Chapter 1 of 20 · 3506 words · ~18 min read

Part 1

MODERNE ROMANS

AVONTUURTJES

DOOR CARRY VAN BRUGGEN

MCMXXII EM. QUERIDO / AMSTERDAM

VOOR MIJN VADER

WINTERWANHOOP

Hoog over de aarde hijgt als opgejaagd en verdoold een rauwe, woeste wind, de donkere boomen krommen zich kreunend, takken knallen en tuimelen af, boven het zwarte duister is de hemel verloren, geen ster duidt zijn bestaan en als uit een kolk van ledigheid stort de driftige regen zijn geweld tegen de donkere aarde aan. Kreunen en gillen, jouwen en joelen, fluiten om hoeken, als werd daar gedanst, dompe ploffen van dichtslaande poorten, ijzige geluiden, die nergens vandaan schijnen te komen vervullen, in een onzichtbaar gedrang, het rusteloos avonduur, laag aan de aarde waart een schemering: lantaarnlichten bibberend en bleek in hun bedropen kooien, uit winkelramen kwijnende schijn over de natte steenen, mat doorgloorde gordijnen voor woonvensters aan de straat.... Het is maar goed dat er nog vrij wat menschen gaan, of ze kon het wel elk oogenblik op een loopen zetten, de nagels in de palmen geklampt, als de slag van een toevallende poort, met gerink van klinken, vlak bij, haar flutterende hart aan het hameren zet, als over een muurtje een heksenstem schiet naar haar uit, die sissend zich boort tot diep in het oor en schril-schaterend weer vlucht, de lucht in, waar de windspoken losgebroken zijn, die de takken knakken in de wildbewogen boomen en ze knetterend aftuimelen doen. Maar telkens als ze zal gaan loopen, komen haar menschen achterop, gaan haar menschen voorbij en aan het geluid van hun stemmen, vechtend tegen den wind, maar onbekommerd, van hun plitsende schoenen en slobberende klompen, breekt de zwellende spanning in haar borst, en niet langer lijkt het dan als waren de stemmen en de geruchten met boosaardige, donkere bedoeling op haar alleen gericht.... De menschen zijn gelukkig onveranderd, maar de donkere gebouwen, in den avond onbewoond en onverlicht, kantoren en scholen, die schijnen bespookt. Ze gaat langs haar eigen school, en durft naar de zwarte, naakte ramen haast niet kijken, hooge boomen bezoomen de speelplaats, hoor hoe het nu waait, als vlak boven haar hoofd.... het is als aanvangende donder, het is als het dreunen van de spoorbrug, wanneer er een trein over gaat, ’s avonds uit de verte, het is als muziek in een benauwden droom, een lage klank als van koperen instrumenten, gelijkmatig en zwaar, doch dat duurt maar even en het geluid schiet uit, het stijgt hooger, het stijgt zooals een vuurpijl stijgt, en het breekt ook zoo uiteen, in een veelheid van geruchten naar alle kanten, in hoogvalsch fluiten en gluiperig joelen met knakken van takken, en dan is het weer even gedaan en krijgt het rustiger regengeluid de overhand....

Het is bang en bijna-heerlijk te zamen, want wind in donker maakt de wereld groot, maakt de wereld wonderbaar, zoodat het een andere wereld lijkt, waar wel geen bloei en geen stilte in zon meer schijnt te kunnen wezen, maar ook niets dat klein is en benauwd —, als niet te bar de angst haar hart doet slaan, dan gaat ze als opgetild, haar eigen ongeluk vergeten, want ook daar waait de wind zoo hoog over heen en jaagt het als in stukken naar alle kanten weg.

Nu is ze gauw aan haar doel, een zwiepend boompje bestrijkt met zijn schaduwen een lichtplas over de straat, het staat naast de winkeldeur en haar natte hand klemt in den natten mantelzak het warm-klamme papiertje, dat om haar geld gewonden zit. Ze is als zwaar van nat en haar kleeren lijken aaneen gekleefd, door den regen die ze zogen, tot een klamme, dikke schil, die nu eens lauw en dan weer ijzig wasemt tegen haar lijf, maar haar lijf is droog.... het zit binnen in haar kleeren en ze denkt eraan en ze voelt het.... en ze verbaast zich dat ze er anders nooit aan denkt en het nooit voelt. Het lijf van een mensch is in zijn kleeren als een pit in een vrucht, het lijf zonder kleeren is eigenlijk het echte van een mensch en toch zie je het nooit en denkt er ook niet aan, want denk je aan menschen, dan denk je aan kleeren, niet aan lijven, ook aan je eigen lijf denk je niet, en nu ineens voelt ze het in haar kleeren afzonderlijk, en als het echte van haar, wit en warm in het klamme en donkere....

Nu duwt ze de winkeldeur open en nu tuimelt ze ineens uit het donkere en uit het geluiden-gedrang het warme, lichte en stille in, dat is zoo vreemd dat ze blijft staan en de deur achter zich open laat. Van de lage, glimmende zoldering hangt de lamp, het lijkt zoo vreemd, dat hij niet beweegt, omdat buiten alles beweegt. Op de bruine toonbank staat een kacheltje, heel klein, dat als een naaimachine snort, achterin zit een heer, die schrijft en een lange juffrouw met een spits gezicht en een schaar aan haar schort komt achter de toonbank vandaan en sluit de deur die zij openliet en nu is het nog stiller, nu zuigt de stilte uit haar ooren het windgeweld weg en vult ze met zijn eigen suizen, ze wordt er bijna duizelig van.... Vreemd, maar het lijkt wel of de zoldering lager komt, of de wanden achter de twee lage bruine toonbanken, de wanden van knoopendoozen, groote en kleine, en op elke doos een groote of kleine knoop genaaid, het lijkt wel, of die wanden naar elkaar komen.... en zij staat tusschen de twee toonbanken in, haar hoofd in een doezel, zoodat het is alsof het schudt, en de winkel wordt om haar al kleiner, het wordt een speelgoedwinkel.... een buitengewoon prachtige speelgoedwinkel, niet heel breed, maar diep, en alles is er echt en achterin zit een heer die schrijft, en zijn handen bewegen. In de lamp brandt een levende vlam, wezenlijk vuur ligt in de kachel en de juffertjes bewegen, loopen en zoeken, wat echt, de rollen stof op de toonbank zul je stellig open vouwen en uitmeten kunnen.... wat een geld moet zoo een winkel waar alles echt is, wel kosten. Bij Spoel achter het Raadhuis heeft met Sint-Nicolaas een winkel in de etalage gestaan en de menschen drongen zich tot een klomp voor het raam, een kruidenierswinkel was het, maar nog lang niet zoo mooi, want de juffrouwen stonden stil en de knecht liep alleen als hij opgewonden was, ook waren de rijst en de erwten en de pruimen in de bakken niet echt.... hier is alles echt en hier kan alles bewegen en ze staat er zelf midden in. Een heerlijk Sint-Nicolaasgevoel is over haar gekomen, maar de juffrouw heeft haar het pakje met de stopsajet gegeven, zij voor haar de warm-klamme centen uit het papiertje gepeld, en nu moet ze weer weg.

Maar nu ze in donker komt.... dat is vreemd, en heerlijk vooral.... ze heeft den winkel om zich heen mee naar buiten genomen.... ze loopt in het lichte, stille, warme over straat.... de glimmende zoldering is boven haar.... aan weerszijden naast haar de gladde toonbanken, de wanden van knoopendoozen, ze gaat ermee door het donker.... en het blijft om haar heen..., maar het wordt wel al dunner en vluchtiger.... de wanden laten den avond door, en de regen breekt door de zoldering.... de juffertjes en de schrijvende heer vervlogen al in het zwart, warmte en licht blijven achter haar, als een stroom die haar eigen lijf ontvloeit en nu ze zichzelf weer open en bloot voelt komen, ziet ze voor zich uit als tegen een hoogen, zwarten muur, tegen haar eigen ellende aan.... en ineens als met een bons, slaat het volle besef in haar neer, benauwdheid grijpt haar bij de keel, het beeld van thuis komt voor haar oogen.... het zorgenvolle, vale, dat ze even vergat.... Vader is ziek.... tien grauwe dagen al ligt Vader in het alcoof te bed en wordt nog maar niet beter.... en kan nu niet voor hen werken en kan nu niet voor hen zorgen en kan nu niet hen beschermen.... o hoe zal hun leven worden als dit nog langer duurt, dat Vader niets weten en nergens bij zijn mag....

Vader doet alles, kan alles, zorgt voor alles. Soms heeft Moeder geen geld, Vader zorgt dat er toch eten komt.... de belasting is niet betaald.... er zijn briefjes gekomen, een boos woord staat er op: Verwittigen. „Zoo verwittig ik u.” Wie verwittigd is, mag wel gauw betalen, of er wachten hem nog erger dingen. Vader zorgt dat die erge dingen niet gebeuren. Wat Moeder niet weet, en de broers niet weten en Vader-zelf natuurlijk evenmin: het spookt soms in huis, op den zolder spookt het, in den winter tegen den avond, als er sneeuw ligt, het ergst.... slaat nu Vader zijn hand maar om den knop van de deur, dan zijn de spoken al weg. Nooit hadden ze gedacht dat Vader ziek-worden kan. Andere menschen werden ziek, Moeder werd ziek, maar was al gauw weer beter. Als moeder ziek is, wordt het leven kaal en koud, binnenshuis loopt alles verkeerd.... maar nu Vader ziek in bed ligt, nu zet rondom hun leven het gevaar op als de zee om de kust wanneer het stormt, want Vader is de dijk, die alles keert en waar alles op breekt, wat ze kwaad kan doen.... En nu mag Vader er zelfs geen woord over hooren. Al meer dan een week zijn ze „verwittigd”, en zonder dat Vader het weet! Wat Gerrit Mol, de schoenmaker, durft en doet, nooit zou hij het hart ertoe hebben, was Vader niet ziek, hoewel hij natuurlijk recht heeft op zijn geld. Hij zal ook gerust zijn geld wel krijgen, Vader betaalt iedereen, altijd! Maar ze weet het wel, en ze wist er al van, vóór moeder het vertelde: hij is kwaad, Gerrit Mol, want door Vader mocht hij niet langer met dat Joodsche meisje gaan, want Vader heeft er zijn vader over onderhouden, dat het goddeloos is, en de oude Johannes Mol heeft naar Vader geluisterd en zijn zoon verboden en het is uitgeraakt en juffrouw Mol was kwaad, omdat Gerrit er verdriet van had, en nu is de goede, oude Mol gestorven, die nooit met kwitanties stuurde aan de deur, omdat hij wel wist dat Vader altijd iedereen betaalt, zoodra Vader weer geld ontvangt en nu zijn de juffrouw en Gerrit de baas.... en alle dagen.... alle dagen nu al, sinds Vader in bed ligt.... komt het knechtje met de kwitantie en hij zegt, zijn baas houdt niet op, voor de laatste cent is betaald, en hij fluit als hij komt, hij lacht als hij gaat.... moeder trekt de straatdeur achter zich dicht en staat in de kou en den regen met hem te praten dat Vader niets merken zal en geeft hem soms wat uit haar beurs en zij-tweeën staan voor het raam in de voorkamer, waar nu geen lamp en geen kachel meer brandt en ze vegen den wasem weg om te zien en ze houden zich, om te luisteren, zóó stil, dat ze Vader hooren slapen in het alcoof. Dit leek het ergste, wat komen kon, tot voor een dag of drie. Toen is er ineens iets gebeurd.... maar wat weten ze niet.... wat er van komen zal.... weten ze ook niet.... er iets van merken, doen ze evenmin.... uit moeders woorden en uit haar huilen alleen begrepen ze, dat het een onheil moet zijn.... omdat ze zoo smeekten, heeft moeder ze gezegd, wat het is, maar ze begrepen het niet.... Maar de duistere woorden staan wel scherp in ze geprent: er is „een wissel vervallen”. Eergister en gister en vandaag alweer, op weg naar school en naar huis, hebben ze die woorden van alle kanten bekeken—, wat elk beteekent, weten ze goed, maar niet hoe ze tezamen en juist voor hen, onheil en gevaar beduiden kunnen. Een wissel is iets van den trein, maar dat kan het niet wezen, hoewel er gevaar genoeg uit wissels voortkomen kan. En ook „vervallen” is een verdriet, maar als een mensch vervalt, of als een huis vervalt, dat gaat toch maar niet ineens. Trouwens, het is geen mensch, geen huis, het is een wissel en het gebeurde wèl ineens, verleden week Donderdag! Het moet een van die duistere zaken zijn, zooals je op huizen ziet staan of in de krant, die je niet begrijpt, en die ze je niet uitleggen kunnen: „Registratie”, „Koop met Recht van Wederinkoop,” „Middelen ter voorkoming van Groote Gezinnen.” Maar alle dagen staan ze op en gaan ze slapen met door de angst en het verdriet om Vader heen, een vrees, dat er dien dag iets van het onheil van dien vervallen wissel over ze losbreken zal. Tot nu toe niet....

Het heeft met regenen opgehouden, maar hoog in het zwart, waar de boomtoppen kreunen, onzichtbaar, waait altijd door de wind.... telkens lijkt het of hij aftrekken zal, naar de verte toe, den polder in, zoo sterft elken keer zijn dreunig grommen,.... en dan komt hij toch weer langs een anderen kant terug en het lage, metalige zingen als muziek in een droom, gaat weer door de hooge boomen naar de donkere verten toe.

Maar wie komt daar voor haar uit den stoep af van „De Hoop”? Heidaar, ben jij het....? Hij is het en wat drukt hij in zijn krommen arm tegen de natte jas? Dat kleine, grauwe zakje.... het zal toch zeker geen suiker zijn....? Het is wèl suiker.... moeder heeft naar „De Hoop”—niet naar hun gewonen winkel—om een ons suiker gestuurd, moeder die altijd zegt dat suiker bij het ons zoo armoedig staat en nooit minder dan een halfpond tegelijk laat koopen.... Verslagen gaan ze naast elkaar: nu zijn ze héél arm.... nu is het héél ver met ze gekomen....

Er zijn veel halfponden en ponden suiker noodig in huis voor den citroenendrank die de booze ziekte, tot nu onbekend, in de zieken verslaan en van de gezonden afkeeren moet.... moeder zorgt ervoor dat de ronde, witte kom bij dag en bij nacht gevuld op tafel in de voorkamer staat en ze mogen drinken zooveel ze willen—, „in het fatsoenlijke”, zei moeder, want ze kon natuurlijk óók niet denken hoe ze die weelde walgen zou. Zagen ze het niet met eigen oogen, ze zouden nooit gelooven dat deze drank geen andere is, dan die waarvan den afgeloopen zomer een glas voor hen samen zeldzame tractatie was.... de lucht alleen staat ze al tegen, maar de dokter schrijft het voor en moeder volgt alles op wat de dokter zegt.

Was de dokter er maar, als ze thuiskwamen....! Ben jij allang van huis....? Neen, hij hoefde alleen naar „De Hoop”, zij heeft van tamelijk ver erwten voor soep en stopsajet gehaald..... en jammer, de dokter kwam juist in dien tusschentijd.... Ze zal hem dus vandaag niet zien. Hij is aardig, hij is goed, de dokter, alle dagen zegt hij, dat hij Vader beter maken zal.... met zijn komen dringen warmte en licht in huis.... alleen, hij blijft maar zoo kort, want er zijn zooveel zieken.... en hij vraagt ze nu niet als van ’t voorjaar toen ze mazelen hadden van vreemde en moeilijke woorden de beteekenis en het tegenovergestelde—weet je nog wel, van „langdradig”, en dat we allebei tegelijk zeiden „beknopt”?—hij praat nu niet met Vader en Moeder over hun familie en waar ze gewoond hebben en aan welke ziekten ze gestorven zijn.... hij heeft het te druk, je merkt het aan alles, hij noemt ze telkens bij een anderen en altijd bij een verkeerden naam! Vandaag ook? Ja, vandaag zei hij „Gerard”, ook nogal gek als je Jo heet!

Zoo, nu stil zijn, nu liefst op de teenen gaan, dat Vader hun stappen niet aankomen hoort en voorzichtig ook met de deur, de bel tegenhouden in je hand.... Stil brandt het lampje tegen den gelen wand in de gang, de deur naar de achterkamer staat open, de lampevlam is daar laaggedraaid, je ziet het aan het schijnsel.... sst nu.... sst.... niet stommelen bij de kapstok, niet stooten tegen den bak.... dompig-zacht komt Moeders praten uit het alcoof.... hooren ze niet ook Vader....? Ja, een enkel woordje,.... kort-uitgestooten.... hoe moeielijk schijnt het geluid te komen, en met wat drogen, heeschen klank.... Ze mogen nooit ongeroepen naar Vaders bed.... maar als Moeder daar komt, zullen ze dadelijk vragen.... En denk nu eens.... denk nu eens.... dat Moeder nu, na zooveel dagen, zooveel keeren „hetzelfde” eindelijk „een beetje beter” zei.... zou het niet wezen als laatst dien dag, toen het kindje van Schols was weggeloopen en ze allemaal mee-zochten, alle kanten uit en het kwam maar niet terug.... en het werd al avond.... en eindelijk.... eindelijk hoorden ze tegemoet zich roepen: „hij is al thuis gebracht, hij is terecht....”

Zoo staan ze te fluisteren bij de tafel in den rossigen schijn van de laaggedraaide lamp; buiten de afgedekte ramen in het donker lijkt de wind naar de verten teruggeweken, het zachte rammelen van de vensters doet aan klappertanden denken, de deur naar de keuken sluit niet goed als het waait, daardoor hooren ze nu telkens het taaie druppen in den gootsteen uit de lekke kraan. Domper nog dan daareven gaat Moeders praten in het alcoof, en Vaders stem dook onder—, zeker heeft Vader de medicijn genomen en dekt Moeder hem nu toe. Dadelijk komt Moeder, dan mag de lamp misschien hooger en krijgen ze brood. De regen snelt, met zotte hooge gilletjes, uit de gootpijpen in de ton, het geluid van het vallende water lijkt soms ineens dat van iemand die onfatsoenlijk over zijn eten smakt. Van den straatkant werd gefloten.... het ging voorbij.... doch joeg ze allebei den schrik op het lijf.... en beiden tegelijk vragen ze elkaar: is hij er vandaag geweest, de bleeke loopjongen met zijn groezele treitersnoet, die fluitende komt en lachende gaat, moest Moeder vandaag weer naar de keuken vluchten om uit te huilen, dat Vader niet hooren zou? Nee.... hij kwam nog niet, hij kwam nog niet vandaag.... Sst.... Sst.... daar is Moeder.... niets vragen vóór ze zonder geluid de deuren sloot, vóór ze vlak bij hen is.... Moeder, hoe is het.... hoe is het?.... Hetzelfde.... nog hetzelfde.... altijd hetzelfde.... het lijkt al eindeloos lang, en of het nu nooit anders meer worden kan. „Maar Moeder, de jongen van Mol, met de kwitantie.... was die er niet vandaag?” „En wat kan van dat hij wegbleef de reden zijn?” Misschien is hij wel zelf ziek, denkt Moeder en ze gaat naar de kast en haalt het brood en terwijl buigen zij zich om te fluisteren naar elkander over.... Kan het niet evengoed zijn dat Mol een kwaden droom heeft gehad, een „Golem” zooals de ouderwetsche menschen zeggen, en dat hij nu ze niet meer kwellen durft....? Ze zijn van de tafel weggegaan, daar Moeder klaarzetten moet, ze zwijgen na hun laatste woorden, kijken mijmerend naar Moeder, hoe ze door het weeke, blanke brood het broodmes drijft. Met broodmessen gebeuren wel moorden.... broodmes is bijna een griezelig woord.... God.... wat is er.... wat heeft Moeder gehoord of gezien dat ze plotseling ophoudt? Omdat ze aan moorden en aan golems dacht, vergat ze den jongen met de kwitantie.... maar nu duikt ook voor haar duidelijk uit het donkere buiten op, wat Moeder al hoorde en wat haar zoo schrikken doet.... hij komt eraan, ze kennen allen al zijn deuntjes en dit is er één van, ze kennen zijn stap.... en die komt nu naar hun huis.... nog even.... en de bel zal overgaan.... en Vader zal wakker schrikken.... maar Moeder is de kamer al uit.... is de gang al door.... rukte de deur naar binnen open, en zij beiden, achter haar aan, loopen de voorkamer in, en naar het raam, om te hooren en te zien. Hij is er nog niet.... hij praat met een jongen.... en hij lacht.... hij zal toch niet met dien wild-vreemde over hun kwitantie spreken....? Ze kunnen niets verstaan.... ze hooren Moeders voeten heel zacht schuifelen in de gang.... zeker kijkt ze voorzichtig om de deur, waar hij toch wel blijven mag. Ze wachten, luisteren, huiveren.... Als een nat laken gooit zich de klamme ijzigheid op je lijf, zoodra je binnenkomt, er is al zoo lang niet gestookt.... door het dikke, grijze dampbeslag, dat over de ruiten als uitgespannen staat, dringt van de straatlantaarn buiten wat troebele, vale schijn en op tafel glimt flauw de buiging van den ronden witten kom, waaruit de citroenlucht opkomt, die in de heele kamer is.... je ziet je adem.... en dit doet haar altijd tot een kleine walging aan.... je moest die dampen binnen uit de menschen niet merken, van je-zelf niet en van anderen niet. Wit-wolkende adem van paarden op straat jaagt niet die rilling als rimpeling licht door haar heen, enkel zichtbare menschen-adem.... Ze wachten luisterend aan het raam, huiveren in de ijzige schemering. En juist aan deze kamer is herinnering van feestelijk eten, van gezellig bezoek, van verjaardagen, want dat alles wordt hier gevierd, bij de warmte-stralende kachel, rond de goud-gloedende lamp.... nu staat de kachel daar star, stug, als verbitterd en van de lamp geloof je nauwelijks meer dat hij ooit licht gegeven heeft.