Chapter 3 of 20 · 3707 words · ~19 min read

Part 3

De dokter is nog niet thuis gekomen, ze weet het al voor de meid het zegt, want is hij thuis, dan hoor je hem ook, zingend praten, neuriën, loopen heen en weer, met dompe doffen van deuren. Mevrouw is er wel.... maar ze hoeft toch niet juist.... ze kan haar het mandje toch wel geven? Zeker zullen het de Joden-paaschbrooden zijn? Ja, ze hoorde al ervan, van de jongejuffrouw, vanmorgen. Er vliegt een lachje over de lippen van de meid, de „jongejuffrouw” is de dochter, een dame, die op een muziekschool gaat in de groote stad en nu zeker met vacantie over is.

Het meisje liet haar alleen en ze zette haar mandje op de bruine bank, maar zelf bleef ze staan op de marmerplaten, die zijn als zacht-smeltende sneeuw. Het is heel stil, van het loopen door de zon was ze warm geworden, nu glipt van overal een koelte om haar heen, je kunt bijna niet gelooven dat het nog maar Paschen is.

De deur naar den tuin staat half open, de bovenhelft is van bonte glasfiguren gemaakt, die gooien hun schijnselen een heel eind van zich af de gang in, licht en dun liggen ze over het wit als waren de vormen verwrongen en uitgerekt. Schaduwen ijlen er vliegensvlug overheen, even weet ze niet vanwaar die komen, maar gauw al wel: in den tuin vliegen vogels, vlak achter-langs de deur, ze vliegen in driftige zwenkingen, heen en terug en weer heen, scherpe schreeuwtjes laten ze onder het vliegen door, als zonder opzet, het zullen zwaluwen zijn die nestje-bouwen, daar ging weer een schaduw over het kleuren-waas.... je telt nog geen tel of het is alweer weg en even bliksemkort schalt van hun schreeuwtje iets naar binnen, als ze juist vliegen voorbij de opening.

Over de trapleuning komt het gezicht van het dienstmeisje, halfweg tusschen beneden en boven. Als ze bepaald de paaschbrooden zelf wil geven, zal ze moeten wachten, op het oogenblik kan mevrouw niet komen, maar in den tuin schijnt de zon en achterin staat een bank.

Ze is nog nooit in dien tuin geweest. Ze staat op het bovenste treedje, plotseling in de zon. De tuin ligt laag, hij is bijna vierkant en niet heel groot, ze vat hem heelemaal ineens in haar oogen, tusschen de schuttingen, ze ziet de bouquetten in de hoeken, waar de bloemheesters staan, wier blaadjes bloemetjes lijken, zoo ijl en zoo fijn, ze laten nog het bruine gekronkel van de takken door en de bloemtrosjes hangen af, in elken tint van rozigheid, het bleekste bijna-wit en het paarsige als van zomersche rozen en alles wat daartusschen maar roze en rozerood heeten kan. In een grooten, blinkenden witten ring—want zoo lijkt het ronde kiezelpad—is middenin een fonkelplek van gras besloten, die rijst een weinig naar het midden toe en boven-op staan hyacinthen als op hoogen troon, in de volle zon, heel veel bijeen, witte, paarse, gele, roode, maar elk op zichzelf, kaarsrecht, onbewegelijk.

Ze gaat de trappen af en ze is in den tuin, hoog om haar heen zijn de schuttingen, ze steken ver boven haar uit. Ze kijkt nog hooger.... en nooit leek de hemel zoo ontzaglijk hoog en zoo zilvertintelend blauw.... de wereld is achter schuttingen opgeborgen, tusschen den stralenden hemel en het fonkelende gras is nu niets dan de schallende schreeuwtjes van de vogels die nestjes bouwen en de hyacinthengeur.... en zelf loopt ze erin en ertusschen, met haar handen op den rug. Geweldig zwelt de reuk, nu ze het grasperk nadert, ze staat aan den rand en buigt het hoofd er naar toe en voelt het dichtgaan van haar oogen.... nu is er ter wereld niets meer dan de geur van de hyacinthen.

Maar wat gebeurt er toch in een mensch die met zijn oogen toe over zwaar-geurende hyacinthen gebogen staat? Een los en luchtig denken, dat ook geen denken is, aan wat lang geleden gebeurde.... of misschien gebeurde.... of heelemaal niet gebeurde.... een zwevend, nevelig voelen van allerhande geluk.... een schemerig zien van dingen die er eens waren.... of hadden kunnen zijn.... of die er bij waren toen er iets anders gebeurde.... wapperingen van wit in zingende winden.... zoetheden.... vochtigheden.... zonnigheden.... blinkingen blauw van vlietend water en toch ook weer wat anders en toch ook weer niet.... het gaat door je heen en is weer weg, het raakt je even en laat je weer los.... nu wordt het alles doffer.... nu wordt het mijmeren een troebel soezen.... je ruikt ook niet meer, je rook te lang achtereen.

Ze doet de oogen open.... nu lijkt ze zelf wel zoo’n tulp op een hoogen steel, die kunnen ook zoo staan wiebelen en zwieren dat het ze wel duizelig maken moet, ze had wel zoo op het gras kunnen ploffen.... de hyacinthen ruikt ze nu nauwelijks, omdat het te veel was.

Ze is naar den versten hoek gegaan en heeft, in den teederen druk van haar hand, de willige takjes neergebogen, dat het zijig kietelde binnen in den palm, ze heeft den kleinen, fijnen reuk in open mond gedronken.... en altijddoor aan de hyacinthen gedacht en naar hun geur terug verlangd. Ze kan niets nu meer van wat haar een oogenblik geleden zoo overweldigend bevloog, hervoelen, herdenken.... zal het dadelijk weer komen? Ze gaat naar het glooiend vlak van fonkelgroen gras.... buigt zich over en sluit de oogen en dit is toovenarij.... het vloeit haar weer zoet van alle kanten toe, de zalige herdenkingen aan wat nooit is geweest, de ijle mijmerijen over wat ze niet kent.... het nevelige voelen van allerhande geluk, geluiden, die lijken tegelijk zoet te smaken, wapperende geuren, blinkingen.... uit blauwe wijdten.... deiningen als van een hemelsche tevredenheid, die haar lijf vervullen en op de voeten het wankelen doen. Maar er was een gerucht dat haar opschrikken deed en opkijken naar de bovenramen in den achtergevel, daar flikkerde een glasdeur, daar verdween iets naar binnen dat vlug en licht was en lachte en terwijl ze nog kijkt, ineens verstijfd, terugspeurend op wat ze deed of het misschien belachelijk was, breekt de gesloten dubbeldeur achter de benedenveranda plotseling middendoor, de helften wijken naar binnen, mevrouw komt ertusschen door en wenkt haar uit den tuin. De dokter is thuisgekomen, en de meid heeft haar mandje al binnengebracht, het staat op tafel, midden in een ronde plas van fonkelend rood, de zon op het fluweelen kleed.... Ze neemt het eraf en mevrouw reikt er de handen naar, maar neen.... het is voor den dokter.... zoo lang heeft ze zich verheugd op het oogenblik dat ze het zelf zou mogen geven, zoo vast is dat gebaar met haar voornemen vergroeid.... nu wendde ze zonder denken het mandje van mevrouws uitgestoken handen af. Er vliegt een lachje over mevrouws gezicht dat een gloeiend rood uit het hare doet slaan.... maar dadelijk vergeet ze.... en let op wat de dokter doet en kijkt hoe zijn groote, witte, zachte handen bezig zijn.... hij praat in zichzelf, met een halfluide, zingende stem.... dat doet hij ook wel op straat en terwijl laat hij dan zijn stok in de rondte als een molen zwiepen.... vinden hem daarom misschien de menschen „een beetje vreemd”?

Wat lijken ze nu kostbaar en mooi, hier waar er geen andere zijn, haar matsos, hun matsos! Thuis hebben ze kisten vol, mondkost voor acht lange dagen.... maar zie ze hier nu liggen, op den opengeslagen witten doek.... een voor een tilde de dokter er de punten af en het leek een bloem die openging en nu staan ze er over heen gebogen, de dokter en mevrouw en zij-zelf, en de dokter tipt een der licht-bruine schilfertjes die bloesemblaadjes lijken op zijn vingertop en brengt het naar zijn mond....

Nu komt zachtjes de groote dochter binnen, die op haar moeder lijkt, die hetzelfde blonde, blanke, zachte gezicht heeft, alleen niet zoo vol, maar wel even zulke groote, prachtige tanden, ze heeft op een blad vier kopjes chocolade.... het zijn gebloemde kopjes en op de chocola schommelt het wollig schuim, waarin regenboogkleurtjes fijntjes fonkelen.... het ziet er lekker uit.... het ruikt lekker.... wat zal het lekker zijn.... nu komt het blaadje naar haar toe, er staan nog twee kopjes op, en haar hand gaat omhoog en haar lippen springen open.... maar haar hand valt terug in een schrik, deinst juist bijtijds.... zij mag dit immers niet drinken.... het is gomets, het is gedeesemd, het is „ongeoorloofd” zoolang de Pésach duurt. „Hou je niet van chocola?” De stem klinkt als over een afstand, ze is alleen, ze is ver van ze vandaan. Ze durft haar brandend-rood gezicht niet naar hen op te heffen. „Chocola is toch niet onrein.”

Hoe hard klinkt het woord „onrein”, hard het woord, koel de stem.... daareven zoo warm. In haar keel schrijnen de ongeschreide tranen. Ze wil het beven van haar mond bedwingen, want ze moet het zeggen.... „Niet onrein.... alleen maar gedeesemd.” „Gedeesemd....?” Nu is er vluchtige lach in de stem, niet onvriendelijk toch, een hapering die ineens het woord vreemd en leeg door deze kamer doet klinken, ze voelt het wel: gedeesemd is geen woord van hier, het is een woord van thuis.... Toch niet: de dokter heeft het begrepen, hij hief de bovenste matso omhoog, er vielen op de andere schilfers met een ruischinkje als van regen en hij zegt, juist zooals Vader thuis, maar natuurlijk niet in Hebreeuwsch: „Dit is het ongezuurde brood” en daarachter, tot haar alleen „ongezuurd of ongedeesemd, nietwaar?” En hij legt zijn hand op haar schouder en zoo loopen ze de serre in, waar de deuren half open staan, daar zitten ze nu op rieten stoelen, en de kopjes chocola zijn heelemaal weg, ze staan ook niet meer op tafel. „En ze bakten hun brooddeeg op heete steenen.” En of ze dat deden! Ze knikt en lacht—, want daar weet ze alles van. „En ze trokken door de Roode Zee.... en ze ontvingen de Wet op den Sinaïe.” De dokter zegt „Sinaïe”, zij heeft „Sinaj” geleerd. Maar vreemd, dat hij die dingen weet.... het kan toch niet zijn dat hij ooit op een Joodsche school is geweest?.... „De Sinaïe is een mooie berg, een zeer mooie en indrukwekkende berg.” Wat nu, wat is dat nu? Het klinkt precies alsof de dokter zei „Mozes is een heel aardige man.” Ze durft wel nauwelijks, maar moet het vragen, eer hij verder spreekt.... „Leeft de berg Sinaj dan nog?” Nu lachen mevrouw en haar dochter allebei.... dat komt doordat ze niet begrijpen.... Ze vraagt nu anders. „Bestaat de berg Sinaj dan werkelijk?”.... maar het eerste was beter. Mozes en de Berg Sinaj..... en Mozes is toch óók al vele duizenden jaren dood! „En de Roode Zee.... en Egypte....?” Egypte, waar de Nijl is!

Ach ja, natuurlijk.... maar de Roode Zee? De dokter heeft zelf de Roode Zee gezien.... die is niet rood.... en van een groot schip af, heeft hij ook den Berg Sinaï gezien.... Hoor, hoe hij vertelt! De lucht was blauw, de zon was goud, het zand was geel, het water blauw.... en daarna kwamen ze in een Kanaal, en het schip voer toen tusschen vlakke zanden. En er waren.... ja, raad eens wat er waren.... er kwam een man aan boord, in een haven, die heette Port-Saïd.... weet je wat hij droeg in zijn hand? Zij natuurlijk niet, maar mevrouw en de dochter gaan raden.... Waren het struisveeren? Waren het edelsteenen? Waren het zijden doeken? Neen, het waren hyacinthen.... Dat hebben ze nooit geweten, dat heeft hij ze nooit verteld. Hij heeft er ook nooit aan gedacht, maar nu ze hier bloeien en nu hij ze ruikt en tegelijkertijd over Sinaï spreekt en de Roode Zee.... Hij is opgestaan en rukte de deuren wijd open naar zich toe.... en de reuk, nog sterker, geweldiger dan zooeven, stort naar binnen, stort over haar heen.... in een ruisching van zacht-vroolijk lentegerucht, in een schal van dol-blijde vogels.... en ze sluit de oogen.

Alle drie, de dokter en mevrouw en hun dochter, staan nu in de open deuren, kijken neer op het perk omlaag, daardoor zit zij nu als heel alleen. „Waren het juist zulke hyacinthen....?” „Juist zulke, paarse, witte en rose, een heele bos ervan had die man in zijn hand.... ze groeien in die zanden langs het Kanaal, overvloedig als hier....” Ver, ver weg, waar de berg Sinaj is.... lucht en water blauw.... de zon goud.... het zand geel.... Haar lijf is doortrokken van den lentereuk der hyacinthen.... en weer is er het nevelig voelen van allerhande geluk.... de herdenkingen, die ook verlangens zouden kunnen zijn, zoete smachtingen, hemelsche mijmerijen.... doorglansd nu van geel en goud en blauw, rondom het beeld van een Berg, de Sinaj bij de Roode Zee, die ze in dit Pésach-feest herdenken.... de Berg die tot nu ze nooit zich anders droomde dan ontzagwekkend somber, in donkerten van fronsende onweerswolken, omzwalkt van offerwalm, in flitsingen van bliksem, de Berg, die ze met Mozes tezamen van de aarde verdwenen dacht.... herleefd, verrezen in tintelende, zonnige wijdten.... geel zand, blauwe lucht, gouden zon en hyacinthen-geur....

MENSCHEN EN MENSCHEN

In vroeger jaren al, toen Kleij nog niet zooveel grond had als nu, nog met de groentekar langs de menschen ging, nog Kleij de groenteman heette,—nu zegt Moeder altijd Kleij de tuinier—mochten ze elken Donderdag de peterselie en de selderie voor de soep van Vrijdagavond bij hem uit de kweekerij komen halen. Die werden dan, voor een stuiver van elk, waar ze bij stonden, versch gesneden, want uit peterselie en selderie gaat, zegt Moeder, door het hotsen en schudden op de kar, het aroma verloren en voor de Sjabbossoep kan niets te goed en te geurig zijn. Nu hebben ze groente van schelen Muis, want Kleij komt niet langer met de kar, hij heeft geld geërfd en een mooi huis laten bouwen, bij zijn kweekerij, dat „Eben Haëzer” heet: Kleij is fijn—, maar ze komen nog wekelijks voor de soepgroente, beurt om beurt, en wie van de twee thuis blijft helpt Moeder de lepels en vorken poetsen, dat ze als echt zilver zullen glimmen naast de borden, Vrijdagavond, onder de Sjabboslamp.

Het is allebei prettig en het weer maakt uit wat het prettigst is, want Kleij woont een heel eind weg, in een buurt waar ze zelden komen, omdat er hun scholen en winkels niet staan en ze er geen bekenden hebben, zoodat het bijna lijkt, alsof ze op reis gaan naar een vreemde stad of dorp. Zij treft het vandaag met haar beurt, want het is zomerweer.... Het is ook al Mei, en de dagen worden langer. Dinsdagavond raakte de rand van de zon juist aan de aarde, toen ze om zeven uur thuis kwamen uit het Joodsche school—, en nu is het al weer twee dagen verder, en het is ook meer dan twee uur vroeger—, de heele marktplaats ligt nog in de volle zon.

In de gouden zon, breed en leeg en toch heel anders dan andere dagen, want vandaag is het markt geweest en de markt is nauwelijks afgeloopen.... zooeven is ze nog de dikke hoedenvrouw, die altijd schreeuwt en grappen maakt—een aardig mensch, maar je durft niet goed naar haar kijken, want haar eene oog is troebel en dof, een melkoog noemen ze dat—tegengekomen, haar pak op den rug, het reikte nog hooger dan haar hoofd en is zoo geweldig groot en zwaar, dat ze zich bijna niet roeren kon. Ze was heesch van het schreeuwen en maakte toch nog grappen met den boeken-man. Hier stonden ze, over den slager, naast elkaar. Nu ze even in de zon op de leege markt blijft staan is het precies alsof ze ze allemaal nog ziet.... de hoeden-vrouw en de boeken-man en de lintjes-juffrouw en het oude kereltje met potten en pannen.... allemaal zijn den heelen dag aan het grappen-maken en zingend roepen.... en de boeren, die niet lachen en schreeuwen, maar binnensmonds mompelen en halfluid fluiten en pruimen en spuwen voor zich uit, en de bloemen-mannen, die je half-boeren zou kunnen noemen, want ze dragen geen klompen en jasjes over hun boezeroens, maar petten weer wèl en geen halfhemdjes.... je ziet ze allemaal nog staan, ofschoon ze er niet meer zijn, dat komt omdat het nog zoo kort geleden is dat je ze werkelijk zag, een paar uur nog maar.... in het middaguur, allemaal bij elkaar. Het zag eruit, alsof het zoo hoorde en altijd zoo blijven zou.... en nu zijn ze weg, de paarden voor wagentjes weggedraafd.... de koeien met nieuwe meesters naar vreemde stallen gegaan.... nu is elk een kant uit, ze weten misschien niet eens van elkaar waar ze wonen en zoo gaat het elke week.... Over de marktplaats gaat ze iederen dag, en ook verderop, tot voorbij de sluis, zijn weg en huizen en winkels goed bekend, maar verder dan de bocht komt ze maar zelden en daar kent ze de menschen ook niet. De straat is breed, maar niet mooi, eigenlijk meer een weg, met maar aan één kant huizen in onafgebroken rij en daarvan de meeste kleine houten woningen, een enkel maar grooter en van steen en in een tuin—, aan den overkant, in het zachte, staan scheefgezakte boomen, de huizen hoogstens met twee of drie bijeen en telkens ertusschen weer een zijpad dat het land in gaat. Ieder dier paden kan ze kiezen, en overal schijnt de zon. Er bloeien nog tulpen; die verdorren niet, maar de blaadjes beginnen al meer op rimpelig satijn te lijken en eindelijk tuimelen ze een voor een ruggelings van het randje om het kale knobbeltje af en dat staat dan, in zijn eentje boven op de lange gladde steel, beteuterd rond te kijken. Het hooge gras houdt de gevallen bladen tegen, er liggen er witte, rose en rood-met-geel gevlamde, als schuitjes in een groene zee, sommige gekanteld en sommige over den kop geslagen.

Van de zijpaden gaat ze èèn het liefst, dat om den hoek van de groote Roomsche Kerk begint en „Kloosterstraat” heet, maar dat je altijd „’t Roomsche pad” hoort noemen. Het wonderlijke is, dat er zoo weinig kinderen, en zooveel oude vrouwtjes wonen, bijna huis aan huis, en nu zitten ze buiten in de zon, de voeten op een stoof en de meesten in grijze en schotsche en bonte sjaals, de armen daaronder stijf over elkaar, en de bovendeurtjes van hun huisjes staan open, die hebben kleine, blauwe portaaltjes, geen echte gang, zooals thuis. Maar wel veel bloemen in potten en ook tuintjes en overal schijnt de zon. Alle oude vrouwtjes knikken haar tegemoet en lachen met mummelmondjes en zeggen soms iets dat ze niet verstaat en hun hoofden gaan met haar loopen mee—, ze babbelen maar met zichzelf, want met elkander babbelen kunnen ze niet, hun stemmetjes zijn te zwak. De huisjes zijn aan den eenen kant, en haagjes aan den overkant, van dichtgevlochten groene palm; ze lijken allemaal even hoog, maar aan de schaduwen op den grond zie je de verschillen. In het midden is de Roomsche School en het huis waar de „zusters” wonen, maar je ziet niet veel ervan, want de gebouwen, groot, mooi, nieuw, staan rondom een plein achter een poort en die poort is maar heel zelden open, nu juist wel, en het plein is één-en-al zon, een groote ronde zee van zon, met een eiland van groen in het midden, dat zijn de hooge seringenboomen, maar er loopt geen mensch. Ze blijft even staan voor de halfopen steenen poort—, je ziet door de opening de onderkanten der gebouwen, het is héél stil, er fluiten vogels. De „zusters” zijn geweldig knap in handwerken, nuttig en fraai, zij naaien alles, ook het fijnste, met de hand, op den draad, steekje-voor-steekje, stikken en rolzoom en Engelsche naad, ze stoppen tafellakens op het patroon, al zijn ook de moeilijkste bloemen erin geweven.... Moeder weet ervan mee te praten, want als meisje woonde Moeder in een dorp, waar bijna niets dan Roomschen en drie echte kloosters waren, in één er van woonden mannen, die hun gansche leven niet spreken mochten en elk groef zich zijn graf met zijn eigen handen. Op de naaischool waren ook een paar Protestantsche meisjes, daar hadden de Roomsche meisjes een liedje op gemaakt: Protestantsche katten, zitten op de latten, en als de latten brekken, staan ze in de hel te kwekken”.... dat doet haar altijd denken aan heel dunne latten, griezelig gespannen boven een breede, diepe, grauwe kuil, die de aarde ingaat, tot héél beneden, tot de Hel! Maar de Protestanten hadden ook hun liedje: „Roomsche papen, liggen te gapen, in de kist, daar het Roomsche brood in is, maar ze denken niet aan God, wel aan den rand van den....” Dat zegt Moeder niet, maar je kunt het natuurlijk wel raden! Bij dat liedje zie je diepe kisten, in elke kist een mensch met zijn oogen dicht en zijn mond open, met aan elken kant naast zich een brood; dat ze niet denken aan God, maar wel aan dat andere, kun je onmogelijk aan ze zien.... het is immers juist dikwijls zoo veilig, dat niemand aan je gezicht kan zien, wat je denkt.

Binnen de poort fluiten de vogels, ze hebben hun wonen op het groene eiland, midden in de groote goudgele zee; ze staat in de zon, die schijnt in haar nek, maar ineens niet meer, er komt een koelte naar haar toe, haar schaduw, die vóór haar uit ligt tot in de poort, lijkt te bewegen, te veranderen, te groeien, en is nu haar eigen schaduw niet meer, maar van een ander, die achter haar kwam—ze draait zich schielijk om en kijkt op en ze ziet, diep in de schaduw van een witten koker, waarover aan weerszijden de zwarte sluier hangt, een zacht-lachend gezicht, van een egale bleek-gele kleur, waarin groote donkere oogen als vochtig glanzen onder wenkbrauwen als boogjes in een teekening zoo zuiver en scherp.... Ze bleef even, zonder groeten, zonder uit den weg te gaan, staren in dien witten koker, naar dat zacht-lachende gezicht, tot ze begreep dat de „zuster” hier wezen moest, de poort in en dat zij den ingang versperde.... toen week ze gauw opzij, en haar schaduw kwam weer los en klom op tegen den rooden steen en de non ging door de poort, maar keek nog even om en haar hart begon te kloppen: en wat houdt ze nu ineens van die non....