Chapter 14 of 20 · 3952 words · ~20 min read

Part 14

Er springt iets op, er breekt iets los, haar hart tikt en de tijd schiet in een vaart vooruit.... wat was dat vreemd, als zat je, in een schuitje, aan den grond, maar het water vliet weer en de schuit loopt vlot... het is Donderdag, het is markt.... weg doelloos, droef gevoel, de tijd, die hokte, loopt.... het lijkt, als vaart een tinteling van leven door de sloot.... en langs de achtereinden.

Ze kijkt naar Vader.... voor Vader is de straat en alles nu gewoon, maar zij voelt tegengezind de wereld om zich heen. Ze vat het nu: de klok van negen trekt een streep, neen beter, richt een dikken ribbel op.... daar mogen kinderen niet overheen....

Een naakte klaarte, en ze staat, ze staart....

„Je kijkt,.... je ziet het niet... je weet niet wat het is?” En Roos en Schoon aan weerszij aan het raam en beiden lachend, beiden dik. De achterkamer frisch aan kant, met reuk van koffie en van meubelwas.... maar iets is afgestroopt.... maar iets is weg? Ja zeker, iets is in de wasch..., dus daarom staat het raam zoo naakt en staart het licht naar binnen, het water over, klaar en kaal. Ze hoort, veraf en buiten, karren rijden, hoeven klakken.... het is druk, het is Donderdag.... de school is droom.... ze hoort, dichtbij en binnen, Vader praten.... ze hoort het kleverig vleesch, dat neersmakt tegen het blok, dat smakt en plakt, ’t is zwaar, ’t is malsch, ’t is Sjabbosvleesch, en Heilbron lacht, met wijde keel, en tante Na komt zoetjes sloffend in.

„Jij niet naar school, jij zoo met Vader mee?”

Ze hoort het dreuntje van de stem nog in haar ooren na, terwijl ze kijkt.... het lijkt wel of de heele koek aan plakken moet.... Ze vallen, stapelen, loopen hoog.... Voor Roos en Schoon, voor Ies en Barend, voor Heilbron en zichzelf, voor Vader en voor haar.... Ze staat aan het raam en kijkt het water over. Hier zaten ze.... en het was feest.... het was Rousj-Hasjono.... het was September.... het licht fluweelig, honig-zoet.... het water jong en blauw.... nu oud en traag, nu grauwig-zilver onder neveldamp.... en schepen varen langzaam, zwaar.... het laatste boomblad, aan den overkant, is weg en stil staan er de huizen, spits, vierkant, aan het witte licht en weten niet meer wat....

Maar koffie drinken met de groote menschen, op een weekschen morgen....! De winkel uit, de gang door, komt de kamer dreunend volgestapt.... de mannen en de zonen, hun praten kaatst in het kale licht.... de heete, vingerdikke boog springt uit de bruine tuit en in de witte kopjes stijgt het zwarte snel, de melk er door, de koek op schoteljes.... zoo warm, zoo prettig, zoo ineens, zoo onverwacht.... een zoete soezigheid.... en nu praat tante Na.... ja, tante Na, ja zeker, tante Na.... nu luisteren.... want alle mannen, vader, zonen, knechten, staan om Heilbron heen, de beenen wijd, de koffiekopjes in de hand.... die boer dacht Heilbron te bedotten, maar Heilbron was dien boer te slim....!

Het pakje ligt in bruin papier.... de weeke ronding bergt het groote vleesch, de bobbels zijn de beentjes voor de soep.... wel drie keer, vier keer, gleed haar denken langs het zachte blauwe goed, bij Roos op schoot.... een vluchte vraag kwam op en gleed weer af, naar dieper toe of vloog in ruimten weg, of werd een zoete soezigheid, te traag voor woorden, als een zwaarte op de oogen.... nu zit het vast en wil ze ineenen weten....

Krijgt Schoon een nieuwe jurk? Of Roos? En wat een mooie.... is het zij? Ze staat naast Roos, ze voelt het goed, ze ruikt het.... nieuw goed ruikt zoet, voelt zacht, doet zoete schommeling door je leden gaan en in je keel. En Roos kijkt op en lacht.... zoo dichtbij zag ze nooit nog haar gezicht.... het lacht.... Roos vindt haar lief.... haar vingertoppen over het zachte goed, de zoete reuk, een blauwe zilverglans, het gezicht van Roos, dat lacht, vlak bij.... uit alles bij elkaar een zoete soezigheid, een lichte duizeligheid....

Is het van Grashuis, is het duur en voor wanneer....? Er komt toch nu geen Jomtof meer? Neen, het jaar is kaal en zwart, want Simchas-touro was de laatste bloem....

Nu lachen ze allebei en buigen naar elkaar, naar haar, en fluisteren, elk bij een oor.... het goed is niet voor Roos, is niet voor Schoon.... maar is voor beiden... want beiden hebben zich verloofd... met broers... en neen, niet uit de Kille hier, van ver vandaan, zij kent ze niet... maar Sjabbos-veertien-dagen komen ze over, dan is het feest.... en daarvoor zijn de blauwe jurken bestemd en daarom zijn de raamgordijnen naar den wasch.... En gaan ze dan ook trouwen? Nu lachen ze allebei luid-op.... je gaat nog maar zoo één-twee-drie niet trouwen!

Het zachte goed, dat koel is aan de vingers, zilverig voor het oog en zoet onder half-open mond.... de warme hoofden, roode wangen, oogen nat van lachen, zoo dichtbij en zoo lief.... er loopt een zilverdraad de toekomst in, ze is gevraagd voor het feest....

De drukte vloeit de straten door, loopt uit en samen op de markt.... zoodat het woelen aldoor dichter, het wemelen bonter wordt, zoodat rumoer en drukte zwellen naar de wolken tot een blij geweld. Half-Zondags zijn de vrouwen, als voor de schutterij, maar er is toch een onderscheid, want dan lachen ze en praten ze, nu loopen ze zwijgend, de gezichten strak, ook als ze samen gaan.... en de oogen naar links en rechts over de stalletjes en alles schijnen ze te zien. Blijven ze staan, dan pakken ze elk ding met de handen beet en tasten rukkend overal met de vingers tusschen en rommelen alles door elkaar en fluisteren met elkaar, en kijken den koopman met harde, koude oogen aan en spreken hem met bitse, wantrouwige stemmen toe en de koopman lacht niet meer en zingt niet meer en maakt geen grappen meer, en zijn gezicht lijkt kleiner te worden.... ze heeft daar soms wel tijden bij staan kijken en merkte dan ineens de dikte van een hekel binnen in zich aan die vrouwen.... niet altijd, op marktdag maar alleen... omdat ze dan zoo bazig en zoo redderig zijn, zoo stuursch en zuur....

De oude Mousje Fles zit op een boekenkist, hij leest, zijn baard is dik en wit, wat zou hij mager wezen zonder baard. Hij zit van de anderen af, met zijn oogen naar het plantsoen en met zijn rug naar de boeren, die staan ook met hun ruggen toe naar hem, een haag, een dubbele, drie dubbele haag van boeren, op zwaar gewortelte van dikke zwarte beenen, waarachter biggen wriemelen, schapenruggen deinen, waaruit geluid omhoog gaat van verwoede kippen, van verschrikte eenden en gelach, geklap, geroep.... de voeten schuiflen en de beenen warrelen en de heele haag beweegt.... en manden knoersen, kratten knarsen over steenen dat het koud gaat langs je rug. Zij sluiten als een donkere muur het marktzicht van de oogen af, al wat je daar te wezen weet, tot aan de dwarsstraat toe, het lintjes-wapperen, als versiering voor een feest, het blinken, stralen van de hoeden-bloemen, de tintel-kleuren van de echte.... maar het geluid komt door.... één slaat met pannendeksels dat het dreunt.... dat moest je zelf eens mogen doen!

Alleen, apart zit oude Mousje Fles, hij hoort er eigenlijk niet en had hij geen zorgen, hij zat er ook nooit, maar bleef in het warme nauwe straatje ginds, waar geleerde heeren zijn kleinen donkeren winkel binnendalen, twee trapjes af, en oude boeken koopen, die, vreemd genoeg, soms duurder dan nieuwe boeken zijn.... zelf is hij bijna een heer en zelf is hij bijna een geleerde, maar zijn vrouw is ziek en zijn dochter is gebrekkig en zijn zoon is dood, en zijn kleinzoon wil hij laten leeren.... dat weet ze van Vader, want Vader kent hem goed en zoekt hem elke week bij zijn stalletje op.

Als met vingers, onzichtbaar en voorzichtig tippend, bladert de wind in de openliggende boeken dat ze ritselen.... met geluidjes van droog loof, en tot trillende waaiertjes staan de dunne blaadjes uit, rechtstandig naar boven, naar rechts, naar links en voegen zich tot bosjes en vallen toe en vallen af en aan, naar rechts of naar links.... en ritsen sidderend weer op.... en zoo hangt het dus feitelijk van den wind af, welke blaadjes bloot en boven komen en wat je zonder koopen kunt te weten komen, van elk boek! Ze heeft zich in het kijken daarnaar en in het denken daarover zoo verdiept dat ze niets hoorde van wat Vader en oude Mousje Fles tezamen spraken, maar ze voelt ineens zich als gewekt nu ze zwijgen en ze merkt dat ze naar haar kijken.

Een helle blauwe flits, die vloog als een vogel omhoog uit de kist, die komt over de boeken naar haar toe en ze strekt de handen uit.... het ruikt wat duf, maar heelemaal niet naar, het voelt wat klam en de bladen zitten stijf als geplakt.... „De Aarde en hare Volkeren”. Volkeren is toch een mooi, een warm, mollig woord.... Hare Volkeren.... de Volkeren die rondom op de Aarde wonen en die dus Hare Volkeren zijn. Maar hier leest ze ineens iets dat nog mooier klinkt: „De Kleine Steden in Toscane en hare Kunstschatten”.... Ook weer: hare.... hare is mooi! Het boek is groot en zwaar, ze houdt het met één hand tegen den buik en slaat met de andere blaadjes om. Er tintelen zilverigheidjes tusschen het fijne, zwarte gestreep van de prentjes, als je er lang op kijkt.... Hier menschjes klein en zwart in schaduw van een machtig-hooge donkere poort.... eronder: Bas-relief.... en nog weer, hier paleizen, oude poorten, hoog welvend en er onder telkens: Bas-relief.... Niet vragen.... rustig bergen bij de dingen die je niet begrijpt....! „De Kleine Steden in Toscane en hare Kunstschatten”. Het klinkt heel mooi en diep en wonderlijk.... „Reizen door Sumatra”. Dat is ineens veel verder dan Toscane, je zoudt het zien, al wist je het niet.... ’t is Indië, de menschen zijn er zwart en gaan er naakt. „Meisje uit Soeroelangoen”. Soeroelangoen heeft een mooien klank.... Tos-cane ook.... Soeroelangoen is anders.... Toscane komt ineens weer dichter bij.... Het meisje heeft een rond, groot hoofd, een dik gezicht.... wat staat ze rank en recht, wat is haar lichaam dun.... „Meisje”.... zoo vreemd.... zoo ver.... zoo’n heel ander wezen, en dat toch als zij en grooteren, zoo maar gewoon-weg „Meisje” heet. Je zoudt er een anderen naam voor willen kiezen, maar wat?

O.... dit is mooi....! „De Batang-Hari en de monding van de Potar”.... staat er onder en je ziet heelemaal niets dan water, water dat breed zich breidt, water dat lang-uit zich strekt, water dat doodstil uitligt, wijd en vlak en blank, dat overal over uitligt, dat zich spreidt, naar weerszij verder gaat en niet beweegt, den heelen hemel vat en wederkaatst, water zonder rimpeling.... water, eenzaam en groot, water, machtig en verlaten, want nergens varen schepen en van menschen geen spoor. Noch bruggen, noch huizen.... alleen, ver-weg, tegen een diepe lucht van zilverig tintelgestreep twee palmen, klein, bij elkaar, één recht en één scheef, tezamen aan het water dat langs ze stroomt en waarin ze zich spiegelen. Hoe komen ze zoo ver, en zoo alleen, als uit een tuin verdwaald, als uit een bosch verjaagd.... staan ze daar jaren aan dat water, en staren naar dat water, dat jaren staart naar hen.... zoo is dus daarginds op Sumatra de Batang-Hari en de monding van de Potar....

Leegte in haar handen, leegte in haar oogen, naakte verlatenheid in de kilte, het blijde geweld van zooeven een schril rumoer onder bleek, valsch wolkenlicht.... oude Mousje Fles trok haar lachend het boek van tusschen de vingers en borg het in zijn kist. Het leven hokt.... de schuit zit aan den grond, ze zou niet willen en niet kunnen voortloopen naast Vader, als niet vanzelf haar beenen zich verzetten, links voor rechts en rechts voor links en als je eraan denkt, is het gek, maar tegelijk.... nu ze er aan denkt, wordt weer stil-aan die zwaarte van haar weggetild en ergens binnen-in flapt een luikje open, licht en lichtheid stroomen in.... maar spijt en heimwee blijven op den achtergrond, naar de Batang-Hari en de monding van de Potar, die ze even bezat en ineens verloor.

De sigarenwinkelier op den hoek verkoopt behalve sigaren, ook suiker, koffie en thee, die zullen zeker fijner en wel duurder wezen dan bij den kruidenier, hij verkoopt ook witte drop. Witte drop is kostbaar omdat ze, zegt Vader, van Arabische gom wordt gemaakt.... ze weet wel iets van Arabië, er zijn er meer dan een en één ervan heet Gelukkig Arabië.... en dat klinkt vol en zoet als muziek en daar groeit zeker de Arabische gom, waarvan de witte drop wordt gemaakt. Katjes en stokjes en veters verkoopen ze bij vrouw Kluyt, gomballen bij Hofman, den drogist, maar witte drop, van Arabische gom, die zie je alleen hier, in een wijde, tintelende flacon, waarvan de wanden dun als een zeepbel zijn, hoog op een plank tusschen de fijnste sigaren in. Er brandt een kacheltje, maar de deur mag openblijven, zoo is het er winter en zomer al naar je je keert, want er zijn toch nog bloemen ter markt gebracht.... Heeren en mannen loopen in, langs haar heen, en zoo vlakbij lijk je jezelf dan klein en hun praten gaat in de hoogte boven je uit.... het altijd-brandende blauw-gele vlammetje dat uit het ronde, open mondje stulpt, is het warme, lieve van den winkel, al de heeren en de mannen houden er tusschen gesplitste lippen hun sigaar naar toe....

Wie koopt er witte drop.... voor wien laat mijnheer Braat tusschen twee groote open handen den breeden tintelenden flacon kantelen en dalen van de plank en schudt de ronde blanke plakjes door elkaar dat ze rammelen tegen den zeepbel-helderen wand....? Zij kijkt de mannen en de heeren aan, kijkt Vader aan.... maar Vader heeft juist betaald, heeft pas de sigaren weggeborgen, behalve de eene die, versch-aangestoken, feestgeur spreidt.... het deksel werd er bij den tintelende diamantknop uitgelicht.... hij kantelt, in twee handen, over de bruine toonbank naar haar toe.... de heeren lachen, maken plaats.... praten tegen Vader.... ze komt dichtbij.... ze mag... ze krijgt... ze gleden af... ze reiken tot den grooten ronden mond... ze grijpt er een, die koel en week voelt.... ze staat en kijkt.... de heeren lachen.... en ze wordt heelemaal warm en steekt hem ineens in haar mond....

Op straat weer, en aan Vaders hand.... en rondzien, dingen aankijken, menschen aankijken, huizen langs gaan, door menschen aangekeken worden en onder alles door en binnen in het donker van haar mond verborgen, wat niemand weet.... die zachtheid.... zoetheid.... fluweelen streeling.... weekte en geur.... als bloemengeur.... een smaak als bloemen ruiken.... een heerlijkheid.... de heerlijkheid en het zoete geluk van Gelukkig Arabië, omdat witte drop wordt gemaakt van Arabische gom, zoo proef je den smaak van het zoete geluk van Gelukkig Arabië.... als je stil in je zelf „Gelukkig Arabië” denkt, terwijl de witte drop, ongedacht verkregen heerlijkheid, zoetjes verborgen ligt te smelten in het vochtige en het donkere van je mond.... Je kunt wel ademen in je eigen mond.... je lippen vast, je wangen bol en achter uit je keel de lucht.... dan worden ruiken en proeven één, dan weet je niet meer of je ruikt of proeft.... Nu lijkt wel alles wat je wenschen kon, vervuld.... en een luchtigheid tilt je.... en je gaan is als huppeling en je geluk rijst hooger dan zingen-willen, het reikt in een stilte daarboven uit. Nu moet je alleen maar eens even denken, hoe alles nu zou lijken, als je niet met je meedroeg, binnen in het vochtig donker van je mond, wat je nooit had gedacht te zullen proeven, de witte drop van Gelukkig Arabië....

Maar de ochtend ging om, de torenklok loopt naar twaalf, en wanneer het nu waar is dat „negen uur” een streep trekt, een ribbel opricht, dan zal ook „twaalf uur” die streep moeten uitwisschen en dien ribbel neerhalen, daar wil ze nu op letten. En zie, het geschiedt! Twaalf slagen kwamen zingend tusschen de scheepsmasten door, langs pijpen en wimpels, achter pakhuizen om, want het water is hier druk, van de overkant over, en het gebeurde! Huizen en menschen veranderden op slag en ze zenden haar een goedkeuring, bijna een welkomst toe, ze mag hier nu weer loopen, elken dag op dit uur ziet ze de straat en ziet er niets vreemds aan, ze ziet er nu ook niets vreemds meer aan.

Donker zet zich de middag in. Het werd half twee en haar broertje ging naar zijn school en zij bleef achter, ze keek naar de klok en naarmate de wijzer klom, naderde het vreemde, de wijzer overschreed de twaalf en het vreemde was er weer, maar anders dan vanmorgen, niet alsof ze iets verbodens deed, maar alsof ze ziek is geweest en niet voor morgen school mag gaan. De hemel daalt, het huis vult zich met stilte en met schemering.... rondom in stilte en schemering staat het.... ze zou wel verwend willen worden, iets krijgen of iets mogen dat je anders niet krijgt en niet moogt.

Daar vliegt het stuiven van den grooten waterkraan door de geluidlooze leegte en ze is er al heen.... en ze weet meteen, wat ze begeert.... bij dat werk moeder mogen helpen, of beter, dat werk van moeder overnemen.... Mag het Vader, mag ze voor dezen eenen keer, nu ze thuis is, het vleesch koosjer maken? Ze weet precies hoe het moet: een uur in het water en dan overspoelen frisch en ruim en dan op de baret [5] en met zout overstrooien en een half uur zoo laten en nog weer spoelen, het groote, roode vleesch en de kleine stukjes en de beentjes voor de soep, dat alles zijn beurt krijgt, want dan pas is het koosjer en niet al, zooals de anderen denken, wanneer het maar bij den koosjeren slager is gehaald, want dan pas is het bloed er uit, en bloed is „ziel” en „ziel” zult gij niet eten, zelfs niet wat van je eigen ziel naar buiten perst door de huid, als je je prikt of snijdt, in groote, donkerroode parels.... ja, waarom eigenlijk niet, Vader, waarom mag je van je eigen ziel wat verloren zou gaan niet terugnemen.... het is toch je eigen ziel, die huist in je eigen bloed? Ja, dat het vies is, daar heeft moeder gelijk in, ze wil het ook niet doen, ze wil maar enkel weten waarom het niet mag.... De grijze teil loopt ruischend vol, van hoog uit valt de stijve straal, die is als een ijzen staaf en boort zich diep het water in en kolkt het op en woelt het om dat zilveren blaasjes samenbubbelen tot licht en tintelig schuim.... hoe fel dat neerkomt op je hand, naar alle kanten wegspat.... maar eer het water stillen kon.... daar davert weer de straal, ze trok haar hand terug, en een geweld, dat komt omdat je vlakbij staat en nergens anders op let. Roept Moeder daar? Genoeg... genoeg.... ze schrikt er van, het steeg ineenen tot den rand, het springt er dadelijk overheen. Nu moest de kraan eens niet dicht willen gaan, nu moest die waterstaaf aan het neerslaan blijven.... Maar neen.... hij kroop terug in het donker, binnen het koper, tot achter den muur, ’t werd stil, opeens, en het tintelende schuim vervliegt, nu het water rustig wordt.

De klok is goed voor schoolgaan, uitgaan, slaaptijd, etensuur, maar Vaders horloge mag alleen den tijd voor heilige en gewijde dingen meten.... het ligt op tafel, een zachte rondheid van zilver en glas in het rood.... ze is uit de keuken gekomen, en net als moeder heeft ze gezegd: „Het vleesch staat in het water, Vader.” En Vader heeft zijn horloge uitgehaald en voor zich gelegd, het wijst tien minuten voor half drie. Is het nu tien minuten voor half vier, dan zal Vader zeggen: „Het vleesch moet uit het water”, want nooit zegt Moeder dat uit zichzelf, of doet het uit zich zelf, het zal dus tot het voorschrift hooren, zooals ook bij den Seider „de Heer des Huizes” en hij alleen bepaalde dingen doet.... Zij zal wel telkens kijken, en wel vragen, maar wachten met doen op wat Vader zegt....

Het uur duurt lang.... stil, schemerachtig staat het huis, daar buiten alles stil en schemerachtig is, niet droevig nu, niet doodsch en doelloos, als vanmorgen, maar met bezigheid van gedachten en verwachting naar het eind. Hoe laat is het en hoe lang nog, Vader....? Ze wil nu niet meer kijken, en onverwacht zal het dan komen. „Het vleesch moet in het zout”. Wie had het verleden week gedacht, dat zij dat zou mogen, zij dat zou doen?

Ze beurt het tastend uit het troebele, roode, naar omhoog, je ziet geen bodem, je ziet geen vleesch, het kon een zee zijn honderd meter diep, waarin de hand verzinkt, waaruit hij opkomt, en weer afdaalt, zelf onzichtbaar wordt.... den steelnap vat ze beet en schept uit fonkel-klaren emmer en wendt en keert de eene hand en sproeit en giet met de andere, vergeet geen hoekje, hoort haar eigen adem, en diamanten druipen langs haar vingers, langs het verbleekte vleesch, gaan in de troebele, roode zee verloren met klein getinkel en geruisch en moeder staat erbij, maar vindt niets aan te merken.... En nu ligt alles bleek en vochtig uit en krijgt zijn eerlijk deel aan zout....

„Het vleesch staat in het zout, Vader.”

Er was een orgel, er kwam een bedelman, en moeder zette thee.... dit half uur ijlde langs haar weg en zonder dat ze het voelde, maar Vaders pen staat plotseling stil en Vaders stem klinkt op: „Het vleesch is koosjer.” Een kleine schok, een rilling, licht en even maar.... waarom? Om iets dat voorbij is, en iets dat begint, om een klank in Vaders stem, omdat Vader nu het horloge weer van de tafel neemt en in zijn vestzak bergt.... om alles, om niets. Haar deel aan het werk is nu volbracht, ze droogt de handen, ziet hoe moeder doet. De pan staat al te vuur en het bleekroode vleesch gaat nu zwellen en wordt grijs en maakt het reuklooze, kleurlooze water tot geurige, krachtige, vette bouillon. Dan neemt Moeder het vleesch eruit en het wordt met zout en peper fijn en licht overstrooid, met muskaatnoot dun en luchtig overraspt en Moeder komt met de schotel bij Vader staan, dat de geurige damp tegen Vaders lorgnetglazen slaat en Vader neemt het lorgnet van de neus en kijkt en Vader zegt: het is goed. Maar dat is nog lang niet en dan is het licht op en dan is het avond en de avond wijst naar den Vrijdag heen en de Vrijdag is een vlakke vlugge weg, daar aan het einde de Sjabboslamp lonkt....

HET BEDROG

De groote menschen zeggen wel dat het een aanwensel is, maar ze zeggen verkeerd. Want van een aanwensel weet je precies hoe je er aan komt, van wie je het overnam, en gebruik je dat woord, dan zie je dat gezicht en je hoort die stem. Is het een beweging of een manier van doen, dan herinner je je heel goed den eersten keer en trouwens, je voelt het wel als iets niet is van je-zelf en maar boven-op je zit geplakt! Maar dit is nooit begonnen, het is er, zoolang ze weet, als van meet af geweest, dit heeft ze ook niet van iemand overgenomen, of zelfs maar ooit gezien, maar altijd uit zichzelf gedaan, dus is het geen „aanwensel”. Ze noemen het ook maar zoo, om te kunnen verlangen dat ze het laat en om kwaad te kunnen worden, zoolang ze het doet.