Chapter 17 of 20 · 3933 words · ~20 min read

Part 17

Ze is net zoo goed zelf als de anderen verbaasd, dat ze het zoo heelemaal vlot heeft kunnen zingen. Want weet u nog wel Vader, en schipper en juffrouw.... en jij weet het natuurlijk.... dat ik het eigenlijk niet eens mocht kennen? Neen, ik mocht het niet kennen, ik mocht het niet zingen, want ik hoorde immers bij de kleintjes. En die zongen.... die zongen.... neen, stil nu, ik weet het al.... ik heb het al....

Wij kleintjes zingen ook een lied Al zijn we dan zoo knap nog niet Dat wij dit feest begrijpen....

Maar dat wou ik niet zingen, want ik begreep het best. „Dat in de kleine stad Edam, het eed’le Nut tot aanzijn kwam, was gisteren honderd jaar.” Dat was het.... en dat begreep ik toch net zoo goed!

„En toen heb je stilletjes.... en weet je nog wel die heer?”

„Die heer....? O ja.... ja, die nam me er tusschen uit.... en die zette mij achter een stoep, in een hoek.... want het was buiten.... want ik zong toch dat andere lied.... met mijn oogen stijf dicht.... en o, dat giert zoo gek door je ooren als je wat anders zingt tusschen de anderen door.... het was een heel andere wijs.... en die heer kwam stilletjes achter mij.... en die nam me er tusschen uit....”

„En van de tractatie heb je niets gehad....”

„Neen.... maar achteraf werd er toch nog een opgerolde prent met een grijs strikje en een groot stuk koek voor mij thuis gebracht!”

Als ze klaar zijn met lachen, staat de schipper op en gaat naar een hoekkastje boven een bank en neemt er iets uit en komt er mee naar de tafel terug, en reikt naar weerszij, aan Vader en haar elk een fotografie. Ze ziet het dadelijk: het Feest. Vlaggen, neerhangend of opwapperend, in hun beweging als gegrepen en voor altijd zoo vastgehouden.... vlaggen, die de huizen tegenover elkaar, elkaar lijken toe te reiken, zoodat ze midden in de straat elkaar kruisen, een warreboel van zwarte en witte banen, in alle richtingen doorsneden, achter elkaar om, boven elkaar uit, onder elkaar door.... en onder dien hemel van vlaggen heel beneden in de lange, rechte, smalle straat, de menschen piep-klein tusschen hoog-opgaande huizen, die ook wel lijken zwart-en-wit geblokt boven deuren en rondom ramen en onder langs goten, want hoeveel donkerder lijkt op een fotografie de donkere en hoeveel lichter de lichte steen! Ver weg zie je een eerepoort, waaruit kleinere vlaggetjes steken en alle menschen gaan daar heen of komen vandaar terug. Het is mooi, het is als levend, het is de fleurige volheid van een Feest.... en toch spijt het haar dat ze niets van die straten herkent.... Daareven meende ze alles van dat voorbije leven in zich te voelen, het zat besloten in die wemelende volte binnen in, als menschen zonder duidelijke gezichten, maar die ze zou hebben herkend en bij den naam genoemd als ze zich hadden omgekeerd. En toch niet.... toch niet.... want dit is vreemd, het kan bijna niet dat ze hier ooit in haar leven is geweest.

„Maar wat is dit dan, Vader, waar is dit dan eigenlijk?” Dacht ze dat het daarginds het stadje was? Neen, het is Edam.... want de schipper is in Edam geboren en heeft in Edam het Feest gevierd en heeft uit Edam de fotografieën mee-genomen. O.... maar dan is het goed en wil ze de fotografieën graag nog eens bekijken....

De schipper heeft ze weer in het hoekkastje geborgen en Vader is opgestaan. Liggen ze nog lang hier met het schip? En zou er gelegenheid zijn dat ze samen bij Vader en Moeder op visite komen? O ja, laat dat gebeuren mogen, eer ze weer weggaan, wie weet waar heen, wie weet voor hoe lang.... en wie weet in hoeveel jaren ze elkaar dan niet terug zullen zien. Ze moeten Dinsdag vertrekken en willen Maandag komen. Dan gaan ze nu naar huis om Moeder alles te vertellen en omdat Moeder anders ongerust worden mocht. De schipper zal ze met de jol weer over het water brengen....

DE VOET VAN DEN IJSBERG

De stilte in de klas is van ademloos luisteren zwaar. Je hoort wel telkens den regen buiten tot luider en schriller hagel verspitsen, maar je let er niet op en je kijkt niet, als anders bij zoo iets, elkaar even aan. Er glijdt ook wel eens een voet van de zandige plank en bonst tegen den vloer, maar het stoort je niet, want je voelt en je hoort aan het geluid, dat het juist door die volheid van aandacht bij ongeluk gebeurt. Ze luisteren met ooren en monden naar den meester en al hun oogen gaan met de zijne samen en met den langen stok die uit zijn vuist steekt van en naar de plaat voor het bord. Daar heeft zich, door meesters vertellen, een wereld vol wonderbaarlijk leven opengevouwen.... de schemer-blauwe donkerspiegelende ijsgetorenten kaatsen van voor de klas hun kilten naar je uit, je voelt hun reusachtige hoogten en grootten op je wegen, als stond je ervoor, als stond je eronder en de ijsberen, met hun schuddende koppen, waaruit de roode tongen hangen, sluwe oogen, traag en log in hun witte vacht, gluipend uit spleten, loerend achter harde, gladde vlakken om, die maken je schier bang.... een ijzig-koude, groene zee breidt zich breed-golvend naar achter uit, tot aan den horizon.... tot diep in de bleeke schijnselen van wat aan den hemel uitstraalt als een reuzenwiel, uitwiekt als vlerken van wondervogels, de machtige vreemde stralingen van het Noorderlicht, die de groene zee en de schemerblauwe ijsgestalten, die de heele hemel vervult van bleekte en bang ontzag.... en zelf sidder je mee in al je leden.

Plotseling begint buiten de toren twaalf uur te slaan. Nu al? Wat gauw al.... Vandaag heeft niemand op de klok gewacht, niemand naar het uur van twaalven uitgekeken.... wonderlijk.... wonderlijk.... vindt ze onder alle voorbije Woensdagen van alle vergleden jaren er nog wel één dat het ook zoo was? De klok begon en het was nog stil.... en de laatste slagen kun je door het roezen en stommelen al haast niet meer hooren. Hoe komt dat altijd zoo ineens.... en wie begint ermee.... je kunt het niet zeggen, het springt overal tegelijk uit vandaan, zooals alle kleine korreltjes tegelijk als de droge zaaddoos barst.... Maar in hun klas.... het wonder gaat door, het wonder groeit.... in hun klas is het doodstil gebleven. De meester heeft even op zijn horloge gekeken en toen naar het raam en toen naar de deur.... en toen ging zijn stok weer naar de plaat voor het bord.... Een tooverstok....! Hij raakte het kleine schip achter in de groene zee en het schip kwam los, kwam naar voren, het schip begon te groeien, het schip leeft.... zijn binnen komt open en het is vol doodsangstige menschen. Want daar.... daar.... waar het groene overklaard is van die vreemde bleekten.... daar komt de IJsberg aan.... En het schip is klein.... maar het is toch van hout en van ijzer en van staal. O ja.... het is stevig en het is taai en het is rank.... het kan stortzeeën doorstaan, het heeft, op zijn tocht hierheen tegen huizen-hooge golven geworsteld, daar is het doorheen gekomen, tot het nu in de groene stilten van deze IJs-zee toeft.... maar de IJsberg is sterker dan stortzeeën en golven, dan het sterkste schip, hij kraakt de schepen, zooals wij noten kraken.... en de mast valt in scherven en het schip breekt in brokken, in splinters en tusschen brokken en splinters rollen de menschen eruit en in de ijzige, groene diepten gaan ze reddeloos verloren. Het behoeft maar even, met zoo’n glasharden, gladden, donkerspiegelenden wand het schip te raken en het kraakt en alles is voorbij.... Ja, meester.... ja.... maar het schip is er toch nu nog zoo’n heel eind van af.... wel zes, zeven breede golven, tot waar de blauwe berg als vastgeankerd ligt.... hij drijft.... maar hij rent toch niet door het water als een hollend paard.... De meester lacht heel even.... ze hoeft zich niet zoo bang te maken, zij is toch zelf niet op het schip.... dan weer ernstig. Wat je ziet van den ijsberg is bij lange na de heele berg niet, het is er maar een klein stukje van... van elken ijsberg zit het grootste deel onder zee... en dat groote deel ziet niemand, zoodat niemand ook weet naar welke richting het reikt en of er misschien scherpe riggels, vinnige uitsteeksels aan zijn, en tegen dat verborgen onderzeesche deel stooten zich de schepen in één minuut, in één seconde te kraken als een noot....

Ineens houdt de meester met vertellen op, zijn stok zinkt neer, hij luistert naar iets dat uit de verte komt, en ze luisteren ook en merken het ineens: wat is het stil in school, alle klassen leeg, alle anderen weg, de eenzame stap, dien ze kennen, wekt overal in de leege gangen echo’s op: stap en echo’s zwijgen tegelijk voor hun deur, een hand draait den knop, duwt een eindweegs door, ze zien het norsche gezicht met den grauwen baard, de opgetrokken schouders wrikken zich scheef in de smalle spleet, en niets zegt de bovenmeester, hij kijkt alleen, naar den meester, naar de plaat tegen het bord, langs hun aller tot hem geheven gezichten, naar de ramen, met hun dicht zilver bekleedsel van regenloovers, zijn oogen, veel feller-blauw dan je verwachten zou in zijn bleek en grauw gebaard gezicht keeren na hun ommegang weer naar den meester terug, hij trekt de deur mee in zijn verdwijnen, de stap vangt weer aan en versterft, met de echo’s, naar de diepten van de school.

Zou het niet mogen.... zou het verkeerd zijn.... zou de bovenmeester gedacht hebben dat ze daar zaten voor straf....? Hij houdt ze anders zelf wel voor het minste-geringste.... De meester heeft den stok al in den hoek gezet.... en nu is er niets dan een leeg zwart bord waar zooeven de ijsgetorenten rezen uit groene, koude zee, omslopen van sluwe, witte beren.... die gansche diepe, bleek-doorschenen wereld, het Hooge Noorden, waar het heele jaar in één langen nacht en in één langen dag is verdeeld....

Leeg en nat liggen de breede blauwe treden, van hemelkaatsingen verdiept onder haar voeten uit, zij staat op de bovenste en maakt langzaam haar mantel vast en kijkt naar het huis tegenover, het is het huis van den bovenmeester en de meid neemt een roode kool en de juffrouw—ze is een juffrouw, maar de vrouw van het Hoofd van de Fransche school is een mevrouw—de juffrouw kijkt lang en recht tusschen de lange, rechte gordijnen naar buiten. Het lijkt in de voorkamer al stikdonker, in de achterkamer dringt een zilverig regenlicht, dat komt uit het land.... je ziet het, doordat de tusschendeuren openstaan.

Die andere wereld.... en ze blijft staan en ze kijkt rond.... die is er ook, die is maar niet enkel op de plaat.... die is er echt.... je kunt er heen.... aan hier en aan dit zit die wereld vast, het is dezelfde aarde, het is ergens.... het is achter den gesloten hemel, het is ver en diep de zilverige regenkimmen in.... Waar.... waar.... waar is het Noorden? Hier daalt de zon, als er zon is, ginds komt ze op.... dan moet het Noorden daar zijn... den kant uit van het station.... en het park voorbij.... en eindeloos verder dan de landen.... Neen.... je moet het zoo niet denken.... niet langs spoorwegen.... niet langs lijnen, niet met treinen, zoo moet je het niet denken, dan voel je te goed dat je er onmogelijk kunt komen, zoo wil ze er ook niet komen.... maar rechtstreeks dáár dien bleeken hemel in.... en zwevende verder.... door nevelen.... en zoo naar het Hooge Noorden.... om alles echt voor je oogen te zien!

Maar geleidelijk aan, nu ze dichter bij huis komt, verdwijnen de groene zee en de schemer-blauwe getorenten, de ijsberen, de walvisschen, het schip, het Noorderlicht.... alleen de Voet van den IJsberg blijft en schijnt heel op zichzelf iets afzonderlijks en iets bijzonders te gaan beteekenen.... ze moet voortdurend aan den onderzeeschen voet van den IJsberg denken. Waarom....? Misschien omdat hij voor het schip zoo gevaarlijk en zoo verraderlijk is...? Neen.... want nu ze haar denken overbrengt tot het schip, begint dat gevoel van iets bijzonders aan den IJsberg dadelijk te verflauwen.... en komen leegte en lichte onvreê, juist als bij het balzoeken, als ze eerst een tijdlang al dringerder „warm”, „warm” riepen, en dan ineens weer „koud”. Dan ook ben je de kluts kwijt. Het schip heeft er dus zeker niets mee te maken, maar wèl zij-zelf! Zij-zelf heeft iets met den Voet van den IJsberg te maken.... ze voelt den Voet van den IJsberg in zichzelf, als iets van zichzelf... Thuis willen ze natuurlijk weten, waardoor ze zoo laat is. De meester vertelde.... zoo mooi! En moesten we eigenlijk niet weer eens „Nova-Zembla” op zolder spelen....? Het oude loophek onze hut of ons schip.... de grauwe plankenvloer rondom de zee, waaruit we met de hengels groote visschen halen? We mogen toch wel alle jassen van den kapstok tot visschen maken.... en koek en melk en een appel-met-suiker-en-kaneel voor proviand? Nu dadelijk, vanmiddag? O ja, vanmiddag, dadelijk, ineens!

Moeder lacht.... het mag wel.... alleen, er zijn zoo maar in de week geen appels in huis. O, laten wij dan alsjeblieft, voor dezen eenen keer, een grooten zuren van een cent mogen halen, want hol je een kleine uit om te vullen met suiker-en-kaneel, dan houdt je niets over dan de schil en die wordt dan zoo bitter en zoo taai als een zool.... om het hol in een groote blijft nog een dikke laag en daar dringt dan het zoet van de suiker in door met den geur van de kaneel.... en laat Moeder dan ook, alsjeblieft, voor dezen eenen keer, uit het toetje een handje vol krenten en rozijnen geven, want de overwintering duurt maanden en als ze dan niet genoeg visschen vangen, of de visschen zijn te tranig en taai.... Van de visschen gesproken.... is de hengel in orde? Neen, die staat in het schuurtje.... maar terwijl zij den appel haalt, zal hij voor den hengel zorgen en dan boven al vast alles klaar maken gaan....

Dat ze nu ook zoolang wachten moest...! Al die aardappels en roode kool.... ze gunt zich geen tijd om juffrouw Heilbron te groeten, maar is toch blij dat ze haar bij Moeder in de kamer ziet, nu heeft Moeder ook plezier—, de groote menschen schijnen zich net als de kinderen Woensdagmiddag een beetje vrijer te voelen.... Een reus van een appel, een pracht, zie je wel, zie je wel....? Ze holt de trappen op, dat het stommelt in de middagstilte.... waar ben je dan....?

Ah bah! Nog niet eens terug.... en nog niets klaargelegd.... zeker nog aan het klungelen in het schuurtje.... nu ja, de groote trek kwam van haar, maar hij beloofde toch, hij beloofde toch, en later had hij zelf ook wel zin, toen ze den appel en alles mochten hebben. Is dat regen of zweet op haar gezicht? Het is allebei, ze is koud en ze gloeit.... dan maar zitten, even rusten van dat hollen, hij zal nu toch wel dadelijk komen. Op de bovenste tree, je voeten één lager, je knieën tot aan je kin, je vuisten in je dichte oogen, dan rust je zoo lekker, dan ben je ook zoo heelemaal van jezelf, en dicht bij jezelf, dan ben je zoo prettig-alleen, en tegelijk niet alleen, want beneden zitten Moeder en juffrouw Heilbron te praten. Wat maak je eigenlijk altijd met je lijf, met je armen en je beenen, met je neus en je mond, en met alles, als je goed beschouwt een heidensch lawaai—, want zit eens even werkelijk stil, en dadelijk worden duizenden geluiden duidelijk.... het regent buiten maar zacht en toch hoor je het ineenen sproeien en ruischen.... nu is ook de trap wel vlak aan den muur, al zie je het niet, want nergens een venster. Wat wordt het binnenshuis al vroeg donker.... December ook, Sint-Nicolaas voorbij! Hoe vreemd voel je toch jezelf zoo ineengevouwen zitten, op de bovenste tree, je knieën tot je kin en je vuisten in je dichte oogen en overal dat grauw van muren en trap, en de grauwe gordijnen onder in het portaaltje, voor het donkere hol, dat eens een bedsteê was en waar nu oude rommel geborgen wordt.... en rondom je en achter je de troebele, stoffige schemering.... Heeft hij misschien den hengel uitgeleend, is hij hem dan nu gauw ergens vandaan gaan halen? Alles wat op zolder klaarstond, zooeven, waren de schoteltjes met suiker en kaneel, met rozijnen en krenten, die heeft Moeder dan zeker zelf bovengebracht.

Kijk nu.... ineens.... de heele plaat breidt zich uit voor haar gesloten oogen.... duidelijk in de kim de machtige stralingen van het Noorderlicht, en de ijsberen en het blauwe getorente, met zijn spitse pieken, zijn schaduwschemerende holen en donkerspiegelende gladde vlakken.... en nu voelt ze in zich den Voet van den IJsberg weer.... Ze is alleen, ze is in halfdonker, ze is met zichzelf diep weg voor allen verborgen hier boven aan de trap, en ze zit zóó ineengedoken, dat ze zelf de rondheid voelt van haar rug, bollend in de leege, stoffige schemering die door het groezel-beslagen zolderraampje binnenkomt.... De Voet van den IJsberg is binnen in haar.... het is haar eigen verborgen leven.... het is het toegeslotene achter haar gewone leven dat niemand kent of maar vermoedt. Het kleine stuk dat boven water uitsteekt.... wat de menschen van haar zien, en wat ze ziet van zich zelf... want meestentijds is dat onderzeesche deel ook voor haarzelf verborgen. Je kunt toch maar niet droomen, wanneer je wilt, je bent toch ook goddank, niet altijd bang! Ze weten natuurlijk allemaal dat ze bang is, want ze wordt er genoeg mee geplaagd—, gisteravond nog, omdat ze niet voorbij het steegje van Loerie Bitter dorst, omdat er zoo’n naar geweld uit naar voren kwam.... toen is ze terug gegaan en heelemaal omgeloopen!—ze weten ook dat ze vaak benauwd droomt, want dan heet het immers dat je niet goed genachtlajend hebt of maar twee keer in plaats van drie keer „Sjemang” gezegd, maar daar ligt het niet aan, want daar past ze wel op, je was toch zeker wel mal, als je er met zoo weinig af komen kan en trouwens, goed nachtlajenen moet je vanzelf....

Wanneer je zoo eens over je droomen denkt.... ziedaar de Voet van den IJsberg! Want waar is ze in haar leven geweest? Nooit echt ver, en altijd naar dezelfde plaatsen en hoe vaak heelemaal? Dan natuurlijk, alle dagen, van huis naar school, en terug, en het Park, en om boodschappen.... Dat is het kleine, zichtbare deel van den IJsberg. En nu hoeft ze niets te doen dan maar stil te zitten.... nu hoeft ze niet eens te denken aan de gruwelijke gebeurtenissen, aan de afzichtelijke gezichten, aan het wreede en benauwde en van wat allemaal in droomen gebeurt, nu hoeft ze alleen maar voor zich te halen de donkere straten, waardoor je gaat, de vreemde steden, die je ziet, de wijde wateren waarop je vaart.... zoo, zonder eenige moeite en duidelijk en scherp, als was ze er nu, en één voor één, als zat je een prentenboek te bekijken.... en deze is al zoo lang geleden, misschien een jaar of langer en daar kan ze toch zoo vaak ze wil in terugkeeren: hooge zwarte huizen, over diep, donker water hellend, een lange waterstraat, een hoek om en weer een waterstraat, weer hooge zwarte huizen hellend erover, grauwe, gesloten gordijnen, tot boven toe.... en gezichten.... gezichten overal tusschen die gordijnen.... maar daar niet aan denken.... een hoek om, weer een donkere waterstraat.... en nergens straten van steenen en de huizen hebben geen deuren... Of je droomt van Hoorn en Enkhuizen en dat ze vlak bij elkaar zijn, enkel een kleine zee ertusschen, daar kijk je met gemak overheen.... vertel dat eens een ander, en ze vinden het niemendal, laat een ander het jou vertellen, het beduidt niemendal.... maar in den droom.... er is een donkerte aan alle dingen en een vreemde stilheid.... het gewoonste, waarvan je droomt, van een trein, van een gebouw, van een toren, een weg, een schuitje in een kanaal.... o, maar dat is ook zoo benauwd, dat hellingen al steiler, en gangen al smaller worden, dat trappen zich kronkelend in de dikten van muren wringen.... soms begon het heel gewoon, het wordt gaandeweg erger, het wordt als met sprongen erger, het verandert ineens.... je gaat bijvoorbeeld in een klein huis, en er komt geen eind aan de kamers, het is een paleis.... je zoudt denken, nu heb je een prettigen droom.... neen.... er is toch immers aan alles dat stille en dat gluiperige donkere.... je loopt en komt niet verder, je gaat over straat in je hemd, je struikelt bij elken stap.... je zinkt een afgrond in.... ploft op den bodem.... neen, je ploft niet.... je bent zoo licht en zoo los als meel.... en het allerergste is dat gluiperige aan gewone dingen. Wat kun je ook droomen jarenlang onthouden.... straten in de stad, waardoor je toch meer dan een keer bent gegaan, huizen die daar staan en die je kent.... je moet altijd even zoeken, even denken.... en langzaamaan stelt het zich dan samen in je herinnering... maar een droom, dien je één keer droomde.... dat lage zwarte huis met toegespijkerde ramen midden in een schemerland... en een koe die loeit... en niets meer... en ineens staat daar een mannetje dat je nergens vandaan hebt zien komen.... dat allemaal is er in eens en tegelijk... daarvan vergeet je niets... dat staat voor je oogen als een prent.... en je hebt het blad maar om te slaan....

Is de gang zoo nauw geworden dat je niet meer kunt ademen, dat de grauwe, koude wanden je raken.... of kun je niet meer bij die helling op.... of zie je peillooze diepten, waar je een vlakken weg verwachtte... of knik je door je beenen zooals je vlucht voor die dolle koe.... je liep in een heele menigte menschen en opzettelijk pikte hij jou er tusschen uit.... en je valt er bij neer.... en hij heeft je.... dan word je wakker.... en je weet dat de koe er niet is en de afgrond niet en niet de helling, waar je noch verder op, noch af kon komen, en niets van de dingen die je droomde.... maar toch is er iets, dat om je heen hangt, in de kamer, in je bed, dat geen oogen heeft en toch naar je loert, en geen vorm en dat toch vlak om je is en tegen je opdringt, je durft geen lid van je lijf verroeren, je zou voor geen geld uit bed durven komen.... en als je zoo bent, pas wakker geworden uit een naren droom.... en alles nog door elkaar.... en zoo lam en verward.... en niet weet in welke wereld je hoort.... O, ze voelt het in haar voeten, den lauwen griezel en ze beweegt ze over de treê beneden die waarop ze zit en misselijkheid overkomt haar, en haar handen zijn nat van haar klamme gezicht.... Hè, het was of ze bijna weer droomde.... en wat werd het donker in dien kleinen tijd....

Hij komt niet met den hengel.... hij vergeet haar, laat haar in den steek, is met zijn vriendjes gaan spelen.... ach, het hindert al niet meer.... waar dacht ze toch aan? Aan droomen.... neen, want daarvan schrok ze niet op.... ze voelde het aan haar voeten, voelt het nog alsof haar voeten misselijk werden.