Part 20
Kijk.... links voor ze uit.... tusschen de witte velden in. Vlaggen in een schuins-verkorte rij, als vlak achter elkaar, aan malle, korte stokjes uit de sneeuw. Dat lijkt natuurlijk enkel zoo. En menschjes als dikke dwergjes zonder beenen, die glijden langs den witten rand, langs andere dwergmenschjes heen, die boven op den rand staan kijken.... Dat lijkt ook alleen maar zoo.... ligt die sloot of die vaart dan zoo diep? Ja, het is een kanaal, en er staat niet veel water in, maar wèl flink breed. Een bocht om en de vlaggetjes wijken vaneen en hun rij rekt zich veel langer en veel opener, je ziet nu duidelijk wat er gaande is: een hardrijderij. Wat een korte baan! Dat zou je nog tegenvallen, denkt Vader. Misschien is het wel weer een spekrijderij. De arme weduwen en de arme menschen krijgen dezen winter lekker veel. Weet-je dat er voor vrouw Buis een half mud aardappelen en tien pond gort en twee zijden spek gewonnen zijn? Drie jongens en twee heeren hebben voor haar gereden.
Het wordt nu gaandeweg weer voller op het ijs, een kleine baan bocht langs de groote om en je ziet aan den eenen kant weer huizen en tuinen en wit-gemutste koepeltjes en steigertjes en schuitenhuisjes. Effen dof-grijze ijsvloertjes schemeren tusschen de latten, maar de schuitjes? Die werden tijdig droog gehaald, ze zouden anders kapot gevroren zijn, een groot, sterk schip kan daar veel beter tegen. Er branden al lantaarns, groote, bleek-gouden spikkels in schemer en sneeuw, de dorpsstraat loopt met het water mee. Je zoudt nu zoo, door elk steegje, langs elk slootje, als je wou, in eens midden tusschen de huizen en de menschen van die vreemde straat kunnen loopen. Waar kwam je uit? Daar bij de kerk, zie je het torentje niet? En dan loopende terug. Doen? O neen, Vader, alsjeblieft niet.... we gaan toch nog veel verder door!
Weer een bocht.... en een brug onder door.... en de baan krimpt weer samen, smaller en grauwer, de oevers wijken verder van elkander af, aan den overkant is allang niets meer dan grauwe verlatenheid en sneeuw.... sneeuw.... witte velden, met bevroren slooten als zwarte lijnen er door heen, maar ze zijn te smal, het ijs is er slecht en er rijdt daar geen mensch. Huizen, tuinen, steigers, schuitenhuisjes laten ze in het schemerdonker achter zich.... zijn we al op de helft, Vader? Ja, al even erover heen....
Al minder menschen.... minder licht.... al minder praten ze ook zelf.... ze hooren hun schaatsen krassen, ze hooren hun magen rommelen. Soms knikt je knie of een been wil ineens niet mee.... en ongemerkt weg heeft zich de zon laten afzakken tot bijna op de sneeuw.... je weet dat daar de zon is, maar je ziet alleen wat geel en wat paars achter wolken als opgerolde dekens in den horizon opgestapeld.
Lichten vooruit.... wimpelgekrinkel.... zwart gekriel om tentjes-blank... vlaggetjes-bont... een heel figuur van witte baantjes over het wijde, donkergrauwe ijs.... ja, maar we zijn er nog niet en de leste loodjes.... Hier zijn de beide oevers bebouwd, lang en grauw staan lage pakhuizen, zwaar, vervaarlijk rijzen de hooge muren van fabrieken op, hun torens staren tot ver over den verstijfden stroom.
Het huis en de winkel van Emanuel Krant staan niet aan den weg, die meeloopt met het water, maar in de breede binnenstraat, die het dorp op een stadje doet lijken, omdat er echte mooie, groote winkels zijn. Wat sta je stram ineens op den kant, je schaatsen af, je beenen als stokken, je voeten gek-plat en zoo kaal, maar tintelig-warm.... je loopt en voelt geen straat, je zolen slapen, zelf slaap je bijna ook.... het suist door je ooren en wat een honger.... Wat een tocht en ook niets te vroeg.... kijk nog eens even over het ijs, voor we in de binnenstraat gaan.... net voor donker aangeland.... want kijk.... van alle kanten komen de menschen terug.... in risten zweven ze aan.... heele rijen staan gebukt hun schaatsen af te binden.
Het huis is warm en licht, het ruikt naar appels, dat wisten ze vooraf, het ruikt naar koffie, dat is een verrassing, een verkwikking, een hoop.... het ruikt naar erwtensoep.... dat hebben ze niet durven droomen.... Rusten.... maar niet te dicht op het vuur.... en een kop heete, sterke verschgezette koffie.... ook voor hen.... heerlijk.... je oogen dicht, je soezerige hoofd erover, je neus erboven.... je twee handen om de kom.... en heet, en heerlijk zoet.... en ineenen klaar wakker! Rusten... en alles vertellen..., aan Krant en aan zijn vrouw, aan Naatje en aan Rebecca, aan Meijer en aan Izak.... en geen van zes weten wat ze hooren, dat zij dat hebben gedaan.... Dan de groeten van heel ver.... van waar ze langs de lange, witte baan over het ijs zijn komen rijden.... tot ze nu hier zijn.... in dit huis.... de groeten van Moeder, en van juffrouw Krant, want die is hun zuster en hun tante en zoo is het of je allemaal bij elkander hoort. Dan voor het raam, de grooten schemerend om de tafel en de menschen langs zien gaan door het vroolijk licht van de winkels, want in de straat is het avond, lachende, roodwangige menschen.... hun stappen klinken, hun schaatsen kletteren... Dan naar den warmen appelen-zolder, waar het ruikt of je binnen in een grooten appel zit.... Dirk de knecht en Meijer en Izak helpen met sorteeren.... maar zoo rap als zij kun je het toch niet.... en je oogen worden alweer zoo zwaar.... en je hebt nog altijd zoo een honger.
Dan weer beneden in de groote, lage, warme kamer, waar om de groote, ronde, witte tafel een kring van stoelen wacht en borden ronde-dansend om de lamp, dampend naar de vlam, kaatsend zijn goud.... diepe borden, vol tot den rand.... dikke stukken glimmend-bruine worst, en zachte, grijze blokjes vleesch tusschen erwtenschilletjes als groenig-zilveren parels en ronde pijpjes prei.... Je moest hier kunnen blijven slapen, maar Moeder dan? Neen, gekheid.... maar het is nog lang geen tijd.... ze kunnen eerst nog voor zichzelf een zakje met appels vullen.
De sneeuw blinkt rondom in het donker op.... het ijs verlaten, dichtbij en ver, de menschen allemaal naar huis. Een volte op het perron.... en bijna niemand of hij draagt zijn schaatsen om zijn nek of in zijn hand. Hoor, hoor, de trein.... hij rommelt over de brug.... hij zwiert door de bocht.... hij komt.... hij is er.... hij staat stil.... En alle wagens vol.... uit alle ramen licht.... Hier, Vader, hier.... voorzichtig, wat een stap uit donker op.... wij drieën zijn het eerst.... zes.... zeven.... acht.... en nog een.... en de tiende.... geen plaats, meneer.... hier vol, juffrouw... het is alsof je in een kelder roept. Klap.... klap.... van achter op, al luider.... hun coupé.... voorbij.... en klaar.... Stamp-vol en lekker warm.... de heele wereld is op schaatsen uit geweest, zij óók, het net ligt vol.... de hunne net zoo goed.... en iedereen vertelt en Vader lacht.... praat mee....
De trein rijdt voort en buiten licht de sneeuw. Elk venster werpt een gouden vierkant uit....
INHOUD
blz. Winterwanhoop 5 De Nieuwe School 20 Hyacinthen 25 Menschen en Menschen 38 Het Nieuwe Park 52 Te Voet naar de Groote Stad 65 De Verloren Wedstrijd 86 Vaders Boek 95 Het Dubbeltje 108 Visites maken 122 De Rijkdom van Mijnheer Israels 142 Waarom het niet mocht 158 Een heelen Donderdag thuis 172 Het Bedrog 189 Oude Herinneringen 200 De Voet van den IJsberg 218 Eenmaal zal het zwarte zand 235 Op Schaatsen 246
AANTEEKENINGEN
[1] Verschillende godsdienstige boeken.
[2] Bidkleeden.
[3] Vierhoekig kleedje.
[4] Uitwijdings-kaarsen.
[5] „Brett”, breede hellende plank met groote gaten voor het afdruipen van het water.