Part 13
Als je denkt dat iets strak gespannen zit.... kun je het toch nog makkelijk tot een boogje rekken.... een bruggetje wordt het teekje, nu ze het oplicht met haar pen.... het zit flink stevig.... moeder heeft het erin vastgebreid.... ai.... het komt eruit.... het is er uit.... het ligt als een klein groen slangetje boven-op de kous.... je kunt het laten omvallen en rondkronkelen.... Zou nu iemand in staat zijn om te zien wat ze vandaag heeft gebreid en wat gisteren en de vorige dagen....? Wel neen, want het teekje is immers weg.... Die ribbel.... maar dat lijkt zoo, omdat zij het weet.... zulke ribbels zijn overal... Hoe krijg je je teekje er weer in.... hoe doet moeder dat eigenlijk? Het rolde heelemaal naar onderen af.... tot bij de geribde boord, verbeeld je eens even dat ze dat heele stuk vanmiddag had gebreid.... de pen is een zware, lange, zilveren staaf.... die reikt ze naar de groene slang.... asjeblieft hier, groene slang.... het is een giftige zie je, je kunt niet te voorzichtig zijn.... neen stil.... het is een teekje... en hier zat het.... en ze heeft, laat eens tellen.... ze heeft acht naadjes gebreid vanmiddag.... precies haar taak.... Vast wurmen met de pen, alleen maar voor de grap.... dat het net zoo stevig zit als moeder het insloeg.... geen zweem, geen pluis, geen gaping meer waar het wezenlijk gezeten heeft.... en, zóó dicht bij de hiel, geen merkbaar verschil in de lengte van het overige deel.... Wie nu niet beter wist.... haar heele taak lijkt af.... Stil zitten laten....? Stil zitten laten en lekker wegloopen....? Moeder is bij overbuurvrouw Spoel op kraamvisite.... en ze mocht buiten gaan spelen als ze klaar was. Zoo kom je gauw en makkelijk klaar.... je hoeft niet steek voor steek en toer voor toer te breien.... je verlegt eenvoudig je teekje naar onderen.... Je kunt het natuurlijk niet altijd zoo doen, nu ja, je wilt het ook niet altijd zoo doen.
De wind blaast van den havenkant, koeler en schrieler dan toen ze binnen zat, hij heeft geen reuk, hij komt uit open klaarten en wijde ruimten, er bloeien nergens bloemen meer. Zoo is October, alles is klaar en koel, en klaar en koel schijnt er de zon doorheen uit het zware, strakgespannen blauw, en alles lijkt overal zoo ruim en wijd door de ijlheid van de boomen, nu bijna bladerloos.
Het is al niet meer vroeg, ze zal de jongens op den thuisweg tegenkomen.... ze zal van de „Haydarabad” alles hooren.... den hoek om.... en ze ziet ze vast.... maar neen.... ze loopt al op den dijk, ze is al dichter bij de haven dan bij huis.... ze ziet de schepen en het water in de laagte tot de verre bocht. Een bruine rand zoomt langs het blauwe water, de boomen maken met hun beetje loof een groot vertoon.... een goudig-groene franje is het riet.
De jongens staan er nog, en lijken bijna in het riet verzonken.... zoo hunkeren ze over het water naar de boot.... je ziet het eer je het weet—ze zijn nog niet geweest.... Of komen ze er alweer vandaan? Neen.... neen.... het duurt wel lang.... maar het gaat gebeuren.... er waren er te veel voor ééns.... de grooteren gingen voor, die zijn er nu.... en blijven maar... je ziet ze loopen.... kijk.... Klaas Dral.... en Meindert Kools.... ze beenen langs den rand, hoog, hoog, hoog op het hooge schip.... maar komen die terug, dan mogen zij!
Ze staat en kijkt.... kijkt voor zich uit.... kijkt verder heen.... en kijkt haar weg terug.... Hoe staat ze hier ineens.... hoe kwam ze hier ineens.... ze zat daar net nog thuis.... ze wist niet.... wilde niet. Of Moeder goedvond dat ze ging? Stt.... Moeder weet van niets.... ze was ook niets van plan, ze wou hem tegemoet.... nu staat ze hier....
In stooten komt de wind het water over, droog, somber ritst het najaarsriet.... veel blauwer dan de hemel is het water, een woelig, zwaar, een bijna-angstig blauw.... dat diepten, koud en peilloos, vol geheim lijkt af te dekken.... het klotst in het riet, het botst van onder bits en kort de dikke halmen dat ze schokken, hun pluimen zwaaien bovenuit, wilder gedreven door water dan door wind.... het drijft het trillend schuim tezaam en klutst het tot een vette, gele pap, die lillend, dieper in de halmen dringt en daar tot stilstand komt. Ze staan vlakbij, vlak achter het riet, zoo dicht ze kunnen bij de boot, ze staan veel lager dan de weg, veel hooger lijkt de stille, grijze boot en trekt ze bij van elk twee strakke oogen, bij van elk een groot verlangen naar zich toe....
Ze komen.... ze komen.... het bootje ving ze een voor een onder de groote, schuine trap.... het maakt zich los en komt nu schommelend het schommelend water over, en dijt geleidelijk in de zijden uit.... die bruine roeier heeft maar kracht.... Hoera.... Hoera.... de modder sopt, zooals hun voeten dansend trappelen.... Hoera.... hoera.... en was het eenig.... was het mooi....? Ze lachen, zwaaien de armen, toonen scheepsbeschuit.... zoo’n blank stuk aan een witte hand is mooi in al dat blauw.... De bruine roeier wendt het hoofd, de witte blinkstreep van zijn tanden maakt hij bloot, hij lacht....
Nu zij.... nu zij.... pas op, de anderen eerst eraf.... ze houdt haar broertje aan zijn hes terug.... pas op.... pas op.... De grooten springen een voor een aan wal.... hun armen breiden het ritselig riet uiteen.... hun knieën buigen ze.... de modder smakt.... één glibbert.... ligt voorover op zijn buik, maar lacht.... En mochten ze alles.... mochten ze overal....? O ja.... ruim in, ruim uit, trap op, trap af.... Hoe is het er....? hoe is het er....? Een dorp, een stad, een wereld bij elkaar.... veel, veel meer dan je denken, dan je onthouden kunt.... Hoera.... hoera.... pas op.... pas op.... voorzichtig.... één voor één.... niet op den rand.... de bruine roeier sloeg zijn hand in het riet en houdt het bootje recht en keert den blooten blinkstreep van zijn tanden naar ze op. Over den rand ineens.... hup een.... hup twee.... sprong bijna mis, je hoorde zijn hakken klakkeren.... hup drie.... hup allemaal.... en allemaal lachend, allemaal op een hoop.... en zij alleen staat aan het water, staat alleen.... De bruine roeier vaart niet weg.... zijn hand blijft in het riet.... hij kijkt haar aan.... hij lacht.... wenkt met zijn hoofd.... waarom blijft zij daar staan.... waarom vaart zij niet mee....?
Ze dacht niet meer.... ze nam den sprong.... het water spat tot tegen haar gezicht, ze staat tusschen de jongens in het enge schuitjesdiep.... rondom vlak bij is het water, woelig, zwaar en blauw.... geen handbreed van den rand, het schuitje als een kuil er in geduwd.... de schuimfiguren zijn als dungespreide sluiers.... die slinken rekkend tot hun uiterste, verstrooien zich en gaan teloor.... maar nieuwe sluiers weven zich uit flarden, die sidderen aan en zoetjes hechten in elkaar.
Het stadje wordt een vreemde stad voor haar wijdkijkende oogen.... het is als de schuifprent op het orgel van Jan Stap.... blauw water op den voorgrond, daar als hier.... en rood en wit tusschen het boomengroen.... en torens ook.... maar daar meest lager, dikker, somber-ruig begroeid.... en het wonderlijkste, mooiste, daar als hier, dat anders worden, openbreken.... het langzaam naderen.... vol in het oog zijn.... en verdwijnen.... en al dat vreemde in een stadje waar je woont.... Je hoofd verdeelt den wind, één stroom ijlt fluisterend verder langs elk oor en overal geplapper tusschen stil, strak hemelblauw en zwaarder woelig waterblauw.
De jol gaat op den grijzen bergmuur af, die breidt zich breeder, rijst al hooger.... je ligt heel laag, heel laag, rondom in het water, in je enge schuitjeskuil, je moet je hoofd ver achterover buigen om boven het hooge grijze nog het blauw te zien.... je ziet het ver.... je ziet er tegen-aan een rij van vier, vijf donkere koppen naast elkaar, dat lijken groote chocolade-flikken, in elk de blinkend witte tandenstreep. De trap hangt af, hangt bot tot op het water neer, maar komt nu in het schuitje als een voet vooruitgeschoven.... wat ijlt hij steil omhoog, langs het morsig grijs—dat leek veel klaarder en de trap veel schuiner van den wal—wat ijlt hij steil, wat is hij smal en leuningloos, een ribbeltje.... een rij van streepjes die het blauwsel-blauwe, rag-besluierde in smalle vakjes deelen, geen ander steunsel dan die kale romp, rond als een plompe buik, die nergens houvast biedt....
Zwevende weeë leegten diep in de maag, warme knikkingen door de beenen, klukkingen in de keel en om het hart.... streepje voor streepje als loop je op water.... met niets onder je voeten.... en de beenen al zwaarder.... de leden al stroever.... het lijf al stugger, houterig van bangheid.... achter de jongens aan.... in haar ooren een groot gesuis.... doorplapperd van den wind en het watergeklots dat al dieper zinkt en slinkt.... en langs haar rug het roepen van hoog boven waar de koppen hangen als chocolade-flikken, als donkere volle-manen onder-tegen het blauw, het roepen naar den roeier die in het schuitje achterbleef..... en de oogen, troebel, in verschietende wazigheden vooruit.... star vooruit.... want kijk je links, dan is er het bloote, blauwe water, strak naast je, vlak aan je, waar je kaal tegen aan staat, zonder scheiding of schut.... en kijk je rechts dan is er die grijze romp, die ronde buik, die geen eind heeft, die zich uitbreidt, breed en hoog, die gesloten wand, waartegen je bang komt opgekropen.... en die lijkt je van zich af en in het water te willen stooten om dan zelf over je heen te storten.... En omhoog kijken durft ze ook niet.... en niets leeft er meer, en geen vin roert er meer aan haar dan de al zwaarder beenen, de al stroever voeten, al het overige verstold, verstokt.... tot ze dan eindelijk boven het morsig grijs van dien eindeloozen wand luchten en hemelen uitbreken ziet en haar hoofd reikt vrij in de ruimten vooruit, dan haar lijf.... en nu staat ze, verstomd, voor die nieuwe, wonderlijke bovenwereld.... waar alles blinkt en plappert... en vlak bij haar hangen over de verschansing de mannen, waarvan ze daareven de donkere gezichten zag hoog boven zich onder-tegen het donkere hemelblauw, als volle-manen, als groote chocolade-flikken met blinkend-witten tandenstreep....
Die geweldige, achterover-hellende torens, dikker dan de dikste boom, met klinknagels als groote knoopen, in de geelbruine verf verzonken en verstompt, zijn dat de schoorsteen-pijpen.... en wat beduiden die gebogen buizen als kelen van beesten, die daaronder verborgen zitten, brekend uit den planken vloer, wijd-open kelen en wijd-open muilen, waaruit je woest geschreeuw verwacht.... en wat beduidt dit hier, dat daar, en alles met elkaar....? Duizelingen geven haar flapperwind en flikkerzon, duizelingen zendt haar van onder-op het water.... Ze loopt maar her en der met het jongenstroepje, en niemand weet waar het eerst en wat het liefst, je moogt nog hooger, je kunt veel lager, je kunt ook over de verschansing kijken. Dan voel je hoog en wonderlijk je in die hooge, wonderlijke wereld staan.... die kwam maar even en gaat weer heen.... dan kijk je naar wat blijft, het bierhuis aan den weg, den spoordijk en de polders over.... Je ziet de groote, donkere schaduw over het water, waarin het bootje ligt en spat en plast heel klein, heel laag, de zware schaduw die het blauwe zwart doet lijken.... en op het uiterst randje van die schaduw, in een vloeiend-vagen zoom.... je-zelf, je-zelf.... o kijk.... het schuift als je beweegt.... je bent het zelf.... zoo ver was nooit haar schaduw van haar af.... zoo eenzaam van haar los.... Maar daarvoor is ze niet gekomen....
Bruine mannetjes loopen overal rond, lijken van leuninglooze trapjes af te rollen zoo vlug, schieten achter deurtjes, boven diepten voor den dag, roepen, praten, lachen.... lijken allemaal op elkaar.... je vraagt je af hoe ze zichzelf uit elkaar kunnen houden. Dit sissen.... knetteren.... knappen, ineens vlak-bij, komt weer een ander open deurtje uit, en een warme walm, en een lekkere lucht van uien in heet vet.... daar staan er twee in wat een klein, halfdonker keukentje lijkt.... een heeft er om een lang, dun mes zijn bruine hand gevuist, hij kerft en snijdt de blanke uien, het rauwe, roode vleesch en houdt met de andere hand in vollen greep de brokjes bij elkaar.... de andere kijkt maar toe en allebei praten.... en alles gaat zoo vlug, zoo vlug, het kerven, zie nu toch dat rappe grijpen naar de peperbus, dat radde strooien, door elkander werken, en weer strooien.... en hun mond staat geen seconde stil.... aldoor dat lachen en die vreemde taal vol vreemden, diepen klank, aldoor dat tandgeblink. Wat haakt hij nu weer van den wand.... wat hangt er allemaal.... wat staat er op de plank.... wat wonderlijk gerei.... roetzwarte potjes op lage pootjes... lepels... vreemdgevormd en scheef... het vleesch, de uien gingen in de pot, die niet meer knettert, spat en sist, domp en gesmoord te pruttelen staat.... en lekker ruikt, maar scherp, bij vleugen zoet en vreemd....
Ze heeft de jongens uit het oog verloren.... ze hoort ze loopen ergens onder zich, een stommelen, hol, alsof ze over kelderruimten gingen.... ze staat alleen en staart en soest.... waar is dit toch.... wat is dit toch.... Een wereld boven de andere uit.... een top... een dak.... ineenen weet ze het: een hoogvlakte is dit waarop ze staat, een hoogvlakte van planken, planken, planken en elke plank is breeder dan de lengte van haar voet.... de planken liggen over ruimten, de luiken dekken donkere holten af, de trappen leiden in het diepe onbekende.... en alleszamen is de boot, die „Haydarabad” heet, die over het blauwe water zwarte schaduw slaat.... en waar het water ophoudt is het riet, de boomen, de spoordijk en het uitgeoogste land....
Een scheeve deur hangt over hoogen drempel half naar binnen open.... een waterig schemerlicht.... een zoete, zware reuk.... ze kent dat mensch.... dat lange, dunne mensch.... dat magere gezicht.... het roode pluishaar uit den zwarten hoed, in bonte zijden kleeren door de week.... de witte, bloote hals, die bolt naar voren als een krop en glooit terug in schaduwhol waarin het medaillon aan zwart fluweelen band bij elk bewegen buitelingen maakt.... en midden in de kin dien weeken, misselijken deuk, als had ze er twee.... haar mond naar voren tot een dorren, dikken knop.... ze kent dat mensch.... de tweede dochter uit het bierhuis aan den dijk, dat achter boomen diep in schaduw staat, welks ruiten onder vlaggen weggeschilderd zijn, uitheemsche, vierendeelde, rood-en-blauw-bekruist en goud besterd, gestreept als stangen pepermunt.... aan bruine stokjes overhoeks gekruist.... Daar woont ze.... en hoe komt ze hier.... wat moet ze met dien dikken, rooden man....?
Ze keken op.... ze glipte vlug de deur voorbij.... en hoort hem dichtslaan in het slikkend slot....
Oh.... eindelijk... gelukkig... daar, den heelen anderen kant, daar rijzen ze naar boven uit een luik.... verschijnen een voor een.... nu gauw er heen.... maar gauw, ze loopen van haar af.... ze zijn den hoek al om en weg....
Er staan twee mannen aan den rand geleund, den rug naar het water en die het dichtste bij is ziet haar komen, ziet haar tegemoet.... hij stoot den andere aan, die kijkt nu ook.... de witte streep breekt uit zijn bruin gezicht, dat was zooeven strak en dicht.... ze is vlak-bij.... en voelt zich plotseling bang.... als in het donker.... als in schemer-grauwen droom.... door engten langs een afgrond.... zoodat je rug verkrimpt.... tusschen de schouderbladen.... haar beenen stokken plotseling.... maar ze moet voorbij.... ze lachen, werpen doffe, diepe klanken naar haar uit, haar tegemoet, en het vreemde is dat ze niets verstaat en toch zich gloeiend rood voelt worden.... Ze kan niet verder.... ze blijft staan, de eene, die haar het eerste zag, komt van den rand, komt naar haar toe.... zijn hand is om haar arm, hij buigt zijn lachend hoofd naar haar gezicht.... ze voelt de hitte van zijn hand.... ze voelt de hitte van zijn zoo dicht bij haar staan.... ze ruikt hem.... en wat ruikt hij vreemd en akelig-muf....
Ze denkt aan niets, ze rukt zich weg.... ze loopt.... ze loopt.... recht voor zich uit.... de heete hand knelt om haar arm.... de muffe lucht drong in haar keel.... en achter haar de doffe, diepe klanken van hun lachen....
O, weg.... weg.... weg.... naar huis.... naar huis.... het blauwe water over naar den wal.... het riet, de boomen.... huizen.... al het bekende.... maar weg.... weg.... weg.... Dáár.... dáár.... zoo vlak bij, waar ze niet kan komen, niet alleen, niet zonder hen, niet anders dan in het schuitje en met weer zoo’n man.... en honderden zijn hier.... sluipen uit elke deur.... springen van elke trap.... stijgen boven ieder luik.... en griezel, gruwel zijn ze allemaal....
Boven de hemel, rondom het water, dicht-bij de wal maar onbereikbaar als uren ver.... en zij hier gevangen, zij hier hoog boven op de hoogvlakte van planken en deuren, trappen, luiken, schoorsteenpijpen, beesten-kelen.... opgesloten, gevangen.... komt ze ooit hier weg.... zal ze ooit weer daar op den weg, tusschen de boomen loopen? Er gaat een vader met twee meisjes langs, die blijven even staan en jongens kijken uit het riet.... en mogelijk zien ze haar.... zooals zij straks de anderen zag.... Klaas Dral.... en Meindert Kools.... en ze benijdde.... nu benijdt ze die daar loopen op den weg en haakt er heen.... En nooit meer.... nooit meer....
Ze stond en keek en vatte alles in het verlangen van haar oogen..... den vasten weg.... de menschen die er gaan.... ze zag het alles, nu niet meer.... er was iets anders.... is iets anders.... Ze dacht... „nooit meer... nooit meer....” nu weet ze het.... nu voelt ze het ineens en vast.... Dus dáárom.... dáárom mag het niet dat meisjes op de schepen komen....
EEN HEELEN DONDERDAG THUIS
Geen halfuur geleden kwam ze van de speelplaats in de school, nu staat ze boven op de stoep, de voeten even over den rand en half in het opene, alleen.... Ze kijkt, de oogen wijd, ze kijkt naar buiten en beneden en rondom de groote najaarsstilte tegemoet en in haar hoofd gaat alles dat gebeurde, nog eens over. Ze zaten nog niet recht en langzaam zonk en zakte het rumoer van binnenkomen, schoolbegin.... toen stond ineens een jongen in de deur, de oogen wijd, de mond half open, zijn arm reikte naar den meester heen.... een toegevouwen blauw papier.... het was een telegram.... de meester sloeg het uit en woorden sloeg hij bloot, en las, en plotseling is hun klas als in een stilte-kuil geploft.... het roezen rondom steeg tot helsch lawaai.... Die stilte.... het wordt wel vaker stil, ineens.... de deurknop draait, de meester schrikt, zijn hand met het krijt valt neer.... de deur gaat open, de witte gangmuur in een schemerlicht.... de Schoolopziener, met een hoogen hoed.... wat blijft er dan nog aan geluid, dat nu vervlood, wat laat je dan, en nu niet, je aan geluid ontgaan....? Ze voelt en hoort het nog, het stond als leegte om hun hoofden heen.... een oogenblik.... en dan, een klinkstap uit de verten van de gang..... die sneller werd..... en nader kwam.... de bovenmeester.... en ze praatten, overleiden.... wat was de meester bleek.... ze mochten weg, naar huis.... In andere klassen ging het leeren door, maar hunne werd er tusschen uit gesneden, de ramen open, als in het middaguur, de sponzen, krijtjes, liniaal, pas uitgehaald, geborgen, de dag ineens, als in een bliksemvaart, aan het eind, en niet begonnen, morgen vroeg.... Een dood-geboren dag.... Zij bleef het laatst, zij heeft de week, de koude lucht woei in en stroomde uit de hooge ramen af.... en door de leege, breede gangen ging ze op de teenen heen met kloppend hart, tusschen de klompenrijen aan weerszijden, als donkere zoomen langs het patroon van blauw en wit.... de dichte deuren een na een voorbij, waarachter een jongen las, een meester praatte.... en aan de knoppen, alweer meer dan gisteren, en het dubbele van verleden week, de winterkleeren.... grauwe vanen over het blauw tot op den klompenrand.... er komen er van ver, de ochtenden zijn koud.
October raakt zijn eind.... een dag of drie.... dan staat November aan de poort van het jaar.... de late herfst voelt om je heen.... als aan je lippen voelt een koude, vochte vrucht, een groote pruim met weinig zoetheid, nagenoeg geen reuk. Als je in de zon staat, op het bruggetje bij huis.... je kijkt in het water.... boomen zijn daar niet.... je kunt gelooven dat je in den zomer leeft.... fluweelen strooken mollig licht, in zilveren randen, frisch gespring van spitse spikkels tusschen bronzen boorden, die vloeien zoet en zonnig uit.... en in de modderige luwte van de schoeiïng, uit schemer op, een gouden vonk, een zonnetje, een zomerkers.... goudgele zonnetjes de blaren ook.... maar keer je om en ga één stap, je stapt den winter in.... En ’s morgens vroeg is alles ruig van nat.
De zon schijnt door de klaarten van den dag, zooals bij stil en vriezend weer door pegels aan de goot, die blikkren vuur, maar blijven ijs.
Kijk je uit September er naar toe.... wat klinkt October hard en hol en kaal en koud.... kijk je uit Augustus naar September.... wat klinkt September laat en bruin en nat en nevelig.... kijk je uit October achterom.... dan is September honigzoet en blond, fluweelig warm en licht. Kijk je October uit, November tegemoet.... dat klinkt als ijzige regen, barre wind.... October klinkt dan stil, nog zomerachtig.... Koud is October uit September.... warm is October uit November.... het is met alle dingen zoo.... het is zooals de meester met de bakjes water deed, één koud, één warm, en een.... en een dat koud was aan de hand die uit het warme, warm was aan de hand die uit het koude kwam.
Leeg is de speelplaats, groot beschaduwd om één zonneblok.... en geen geluid, alleen.... er wordt luidop gelezen in de eerste klas, het gaat op maat, de juffrouw klapt.... wat is dat lang voorbij voor haar, wat is dat ver.... ze rilt, staat stil.... wat word je groot....! De meester van de vierde komt aan het raam, zijn mond beweegt.... hij geeft dictee.... ineens niet meer.... hij ziet haar, wenkt haar van de plaats.... waarom, ze deed toch niets.... een meester leeft niet als hij niet verbieden kan....
Niets is zoo vreemd als het veranderen dat de wereld onder schooltijd doet. Ze is de poort uit, staat op straat.... en hoort er niet en wordt er niet verwacht en mag er eigenlijk niet wezen en mag niet zien, wat allemaal gebeurt.... Half tien.... ze staat op straat.... en geen vacantie.... ook niet ziek.... een weeksche Donderdag! Achter uit gangetjes komen vrouwen en worden grooter, dikker naar de straat, en dragen kleedjes om te kloppen uit.... die blijven alle dagen thuis, den heelen dag.... En kleine kinderen om den groentekar.... ze ging een half uur geleden hier voorbij en nu alweer, terug, en het licht is vreemd, de straat is vreemd... en het huis is vreemd... de deur is dicht, en weet niet wat ze wil.... verwacht haar niet... en kan er binnen iets veranderd zijn.... het voelt zoo vreemd....
Ja, ze is er weer.... Maar toch niet weggestuurd, niet ziek, niet zij alleen? Neen, allemaal.... de meester kreeg een telegram.... Wat moet ze nu? Ze kijkt de kamer rond.... de stoelen staan te hoop geschoven.... het vloerkleed sâamgelicht, tot in het midden van het naakte bruine zeil.... en Vader klaar om uit te gaan. Een doelloos, droef gevoel.... ze leunt aan het raam.... wat ligt het water roerloos in de sloot, te dik... te moe.... te traag.... de achterhuizen doodsch en plomp en zwaar-verzakt.... misvormde spiegelingen.... geen geluid.... de tijd hokt.... en haar hart staat stil...
Wat moet ze nu? Hier loopt ze in den weg. Het beste was, ze ging met Vader mee! Waarheen? Naar Heilbron, om het sjabbosvleesch te koopen en alles voor de soep, sigaren.... loterij-lijst nazien.... en op de markt naar ouden Mousje Fles.