Chapter 5 of 20 · 3896 words · ~19 min read

Part 5

Nu eens kijken naar den anderen kant. De naaste buren hebben een prachtige groote vlag, zoo zie je geen tweede in de heele straat, die oploopt en vol zon staat in de verte.... het huis is geel met hoekraam en poort en boven voor het venster zitten kinderen trotsch te kijken naar hun vlag.... De lucht ruikt naar vanilje telkens als de wind wat sterker wordt, die komt van den overkant, waar heliotroop onderlangs een hekje groeit.... de straat is breed, toch zie je het bleeke, teere paars.... nu ruik je het niet.... en nu weer wel.... je proeft het tot diep in je keel, zoo zoet. Korte, knallende geluiden maakt de vlag, een breede roode zoom flapt om en zit als vastgeplakt, veel minder vurig dan het enkele is het dubbele rood. En zie, nu rijst de heele vlag de hoogte in, langzaam vaart hij op en het wit komt naar voren gebold tusschen het rood en het blauw, de roode zoom raakt los en rolt weer uit, de donkere klad is weg en al het rood straalt ongeschonden vurig.... Dat doet nu allemaal de wind, hij is achter de vlag en beurt hem als met twee handen onder het rood en blauw de hoogte in en blaast terwijl als uit een mond middenin tegen het wit, dat het zoetjes naar voren bolt.... het gaat niet licht, het moet wel moeite kosten, de vlag is ook zoo volgezogen, zwaar van nat, dat je glinsteren ziet, maar hij rijst toch al hooger en hangt half schuin, de zon schijnt er door.... Blauw is het mooist in de schaduw, rood in de zon. Moet je nu eigenlijk altijd maar blijven zeggen, dat de wind onzichtbaar is? Je ziet hem nu toch duidelijk de vlag in de hoogte beuren.... Zie je nu enkel een vlag of zie je ook wind? De kinderen aan het raam hebben pret, een oude bleeke dame is bij ze komen staan, die kijkt over hun hoofden naar de vlag, ze ziet hem in de hoogte varen.... ze is in huis en kan den wind niet voelen, ze zou niet kunnen weten dat het waait.... maar ze ziet het, dus.... ze ziet den wind.... en kijk.... dan kun je toch ook niet zeggen dat de wind onzichtbaar is...! De vlag is niet hooger gekomen, bleef even roerloos, en zakt nu weer, het wit kruipt tusschen het rood en blauw terug, vlak hangt de vlag, en recht naar beneden. De kinderen lachen, wijzen, praten met de oude dame. Zeggen ze misschien hetzelfde dat zij denkt? Dat zoete in haar keel is nu niet van de heliotroop alleen, het is er altijd als ze voor moeilijke vragen een antwoord vond.... Hoor in de verte de muzikanten! „Lang zal hij leven”—spelen ze en de menschen zingen mee! Er gebeurt toch niet iets waar zij niet bij zou zijn? Hollen op een draf, den hoek om, en ze ziet het voor zich uit. Wimpels wapperen, alle kleuren tegen het blauw, bijna rechtstandig de hoogte in.... de muzikanten spelen en de menschen zingen rondom en ònder de hooge eerepoort.... ze zijn al aan het „hiep-hiep-hoera....” gauw-gauw.... als je je voorstelt dat je aan het hoepelen bent—want je hoepel trekt je mee!—kun je dadelijk veel harder loopen!

Haar hart hamert als met rukken, het doet bijna pijn en water welt onder haar tong. Zooals ze ook rende—, in niets, in een oogenblik, dien heelen afstand, verwonderd kijkt ze even om, daarginds was ze zooeven en nu staat ze hier!

Midden in den tuin blinkt het vierkante, witte huis. Altijd is het in den zomer boven deuren en ramen, met een kleurigen breeden band als rondom omwonden, dat zijn de balkons die bonte bloemen dragen, maar nu is het voorbalkon nog apart versierd, er hangen fleurige slingers af, die schommelen zacht en heeten bloemfestoenen en „bloemfestoenen” is een mooi, een heerlijk, bont, een zoet en zonnig woord. Op behangselpapier heb je ze soms, bloemfestoenen, zoodat je dan plotseling in den winter den zomer voelt. Tegen den rand staan „Kees” en Mevrouw en hij zwaait met zijn gelen hoed, wat lijkt die midden in de lucht toch klein, hij is nu niet in het grijs, maar heelemaal in het zwart.

Gaan ze weg, de muzikanten en de menschen, kwam ze nu toch net te laat? Er is beweging van onzekerheid, schuifelen, kijken, zachtjes lachen. De muzikanten weten ook niet recht.... en lachen ook zoo’n beetje onder elkaar, maar brengen dan toch de stralende trompetten, de zwarte, zilver-beslagen fluiten weer naar den mond en stellen zich stevig op de beenen, de gezichten heel ernstig weer ineens. Daar staat zij in een groot gedruisch van muziek en gezang.... „Lang zullen ze leven....” ze wil meezingen, maar er komt geen geluid, rillingen ritsen over haar hoofd en haar oogen zijn ineens vol tranen....

Ze gaan, met Vader. Moeder kan niet mee, ze heeft het te druk, ze moet het bontgoed verstellen. Moeder houdt ook niet van volte op straat, liever gaat ze aanstaande Sjabbos na sjoel-tijd met Vader alleen. Zeg, is het niet grappig dat we iets dat we nog nooit van ons leven zagen, telkens in het klein voor onze oogen zien, precies en precies zooals het is? Dat komt door de teekening in het Woensdagsche krantje die Vader lang geleden uitknipte en zorgvuldig bewaarde, want die teekening kennen ze uit hun hoofd, ze hoeven hun oogen maar dicht te knijpen en alles staat erop, het heele park, de Oost-poort en de West-poort en het „heuveltje” en de „muziektent” en het „paviljoen” en de „vijver” en dat zullen ze dadelijk allemaal zien in het echt, en het Park is ontzaglijk groot, het is een H.A., en al die grond hoorde van „Kees” Westerling, die heeft het gegeven, aan allemaal samen, met de boomen en de bloemen en het gras en alles....

De klok heeft nog geen drie geslagen, de groote hekken zijn nog dicht, de spijlen mooi met drie-kleur-lint omwonden. Zij staan met heel velen voor de Oost-poort, verderop zie je de menschen voor de West-poort staan, die staan aan den kant van het spoor, zij aan den kant van het water. Zooals zij naar die menschen kijken, kijken die menschen nu stellig ook naar hen en herkennen hier geen gezichten, maar daarginds van elkander wèl, net als zij van elkander hier. Er zijn er veel die ze kennen; van de menschen hier tot aan de menschen ginds zie je rijen, rijen ijzeren spijlen, zoo lang is het hek, zoo groot is het Park. Alle menschen zijn ongeduldig, alle menschen verlangen, alle menschen kijken naar de klok. Wat komt het goed uit dat de toren vlak bij is en dat de zon juist op de wijzerplaat schijnt. Je moest eens zooveel geduld hebben om tien minuten lang te blijven kijken, dat je den grooten wijzer ziet loopen naar de twaalf! Zullen ze het eens probeeren? Maar Vader trekt ze bij de hand, ze moeten zeker ergens anders naar kijken. Achter het hek, in het Park, over de nieuwe witte paden, loopen plotseling menschen, die waren er zooeven niet, die komen uit het Paviljoen, het is blinkend bruin met veranda’s rondom en het staat midden op een plein van grint, dat lijkt wel haast sneeuw, zoo nieuw.... het zijn „Geert-Jan” en „Siem” en de mevrouwen, en „Ma” en de dochters van Geert-Jan en van Siem en de getrouwde zonen ook, dat zijn zelf al groote heeren.... die twee jongens in witte pakken zijn kleinzonen van „Kees,” die wonen hier niet.... De menschen rondom wijzen naar binnen, de meesten kennen ze wel, zij-zelf ook, maar toch niet allemaal.... wat doen ze nu al in het Park, Vader? Er is een „feestmaaltijd” geweest in het Paviljoen, en zij zijn de „genoodigden.” Hoe zou dat wel voelen, om „genoodigde” te zijn? Het is net alsof je ineens nog meer verlangt, nu je al die anderen, die genoodigden, daar lachend en pratend en kijkend ziet loopen. Je voelt een prikkeligheid en telkens gaat het zoo raar door je hoofd en over je rug.... het duurt wel lang, maar het zal en moet toch gauw gebeuren. Eer het „vanavond”. is, eer je weer een boterham eet, eer je weer thuis bij moeder bent, eer er iets anders, wat ook, gebeurt, zijn de hekken open gegaan en ben je erin geweest, het gebeurt van alles wat er verder in je leven gebeuren zal, het allereerst! Al maar meer menschen, hier en ginds; die van den spoorkant kwamen, blijven aan de Oostpoort staan, maar zij met Vader wachten voor de Westpoort, bij het breede, blauwe water, want over de brug zijn ze gekomen.

Daar komt een heer.... je hoort zijn voeten over het witte grint.... hij loopt vlug naar het hek.... en van den toren komt tegelijk de eerste slag, hij is bij het hek en wacht met de hand aan de drie-kleur-strik en lacht naar de menschen die binnen zijn, de „genoodigden,” de tweede slag.... de derde slag.... de strik is los, de linten zijn eraf.... wijd wijken de helften van het hooge hek vaneen, ze mogen in het Park... ze zijn in het Park.... door het andere hek zie je gelijktijdig de menschen verdwijnen. Wat ruikt het dadelijk veel lekkerder in het Park dan buiten op den weg. Theerozen.... meloen.... je zoudt het niet kunnen zeggen, het is fijn en zoet.

Ze willen wel dadelijk de teekening herkennen, maar dat kan niet, het Park is zoo ontzaglijk groot. Ja, als je nu, zegt Vader, met een luchtballon er boven kon zweven, dan ging het wel, dan zou je het heele Park zien als de teekening in de krant en veel mooier, in wit en groen en vijverblauw. Dan waren de bloemperken bonte vlekken en keek je op het dak van het Paviljoen, daar verloor je bij! En daarom is het dan ook maar goed dat ze niet in een luchtballon zitten—, daar heeft Vader gelijk in. Ze willen nu eerst het Paviljoen bekijken.... Boven tusschen de bruine spijlen van de veranda is het hout als kant zoo fijn besneden en uitgeschulpt in bogen en van elken boog hangt een rotsachtig mandje vol bloemen en groene sprieten af.... Zou dat versiering zijn, Vader, of zou dat blijven? Dat blijft.... maar de dikke slingers tusschen de spijlen, van sparregroen met versche rozen bestoken, dat is versiering, dat gaat weg. Kijk.... een gedekte tafel binnen in de groote schemerige ruimte.... er loopen knechten.... je hoort gerinkel.... daar is de „feestmaaltijd” van de „genoodigden” geweest en een heerlijke reuk van meloenen komt naar buiten. Verleden jaar was dit alles nog weiland, met koeien erin! Kunnen ze dan die grindpaden zoo maar maken.... kunnen ze dan zoo ’n heel park maar maken? De banken zien er zoo glimmend uit, je kunt haast niet gelooven dat ze droog zijn.... de menschen voelen met hun vingers, eer ze durven zitten gaan, maar ze geven niet af. Straks gaan ze ook zitten, maar eerst willen ze alles zien.

Ze kennen het Park en ze kennen het toch weer niet. Ze kennen het klein van een prentje, ze kennen het al lang, en wonderlijk.... wonderlijk.... nu is het alles zoo geworden en zien ze het in het groot en het echt, elk ding precies op zijn plaats, elk ding nieuw en bekend.... Drie banken in een boog staan boven-op het „heuveltje” en je kijkt neer in een dal van gras en op den bodem van dat dal bloeit een perk van de allermooiste rozen, een groene kom vol rozengeur is het dal.... en dal is ook een heel mooi woord: „Omhoog, omlaag, langs berg en dal ben ik in de hand des Heeren.”

Waar dient een muziektent eigenlijk voor, Vader? Ja, dat wil ze óók wel eens weten. Er zullen concerten in gegeven worden, er komen stoelen en lessenaars voor de muzikanten. Wat je nu hoort, zou je ook voor muziek kunnen houden, als je hier vreemd was en niet beter wist.... het lijkt op het zingen van een heel groote waterketel, maar muziek-achtiger, en het is de houtzagerij, die staat over de sloot en de sloot is zoo vlak achter het park dat het hek erover heen schijnt te liggen. Dan kon je zoo naar den anderen kant!

Licht-bruine balken liggen boven-op de sloot, zoodat je niet veel van den hemel erin ziet en daardoor ruikt het bijna net als aan de haven.... niet heelemaal.... land met koeien en bloemen heeft een eigen reuk. Al die balken worden tot planken gezaagd en wat er zoo zingt zijn de zagen, het zijn, zegt Vader, machinale zagen.... de planken zijn prachtig blank, hooge stapels liggen er onder de loodsen en overal staan de loodsen en de koeien loopen er tusschen in en er zijn bruine schuiten, maar er is enkel dat eene geluid.... ginds van een molen, die fel zwart en heel hoog lijkt tegen het groen en blauw wappert rechtop uit den kap een kleine vlag, die molen hoort van „Kees” en het land en de loodsen en de balken en de slooten, alles, tot den ronden spoordijk toe, maar die koeien hooren van boeren.

Ze hebben naar dat allemaal door het achterhek staan kijken en ernstig staan praten, maar nu moeten ze alles verder zien in het Park.

Wat hebben ze midden op dat grasveld tusschen heuveltje en paviljoen toch een klein, nietig boompje gezet. Vader lacht.... dat boompje is een bruine beuk en bruine beuken worden groot, eenmaal zal daar een hooge, dikke boom staan in het gras, met een zwaren stam en takken naar alle kanten en daar weer kleinere en kleinste twijgen aan en groote, sterke bladeren, die het gras eronder donker van schaduw zullen maken, wijd-rondom. En hoe lang zal dat duren, Vader? Ja.... hoelang....? Ze staan op het grindpad dat in een boog om het grasveld gaat, ze staan met hun voeten vlak voor het gras, niet erop natuurlijk, naast Vaders linkerschoen bloeien bijna op dezelfde plek een paardebloem en een madelief. Ja.... hoelang? Een dertig jaar, denkt Vader, zal dat duren.... dan zal dat boompje, ’t lijkt een dikke tak in het gras vandaag, een hooge boom geworden zijn, een dichte kroon van zware takken boven op een sterken stam!

Voeten schuifelen over het grind, achter ze langs, het Park is vol van menschen, je hoort en ziet ze overal, en toch is het alsof ze ineens alleen met Vader zijn en of er nu iets gebeurt.... Zou dat kunnen, Vader dat wijzelf dan ook hier stonden, met ons drieën, net als nu? Vader lacht erom.... dan zijn jullie veertig jaar en Vader over de tachtig.... Ze lachten ook.... en toch is het om te rillen zoo vreemd.... Zij beiden veertig.... groote menschen, oude menschen al.... want veertig is al oud.... Vader over de tachtig.... ouder dan nu de Opperrabbijn is.... met spierwit haar, met witten baard.... kan Vader zoo worden en is het dan Vader nog? En Moeder....? Dat is toch makkelijk uit te rekenen, Vader en moeder schelen precies tien jaar, dan is moeder dus over de zeventig.... Zoo zal het allemaal wezen, als dat boompje een groote boom geworden is. En natuurlijk gebeurt er in dien tijd nog veel, veel meer.... En wat dan, Vader, wat dan....? Daar kun je toch vooruit niets van weten. Ja, het gebeurt, je moet het wel gelooven, het zal met je-zelf en met de heele wereld gebeuren, vanzelf gebeuren. Het is altijd door gebeurd. Als je op een huis „1685” ziet staan, dan weet je toch ook dat al die jaren voorbij dat huis gegaan zijn, en dat huis staat er nog, het is oud.... maar eenmaal werd het gebouwd! Daar heb je nooit aan gedacht. Ze komen naar je toe, al die jaren.... en ze gaan door je heen.... en ze gaan weer van je af.... en eenmaal zullen ze veertig jaar zijn, en Moeder zeventig en Vader tachtig....

Waar neemt Vader ze nu ineens mee naar toe? En waar haasten zich alle menschen plotseling heen? In de muziektent zal een heer een redevoering houden! Gauw erbij, de meesten zijn er al. Je hoort nu plotseling geen voeten en geen stemmen meer, je hoort den wind die over de kleine blaadjes gaat, je hoort ineens de vogels, je hoort de muziek van de houtzagerij....

Vader zegt dat de heer heel mooi heeft gesproken. Zij hebben niet zoo heel goed geluisterd en niet zoo heel veel verstaan—; tusschen de lijven en beenen van groote menschen zag je grappige grindfiguren. Nu is het tijd om naar huis te gaan, door het andere hek, dan waardoor ze kwamen. Kijk, het boompje....! De teere blaadjes ritselen in den wind, glinsteren in de zon als waren ze dun met zilver bestreken of overstrooid. Is het niet net alsof ze iets met het boompje te maken hebben? Ze zullen groot en oud worden met het boompje gelijk.... En zullen ze dan over dertig jaar weer hier met Vader staan?

TE VOET NAAR DE GROOTE STAD

De zomerdag wil maar geen einde nemen, Hoe lang geleden lijkt de morgen nu—, als over een hoogen boog van uren zie je er naar terug.... Het loof bewoog, het licht bewoog.... luchtig lag goud gestrooid.... het loof werd stil, het licht werd hel, de hitte zwol, het was de volheid van het middaguur.... toen werd het witte licht weer goud, een gloeiend middaggoud, maar het loof bleef nog stil tot den avond toe.... toen ineens leefde het op, in lispeling en ritseling, in koele rillingen woei de hitte weg, er kwam weer ruimte om in te ademen.... en in het Westen had zich al het goud vergaard, alsof de zon versmeltend, in heete stroomen uit elkander liep, toen koelde het goud, het rood verschoot, het rose bleekte en eindelijk sloot zich de hemel dicht...., een blanke schemering bleef.... maar de nacht daagde op.... zijn zwart doordrong het blank, het scheen nu langzaam, dan weer gauw te gaan.... het leek soms al avond en soms nog schemering, tot de sterren de hemel uit sprongen. Maar nog wil de dag geen einde nemen, het licht werd hem ontroofd, hij leeft in stemmen en geluiden verder. De koele avondwind die in het donker lispend waart, is de laatste adem van den zomerdag. Hij gaat heel hoog, hij vangt de verre stemmen, hij gaart de verre geluiden, hij brengt ze bij de menschen, die met open oogen wakker liggen in hun bed. Zij ligt met open oogen wakker in haar bed, want ze kan niet slapen. Het kleine raam, hoog in den muur, was toen ze in bed kwam, schemerblauw, toen werd het inktig en nu is het zwart, zonder sterren zwart, want het raampje kijkt niet naar den hemel, het kijkt bij de buren in de steeg. Hun voordeur is aan de straat, hun zijdeur is in de steeg, daar zitten ze buiten met stoelen en stoven, ze praten, hun stemmen zijn donker en dommelig. Wijd open staat het raampje, het is hoog in den muur, toch voelt ze den wind, als een koelen, lichten adem, telkens even over haar voorhoofd heen. Hij voert als gewikkeld in ruischingen van boomen, dichtbije en verre, het zoete loeien van een koe in nachtelijke wei, wie weet vanwaar.... hij voert een nauwelijks hoorbaar blaffen, van bij een duister huis, ergens heel ver in het veld, door kleine zwarte opening bij haar de bedstee in, het valt met zachte bonzen op haar borst, het kruipt om haar keel, alsof ze huilen wou.... en de groote gedachte, die haar wakker houdt, drukt het naar onderen, maar niet uit haar weg: Morgen is de dag! Morgen is de dag, omdat het morgen drie maanden is geleden, dat Vader het heeft beloofd. Toen was het April.... April is pril: prille jeugd! Pril is kil, kil is kaal, kleine blaadjes, weinig schaduw tegen de zon, weinig schut tegen den wind, weinig vastheid in het weer: Aprilleke zoet, geeft soms nog wel een witten hoed. Laat er maar sneeuw vallen in April, de crocusjes zijn al voorbij, de hyacinthen in bloei, de tulpen op komst. Tienmaal liever wind en moddersneeuw in April, dan „lekker vriezend weer” in Januari....

Dien dag zijn ze op de wandeling verder dan ooit gekomen.... en hebben van den dijk af over het water de torens van de groote stad gezien.... en hebben een heelen tijd ernaar gekeken en over allerlei gepraat en hebben voor het eerst van hun leven erover gesproken of je daarheen te voet zou kunnen komen en hebben het, thuiskomend, vader gevraagd en of Vader dan, als het kon, o alsjeblieft.... alsjeblieft.... met hen een keer zou willen wandelen naar de groote stad. En boos, verdrietig zijn ze de kamer uitgeloopen, om wat vader zei: vandaag over drie maanden gaan we te voet naar de groote stad. Want klonk „over drie maanden” niet precies als „nooit” of, zooals Vader zegt, wanneer hij plagen wil: „in drieën”, dat is, nu niet, dan niet, nooit niet....?

Het klonk hetzelfde, maar het beteekende niet hetzelfde. Een week ging om en op de wandeling zeiden ze het elkaar: die week was de eerste week van de drie maanden geweest, en ze begrepen het ineens, het zou duren.... duren.... duren.... drie maanden eindelooze tijd, maar eenmaal zou het voorbijgaan.... En nu.... het ging voorbij.... alle voorjaarsbloemen kwamen en stierven... seringen en meidoorns knopten, loken open, hun geur was overal, maar is nu nergens meer, ze welkten weer weg, vielen weer af, nu komen ze in lang, lang, lang niet meer terug.... leeuwenbekken en winde volgden doovenetel en speenkruid in het gras onder de dijken, waar ze wandelden.... elke week, en elke week was één.... totdat ze dagen tellen konden, die sprongen langs ze weg, een voor een, als de minuten op de klok bij het station en morgen is de dag. Met Vader gaan ze morgen te voet naar de stad, ze gaan al vroeg, want warm zal het stellig zijn en de weg leidt door polders waar geen boomen groeien.... daarom heeft Moeder ze tijdig naar bed gestuurd.... en Vader en Moeder zijn ook zelf eerder dan anders gegaan.... en de wind die het donkere huis binnenschuifelt en naar geluiden zoekt om met de andere te vergaren, vangt geen geluid meer op bij hen, maar zij kan niet slapen, omdat het morgen de dag is, en omdat ze aldoor denken moet aan het voorbijgaan van die drie maanden en ook het ruischend zuchten van de boomen houdt haar wakker en ook de stemmen in de steeg.

Maar de buren lijken nu eindelijk te gaan slapen.... je hoort ze opstaan.... het kluw van dommelige, doffe stemmen is losgeraakt.... sommige wandelen het steegje uit, die zijn het eerste weg, de andere gaan het huis in.... en trekken wel dieper, maar blijven toch hoorbaar.... stoelen stommelen.... die worden nu op hun plaats geschoven.... de lamp laten ze zeker maar uit.... elk vindt wel weg in zijn eigen huis al is het donker.... nu hoor je enkel nog maar mompelen.... zoo gaat het ook, wanneer de trein al verder en verder gaat.... dat slinken van geluid.... en zoo slinkt ook een zomerwolk, onder je kijken, zoo smelt hij gaandeweg in het blauw.... een verre trein is soms precies een mug dichtbij.... maar als je het weet, hoor je het verschil, dan lijkt het niets meer op een mug.... en bonzen dichtbij lijkt soms op blaffen veraf.... totdat je het weet.... dan lijkt het niemendal....