voorbeeld gevolgd en hun servet opengevouwen. Ieder vond iets aardigs: Tom een mooie penhouder, Frans een zakmes, Annie en Paula ieder een mooie inktlap en zoo was er voor ieder een kleinigheid.
„Dank u wel, mijnheer, dank u wel, mevrouw,” klonk het door elkaar en ieder wilde zien wat de ander gekregen had, zoodat de geschenkjes de ronde van de tafel deden en door allen bewonderd werden. Tine stond erop, dat haar popje eveneens van hand tot hand zou gaan, maar toch volgde zij het met angstige blikken en toen zij het eindelijk terug had, slaakte zij een hoorbare zucht van verlichting en koesterde het in haar tengere armpjes.
De jongens lieten zich na den strijd van dien middag het eten goed smaken en klonken allen dankbaar met de geefster van de mooie bal. Na tafel deden zij nog eenige kalme spelletjes, want zij waren allen min of meer moe en om acht uur namen zij afscheid, omdat toen de automobiel voorreed, waarin Annie en de heer Stubbens Paula naar huis zouden brengen. Tante Dora was wel bang geweest, dat het voor Annie wat laat zou worden, als zij meeging, maar de beide meisjes hadden zóó gesmeekt, dat zij het maar had toegestaan.
„Dag, mevrouw, ik dank u wel voor het plezier, dat ik gehad heb,” zeide Paula bij het afscheid nemen.
„Dag, Paula,” antwoordde mevrouw Stubbens, „ik reken er dus op, dat je Zaterdag over een week terugkomt, zeg dat maar aan je mama.”
„Graag, mevrouw,” antwoordde het meisje en verliet met Annie en haar oom de kamer.
Het volgende oogenblik snelde de auto met luid getoeter door de straten en om half tien, dus voor haar doen zeer laat, lag Annie eerst in haar bed, waar zij van voetbalwedstrijden, van Paula en Bertha en alles door elkaar droomde, terwijl Paula onder het uitkleeden aan haar moeder vertelde van al het plezier dat ze had gehad.
„En verbeeld u hoe heerlijk, moes,” zoo besloot zij, „voor Zaterdag over een week ben ik weer gevraagd, want dien Zondag is Annie jarig. Ik mag toch gaan, moes?”
„Zeker, kind, als je zooveel plezier hebt gehad, mag je nog eens gaan, ik heb er niets tegen, maar ga nu slapen,” zeide mevrouw Tillens en verliet na nog een laatste nachtkus de kamer van haar dochter.
ELFDE HOOFDSTUK.
ANNIE OP BEZOEK BIJ HAAR GROOTMA.
„Annie,” zei mevrouw Stubbens den volgenden dag, „ik heb aan je grootmama geschreven, dat wij haar Woensdagmiddag een bezoek komen brengen. Wij gaan dan met de automobiel, dan kunnen wij nog vóór het eten terug zijn.”
„In de auto, tante? heerlijk!” riep Annie, „mag Tine ook mee?”
„Daar had ik zelf al over gedacht, ik zal er eens met oom over spreken. Wij gaan in ieder geval, als er geen tegenbericht komt, om half twee van hier.”
Den volgenden dag, toen mevrouw Hermsen aan de ontbijttafel zat, bracht Mina haar de brieven, welke met de eerste post gekomen waren.
„Dank je, Mina,” zeide de oude mevrouw, ze van het blaadje nemende, waarop Mina ze haar toereikte. „Vier brieven,” zeide zij bij zichzelve, toen Mina de kamer uit was. „Eén van Van Walen; één van den dokter, die vraagt zeker een bijdrage voor dat sanatorium, dat hij wil oprichten, en die zal hij hebben; één van het Hôtel du Nord in Keulen, waar ik kamers had besteld, die zijn nu niet meer noodig; en ... hé, van wie kan deze brief zijn? van Annie is hij niet en hij komt toch daar van daan, het is een dameshand, gauw eens zien, ik ben er toch benieuwd naar.”
Grootmama veegde weer zorgvuldig haar brilleglazen schoon, zette de bril toen voorzichtig op en scheurde de enveloppe open van den brief van mevrouw Stubbens, want deze was het.
„Neen maar, daar had ik nu toch niet op gerekend, dat vind ik nu eens aardig van mevrouw Stubbens,” mompelde de oude mevrouw onder het lezen. „Mina, Mina,” riep zij, toen zij Mina Holst door de gang hoorde loopen.
„Wat blief, mevrouw?” vroeg Mina, die toevallig op weg was naar de huiskamer om te zien, of zij het ontbijt al kon wegruimen; misschien ook was zij een beetje nieuwsgierig om te weten, of er soms eenig nieuws over Annie was gekomen; en Mina kwam binnen.
„Mina, Woensdag krijg ik visite, mevrouw Stubbens komt mij een bezoek brengen.”
„Met Annie, mevrouw?”
„Ja,” antwoordde de oude mevrouw met een blijden glimlach, „zij komt mee. Nu, wij hebben lang genoeg naar het kind verlangd. Maar, ik wilde je zeggen, Mina, als Annie er nu is, moet je maar niet over dat mislukte bezoek van haar spreken. Misschien heeft mevrouw Stubbens er haar niets van gezegd en dan zou het maar moeite en last geven.”
„Het is goed, mevrouw; gut, gut, ik ben toch zoo blij!”
„Ik ook, Mina, ik verlang onuitsprekelijk naar het kind, zooals je wel zult begrijpen.”
„Nu, dat spreekt, ik weet het aan mezelve, hé, en u bent haar eigen grootmoe. Dus, Woensdag,” mompelde Mina verheugd, terwijl zij de kamer verliet.
Mevrouw Hermsen schreef vlug een briefje aan mevrouw Stubbens om haar te zeggen, dat zij en Annie haar van harte welkom waren en zond, toen zij dit verstuurd had tevens een boodschap aan den jongen Stokman om te vragen of hij van kantoor komende, even bij haar wilde aanloopen.
Tegen twaalf uur verscheen hij.
„Dag, mevrouw Hermsen, wat is er van uw dienst?” vroeg hij, „moet ik het nu alweer probeeren, vindt u den tijd niet wat kort?”
„Zoo dom ben ik niet, Willem,” antwoordde de oude mevrouw, nadat zij hem begroet had, „dat ik nu alweer een tweede poging zou wagen. Neen, ik heb je alleen maar laten komen, om je te zeggen, dat Annie Woensdag komt.”
„Wat! hoe hebt u dat klaar gespeeld?”
„Maar niet voor goed.”
„Dat hangt toch maar van uzelve af, als zij nu toch uit zichzelve hier komt, dan zou ik haar ook maar ineens houden, als u daar dan zoo bijster op gesteld is.”
„Het kan niet, mevrouw Stubbens komt met haar mee.”
„Ja, dan wordt het een moeilijker geval, maar toch niet onmogelijk,” antwoordde hij nadenkend. „Blijven ze hier eten?”
„Neen, mevrouw moet vóór het eten weer thuis zijn.”
„Prachtig! mevrouw moet weer thuis zijn, maar Annie toch niet. U vraagt natuurlijk of uw kleinkind mag blijven, dan zal u haar om negen uur met de automobiel thuis laten brengen. Welnu, laat ze daar dan maar op wachten. Het kind houdt veel van u en zal dus geen moeilijkheden maken, vooral omdat zij nu niet zoo bijzonder op haar tante gesteld is, zooals u mij laatst zeide. In uw plaats deed ik het zeker, maar dan krijg ik toch wat van u, omdat ik u dit plannetje aan de hand heb gedaan, want, ziet u, ik denk er sterk over van dat andere plan af te zien, het is voor mij te gevaarlijk en het zou toch ook niet mooi zijn zooiets te ondernemen, terwijl ik mijnheer Stubbens’ voorspraak wil inroepen voor het verkrijgen van die nieuwe betrekking.”
„Je beschouwt de zaak heelemaal verkeerd,” antwoordde de oude dame. „Je vergeet, Willem, dat ik als grootmoeder toch meer recht op het kind heb dan de familie Stubbens; ik ben toch haar eigen grootmoeder. Hoe kan er nu iets verkeerds in steken, dat jij het kind bij haar grootmoeder brengt, die zoo zielsveel van haar houdt.”
„Ik denk toch niet, dat ik het doe en dit plan is werkelijk niet zoo verkeerd,” antwoordde Stokman. „Zij weten dan tenminste bij wie het kind is en u kan hun schrijven, dat u het kind verder bij u houdt.”
„Als ik had kunnen weten, dat je mij in den steek wilt laten, had ik mij de moeite kunnen besparen je te laten roepen, want dat heb ik alleen gedaan om je te waarschuwen, dat Annie Woensdag hier komt, zoodat je dan een goede gelegenheid hebt om haar te bekijken en je kunt behoeden voor een tweede vergissing.”
„Nu, het kan geen kwaad het kind nog eens te bekijken; ik zeg ook niet beslist, dat ik het niet doen wil: als mijnheer Stubbens bij voorbeeld bepaald weigert mij te helpen, dan zou het er misschien toch nog van kunnen komen. Misschien heeft u gelijk en is het niet zoo verkeerd, ik weet het zelf niet. Ik dank u intusschen voor de waarschuwing.” En hiermede nam Stokman afscheid van de oude dame en verliet het huis.
Zoodra mevrouw Hermsen alleen was, verborg zij het gelaat in beide handen. „Is het niet vreeselijk!” mompelde zij, „dat ik tot allerlei lage listen mijn toevlucht moet nemen om mijn eigen dierbaar kleinkind tegen die vreemde vrouw te beschermen! Ik ken die juffrouw Ackfield niet, maar ik heb van dien éénen Engelschman in mijn jeugd genoeg slechts ondervonden, om van deze vrouw het ergste te vreezen. Het eenig kind van mijn Annie in handen van zoo’n vreemde vrouw, die haar niet zal kunnen verstaan, nooit eens vertrouwelijk met het schatje zal spreken, haar niet zal begrijpen! neen, het is te afschuwelijk, ik mag het niet toelaten! Ik geloof, dat het laatste plan van Willem niet kwaad is, ik zal het nog eens overwegen.”
De Woensdag kwam, een donkere, regenachtige dag, zoodat mevrouw Stubbens er eerst over dacht Tine, die nogal vatbaar was, maar thuis te laten. De automobiel kon echter gesloten worden, dus meende mijnheer Stubbens, dat er in het geheel geen gevaar in was en dat het hard zou zijn het kind zonder reden thuis te laten nu zij er zich zoo’n feest van had gemaakt om mee te gaan.
De juffrouw had dien morgen een lastige leerling aan Annie die buitengewoon rusteloos was en niets deed dan met haar buurmeisje, Clara van Scheik, praten.
„Annie, als je zoo door gaat, laat ik je van middag school blijven,” zeide de juffrouw wanhopig.
„Ik moet van middag met tante uit de stad, juffrouw,” antwoordde Annie, die dit deftig vond.
„Dan schrijf ik een briefje aan je tante, dat je den heelen morgen zoo lastig bent geweest, dat ik je van middag hier houd.”
Dit hielp en Annie lette verder goed op.
Mevrouw Hermsen had al wel een kwartier lang op den uitkijk gestaan, terwijl Mina herhaaldelijk naar de deur was geloopen om te zien of zij nog niet kwamen.
Dien morgen had de oude dame het besluit gevat, het plan ten uitvoer te brengen. Zij zou het meisje ten eten vragen en zeggen dat zij het dien avond zou laten thuisbrengen. Zoodra mevrouw Stubbens dan weg was, zouden zij vlug dineeren, met de automobiel naar de stad rijden en daar den trein nemen naar Keulen. Stokman had reeds voor haar biljetten gezorgd, zoodat zij daar geen moeite mee zou hebben.
Daar zag Mina, die wel voor de twintigste maal in het laatste half uur naar de deur was geloopen, de auto aan komen en nu stormde zij de kamer in, waar de oude mevrouw vol ongeduld zat te wachten.
„Mevrouw, mevrouw, daar komen zij!” riep zij en Mina snelde weer naar buiten om de bezoeksters binnen te laten.
Het voertuig stond stil en voordat de chauffeur zijn plaats had kunnen verlaten, had Mina het portier reeds geopend; het volgende oogenblik hing Annie aan haar hals.
„Tante, dit is nu juffrouw Mina,” riep zij, terwijl zij het oudje hartelijk kuste.
„Kind, kind, wat doet het mijn oude hart goed je weer eens te zien,” antwoordde Mina met tranen in de oogen, terwijl zij Annie’s omhelzing met evenveel warmte beantwoordde, „maar, ik mag niet zoo onbeleefd zijn. Ik heb je tante nog niet eens gegroet en daar komt mevrouw ook al naar buiten, ga maar gauw naar haar toe, zij verlangt zoo naar je.”
Annie holde naar haar grootmoeder toe, die haar met uitgebreide armen te gemoet trad. „Mijn Annie, mijn eigen lieveling!” riep mevrouw Hermsen, „kindje, ik ben toch zoo blij dat je weer bij mij bent! en vind jij het nu ook prettig, weer bij grootma te zijn?”
„Dolletjes, grootma!” antwoordde het meisje, „kijk, daar zijn tante en Tineke.”
„Tineke!” herhaalde mevrouw Hermsen verbaasd.
„Ja, mijn jongste nichtje, ik heb u wel eens over haar geschreven.”
Nu trad mevrouw Stubbens naar de oude dame toe en begroetten zij elkaar, terwijl Tine met groote oogen in die voor haar vreemde omgeving stond rond te kijken.
„Mevrouw Hermsen, ik ben zoo vrij geweest mijn jongste dochter mee te brengen,” zeide mevrouw Stubbens nu, „daar had u toch zeker niet tegen?”
„Maar mevrouw, verbeeld u,” antwoordde mevrouw Hermsen, die in het kind nog geen beletsel zag voor het ten uitvoer brengen van haar plan, daar het kleintje natuurlijk niet zonder haar moeder zou achterblijven. „Kom eens hier, kleine meid,” vervolgde zij tot Tine, „en vertel mij eens hoe je heet.”
„Christine, Dorothea, Stubbens van de Keizersgracht drie en tachtig,” was het antwoord.