Part 18
Wie zou je gelooven, als je zoo iets vertelde, wie zou ze het trouwens durven vertellen? Droomen vallen uiteen zooals een stukje uitgebrande turf dat je wrijft verpoedert tot asch tusschen je vingers, wanneer je ervan vertelt.... ze kijken elkaar aan.... is dat alles, is dat om zooveel drukte van te maken....? Ze hebben gelijk, je voelt het zelf, de griezel loopt tusschen je woorden vandaan.... je woorden zijn als een zeef... het ware, het akelige gaat er allemaal door.... maar dit is geen droom.... Ze weet zeker dat.... en toch wil ze er niet over spreken.... maar als ze het op straat had gevonden, als ze het had gezien.... is zien dan zekerder dan voelen? O neen.... neen.... Ze kan haar voeten niet stilhouden nu ze eraan denkt.... aan den lauwen griezel, haar voeten worden er misselijk van....
Het lag achter in haar bed.... ze strekte ineens de beenen, ze had al een tijdlang geslapen.... en toen raakte ze het aan.... en het was.... het was een gladde, bloote, lauwe voet, een voet zonder teenen, een voet waar geen been aan zat en die niet tot een lichaam hoorde.... die lag diep achter-in haar bed onder haar dekens, dien heeft ze aangeraakt! Dien heelen verderen nacht heeft ze met de knieën tot de kin getrokken als een bal stijf en star van stikkenden angst en misselijken afschuw gelegen en de heele bedstee, en de stilte en donkerte rondom, alles stond vol met het doffe bonzen en stooten van haar hart, dat leek soms een stap uit de verte.... Veertien dagen liggen er nu overheen gestapeld, en ze is den gladden, lauwen griezel niet meer onder de dekens tegengekomen, maar elken avond rijst de afschuw op, wanneer ze de dekens openslaat en haar bloote beenen eronder schuift en niet weet, waartegen ze stuiten zullen.... en o, als ze ’s nachts dan wakker wordt.... en als het eens een gladde, heete hand was die haar om den enkel greep, eensklaps, in haar slaap.... een voet kan niet grijpen, maar is toch haast nog erger.
Nu zit je in den middag aan tafel met de anderen.... en niemand weet van den voet, want over zoo iets spreek je niet, want ten eerste lachen ze je maar uit en ten tweede durf je het niet noemen.... het mocht bij je zijn, achter je stoel, het mocht plotseling in iets anders veranderen.... en vaak heb je samen pret.... ineens denk je er aan en dat niemand dan jij alleen het weet. En dan voel je het onderzeesch-verborgene van den IJsberg, binnen in je....
En al het andere.... Dat je bevend als versmolten in vrees uit elke gesloten deur een gestalte verwacht, achter ieder stilhangend gordijn een hand die zoekt en grijpt, dat je je oogen maar bij je houdt, om niet overal waar je kijkt aan de muren, tegen de zoldering vreemde, starende oogen te ontmoeten, dat je soms dagen je niet alleen voelen kunt, maar altijd onzichtbaar omringd, geluidloos omlispeld, opgemerkt, gadegeslagen, als met spottenden vinger nagewezen.... dat elk geluid voor je-alleen bedoeld is, naar je toespringt, tot je uitgaat, met een verborgen boosaardige beteekenis.... dat je ’s middags in de kamer, je zit bij de tafel, je denkt aan niets, je leest, en buiten regent het, maar plotseling kraakt er ergens iets.... ineens ben je warm en onrustig.... je kijkt naar de deuren, ze zijn als daareven, gesloten, stil.... maar erachter voel je iets leven.... en nu zullen ze dadelijk een van twee openspringen.... en uit de gang, uit de keuken zal Iemand of Iets binnenkomen en tegenover je aan tafel gaan zitten.... ’s Avonds durf je naar de donkere voorkamer niet gaan, want je zult er, in de kille stilte, de Iemanden of de Ietsen in een zwijgenden kring rondom de tafel zien zitten, in je eigen huis zijn ze.... de lange witte, en de korte bruine, die blauwe borstrokken breien, met breede, wreede monden, geleund tegen een gelen muur.... de witte doen je sidderend smelten van vrees, de bruine schreeuwen van benauwdheid.... En je komt in de winkels en op visite en op straat en niemand weet iets, en in de uitgestrektheden van je droomen, en met de gestalten van je angsten ben je moederziel-zalig-alleen.... zooals de Voet van den IJsberg zich eindeloos uitstrekt onder het kleine stuk dat uitsteekt, diep in de groene zee....
God.... God.... een schok sloeg door haar heen, als een slag op haar hoofd.... haar beenen werden heet en als lam.... haar lijf ijskoud en star.... en hoe stoot dat hart.... dat hart.... het doet pijn.... het doet overal pijn.... weeïg water welt van onder in haar mond.... dreunen, dreunen door haar hoofd.... daar ging een stap.... daar ging, achter haar, één enkele stap.... en was weer uit en stond weer stil....
En nu is het ergens midden-op zolder, achter haar rug.... en het kijkt naar haar.... het is overal.... het vervult de lucht, achter haar, om haar, boven haar.... en ze kan niet vluchten.... want dan moet ze opstaan.... en als ze roert, grijpt het toe.... grijpt haar tusschen de schouders... strijkt haar langs het hoofd.... kruipt onder haar armen.... maakt zich kenbaar.... en wat ze nooit heeft gezien, zal ze dan eindelijk zien.... en wat ze nooit heeft gevoeld.... zal ze eindelijk voelen.... en de vrees van zooveel nachten, van zooveel schemerdagen.... de ergste vrees zal dan zijn vervuld.... en ze zal dood blijven waar ze zit.... Ze kan niet vluchten.... de trap is steil, de wanden zijn grauw.... en alles leeft.... in alles is plotseling leven gevaren. Iets blies er adem in, en nu ademt alles.... ademen de grauwe gordijnen onder aan de trap voor de diepe, donkere bedsteê-kast, ademen de muren.... naast haar, aan weerszijden, achter haar, boven haar en ze zit erop.... want halfweg onder de trap zijn de donkere kastjes links en rechts vervuld van die Aanwezigheid.... geen geluid meer, na den eenen stap.... enkel die groote, zware, beklemmende adem, in-ademing, uit-ademing van het leven dat eensklaps in alles is opgestaan.... even tevoren dood, grauwe muren, gordijnen, trappetreden....
Achter haar weet ze den leegen, grauwbeschemerden zolder breiden.... ze weet hem, ze vat hem in zijn geheel achter haar dichte oogen, ze voelt hem tot in de verste hoeken.... als was hij in haar.... ze voelt den ruigen, grauwen schoorsteenromp, die breed uit den vloer komt en hellende opklimt en smal door het dak steekt, er is een deurtje in de schuinte, dat zit met stijven wervel van buiten dicht.... maar een wervel kan ook wel van binnen open.... O.... en haar maag is ineens als van koud water zwaar.... ze voelt de kasten, de lange, smalle, grauwe deuren.... het zijn wel plankenkasten, maar Iemanden of Ietsen... Ze voelt den donkeren hoek, waar het raampje geen schijnsel brengt.... op een bleek stuk muur zijn vreemd gevormde gele vlekken, spitse, zotte, dolle figuren.... brokken van gezichten, oogen, handen.... en letters, die niemand kent.... Je durft er nauwelijks met je tweeën, laat staan alleen naar kijken.... en overal die adem, één adem van alles te zamen, omdat alles één werd door dat ééne, in dien éénen stap....
Moeder.... Moeder.... Vader.... God! Help Moeder.... help Vader.... help.... het komt naar haar toe.... het stapt, het draaft, de planken bonzen.... het kwam... en ze gleed van de tree.... doet dat botsen en bonken haar eigen hoofd.... komt er geen eind aan die trap.... moet het zoo blijven.... moet het altijd zoo blijven.... een plof, een schok door alles heen.... een pijn.... en haar hoofd valt op zij.... en stil.... en uit.... en dood.... Moeder.... en wie is dat.... wie is dat.... o het is juffrouw Heilbron.... ah bah.... waar komt ineens dat akelige warme bloed vandaan.... Snuiten... in dien grooten, schoonen witten zakdoek.... neen, niet snuiten.... snuiven aan dat fleschje.... neen, niet snuiten en niet snuiven.... hoofd achterover.... zoo maar stil zitten.... plat in het donkere portaaltje.... zoo maar met rug en achterhoofd tegen de onderste treden leunen, beenen wijd uit, neen, hier, een kussen.... juist.... en nu zacht, nu zacht.... Ze tasten langs haar beenen.... hun handen klimmen langs haar armen op, ze drukken vingertoppen overal over haar hoofd.... lekker.... lekker.... neen, nergens pijn.... neen, dan is er zeker ook niets gebroken.... dan is ze zeker niet dood.... niet aan stukken.... heelemaal heel.... Wat nu weer.... Boter op dien bult.... ah bah.... zoo’n kluit vet in haar haren.... Ja, asjeblieft een beetje eau-de-cologne op den zakdoek.... maar dat vochtige... kleverig-vochtige, dat aan haar vingers plakt... is dat bloed....? Enkel maar water....? En hoe komt het dan zoo kleverig en rood....?
Waarom loopt Moeder nu langs haar de trappen op.... God.... Moeder.... Moeder.... Wie huilt daar ineens, wie huilt daar toch zoo.... wie wordt er nu door elkaar geschud? „Leelijkerd.... leelijke, slechte jongen.... je zusje van de trappen te duwen, ze had wel dood kunnen zijn....” Maar wel neen, moeder.... hij duwde mij niet.... hij deed niets, hij was er niet eens... hij had mij heelemaal vergeten, in den steek gelaten, we speelden niet, het was.... „Geef hem maar een flink pak slaag.” Waarom roept juffrouw Heilbron dat nu naar boven? Hij deed toch niets.... Waar zat hij dan.... waar komt hij eigenlijk ineens vandaan? Ze kan niet praten, ze is veel te gloeierig en te suf, en de groote zakdoek zit voor haar mond.... ze kan alleen het hoofd naar Moeder keeren, luisteren wat Moeder tegen juffrouw Heilbron zegt.... O.... was hij het.... had hij zich op den zolder verstopt?... Eerst die eene stap.... en toen plotseling bonkend naar haar toe.... om haar aan het schrikken te maken.... en ze is in een vaart van alle trappen gevallen.... ze kwamen op het spektakel af.... en nu ligt ze hier.... in het portaal, vlak voor de grauwe gordijnen, maar dat hindert niemendal meer, want moeder en juffrouw Heilbron zijn er bij.... en trouwens, de gordijnen zijn gewoon, alles is gewoon.... want hij was het toch immers maar! En hij staat boven zoo vreeselijk te huilen.... want hij denkt zeker dat ze dood is.... Toe dan Moeder, toe, vertel hem nu toch dadelijk dat ik echt niet dood ben....
EENMAAL ZAL HET ZWARTE ZAND.....
Den heelen nacht door heeft de storm gewoed. Het huis hield hem maar met moeite buiten. Je hoorde, je voelde hoe hij schuifelend, sluipend zwakke plekken zocht.... hoe hij dan aangerukt kwam, rammende dat alles trilde en kreunde.... hoe hij weer aftrok, zuchtend van uitputting, grommend van kwaadaardigheid.... en even later weer opzette.... hoe elke vezel van het huis zich sidderend spande om hem te keeren.... hoe hij dan weer opvloog tegen de boomen om aan hen zijn woede te koelen dat geen huis hem inlaten wou.... Want boomen staan ongeborgen weerloos, dag en nacht, door winter en zomer heen, en hoe moeten ze verademen in het morgenlicht, na uren in donker mishandeld te zijn....
In den flauwen gloor van dezen morgen keken ze neerslachtig neer op de geknakte takken rondom hun stam.... met groote gaten in hun daken geslagen, de heele hemel open en bloot.... Op uit de diepten van den horizon, de een achter de ander, al meer, al meer, rijen onuitputtelijk, pijlden de flodderige, losse wolken omhoog, en stormden als razenden den hemel over, in zijn volle breedte, op naar den hemeltop en weer neer, tot ze wegdoken in den anderen horizon, als riep ze daarheen tot zich de wind, wiens boodschaploopers ze zijn.... en in hun haast verloren ze stukken van zichzelf, die zichzelf ontrafelden en dan vervloden naar alle kanten de ruimten in. Half hoog de hemelhelling een doordringend zilverlicht: de verscholen zon! In dat scherpe zilverlicht gingen ze naar school, door den storm, maar van storm in den morgenstond houdt ze eigenlijk wel, na storm in den nacht.... je loopt erin, je kunt er tegen vechten, je hebt licht en menschen om je heen en nimmer zoo schrikaanjagend als in donker is bij dag zijn stem. Ook bleef het droog, en het was niet eens koud die eerste uren van den dag.... maar tegen den middag slorpte een bijna-nacht’lijk donker het kwijnend zilverlicht op, er joeg een angstaanjagend joelen door de ruimten en plotseling braakten de zwarte luchten regenstroomen uit.
In de morgenuren stond ongenaakbaar de school in het windrumoer, geen vreemd gerucht kon zich in zijn eigen adem mengen.... maar de wind is gekeerd en nu lijkt het wel of overal scheuren en spleten zijn, er waren koude stroomingen onderlangs de beenen, er vallen kilheden uit de ramen neer, tochten wapperen om de hoofden, rillen tusschen de schouderbladen—, en de kachel gaat wel vervaarlijk te keer, maar zonder veel warmte te geven. Het is alsof je de helft van je kleeren had uitgelaten, zoo huiverig en als bloot steekt je lijf in de schemerige leegte boven de banken uit. Ze zaten nog geen kwartier, toen sloeg met hartopjagend bonzen de glazen tochtdeur stuk en een poos lang viel nog telkens een scherf op de steenen rinkelend te bersten. Net waren ze daarvan wat bedaard of er bonsde, met echo’s door de heele school, een losse blind of een zolderluik ergens tegen aan en ineens werd het door gangen en op trappen een gelach en geloop van groote jongens, door de meesters uitgezonden om overal grendels en klinken en sloten en wervels te voorzien, en nadien kwamen er geen groote geluiden meer en is er verder niets gebroken, maar van overal piept en kreunt en flappert en zaagt het aanhoudend. Ze hebben allemaal even slecht ge-hoofd-rekend en ze zijn allemaal even blij dat het rustige lees-uur gekomen is. Beurtelings staat er een les en een vers in het leesboek, beurtelings hebben les en vers een prentje—, gisteren lazen ze een les zonder prentje,— voor vandaag is nu een vers met een prentje aan de beurt. Het ligt voor haar, het heet: „Goeden Nacht,” en ze leest alvast de eerste regels:
Zwijgend spreidt de nacht zijn kleed Over woud en dreven....
Nu is ineens de storm, nu zijn ook de onrustige geluiden ineens veel verder van je af.... „Zwijgend spreidt de nacht....” en iets in je wordt dadelijk glad en warm naar omlaag gestreken.... Bij „woud en dreven” kun je dadelijk droomen gaan, „woud” is een mijmerwoord en „dreven” kun je niet anders dan als zacht-glooiende verten denken. Dat zou allemaal zoo wezen, ook al was er geen prentje bij. Je ziet er trouwens geen woud en geen dreven op, enkel een dorp, heel klein, want rondom een hoog spits torentje enkel wat huisjes, laag en plat. Hoog in den hemel een smalle sikkel-maan, die ligt als achterover op zijn rug gekanteld. Alles nachtzwart en blink-wit.... je hebt meer van die prentjes, ze hebben geen lijnen, ze hebben geen grijs. Het hoort duidelijk bij den derden regel: „Alles rust, van lief en leed in den slaap ontheven.” In die lage huisjes, rondom den spitsen toren.... in die huisjes achter de toegesloten vensters.... in hun bedden met hun oogen dicht.... Hoe stil is daar die nacht.... een zomernacht zeker, want een vogel fluit. Vooraan op het prentje zit de vogel, hoog op een tak, die reikt inktzwart de hemelruimten in, die steekt sterk en dik uit de knoest van een stam dien je niet ziet, en er spruiten twijgjes af, en inktzwart is het gebladerte en inktzwart is de vogel en blinkend-blank zie je een streepje van de ruimte, tusschen de helften van zijn snavel, die open staat. Want hij zingt.... of hij fluit.... hij zit aan het uiteinde van den tak, tusschen de laatste bladeren klemmen zijn pootjes, hij zit als middenin den hemel boven een groote ledigheid, en rondom is een groote ledigheid, hij zit heel alleen en zingt.... Wie is hij? Waarom zingt hij? Wat zingt hij? Hij zit hoog, hoog boven de aarde, boven dat slapend dorpje uit, het prentje toont hem grooter dan den toren. Waakt hij over dat dorpje? Waakt hij over de wereld? Waakt hij over de menschen die rusten „van lief en leed in den slaap ontheven,” in de kleine zwarte huisjes, rond den spitsen toren heen? Zou dat dorpje ergens zijn....?
Ze hoorde niets, maar ze voelt ineens om zich heen een zacht geroes dat haar betreft, ze kijkt op en kijkt den meester in het gezicht.
„Zat je een beetje te slapen?”
„Neen meester, ik.... keek naar het prentje.”
De meester kijkt nu zelf ook naar het prentje. Ze zou willen vragen of de meester denkt dat die vogel zingt of enkel maar zijn snavel open heeft, ze voelt haar mond vol van de woorden.... maar het kan al niet meer.... ze moet lezen. Ze kreeg geen standje en geen straf, de meester wees haar de beurt:
Eenmaal zal het zwarte zand Als de nacht ons dekken En geen lieve vriendenhand Uit den slaap ons wekken....
Al zachter, al heescher hoort ze haar eigen stem, zwaar komen en volgen de woorden:
Sterveling, vermoeid van krachten....
„Kan niet hooren, meester....!”
Ze houdt op, ze hoeft niet om te zien om te weten wie zich daar over haar beklaagt, het is roode Bertus Lap, met zijn witte oogharen en zijn sproeten en hij doet het om te treiteren.... maar het mag, je mag klagen als je niet hoort, dan moet de ander maar luider lezen, ze doet het zelf ook, als Aaf Stam leest en van bedeesdheid geen geluid durft geven—, omdat ze aan Aaf Stam zoo een hekel heeft. Nu zal ze over moeten lezen.... en ze zal het niet kunnen.... ze zal het niet kunnen.... want zooeven al dansten de letters, kantelden dik en scheef, met trillerige zilverrandjes en haar oogen voelen van binnen koud, zooeven heet... Ze kijkt van haar boek niet op, wachtend wat de meester gebieden zal, maar verneemt geen geluid dan het bladerend zoeken in zijn boek. En plotseling is de storm weer vlakbij, als over een wit veld kwam hij nader.... een vlaag.... je ziet de boomen zwiepen als werd er aan gerukt.... even.... en de regen heeft zich tusschen binnen en buiten gesteld, heeft alles onzichtbaar gemaakt en het loeit in de kachel.... en iets roods vliegt achter het regengeschimmer de ramen voorbij, klettert op straat kapot.... een dakpan die naar omlaag werd gesmakt!
„Zoek allemaal op.... les drie-en-twintig.”
Neen, maar.... wat gaat er nu gebeuren, dat de meester het halve boek overslaat? Ze waren nauwelijks met „Goeden Nacht” twee keer rond geweest. Les drie-en-twintig, achter in het boek! En wat kan het zijn? Geen die het weet, want zóó ver durft niemand ooit stilletjes vooruit te lezen. Enkele boeken zijn tot zoo ver zelfs nog niet opengesneden. Heb jij het...? Heb jij het al....? Elk die er is, schiet ineenen in den lach, om wat hij op het prentje ziet: een gebroken kan, een omgevallen koekepan.... een dikke poes, die niet weet waar het eerst naar toe, en wat het liefst, de vette worst of de dikke plas melk. „Dom Antje en knap Lijsje”.... neen, maar dat zal me zoo wat zijn! Wie daar de eerste beurten van krijgen.
Nu zit toch die Aaf Stam al een uur met haar vinger in de hoogte en geen woord zal ze zeggen, eer dat de meester naar haar kijkt en haar vraagt wat ze wil, al moet ze nog zes uur wachten, al zat ze zoo den heelen dag, want ze ging nog liever dood dan dat ze praatte voor haar beurt of iets riep door de klas. En toevallig keek de meester juist al tijden haar kant niet uit. En nu zit ze daar maar, met haar vinger in de lucht en haar hoofd een beetje in de hoogte, zoodat haar witte vlechtjes juist telkens in en uit den rand van haar boezelaar kruipen.... en haar voorburen en haar naaste buren en haar achterburen stooten haar aan „meid, wat moet je toch, wat moet je toch?” maar ze zegt niemendal, want je mag immers niet babbelen in de klas! Trijntje Boer durft eindelijk roepen „Meester, Aaf Stam wil u wat zeggen.” „Zoo Aaf, en wat heb je dan wel?” „Kan niet hooren, meester!” „O, daar heb je dien schreeuwer ook weer.” Maar de meester heeft het zelf niet verstaan, „Zeg het nog eens Aaf.” „U slaat twaalf lessen over, meester!” Neen.... maar o.... maar o.... maar o, dat zal de meester zeker zelf niet weten. „Dank je wel, hoor Aaf.” Is dat lachen.... ze snikte ineenen het uit.... en haar wangen zijn nat van de tranen....
De glazen kooien van de straatlantaarns lijken met gouden vonken rondom in brand te staan, ze zijn zoo nat, ze vangen en breken en kaatsen eindeloos de vlam; zeker om de menschen die buiten zijn wat op te wekken, heeft Hoorn ze vandaag zoo vroeg aangestoken, want eigenlijk donker is het nog niet. Je ziet nog duidelijk de menschen aan de ramen zitten, je zoudt nog heel goed onderscheiden tusschen de witte en de zwarte strepen van het Arbang-kanfou en zoolang dat kan, is het geen nacht.... Zullen de boomen nooit tot rust komen? Hoeveel uren gaat dat nu al, van gisteravond af.... De hoogste takken hebben het het ergst te kwaad. De hemel is een grijze brei, een dunne soep van grauw en geel en waterig wit. Daar op het bruggetje moet wat te kijken zijn, twee jongens, die twee andere tegenhouden en roepen, wenken, ze is er bij, tuurt in de sloot, een zwarte rat zwemt in het zwarte water vlak langs den kant en keert en zoekt en zwemt terug, ontduikt een steen, en kruipt een hol in, en is weg....
Ze draagt iets in zich, weet niet wat, dat zoet en smartelijk welt, dat gelijktijdig troost en nijpt.... je kunt het nog geen denken noemen, het is wel in haar maar ze heeft het niet, ze ziet het niet, nog niet.... het komt dichtbij.... maar je moet het niet willen, hoe meer je het wilt, hoe min je het krijgt, je moet niet willen, je moet erop wachten, je moet naar dingen kijken, aan dingen denken, maar zorgen dat je het niet uit het oog verliest. Het komt.... het zwelt, het zoete nijpen is nabijer, voller.... en plotseling weg, omdat ze het weet: het is de vogel. „Alles rust, van lief en leed in den slaap ontheven.” De maan, de hemel, slapende huisjes rond een kleinen toren.... de vogel waakt.... hij fluit, zijn kopje omhoog.... O ja, maar.... „Eenmaal zal het zwarte zand, als de nacht ons dekken.... en geen lieve vriendenhand, uit den slaap ons wekken.” Omdat je dan dood bent.... omdat je er dan niet meer bent.... Ze blijft plotseling staan.... er was iets, dat ze bijna wist, dat ze bijna kon grijpen.... je hebt wel eens op een schijf geschoten, altijd trof je rondom de roos en nooit erin, maar eenmaal.... eenmaal.... de pijl raakte even en viel er weer uit.... Ze was zelf die schijf en een pijl raakte haar, midden in de roos, en viel er weer uit.... één seconde heeft ze iets geweten en nu weet ze het niet meer....