Part 4
Verderop, een zijpad in, staan vijf huizen vlak naast elkaar, die wel bijna boerderijen lijken, nergens is het gras als op die vijf bleekjes, zoo donker en dicht, zoo sappig en zoo glanzend, zoo vol madelieven, als margrieten groot en star, en nog boven de hoogste sprieten uit. Als je over het laagste hekje hangt, kun je het ruiken. Het groen lijkt nog donkerder, doordat ze uit de zon kwam en dit heele padje in de schaduw ligt, de madelieven zou je niet kunnen tellen, de achterdeuren staan open, die springen uit den zijkant van het huis, de klompen staan op de smalle klinkerpaadjes. En nu komt ze opnieuw in de zon, maar heeft het prettigste van den weg gehad.... dwars over het einde van het lange smalle pad, geen handbreed hooger dan de sloot, zonder steenen, waar je glibbert in den modder als het geregend heeft, staat het mooie roode huis, dat „Eben Haëzer” heet, dat Kleij heeft laten bouwen, eigenlijk veel te mooi voor dit armelijk achterpad.... maar eer ze daar is, moet ze het oude, grauwe krot voorbij, dat eenmaal een smederij is geweest, en daar staat het schrikding op het dak! Het is een schoorsteenpijp, kort, grauw-zwart, verzakt en scheefgezegen, en een vreemd, krullig ding erop dat toen hij recht stond, naar boven gericht was, wijst nu naar den horizon, ver, ver over het land, als gebeurde daar altijd-door iets dat gruwelijk en wonderlijk is.... nooit heeft ze graag naar die schoorsteenpijp gekeken, noch de richting uit, die het krulding wijst, maar sinds den nacht, dat het in haar droom is geweest, twee dagen na den onweersdag, durft ze er niet meer naar kijken, durft ze er nauwelijks langs te gaan. Dien middag wees het zóó dwingend, dat ze, tegen zichzelf, wel kijken moest en wat ze zag was ver weg over de velden, waar de koeien angstig liepen te hoop, onder lage kleigrauwe wolken, een lucht die somberen kopergloed straalde en waartegen molentjes, klein, scherp-zwart, als dol van angst, te wieken stonden. En al de lange slooten kaatsten dat koper en het groen was bang en wild en vaal en er was overal een suizen en grommelen, als kwam het onder de aarde vandaan. Het onweer dreef af.... maar ’s nachts kwam het ding in haar droom. Er was schemering, een schemering zooals je in werkelijkheid nimmer ziet—, ze liep het stadje door en zocht haar broertje, die verloren was, ze liep al harder, want hij was telkens voor haar uit, haar loopen werd zweven—want het is hollen of stilstaan in een droom en soms lijk je van lood en kunt geen voet verzetten!—maar ze kwam toch niet dichter bij hem.... het was haar stadje en ook weer niet, want ze herkende wel huizen, maar ze waren het toch niet echt, ze waren als hielden ze zich maar zoo en overal hoeken, gangen, dwarswegen, kronkelingen, altijd nieuwe en telkens verdween, op even grooten afstand voor haar uit, haar broertje om zoo’n hoek, in zoo’n gang, achter zoo’n kronkeling, zoodat ze hem nooit inhalen, nooit grijpen, nooit krijgen kon, en ook geen geluid kon ze geven.... toen waren ze ineens tusschen de huizen vandaan aan de haven, waar de lange platte en de korte hooge bruggetjes in een wijden krans over het water en over de balkenvlotten liggen.... Zoo was het ook in den droom, maar er waren geen schepen, geen lucht, geen boomen, enkel die gele schemering.... en ze rende, zooals je in werkelijkheid nooit zou durven over de lange platte en de korte hooge bruggetjes, omdat ze maar één leuning hebben en altijd zag ze haar broertje voor zich uit.... en hij zweefde nu werkelijk, ze zag zijn beenen niet.... toen hielden ineens de bruggetjes op, het laatste was een hoog, en verder en rondom niets meer dan water, dat gelig schemerde, en waar geen eind aan was, ze vloog bij het laatste bruggetje op, en haar broertje was verdwenen.... en bovenop stond het schrikding van het dak van de smederij en de krul wees het water in, als een groote, kromme vinger wees het neer, maar het water was gesloten en stil, niets roerde, niets repte, ook geen geluid.... en toen kwam ineens, ver over het water, uit de kim, zooals de zon opgaat.... maar het was niet de zon.... het was een groot, bleek, gruwelijk gezicht....
Sinds durft ze zelfs niet meer naar het schrikding kijken, maar daarom voelt ze wel in het langs loopen hoe het kijkt naar haar, want stellig weet het dat het in haar droom is geweest.... en dan gaat het heet en koud door haar heen en haar beenen voelt ze als zwellen en machteloos worden, en als ze ergens ooit in de modder uit zou glippen, dan daar.... het pad is ook zoo stil, zoo achteraf, zoo verlaten.... zijn er maar menschen, dan is dadelijk de angst veel minder.... soms roeit er een boer met een melkschuit voorbij.... soms staat er een jongen te visschen.... en vandaag, o geluk, zit er juist tegenover aan den kant van den weg een oude man, die gras snijdt en bergt in een grauwen zak. Hij is oud en heeft een mummelmondje en lijkt op de vrouwtjes van het „Roomsche pad”, hij houdt met snijden op, nu hij haar ziet komen, zijn witte haar waait onder zijn petje uit, hij wijst naar den zak „voor de k’naintjes” en hij knikt naar haar op.... o, wat houdt ze nu van dien ouden man.
Nu wordt het huis, dwars over het eind van het pad, al grooter, het heeft zich al in ramen en deur verdeeld, en altijd hier, bij den knotwilg, die boven in de holte van zijn korten stam als in een mand een bleekveldje in het klein met allerhande bloemetjes draagt, springt de dikke zwarte streep boven de deur in stukjes en elk stukje wordt een letter: „Eben Haëzer.” Het is een mooi huis, want het is nieuw en je kunt zien dat het veel geld heeft gekost, maar het is geen lief huis.... anders zou het haar wel uit de verte tegen het schrikding helpen.... sommige huizen zijn als vriendelijke gezichten, maar dit niet. Nu leest ze het duidelijk: „Eben Haëzer”, want Kleij is fijn, zelfs van die heele fijne is hij, die „doleerend” heeten. Sommigen zeggen dat „afgescheiden” hetzelfde, anderen dat dat nog weer iets anders is. Kleij is ook wat hoogs in de Kerk, want Zondags komt hij er deftig vandaan, met zwarte jas en hoogen hoed, en hij is toch al zoo lang en die maakt hem dan nog langer en soms zie je hem loopen met den dominee! Kleij en juffrouw Kleij zijn „welgestelde menschen”. Naar wat je zoo hoort om je heen, bestaan er zes soorten van menschen: schatrijke, rijke, welgestelde, menschen die goed hun brood hebben, menschen die hun brood hebben, fatsoenlijke arme menschen en „tuig”—, die heeten in het Joodsch gatheisiem en in het Fransch rapalje. Schatrijk is mijnheer Leendertz, in het hooge huis met den vijver die de witte beelden spiegelt, rijk is de dokter, welgesteld is Kleij, goed hun brood hebben ze bijvoorbeeld bij De Korte, die met zijn eigen beurtschip vaart, zij-zelf hebben hun brood, een fatsoenlijk-arm-mensch is vrouw Doek, de sjabbos-vrouw, eigenlijk noemt iedereen haar Griet Klapmuts, maar dat mogen zij niet zeggen—, fatsoenlijke arme menschen zijn er ook in de Joodsche kille, zelfs veel, maar geen „tuig”, want „tuig” drinkt en vloekt en loopt ’s avonds laat op straat te zingen, dat doen toch geen Joden!
Ze gaat den weg langs het huis, aan den smallen schaduwkant, die even hoog is als de sloot en vlak erbij en daardoor altijd vochtig, en is dan meteen in de kweekerij, daar vindt ze meestal Kleij, met zijn ouden en zijn jongen knecht, want Kleij is zoo vlijtig als een man uit een boek, hij werkt den heelen dag. De tuin ligt in de zon en ziet er heerlijk uit, er is een breed middenpad en aan weerszijden groene vakken, achterin kassen en dan weer bloote vakken tot de heg toe, die geen echte heg is, omdat hij niet leeft, maar een vlechtwerk van taaie takken, waar doorheen je de dwarssloot blinken ziet. Aan den anderen kant daarvan is het land met de koeien en op de glooiïng zie je nauwelijks gras, zoo wemelt het daar van blinkende boterbloem en groote madelieven. Ze weet precies waar de soepgroente staat en loopt er rechtstreeks heen, langs de jonge sla, waarvan de blaadjes tegelijk zoo teeder zijn en zoo stevig staan.... langs de donkerder en grover spinazie, langs het fijne wortelloof, dat zoo lekker ruikt.... de tuinboonen bloeien ook al, maar aan dien bloesem is geen geur.... Warm en droog voelt het vastgetreden pad, na den vochten modder van daareven, het waait van wijd-uit om haar heen, tuingeur en weidereuk en ze rilt in de zon van de heerlijkheid. Waar Kleij mag zijn.... ze ziet hem nog niet, blijft staan en kijkt eens om.... er zitten menschen in de veranda aan den achterkant van het huis, boven het kleine bloementuintje, er is visite, misschien iemand jarig? Ze kijkt gauw weer voor zich uit, want Kleij komt langs het pad, haar achter-op. Ja, er is stellig iemand jarig, want hij heeft zijn gewone broek niet aan, ook niet zijn Zondagsche, maar evenmin zijn daagsche. Zelden ziet ze hem hooger dan zijn horlogeketting, bijna nooit kijkt ze hem aan, ze is een beetje bang voor hem.... Prrt.... daar vloog een zwaluw boven haar hoofd, het land in, zie hoe hij glanst.... en je hoort hem nog ver, want o, het is zoo stil.... hier ben je ook heelemaal buiten, midden-in het land. Wat zou het nu heerlijk zijn, als Kleij eens wat zei, of als je eens wat vragen dorst, zoodat je te weten kwam, waarom de peterselie juist hier staat en de spinazie juist daar, en waaraan je ziet of de worteltjes groot genoeg zijn.... maar hij zegt nooit een woord.... en nu ook, nu hoor je alleen zijn mes, dat door de gladde steeltjes roeft, terwijl zijn groote, roode hand de blaadjes bij elkaar gevangen houdt.... die bewegen daardoor nog in het mandje, alsof ze leven, tot ze weer los en uit elkaar gesprongen zijn. Nu de selderie.... je ruikt onmiddellijk het verschil.... en ze denkt ineens aan thuis en aan de soep.... Er tjirpen overal vogels, die je niet ziet....
Achter Kleij loopt ze nu het tuinpad weer over en naar het huis, dat donker lijkt, zoo uit de zon gezien, kijk, een mooiere jas dan anders heeft hij ook aan! Ze gaf een gulden, want Moeder had geen ander geld, en ze moet nu wachten, terwijl hij wisselen gaat. Er zitten drie juffrouwen en een heer in de veranda, en op de tafel staan glazen.... en advocaat.... en limonade.... en koekjes.... schuimpjes, wit en rose, hoog boven het trommeltje uit.... Kleij zei vlug een paar woorden, terwijl hij de veranda door naar binnen ging en ze kijken naar haar, ze merkt het wel, al doet ze alsof ze niet kijkt naar hen. Ze ziet alles.... in de limonade drijven week-rose propjes.... het is eigengemaakte frambozen-limonade.... wat treft ze het.... o, wat treft ze het! En schuimpjes.... haar mond wordt vochtig.... zou ze er twee krijgen of maar een.... zou ze een rood kiezen of een wit.... zouden ze haar een vol glas of een half van de limonade geven? Moeder schenkt ook wel eens de glazen halfvol als ze met veel ineens komen invallen, op sjabbosmiddag, anders is er te kort....
Wat heerlijk dat Moeder geen kleingeld had.... en als Kleij nu maar niet te gauw met het wisselen klaar is, want al doet ze alsof ze enkel naar de viooltjes kijkt, ze ziet heel goed, dat nog geen van de drie juffrouwen haar handen uit haar schoot genomen heeft.... wat wachten ze lang met presenteeren! „Kom eens even hier, jij.” Ha, eindelijk—en nu is ook meteen dat kijken en fluisteren gedaan.... ze is de trapjes al op, tot vlak bij den heer, of eigenlijk is het maar een heerachtige man, die haar riep en ze ziet nu nog beter de limonade, en de schuimpjes boven het trommeltje uit. En elk heeft er nog naast zijn glas op het schoteltje liggen ook!
„Kom je hier elke week....?” Ze knikt: „ja, meneer!” „Dan weet je zeker ook wel wat de naam van dit huis beteekent?” En of, en daarvoor hoefde ze niet hier te komen, dat heeft ze wel geleerd op het Joodsche School. „Eben Haëzer,” „Steen der Hulpe.” De vrouw het dichtstbij trekt een mond en kijkt naar die naast haar zit, en die haalt de schouders op. Ze krijgt een gloeiende kleur. Zou het fout zijn? En ze weet zeker dat het goed is! Ze hebben het nog maar kort geleden geleerd, bij de geschiedenis van Samuel. Nu praat de man: „Eben Haëzer”, „Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen,”—en de vrouwen knikken, alsof hij het weet en zij een stommerik is! „Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen”.... goed en wel, dat dachten ze erbij, of misschien zeiden ze het erbij, maar dat beteekent het niet. „Eben” is steen en „Eben Haëzer” is „Steen-der-Hulpe.” Ze zegt het niet, ze denkt het alleen, ze hoort maar half wat de man nu verder tegen haar zegt, ze moet aldoor naar de limonade kijken en naar de koekjes en naar de handen van de juffrouwen, maar die blijven in haar schoot. Ha..., daar gaat eindelijk een paarse arm—er is een paarse, een bruine, en een groene juffrouw—naar de tafel toe, maar ach.... de arm gaat niet naar een der leege glazen, en ook niet naar de flesch, en ook niet naar het trommeltje, maar naar haar eigen glas.... en ze neemt het op en ze drinkt er een héél klein slokje uit en zet het weer neer en de paarse arm gaat weer terug naar de paarse schoot en de gele hand ligt weer stil over de andere gele hand.... De man, die haar overhoord heeft, wenkt nu met zijn hand: ze moet de trapjes weer af, ze keert zich om en haar rug wordt ineens gloeiend warm, omdat ze voelt dat ze zoo kijken.
Ze moet haar mandje neerzetten en haar twee handen ophouden, onder de eene van Kleij; onder den zwaren stroom van heete centen en halfstuivers breken ze bijna van elkaar.... gauw haar rok in de hoogte, in haar onderzak ermee.... hij is niet erg schoon.... ze hebben twee maal dropwater gemaakt van de week.... en juist vandaag draagt ze hem voor ’t laatst, eer hij in de wasch gaat. Ze wil nu heelemaal niet meer opkijken naar de menschen in de veranda en gaat maar gauw en zonder groeten weg, gauw den tuin uit, gauw het huis langs.... ze voelt een branden overal in zich van teleurstelling en schaamte en akeligheid.... hoe had ze kunnen denken, dat ze haar niets, niets-niemendal zouden geven....! Iemand die er bij staat, laten toe-kijken.... waar werd het ooit vertoond? Hoe krijg je het in je hoofd.... je zoudt het niet gelooven, als je het las in een boek.... nu ja, je leest wel erger, maar dan van slechte menschen, van wat je „misdadigers” noemt....
Ze holde het schrikding zonder erg voorbij en is het Roomsche pad al op.... schaamte en teleurstelling trekken uit haar weg.... maar het andere blijft.... de verbazing dat zulke dingen bestaan, dat er werkelijk menschen leven in de wereld, geen „misdadigers,” maar gewone menschen, nette menschen, welgestelde menschen, menschen met mooie kleeren en broches en horloges.... die bij een volle tafel zitten en een ander laten toe-zien, heelemaal laten toe-zien. Ze zal er een eed op moeten doen, eer ze haar thuis gelooven, maar het is eigenlijk te akelig om er met anderen over te praten....
HET NIEUWE PARK
In alle huizen aan den eenen kant van de straat staan de dakraampjes open als een lange rij van gapende monden en steken lange, dunne tongen, de vlaggestokken uit. De allerlangsten duwen het rood van de vlaggen het boomengroen binnen, het fonkelt tusschen de bladeren en lijkt er nog vuriger door. De vlaggen hangen zonder plooi of kreuk, omdat ze zoo zwaar en vol van den regen zijn, die na het onweer vallen bleef, den heelen nacht door, dat was een klaaglijk zingen en suizen in de duisternis. Het leek of de dag bederven moest, maar met den vroegen morgenstond ontwaakte een machtige wind, hij duwde alvast in het Oosten wat wolken opzij, en maakte ruim baan voor de zon. Die kwam in het open gat voor den dag en plotseling leefde de heele wereld van schittering in licht, en rilde van zilver, van goud en van groen, het leek of de regen ervan schrok, zoo wonderlijk ineenen, met een schok, hield hij op en het werd zoo gek-stil, je hoorde elken verdwaalden droppel vallen. Maar de wind bleef aan het werk, geweldige opruiming hield hij aan den hemel, hij bezemde zoo gauw, je kon niet zien waar de wolken bleven, al maar meer zuiver donker blauw kwam open en bloot, en op school mochten ze zingen zoo hard ze wilden „Ho-jo, Ho-jo, de wind steekt op....!” en half-overeind staan in de banken en elkaar de groote wolken wijzen die in een vaart hals-over-kop naar beneden kwamen tuimelen, zóó als de wind ze op de hielen zat, en dat gebeurde allemaal in het reken-uur, maar het is ook geen gewone dag vandaag....
Het Park wordt geopend, vandaag voor het eerst, om drie uur vanmiddag en iedereen mag er dan in, want het hoort van iedereen, omdat mijnheer Westerling het aan iedereen gegeven heeft. En gelukkig beleeft hij nu ook zelf, dat het geopend wordt. Hij is heel oud en beloofde het al toen hij zijn gouden bruiloft vierde, lang geleden in Januari. Hij is de oudste en de rijkste mijnheer Westerling en iedereen noemt hem Kees. In de groote eerepoort tegenover zijn huis, met de hooge bordessen en de ruiter-beelden staat het zoo-maar „Leve Kees.” En dat mag! En zoo vreemd doen nu soms de groote menschen! De armste mannen op straat noem je nog behoorlijk bij hun achternaam, die maar een beetje fatsoenlijk is, heet al mijnheer, althans in zijn Zondagsche jas en de rijke heeren Westerling hoor je bij hun voornaam noemen. Iedereen doet het, het mag, ze weten het zelf heel goed, zegt Vader, en worden er niet kwaad om! Ze heeten Kees, Geert-Jan en Siem, zelfs geen mooie of deftige namen hebben ze en zijn toch heel voornaam en wonen in de allermooiste huizen, de haven hoort van ze, en al het hout hoort van ze en als je eens even probeert te denken dat ze er heelemaal niet zouden zijn, dat er geen Westerlingen aan den Breeden-weg zouden wonen, dan voel je pas hoe onmogelijk dat is....
Er is ook een oude dame, de zuster van Kees, Geert-Jan en Siem, die noemen ze maar gewoonweg Ma, dat is een ouderwetsche afkorting voor Marie, maar de meiden uit den polder willen niet eens meer zoo heeten, je moet Marie of Mie tegen ze zeggen! Kees is de oudste, Geert-Jan de deftigste—een mooie heer met groote snorren en prachtige witte boorden om!—Siem de vriendelijkste en „Ma” de vroolijkste, ze is een „oude vrijster,” ze woont in een laag, lang huis waar een zilveren visch zwemt in zilver water, boven de deur, „De zilveren Zeelt” en heeft een équipage, Kees en Geert-Jan hebben elk twee équipages, één met twee paarden en een met één, Siem heeft er een, net als Ma,—ze heeft een stem als een man en lacht en praat heel luid over straat en laat haar hoed, een groote zwarte, met paarse bloemen en zwarte linten, aan haar arm bungelen, niemand draagt zoo’n hoed en niemand die zoo doet—de menschen zeggen dat ze in den tuin op klompen loopt!—maar niemand lacht haar uit, niemand zou daaraan denken.
In alle straten bijna hangen vlaggen, ze strijken uit de dakramen langs de huizen neer, uit lage huizen reiken ze tot vlak boven den grond, breed-uit hangen ze tusschen het huis en den boom ervoor en ze maken meteen van zoo’n boom een prachtige, groene versiering, het lijkt ineens alsof de boomen er niet altijd stonden, maar pas neergezet zijn, toen de vlaggen werden uitgehangen. De menschen zijn mooi gekleed en loopen door de straten en zullen straks allemaal naar het Park gaan. Zij ook, ze moet alleen maar even schortebont halen, en nog allen tijd, haar nette jurk heeft ze immers al aan. De Duitsche muzikanten zijn er ook, en het is niet eens hun dag, hoe zouden die menschen te weten zijn gekomen dat vandaag het Park geopend wordt....? Alles is heerlijk en feestelijk, anders dan Zondag, want Zondag is saai, anders dan kermis, want met kermis wordt gevochten, anders dan de schutterij, want wie zou daar nu voor vlaggen! In de zij-straat zonder boomen waar de winkel is lijken de vlaggen veel minder mooi....
De juffrouw moest het schortebont nog laten halen, uit het magazijn, maar het is vlak-bij en ze wil best even wachten, in de open deur. Deze straat is wel kaal zonder boomen en ook te breed voor de kleine, lage huizen, het waren er vroeger twee met een water ertusschen dat nu is gedempt, en het is er altijd een beetje Zondag-achtig en de menschen kijken of ze uit de kerk komen, maar hij loopt uit in den Breeden-weg, juist waar de stalhouderij inspringt tusschen de andere huizen. En daar is een drukte en een fonkeling in de zon! Een komen en gaan van rijtuigen, voortdurend. Weer een draaft aan, zwenkt het gele pleintje op, nu komt het oogenblik dat het plotseling aan alle kanten vuurschiet en bliksemt.... nu stort het zich in donker en dooft uit. Er is iets dat vreemd is en niet heelemaal prettig aan het uit-elkaar-nemen van paard en rijtuig. Dravend op straat lijken ze samen één ding, dat je liever in elkaar zoudt moeten laten. Het paard stapt weg, hoog naast den kleinen man, de blauwe arm lijkt tegen den opgeheven bruinen kop te rusten, de lange boomen nikken naar de straat, de vigelante is ineens een ander ding, het leefde en is nu dood. Hoog uit den gevel, boven de poort, staart de paardekop neer op alles wat gebeurt, met groote oogen....